Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

Berichten van 1 januari 2026 tot 31 december 2026

Nosferatu (J.B., Verhalen 2006-2009)

Nosferatu



Er is een oud houten schip dat over bijna rimpelloos water, stilletjes klokkend, in melkdichte mist, tussen koude stellingen, een verlaten haven welhaast ongezien naar binnen schuift. Het zwalpt, botst tegen de kade aan, draait vanzelf zijwaarts, botst opnieuw, leunt tegen de oever, schommelt, raakt vast in 't slijk. Daar duiken uit de buik van 't schip dat eerst verlaten leek, rappe ratten op, naarstig snuffelen zij zich een weg naar de rand van hun container, zij hebben land geroken, in lange, grijze colonnen gaan zij aan wal. Het land slaapt nog, de mensen hebben geen zorgen en hun dromen zijn quasi ondoorzichtig zoals de nevelen van deze ochtend die een vreselijk tijdperk inluidt. Nog in de stille morgen wordt het schip ontdekt, wordt de dode schipper die kennelijk zichzelf aan 't stuurwiel knevelde, losgemaakt, wordt het ruim doorzocht, wordt het logboek ingekeken, wordt ontdekt dat de ganse bemanning omkwam ingevolge de zogenaamde zwarte dood. Nosferatu, zo hebben zij hem genoemd, is hen voor geweest, hij is al ontscheept, hij heeft het continent reeds ingenomen en hij heerst zoals alleen de dood kan heersen.



Stultiferi navis, de boten der krankzinnigen, want in de middeleeuwen werden de gekken op een schip geplaatst en dan helemaal zee-inwaarts gejaagd, zogezegd naar het beloofde land maar eigenlijk om nooit meer weer te keren. Ergens worden schepen weldoordacht van duistere ladingen voorzien en 't land van golven ingestuurd, met de vaste overtuiging dat ze zullen stranden waar ze dat ook moeten doen, zoals oude paarden die vanzelf naar huis gaan wijl hun boer al op zijn karre slaapt, alsof elk van deze boten zijn lot kende en beminde, zoals men zijn bezit bemint. Naarstig worden zij geladen, deze schepen die schijnbaar hun baan al kennen sinds het begin der tijden; maar wij weten wel beter want het zijn hun banen die hen dragen, het zijn de stromingen die de schepen brengen waar ze stranden moeten, precies zoals ook de scholen vis in de zee en de zwermen vogels in de hoge luchten op hun eigen stromen drijven en aldus belanden waar die wegen van water en van lucht hen als vanzelf afleveren en waar zij thuis horen. De ganse ruimte en de tijd: zij liggen vast en alles is sinds het begin in orde, het draait zoals een speeldoos, noot na noot wordt het programma afgewerkt, het draaiboek en het drama, want alles komt uiteindelijk goed daar alles rust vindt in de dood voor immer.



Lang heeft het grote continent aldaar gelegen, wachtend op haar meester als een bruid, aanzwellend van levend bloed, dag na dag en jaar na jaar, de eeuwen gleden weg, totdat de tijden kwamen die steeds zullen blijven wederkeren. De tijd van de geboorte was nu lang voorbij, en die van de groei en daarna die van de overmoed, tenslotte deze van de ondergang. Al die tijden, zij waren voorbij, en in deze ochtend van stille waters en van mist kwam met het oude schip dat deze stroming bracht, de tijd aan wal van Nosferatu, zoals ook de tijd komt van de made als de vruchten rotten in de o, zo schone herfst der dichters. Hij wachtte totdat 't gehoorzaam schip tegen de kade leunde en zette dan voet aan wal zonder ook maar een ogenblik te aarzelen, alsof hij dit al duizend keren had gedaan. De melkwitte mist deed zijn zwarte mantel grijs uitslaan en leek zijn gestalte uit elkaar te halen in ontelbare delen: kleine, grijze en haastige vlekken die gelijk in een wirwar dooreen wriemelden. De vage vlekken zochten orde, zij vormden een colonne en kregen poten, kropen snuffelend voort, elk gevolgd door een lange, grijze staart en een muziek voortbrengend van zo hoge tonen dat zij de oren doof maakten van al wie het tafereel van te dichtbij wilde aanschouwen.



