Manufacturing Consent (Chomsky & Herman) Over de leugenfabriek van de demon van het geld - Aflevering 4: Actualisering van de casestudies
|
Manufacturing Consent (Chomsky & Herman) Over de leugenfabriek van de demon van het geld Aflevering 4: Actualisering van de casestudies De inleiding bij de uitgave van 2002 geeft een actualisering van het boek, die hier wordt verdergezet. Na de actualisering van het propagandamodel volgt de actualisering van de casestudies en die betreffen (1°) de verkiezingen in El Salvador, Guatemala en Nicaragua, waarover de berichtgeving partijdig is, wat betekent afhankelijk van het feit of het cliëntstaten betreft; (2°) de desinformatie omtrent een complot van de KGB en de Bulgaren om de paus te vermoorden en (3°) de oorlogen in Indochina (Vietnam, Laos en Cambodja). Om het beleid te kunnen voortzetten worden slachtoffers van de VS en bondgenoten worden zoveel mogelijk verzwegen (cf. bijvoorbeeld de moord op Romero in 1980), terwijl door de vijand gemaakte Amerikaanse en Amerikaans gezinde slachtoffers in de verf worden gezet. Zo wordt over bondgenoot Turkije gezegd dat het de Koerden 'onderdrukt', terwijl over Sadam Hoessein van Irak gezegd wordt dat hij 'genocide' op hen pleegt.1 Over het gebruik van het woord 'genocide' in diverse oorlogen geven de auteurs overtuigende tabellen en verklaringen, ook m.b.t. bijvoorbeeld de moorddadige dictatuur van de door de VS gesteunde Soeharto in Indonesië, die verzwegen wordt terwijl die van Pol Pot in Cambodja in de verf wordt gezet... totdat de VS hem in 1978 gaan steunen. De 'massavernietigingssancties van de VS in Irak (1991-1998) veroorzaakten de dood van een half miljoen kinderen en minister Madeleine Albright zei op de televisie dat die kinderdoden 'het waard waren': het woord 'genocide' was hier derhalve niet van toepassing!2 Ook inzake nieuws over de verkiezingen wordt gewerkt met twee maten en twee gewichten. Zo bijvoorbeeld inzake de verkiezingen in Nicaragua en in El Salvador: “staken de mainstream media een handje toe en beschreven de Salvadoraanse verkiezingen als een 'stap in de richting van de democratie' en de Nicaraguaanse (…) als een 'schijnvertoning' (...)”3 Dezelfde partijdigheid inzake verkiezingen in Cambodja, Joegoslavië, Kenia, Mexico, Rusland, Turkije en Uruguay. Onder Reagan (1981-1988) gold Rusland als het 'Rijk van het Kwaad' en de moordpoging op de paus door Agca (13 mei 1981) werd de basis voor propaganda in de Koude Oorlog. “Agca was een Turkse fascist (…) maar toch 'bekende' hij [zeventien maanden later in de gevangenis waar gezanten van belangrijke politici hem bezochten] dat hij was ingehuurd door de KGB en de Bulgaren”4, wat de Italiaanse communisten maar “ook de regering Reagan uitstekend van pas kwam.”5 Een uiterst verdachte bekentenis. “Toch accepteerden de mainstream media dit verhaal met een verbazingwekkende goedgelovigheid.”6 Toen later geen bewijzen van Bulgaarse of Russische betrokkenheid werden gevonden (wat bevestigd werd door getuigenissen van CIA-agenten), zweeg de Amerikaanse media hierover in alle talen. 7 Het bedrog van de media (The New York Times en The Times) kwam aan het licht maar er volgden geen excuses, de zaak ging in de doofpot. Na W.O.II steunden de VS tegen de wil van de bevolking in (en dus als agressor) een (anticommunistische) regering in het Zuiden van de toenmalige Franse kolonie Vietnam. “De media accepteerden probleemloos dat we bescherming boden aan 'Zuid-Vietnam' - een maaksel van de VS, met aan het hoofd een rechtstreeks uit de VS geïmporteerde dictator - tegen de agressie van een andere partij, waarbij die agressor soms Noord-Vietnam, soms de Sovjet-Unie of China was, of het verzet in Zuid-Vietnam zelf, dat 'interne agressie' pleegde!”8 De media hadden het echter nooit over Amerikaanse agressie. De oorlog (in 1975 gevolgd door een nog 18 jaar lange boycot) telde 3 miljoen Vietnamese doden, 4,4 miljoen gewonden en miljoenen vergiftigden door chemische wapens. “Niettemin bleef de visie van Amerikaanse functionarissen en de mainstream media dat de VS goed werk hadden gedaan in de oorlog en het slachtoffer [!] waren geweest van agressie”9 en in 1992 verklaarde president George Bush niet met vergelding te zullen dreigen!10 De dader-slachtofferrollen werden in de media gewoon omgedraaid. En dan de berichtgeving over chemische oorlogvoering. In 1961 beval Kennedy (tegen alle verdragen in) de rijstoogst in Zuid-Vietnam te vernietigen met vergif: tien jaar lang werd met 7,5 miljoen liter arsenicum en dioxine (Agent Orange), massale hoeveelheden 'super-traangas' CS, napalm en fosforbommen de landbouwgrond vernietigd met hoofdzakelijk kinderslachtoffers. Hetzelfde gebeurde in Laos en in Cambodja. “De Cambodjaanse regering klaagde bitter over de schending van haar neutraliteit door deze onmenselijke en illegale actie, maar het land was te klein en te zwak om zijn stem te laten horen of om zich juridisch of anderszins te verdedigen.”11 Toen het schandaal al bekend was uitte de media enige kritiek gedurende korte tijd maar (op één uitzondering na) werden de illegaliteit van de acties (oorlogsmisdaden) alsook de gevolgen verzwegen. The Wall Street Journal berichtte over een half miljoen misvormde kinderen maar stelde dat de VS als uitgeputte verliezer van de oorlog zich daar niet om bekommerden. Zuid-Vietnam had geen stem; Noord-Vietnam werd met rust gelaten omwille van de banden met andere landen en de vrees voor publiciteit. Men betreurde alleen dat dit dan toch “gecontroleerd experiment betreffende de effecten van dioxine op mensen, waar we veel van zouden kunnen leren”12 niet te baat werd genomen. In de jaren tachtig onder Reagan startte men een campagne op om de schuld voor de vergiftigingen in de schoenen van de USSR te schuiven maar die haring bakte niet. “De Sovjet-Unie is doeltreffend in verband gebracht met het gebruik van dit smerige wapen, door middel van valse bewijzen en met medewerking van de media. [Zo] hebben de media de indruk helpen wekken dat de VS (…) het morele gelijk aan hun zijde hadden (...)”13 (Wordt vervolgd) (J.B., 4 april 2025) 1Ib., p. 23. 2Ib., p. 26. 3Ib., p. 29. 4Ib., p. 33. 5Ib., p. 33. 6Ib., p. 34. 7Ib., pp. 34-35. 8Ib., p. 37. 9Ib., p. 37. 10Ib., p. 38. 11Ib., p. 39. 12Ib., p. 41. 13Ib., p. 42. |





