De leer van Augustinus - Aflevering 4.
|
De leer van Augustinus Aflevering 4. Na een beknopte schets van zijn theologie en van zijn op de wijsgerige actualiteit te betrekken inzichten, zijn we via een vergelijking van de toenmalige crisis in het Romeinse Rijk met de hedendaagse wereldcrisis, beland bij de politieke filosofie van Augustinus zoals beschreven door Herman De Ley. Voor een goed begrip van die politieke theorie is het aangewezen Augustinus' leven en werk nog kort te belichten. Het quasi totalitarisme na de crisis in het Romeinse Rijk bracht in de 'nieuwe orde' alsnog welstand voor de heersende klasse en ook een heropleving van het geestesleven, inbegrepen het christendom. De kerk onttrekt heel wat talent aan de staat met haar (met de huidige wereldleiders vergelijkbare) 'analfabeten-keizers'.1 Dankzij de offers van zijn ouders kon Augustinus studeren en was ook hij voorbestemd om het in de wereld te maken; hij werd lesgever retorica in Milaan maar koos uiteindelijk voor de 'onwereldse' filosofie: wijsheid in plaats van welsprekendheid. Zijn interesse verschoof van de klassieke auteurs (o.m. Cicero) naar het manicheïsme, een rationele versie van het christendom door Mani (215-276) die zichzelf zag als de parakleet (de beloofde H. Geest) geïnspireerd door Zoroaster, Boeddha en Christus, de latere katharen of ketters, met nadruk op ascese. Maar zijn moeder (de H. Monica) bracht Augustinus in contact met bisschop Ambrosius die hem de proloog van het (Plotinisch klinkende) Johannesevangelie openbaarde, waarna hij zich in 386 bekeerde tot het christendom dat hij zag als de 'ware filosofie'.2 Eerst rekende hij af met onder meer het Manicheïsme, het Donatisme en het Pelagianisme in een reeks 'filosofische dialogen'. Hij richtte een kloostergemeenschap op in Thagaste, werd in 391 aangesteld tot priester en alras tot bisschop van Hippo, een job die het merendeel van zijn tijd opslorpte terwijl hij toch een immens oeuvre creëerde, waaronder zijn belangrijkste theoretische werken: Confessiones (400), De Trinitate (399-422), De doctrina christiana (396-426), De civitate Dei (413-426) en Retractationes (426-427). Augustinus sterft in 430, net voor de verwoesting van Hippo.3 De kerk werkte samen met de staat (in de “Pax Catholica”) om de gemeenschappelijke vijand van onder meer het Donatisme (die de rede van de weliswaar heidense antieke filosofen verwierp) te kunnen verslaan. Augustinus hamerde op het belang van de rede door het geloof ofschoon hij niet twijfelde aan de geopenbaarde waarheden en hij erkende dat de uiteindelijke kennis pas met de visio Dei wordt verkregen; hij zag de filosofie als dienstmaagd van de theologie: “philosophia ancilla theologiae.”4 Augustinus is subjectivist en zoekt in de onrust van de wereld naar zelfintegratie (wat hij 'wijsheid' en 'kennis' noemt) en daartoe benut hij de filosofie van Plato en zijn volgeling Plotinos om een nieuw zelfbewustzijn te construeren. Plotinos ziet het Zijn als hiërarchisch gestructureerd: het kwaad, beneden, is afwezigheid van Zijn; het Zijn is het hogere, men vindt het door inkeer, via ascese, in de ziel: alles is binnenin. De geest staat tegenover het vlees, zoals bij Paulus. De innerlijke ruimte is de 'memoria': “de pleinen en ruime paleizen van het geheugen, waar de schatkamers zijn met ontelbare beelden.”5 Dat zelfbewustzijn hangt samen met een gecoördineerd, geünifieerd wereldbeeld.6 Augustinus introduceert de christelijke categorieën van de schepping en de genade, de wil en de tijd. Volgens de antieken verenigt de mens zich met God door de kennis van God maar volgens Augustinus komt verlossing door de genade van God die de ziel schiep. God staat boven de mens (die niet te willen heeft) zoals de keizer boven de burger staat. “De wil is een beweging van de ziel om, in afwezigheid van elke dwang, iets hetzij niet op te geven, hetzij te verwerven. (…) Men zondigt derhalve enkel door de wil.”7 Bijzonder is Augustinus' tijdsbegrip dat deels steunt op dat van Plotinus: wij bestaan niet in de tijd, zo zegt Plotinos, maar de tijd is een ingrediënt van de ziel. Het in-de-tijd zijn is een gevolg van de erfzonde en is een niet-zijn, een illusie, “een verbreken van het evenwicht dat de eeuwigheid kenmerkt.”8 De geschiedenis betreft de 'uitwendige mens' en staat los van het echte leven, de 'inwendige mens', die aan de tijd ontsnapt door contemplatie, zoals ook Augustinus bepleit. Immers, de schepping heeft plaats buiten de tijd, die immers zelf geschapen is. De incarnatie (van Christus) is het binnenbreken van de eeuwigheid in de tijd en we moeten doorheen de tijd terugkeren naar God, die we zelf moeten zoeken in een eigen levensgeschiedenis. De tijd is het quasi-uitgerokken worden van de ziel, de uitgebreidheid van de geest zelf. Verleden, heden en toekomst komen overeen met respectievelijk herinnering (memoria), aanschouwing (intellectus) en verwachting (voluntas), de drie vermogens van de ziel. De waarheid moet in onszelf gemaakt worden, door de belijdenis, door de activiteit van het zoeken.9 De kennis en de kennis van het goede zullen dan uiteindelijk leiden tot Augustinus' politieke leer. (Wordt vervolgd) (J.B., 17 mei 2025) 1Herman De Ley, o.c., pp. 110-111. 2Herman De Ley, o.c., pp. 111-117. 3Herman De Ley, o.c., pp. 117-125. 4Herman De Ley, o.c., pp. 125-129. 5Herman De Ley, o.c., pag. 135. 6Herman De Ley, o.c., pp. 129-138. 7Herman De Ley, o.c., pp. 148-149. 8Herman De Ley, o.c., pp. 149-150. 9Herman De Ley, o.c., pp. 150-158. |











