De luis in de pels
|
De luis in de pels Niet lang geleden op een zwoele vooravond liep ik in een cultuurstad door een steeg met lastige kasseien langsheen een wagenwijd openstaand raam dat nillens willens denken deed aan Mei van Herman Gorter, toen ik van daaruit één zin opving van kennelijk een toespraak die daar aan de gang was en ik wil hem hier herhalen omdat hij in mijn hoofd is blijven echoën op de manier waarop hij dat in dat niet te grote zaaltje deed, net voor een donderslag weerklonk en een onweer losbarstte zoals een mens maar één keer in zijn leven meemaakt: “Duizenden jaren lang hebben de godsdiensten de organiserende principes geleverd voor de opbouw en de instandhouding van de samenleving maar de vraag rijst of wij kunnen dulden dat zij dat blijven doen.” En het was mij nota bene niet te doen om het beantwoorden van de vraag van de mij tot heden onbekend gebleven orator: wat mij dwars zat, was de verborgen premisse in de uitspraak en dus de vraag of het inderdaad het geval is dat maatschappijen ooit een godsdienst hebben nodig gehad om zich te organiseren. Het lijkt mij immers veeleer zo te zijn dat die religies er vroeger waren tegen heug en meug en bij gebrek aan beter en dat hun voortbestaan alleen mag toegeschreven worden aan de wet der traagheid, aan het spel van de verworven rechten en aan allerlei bijwerkingen zoals voorrechten, sociale standen en nog andere vormen van gewin. Het ontstaan van godsdiensten is misschien veeleer te wijten aan onze neiging tot verdichting, aan onze angst voor gaten, voor lacunes en voor onbeantwoorde kwesties, waarbij wij liever onbewust blijven van het feit dat wij fantaseren en dat wij dat liever doen dan met allerlei leemten verder te leven. Ontbrekende letters en zelfs hele woorden in een tekst vullen wij zelf in, meestal zonder te beseffen dat wij dat doen: wij lezen “verdichting” waar “verdiching” staat en om dezelfde reden lopen wij tegen de deur aan als we helemaal niet zien maar wel verwachten dat zij openstaat. Zo ook vullen wij de vragen waar we dan vandaan komen en waar we heengaan, veel liever in met een “deus ex machina” dan te moeten blijven zitten met een mond vol tanden. En zij die zorgen voor een antwoord, doen daar ook altijd hun profijt mee, als zij het al niet zijn die ons de pap in de mond hebben gegeven om dergelijke vragen te gaan stellen want vaak in tegenstelling tot wat sommigen ons proberen aan te praten, zijn zogenaamde diepe levensvragen luxueuze kwesties waar mensen helemaal niet aan denken als zij de handen vol hebben met de zorg voor de kost. Vragen om uitleg zijn tegelijk ook vragen om een antwoord omwille van het antwoord, ongeacht hoe dat klinkt, kijk maar naar de muziek, zij is een opeenvolging van vragen en antwoorden, geheel zonder inhoud, louter van vorm, en toch vinden wij dat geen reden om haar tot onzin te verklaren. Waar de vraag zich stelt, rijst ook een aanbod, zo wil het de wet van vraag en aanbod, en de vraag is een behoefte, terwijl behoeften vaker worden aangepraat. Wij denken dan dat wij iets nodig hebben omdat het ons wordt voorgezegd: een ijskast kunnen wij wel gebruiken maar een kruimeldief, een elektrische tandenborstel, een ondulatiekam en een plastic kadertje waarvoor nog een prentje moet gevonden worden, behoren steevast tot dat gedeelte van de inboedel dat binnen de kortste keren naar de kringwinkel verhuist. De essentie zelf is eerder beperkt en dat geldt ook voor de dingen die onze interesse kunnen wekken. Aan kinderen wordt het vergeven dat zij vragen stellen, dat moeten zij ook doen, maar eens in het bestaan gesetteld, laat het de meeste mensen koud wanneer de paus van Rome een bezoek zal brengen aan ons land. Alvast in de hellepreken van destijds