Het gebeurde allemaal in een zeer verlaten verte, want de haven lag die ochtend in de verte, het zwakke ochtendlicht waaruit de nacht voortijdig weggewassen was door melkachtige nevels, bedroog het oog verraderlijk van elkeen die wilde zien wat eigenlijk niet voor mensenogen is bestemd tenzij ze slapen, dromen en niet weten of wat op hun netvlies speelt, afkomstig is van buiten uit het licht der wereld of van binnen uit de nachten van de ziel. Die verten leken reeds na luttele minuten, of waren het slechts seconden, op te lossen in de spiegelingen van het water: het schip leek wel gezonken nu, gezien geen spoor meer achterbleef van 't statige visioen, maar toen het licht hoog in de luchten klom, wist ieder die ontwaakte dat deze dag heel anders was, dat hij gekomen was en dat hij met stille hand, zoals het een dief past in de nacht, het land voorgoed had ingenomen.



En is zij niet zacht, de hand van de dood, die de furie van de hoop verjaagt, die 't gek en overspannen doen van dove blinde meuten tot bedaren brengt, die kermissen verstillen doet en die alleen het zachte wenen duldt en het geknars van tanden? Heelt zij niet de in vuurwerk en in wild lawaai ontaarde steden van kille graniet die ooit vruchtbare akkers waren? Brengt zij niet weer tot rust die uit zichzelf gebarsten zijn en die hun oorsprong en hun moeder zijn vergeten, die zich helden, ja, goden wanen wegens een of andere beurs vol met gestolen goud? Dapper zwijgen doen zij allen als de dood voorbijtrekt, deze anders zo luidruchtige lieden, en hun gebrul verstomt, onder de aarde verbergen zij hun lijf zoals onooglijke dieren dat doen als in de verten donderslagen de aarde doen beven, als was er een golem in aantocht.



Het is Nosferatu wiens gestalte opdoemt aan de kim, een nerveus gefluister vermengt zich met de dunne winden en nauwelijks stijgt iets daarvan ten hemel. Nosferatu spreekt tussen zijn tanden, zijn stem klinkt kalm alsof hij ons de eeuwige rust kon schenken en op de keper liegt hij niet eens als hij zijn wijsheid voorlegt aan wie leven willen, hij scandeert: elk levend wezen is in zijn voortbestaan afhankelijk van ander leven omdat elkeen nu eenmaal eten moet. Wij eten elkaars vlees en ook drinken wij elkanders bloed en op die wijze nemen wij andermans levenskracht tot ons, leven wij voort, planten wij ons voort en leren wij aan onze kinderen hoe zij slechts met het bloed van anderen verder kunnen gaan. Goddelijk zijn al wie hun vlees en bloed offeren opdat anderen zouden kunnen voortbestaan, en zij verenigen zich in de Kristus die hen voordoet hoe dat allemaal moet, daar Hij de Tegenvampier is, de Anti-Nosferatu, terwijl ikzelf, die gij zo gaarne 'Nosferatu' noemt - zo loopt zijn betoog ten einde - toch niemand anders zijn kan dan de Anti-Krist?!



En antwoordt gij mij nu eens in alle eerlijkheid: passen zij niet perfect samen zoals het water en het land, de dag en de nacht, de ouders en hun kroost, ja, zoals man en vrouw: enerzijds diegenen die het bloed van anderen op mysterieuze wijze drinken en, anderzijds, zij die zich in een misschien nog groter sacrament, offeren aan die gulzige slokken?



