Verjaagd uit de tuin van Eden
|
Verjaagd uit de tuin van Eden Onlangs bracht een collega mij een tekst onder de aandacht van een zekere Peter J. Meyer over een al dan niet vermeende denkfout die gemaakt zou worden door wie geloven dat het bewustzijn een product is van de hersenwerking. In de tekst wordt de volgende redenering gemaakt: De neurowetenschappelijke kennis over het brein hangt af van waarnemingen, enerzijds m.b.t. het brein en anderzijds m.b.t. metingen van breinactiviteit. Die waarnemingen en ook de theorievorming of het maken van een model naar aanleiding daarvan, zijn bewuste activiteiten, zo zegt hij. En dan vervolgt de auteur: als een filosoof vraagt naar het verband tussen bewustzijn en hersenwerking, dan vraagt hij eigenlijk naar het verband tussen bewustzijn en zijn model over de breinwerking. Maar omdat dat model een deel is van zijn bewustzijn, wil hij dus bewustzijn verklaren met een voortbrengsel van dat bewustzijn; hij wil dus het geheel verklaren middels een deel ervan, en dat is absurd, aldus de auteur. Hij gelooft derhalve met een redenering vanuit het ongewisse te bewijzen dat het onbewijsbaar is om het bewustzijn als een product van breinactiviteit te beschouwen. Tot daar de redenering van Peter J. Meyer.1 Misschien is de auteur overijverig in zijn poging om het ongelijk van het materialisme aan te tonen want zijn redenering loopt in meer dan één zin spaak. Het is een feit dat metingen sowieso bewust gebeuren. Een onderzoeker moet zich tevreden stellen met observaties, met metingen en het beschrijven daarvan. Hij verkrijgt dan een tekst die een afbeelding is in de wereld van de taal, een afbeelding van iets dat zich buiten de wereld van de taal bevindt. Maar het gelijkstellen van hersenwerking (“neural activity”) met een intelligibel model (“an intellectual model”) is geheel onterecht. Het laatste behoort tot de wereld van de woorden, het eerste echter niet. En dat maakt Meyers' conclusie uiteraard ongeldig. Alles wat men m.b.t. het aangekaarte probleem (namelijk het verband tussen hersenwerking en bewustzijn) kan zeggen, is o.i. het volgende: wie het bewustzijn beschouwen als een product van de hersenactiviteit, maken geen onderscheid tussen de woordenwereld - of eerder nog: het bewustzijn - en wat daar buiten ligt - het object van bewustzijn. Zij nemen dan sowieso aan, ofwel dat alles in het bewustzijn ligt, ofwel dat alles buiten het bewustzijn ligt. Wie daarentegen aannemen dat dit niet het geval is, blijven zitten met het mysterie van de kloof tussen stof en geest. Bovendien is het verklaren van het geheel middels een deel - of dus het inductief redeneren - onoverkomelijk in de theorievorming, waarbij dan uiteraard altijd de voorlopigheid van de kennis verondersteld wordt. In feite ligt de kern van de denkfout van Meyers in het verwarren van enerzijds het begrip “deel van het bewustzijn” met anderzijds het begrip “object van het bewustzijn”. De auteur immers acht het (brein)model een deel van het bewustzijn terwijl het geen deel ervan is maar een object ervan en dat maakt een wereld van verschil. Het bewustzijn heeft namelijk geen delen, het is altijd één en hetzelfde. Alles wat 'in' het bewustzijn komt, is daarvan onderscheiden, het staat er tegenover, het is er object van en nooit is het gelijk daaraan. Die waarheid toont meteen het wrede lot van de wereld dat het lot is van de mens: wij staan onherroepelijk buiten alles wat wij kennen, geloven, weten, waarnemen, zien. Het is het lot van de mens dat hij overal buiten staat en nimmer kan hopen dat daar ooit verandering in komt. (J.B., 8 november 2025) 1Het tekstfragment gaat als volgt: “The neuroscientist's knowledge of the brain depends on two things. Firstly, perception of the brain and perception of pointers and digital read-outs provided by the instruments that neuroscientists use to study brain activity. Secondly, thinking about this information, and in particular the formulation of testable hypotheses to make these observations comprehensible in terms of a theory of brain activity. Both this perceiving and this thinking are conscious activities. They do not produce knowledge of the brain as it is in itself, but rather allow neuroscientists to construct a detailed model of the brain, one that posits, for example, the functioning of a corticothalamic system able to “build a world”. So when a philosopher asks, what is the relationship between consciousness and neural activity, he is actually asking what is the relationship between consciousness and an intellectual model, in this case, a model of brain activity. But his intellectual model is part of his own consciousness. Those philosophers who assert that consciousness is a product of neural activity are thus claiming that consciousness is a product of something which only came about and which only exists as a content of consciousness. Thus they are trying to explain the whole in terms of a part of that whole, which is absurd.” (Cf.: Peter J. Meyer, Concerning the Nature of the DMT Entities and their Relation to Us, in: https://www.academia.edu/25050673/Concerning_the_Nature_of_the_DMT_Entities_and_their_Relation_to_Us )
|