werden door paters uit afgelegen kloosters de hoofden van de toehoorders op hol gebracht met metafysica of wat daarvoor moest doorgaan: “Beste gelovigen, hebt u al eens stilgestaan bij de vier uytersten van den mensch?” Bangmakerij, zo weten wij nu allen, waarna het de beurt was aan aftroggelarij en nog meer van die narigheden. Het ging erom de mensen bang te maken, véél mensen bang te maken en zo mogelijk àlle mensen, want vele kleintjes maken een groot, zo weet de kerk wel die zich rijk gebedeld heeft, als het al niet ging om pure afzetterij. De dominicaner orde werd getraind voor hellepreken en elke preek werd door een omhaling gevolgd, de centen zouden ten goede komen aan de arme negertjes in de brousse, zo werd aan de goedgelovigen voorgehouden, maar intussen werd dat deel van de geschiedenis in kaart gebracht door menig vorser en wij weten nu dat het kolonialisme een racistische bedoening vanjewelste was, een gigantische plundering van hele werelddelen, gepaard gaande met slavernij en genocide waar zelfs Adolf Hitler niet aan tippen kon. De dominicanen hielden zich verder ook nog ledig met stervensbegeleiding: begeleiding in het uur der waarheid, maar niet van iedereen, welteverstaan: de doelwitten van de “Domini canes” of de “honden des Heren”, zoals ze zich met zelfspot noemden, waren graven en baronnen, of beter: het fortuin van deze parasieten. De nonnen en de broeders vormden bedelorden en zij werden vaak als kind nog buit gemaakt in kringen die zich behoeden wilden voor de schande van onechte nazaten: pastoors, bisschoppen en notabelen schuwen het namelijk om met de vinger te worden gewezen en velen van hun nazaten belandden in weeshuizen en vandaar in slotkloosters waar zwijgplicht heerste omdat wat niet gezegd wordt, ook niet kan bestaan. Angst aanjagen was altijd al de boodschap van de potentaten en met wat kon men dat beter doen dan met het opperwezen zelf waarvan de meest listigen onder de mensen zich de vertegenwoordigers gingen noemen; tevens konden zij met voorspraak handelen voor wie er wat voor over had - wat dan “goede werken” heette. Gewicht kwam er uiteraard pas in de schaal middels de samenzwering van de tovenaars met de wereldse heersers, “twee handen op één buik”, zoals de ketters het toentertijd omriepen maar hoe dan ook: het ging erom dat godsdienst de wereldse macht nog doortastender maakte omdat zij kroop waar de macht van koningen niet gaan kon: de wet immers is één zaak waarmee men mensen weet te strikken maar het geweten is een nog veel prettiger aangelegenheid voor de hoge pieten die een misprijzen koesteren voor de arbeid in het zweet des aanschijns. Friedrich Nietzsche heeft ooit aangetoond in zijn Genealogie van de moraal dat de gehoorzaamheidsethiek van de slaven niets anders is dan een overlevingsstrategie en daar zijn we bij de kerk en haar door een perfect panopticum geketende gelovigen. Maatschappijen werden met succes gebrouwd rond goedgelovige burgers maar dat kwam altijd alleen hun overheersers ten goede met hun herenmoraal die niet de ethiek is van gehoorzaamheid doch die van de bevelen en de straffen. Wellicht was daarvan nog helemaal geen sprake in het stammenleven van de wilden die leefden in een vrede die de mensen daarna nimmer kenden. Napoleon probeerde met de adel en de clerus komaf te maken, hij confisqueerde de bezittingen van de kerk, maakte loonslaven van de clerus die hij naar de pijpen van de staat liet dansen maar uiteraard was Bonaparte slechts een sterfelijk mens, niet opgewassen tegen machten die de eeuwigheid trotseren. En dat doen zij heden nog, de wet der traagheid blijft ons parten spelen, de luis zit in de pels, ook al heeft de pels daaraan nooit nood gehad. (J.B., 16 juni 2024) |