Hij ging, zijn gestalte verzwond tegen de donkere onweerswolken, nog eenmaal zette de bliksem zelf Nosferatu in lichter laaie en dan was en bleef hij zoek; alleen in de verten hoorde men nog zijn stappen daveren en wapperde zoals een enorme donderwolk tegen de onweershemel, de nachtzwarte cape. Hij liet een land achter, vol van zijn sporen, jammerklachten stegen uit de wakke grond ten hemel en er was geknars van tanden en gekrijs en ook was er een gesmoord gehuil te horen.

(J.B., Verhalen 2006-2009)



 

De vaalt onder de radar

 

De vaalt onder de radar

Iemand zadelde mij ooit op met het cryptische gezegde dat de mensen die wij tegenkomen op straat, eigenlijk het topje van een ijsberg vormen. De puzzel loste zich pas op toen die persoon haar zin verduidelijkte met een tweede: “We zien er allemaal alleen het schoonste van.”

Neem nu de buur die vol pit heel even binnenwipt om in een mum van tijd het laatste nieuws kond te doen en dan als een hazewind weer te verdwijnen: men zou er moedeloos van worden, zo sprak mijn tante: ofschoon al jaren met pensioen, weten die lui met hun energie geen blijf, ze springen rond alsof ze nog drie maal zeven zijn en blijken van alles op de hoogte; als je hen mag geloven, stammen ze van prinsen af en zijn hun kinderen toplui teweeg in regeringskringen; hun haast verklapt dat ze overal worden verwacht en moeten woekeren met hun tijd; nog niet bekomen van de jetlag, moeten ze morgen alweer speechen op een of andere conferentie in het buitenland.

Inderdaad, dat is het topje maar de ijsberg onttrekt zich heel sluw aan het gezicht: het ogenblik dat Megafrivolia je op een schijnbaar toevallig bezoekje vergast, wordt voorafgegaan door urenlange horizontaliteit, een volle kan zwarte koffie en een handvol pijnstillers. Dan volgt nog de opsmuk van ruim dertig minuten met als toetje enkele lagen poeders en pommades om de rimpels weg te steken, een lading Parijse parfums voor onder de oksels, een flaconnetje tegen halitosis, wat kleursel en stijfsel voor de nieuw gecoiffeerde bles en de installatie van de 'eettafel' zoals een tandprothese wel eens wordt genoemd. Uiteraard is er dan ook nog de verkleedpartij met het modieuze jasje en het nagelnieuwe schoeisel dat voor de vitrine urenlang in twijfel werd aanschouwd met een hoofd als een op hol geslagen rekenmachine maar die uitrusting kan nimmer falen om de buur de ogen uit te steken en de moed in de schoenen te doen zakken, want dat is wat wordt beoogd om het Franse spreekwoord andermaal te staven: “Mal de voisin réconforte et même guérit.”

Niet overdrijven met uw beschrijvingen, zo hoort men de een, de ander berispen maar het is een feit dat de mens een wolf is voor zijn medemens en nog meer waarheid schuilt in de wetenschap dat op de beschreven wijze ontmoedigde buren, jammerlijke slachtoffers van hun eigen veralgemeningen zijn: zij gaan geloven, want dat was de bedoeling, dat de energieke indringers 24/7 functioneren zoals in buurvrouws vertoning van luttele minuten.

Ja, de mensen die wij op straat tegenkomen, zijn maar het topje van een ijsberg, we zien hen in de korte tijdspanne in de openbaarheid dat zij opgetut zijn en te been maar achter de hoge gevels van de huizen figureren zij in een heel andere cinema: zij slijten de vele uren, dagen, jaren van een allerminst koninklijk bestaan met wroeten, wassen, plassen, kermen en ook consultaties bij een resem medische experten, voor elk denkbaar orgaan wel een, om dan eens op zijn paasbest voor de dag te kunnen komen en de buur een hak te zetten.

Nu overdrijf je toch een beetje! - zo hoort men andermaal hoe de een, de ander de les spelt maar er is wel iets van aan, openbare vertoningen zijn het wat leugenachtige topje van een minder fraaie ijsberg, zij zijn een toneel vol verkleedpartijen met uit het hoofd geleerde en door specialisten opgestelde frasen en ze zijn ook bedoeld om het publiek op het verkeerde been te zetten, wetende dat het veralgemenen is, wat mensen doen: zij denken dat wat zij zien, de ijsberg zelf is maar het gaat slechts om het topje. De ijsberg zelf, het echte toneel, telt alleen kreupelen in geïmproviseerde lompen, wiens uitspraken pas rijmen en stafrijmen als het doorwinterde vloeken zijn. En ten derde male hoort men de vermaning en nu heel luid: maar je overdrijft!

Akkoord, men overdrijft. Maar wie dat niet doen, vallen ten prooi aan een veralgemening die de moed in elk paar schoenen zakken doet. Want op straat komen, is niet zomaar de deur uitgaan, tenzij men jong is maar heel lang duurt dat ook niet want alras komen de kwalen en het is geen sinecure om die weg te blijven steken. En dat moet men ook doen omdat men zijn medeburgers hoort te vrezen: zwakheden niet aan het oog onttrokken, lokken lui met bedoelingen die niet altijd even zuiver zijn, denk maar aan pickpockets die alleen maar portefeuilles zien, gsm's en geruisloos open te ritsen zakken. En erger nog dan dat zijn smaad en spot.

Geen haast en spoed want aan het betreden van de openbare weg gaan heel wat voorbereidingen vooraf en wat wij zien verschijnen, is een fractie van een veel omvangrijker gebeuren. Dat geldt voor bijvoorbeeld een artiest die zijn nummer van welgeteld vijftien minuten opvoert in een circus met een publiek van... deze dagen mag men blij zijn met vijftien man. Voordat hij het inkomgeld opstrijkt, heeft hij niet alleen vele uren moeten oefenen maar hoefde hij ook eerst nog grootgebracht te worden, ja, men kan het hier zelfs hebben over de groei van de bevruchte eicel in de baarmoeder, de dracht van negen zorgzame maanden, de noeste arbeid van de vader die moet zorgen voor de spijs, het onderdak, de kleding, de kindertijd welke voor het kind altijd een eeuwigheid lijkt van diep verwenste dressuur op schoolbanken in afstandelijke instituten waar hij een nummer is zoals elk ander. Zijn geluk culmineert in de vijftien minuten voor evenveel volk en in dat licht is het loon dat hij des avonds als hij de boel heeft opgekuist, mag tellen, een detail, al herinnert het hem telkenmale aan de bijna-overbodigheid van zijn bestaan.

De mensen in de straten maar ook de straten zelf zijn alleen maar het topje van de ijsberg: ooit waren hier niets dan moerassen, moeizame irrigatie legde beetje bij beetje enkele plekken droog zodat men kon wandelen over de dijken en vele eeuwen, ja, millennia duurde het vooraleer er was wat wij nu zien. En dan moet men het nog hebben over wat onder de straten ligt, geheel verborgen: een infrastructuur waarvan de complexiteit doet duizelen. En evenzeer onttrokken aan het oog doch noodzakelijk aanwezig zijn de instrumenten die rondcirkelen in de ruimte en die onze communicatie mogelijk maken. De mensen, de straten, de staten, de wetten, de wetenschappen, de economie en de techniek en dat dit alles zo kan blijven draaien, dat elk te onderhouden en vervangbaar onderdeel zijn plekje heeft, dat allen eerst klaargestoomd moeten worden voor hun optreden van vijftien minuten, en dat dit alles zich herhaalt, vermenigvuldigt en op de koop toe steeds omvangrijker wordt, energieker en ook slimmer, en in de pas blijft lopen als een uurwerk... Een Zwitsers uurwerk weliswaar want precisie vereist aandacht en attentie vergt veel zuurstof en dus reine lucht die men alleen inademt als men resideert in de bossen en de weiden aan de voet der Alpen.

Maar onder het vertoon van de gigantische wereldklok rust wat men met steeds meer moeite tracht te onttrekken aan het oog, een vaalt: een kerkhof als het ware voor de mensen en de dieren, als zij niet op het bord belanden, alsook voor de instrumenten die immers verslijten, het afval van de onnoemelijke maaksels en de restanten der producten van een vrije markt in vrije val. Want dat geheel gaat gisten na verloop van tijd, de plek die het kreeg toegewezen, geraakt vol en kan niet meer worden bezet door iets dat toonbaar is en mooi. Er komt een eind in zicht, voorspeld maar alsnog onverwacht zoals dat immer met ongevallen het geval is.

(J.B., 22 juli 2026)

 

Het 'bijna-leven' (J.B., Verhalen 2006-2009)

Het 'bijna-leven'

Men hoort het wel eens vaker zeggen van mensen die van die bizarre speculaties maken: indien er na dit leven - na de dood dus - nog een leven zou zijn, dan zou het voor hen die zich aldaar bevinden, uiterst moeilijk zijn om zich te realiseren dat ze eigenlijk al dood zijn.

Wie zich bewust is, wie kent en weet, die veronderstelt ook spontaan dat hij bestaat. "Je pense, donc je suis", zo zegde het de grote Franse filosoof, René Descartes: "Cogito, ergo sum", of: "Ik denk, en dus besta ik".

Descartes zei echter niét: "Je pense, donc je vis", of: "Cogito, ergo vivo", of: "Ik denk, en dus leef ik ook". Bestaan is namelijk iets heel anders dan leven.

Sommigen zeggen dat men eerst moet leven om te kunnen bestaan: volgens hen is er buiten het leven geen bestaan mogelijk. 'Dood-zijn' is volgens hen dus: helemaal niet meer zijn. Wie dood is, is eigenlijk niet dood, omdat er in de dood geen sprake meer is van een 'zijn' of een 'bestaan'. Bepaalde Oude Grieken deelden deze gedachte, en zegden daarom ook dat wij de dood nooit kunnen ontmoeten. Immers: "Zolang ik er ben, is mijn dood er niet, en van zodra mijn dood er is, ben ik er niet meer."

Zonder het leven, is er geen bestaan, zo zeggen zij, en zonder het leven is er ook geen denken, geen bewustzijn, geen besef mogelijk.

Gelovigen denken daar heel anders over.

Wie gelooft, weet dat het bestaan niet ophoudt met de dood: een met het bestaan gelijktijdig leven is geen voorwaarde voor dat bestaan en voor het bewustzijn van dat bestaan, al moet iemand wel eerst geleefd hebben - dat wel zeggen: geboren zijn, of tenminste: ontvangen zijn - teneinde te kunnen bestaan. Het leven is voor de gelovige wel een noodzakelijke voorwaarde voor althans het menselijk bestaan, maar dat leven zelf hoeft zich niet voort te zetten opdat het bestaan zelf werkelijk zou kunnen blijven. Voor de gelovige is het leven als het ware de vonk die het vuur van het bestaan in gang zet. Edoch, eenmaal brandende, heeft het vuur de vonk niet langer nodig: het onderhoudt zichzelf, het kan niet meer uitdoven of geblust worden.

In termen ontleend aan de natuurkunde, lijkt het wel alsof hier een wet gelijkend op de wet van de traagheid werkzaam is: eenmaal een bepaalde kracht heeft ingewerkt op een stilstaand voorwerp, zodat het in beweging komt, hoeven er verder geen krachten meer op dat lichaam in te werken opdat het in beweging zou blijven. Het leven nu, zou dan vergelijkbaar zijn met die kracht die de beweging schept, maar als die kracht van het toneel verdwijnt, blijft de beweging zelf bestaan. Zo ook lijkt het er heel sterk op dat, voor de gelovige, het leven 'slechts' die kracht is die iemand tot bestaan brengt: het bestaan zelf kan, eenmaal het feitelijk is, niet meer zomaar in het niets verdwijnen.

Wij kunnen ons beslist een beter beeld vormen van hoe zoiets, dat op het eerste gezicht absurd lijkt, niettemin mogelijk en zelfs noodzakelijk is, wanneer wij het terrein van de natuurkunde verlaten, en ons licht opsteken in vakgebieden die meer te maken hebben met de geest en het bewustzijn zelf. Zo bijvoorbeeld zou het volgende ons die specifieke 'onomkeerbaarheid' - want daarover gaat het eigenlijk - duidelijker kunnen maken.

Stel eens dat wij niet weten of een ons welbekende persoon hetzij nog leeft, hetzij al dood is. En stel vervolgens dat iemand op wie wij ons kunnen vertrouwen, ons komt vertellen dat deze persoon zopas gestorven is. Welnu, dan is niet alleen de dood van die persoon definitief of onomkeerbaar, maar evenzeer is dat het geval met onze kennis van dit feit. Wij hoeven het (in dit geval droeve) nieuws slechts één keer te horen opdat wij het 'voor altijd' zouden weten. De bode hoeft ons de volgende dag niet opnieuw te komen zeggen dat de persoon in kwestie is overleden, net zoals die persoon de volgende dag niet opnieuw hoeft te sterven teneinde dood te kunnen blijven: beide gebeurtenissen zijn onomkeerbaar: zowel het feit als onze kennis van dat feit. In de beide gevallen is er een soort van 'geheugen' werkzaam dat ons verbiedt om de gang van zaken nog om te keren.

Het mag nu duidelijk wezen: het 'binnentreden' (of het naar binnen 'geworpen worden') in het bestaan heeft die onomkeerbaarheid met het sterven, maar bijvoorbeeld ook met de kennis, gemeenschappelijk: het zijn gebeurtenissen die even onomkeerbaar zijn als de tijd zelf, omdat zij zich niet binnen de tijd bevinden.

En laten we hier nu ons eerste zinnetje herhalen: indien er na dit leven - na de dood dus - nog een leven zou zijn, dan zou het voor hen die zich aldaar bevinden uiterst moeilijk zijn om zich te realiseren dat ze eigenlijk al dood zijn.

Maar u kunt het zelf al zien waar deze niet ongevaarlijke gedachte ons heen brengt: ze geldt namelijk vanzelfsprekend niet alleen voor diegenen die overleden zijn; evenzeer is ze van toepassing op al diegenen die in de mening verkeren dat zij leven, of nog leven.

Hoe immers kon men zich ervan vergewissen dat het leven dat men gelooft te leiden, écht was, als het voor hetzelfde geld mogelijk ware dat men in feite al dood was, terwijl men er moeite mee had om zich dit te realiseren? Uit de komedies alom herinneren wij ons de clowns die zichzelf een kaakslag toedienen met het edele doel om zodoende een poging te ondernemen om deze knagende twijfels naar het land van de sprookjes te verwijzen, en tenslotte zekerheid te verwerven over de authenticiteit van het actuele bestaan. Het experiment in kwestie is lovenswaardig, aangezien er naast onze eigen lijfelijke pijn geen authentieker criterium denkbaar is om de waarachtigheid van de zaken des levens te gaan meten. Alleen kan hier de vraag rijzen of een simpele kaakslag in deze dan toch heel ernstige kwestie wel kan volstaan als 'bewijs'.

Om slechts één voorbeeldje te geven, herinner ik mij nu toevallig dat ik mezelf ooit een kaakslag toediende gedurende een nachtelijke droom. Ik ben daar helemaal niet van wakker geworden, zoals ik niet zonder binnenpret moest vaststellen toen ik mij daags nadien de droom herinnerde: de reden waarom de kaakslag mij niet wakker had gemaakt, lag in het simpele feit dat ik ook deze kaakslag zelf bleek gedroomd te hebben.

De vraag die vermeend levenden zich zouden kunnen stellen omtrent de echtheid van hun bestaan, is dus niet zo bizar als ze op het eerste gezicht wel kon lijken. Heel terecht kan een gelovige zich afvragen of hij eigenlijk niet allang dood is, terwijl hij er slechts moeite mee heeft om dit tot zijn besef door te laten dringen.

Het is denkbaar dat wij geloven dat wij ons in de waaktoestand bevinden, terwijl we ons daarin vergissen, zoals trouwens alle dromenden doen wanneer zij dromen. Slechts weinigen dromen terwijl zij ook beseffen dat zij dromen: al dromende wanen wij ons wakker, en indien we niet in deze waan zouden verkeren, dan zouden we ook meteen ophouden met dromen, en terstond ontwaken. Edoch...even denkbaar is het voor sommigen dat er mensen zijn - of beter: dat wij mensen zijn - die slechts geloven te leven, terwijl wij in feite allang met leven opgehouden hebben, en alleen nog (slechts) 'bestaan'.

Ik zal de laatste zijn om anderen aan te moedigen om in dit soort van labyrinten veel tijd te investeren of, erger nog: om er in verloren te lopen. Maar tegelijk moet worden opgemerkt dat de grootste geesten die het mensdom ooit heeft voortbracht, eigenlijk alle dagen (en vaak ook alle nachten) van hun ook maar eenmalige leven hebben gevuld met niets anders dan met dergelijke overdenkingen. En dat pleit dan weer voor het aan de dag leggen van enige voorzichtigheid bij mogelijke, al te naïeve veroordelingen van heel ernstige speculaties terzake.

Maar laten wij er tenslotte de statistiek nog eens bij halen, en dan kunnen wij de beschreven, aanvankelijk zeer bizar aandoende veronderstelling in nog een ander licht plaatsen. Theoretisch gezien is het namelijk niet alleen mogelijk dat wij in feite allang dood zijn, terwijl we onterecht denken dat we nog leven, maar statistisch gezien is het zelfs bijzonder waarschijnlijk dat dit inderdaad het geval is. En waarom dan? Heel eenvoudig omdat ook de overgang van leven naar dood, als die er dus is, ongetwijfeld onomkeerbaar zal zijn. Mensen die leven, kunnen sterven. Als ze nadien denken dat ze niettemin nog leven, dan kunnen ze ook denken dat ze opnieuw gaan sterven, en ook geloven dat ze effectief opnieuw sterven. Vervolgens, voor de tweede keer dood zijnde, kunnen zij geloven dat zij niettemin nog leven, en dat ze dus sterfelijk zijn en sterven. En deze geschiedenis - waarvan ik de tragiek niet met een tekeningetje hoef te illustreren - herhaalt zich vanzelfsprekend principieel eindeloos.

Ons rest, gelukkig nog, één grote hoop. U hebt het beslist zelf al geraden, beste lezer, dewelke. Of wij nu leven, ofwel allang dood zijn - in de ik weet niet hoeveelste graad - één ding is zeker: ongeacht het feit of wij leven of dood zijn, is het onmiskenbaar zo, dat wij de allereerste keer in deze cyclus écht zullen hebben moeten bestaan. Want ware dit niet het geval, dan konden wij nu noch dood zijn, noch levend. Bovendien is het zo, dat het wezenlijk geen enkel verschil uitmaakt of het bestaan dat wij leiden, hetzij echt is, hetzij gedroomd - dit in de veronderstelling dat wij hoe dan ook niet bij machte zijn om dit te achterhalen. En er zit zelfs een bijzonder hoopgevend kantje aan de hele kwestie, en ongetwijfeld zult u ook dit al in de gaten hebben gehad: met enige welwillendheid, gekruid met wat optimisme, hebben wij hier alle troeven in handen om te geloven dat er op die manier aan ons 'bestaan' (- net zoals Descartes zeg ik niet 'leven', maar wel 'bestaan') eigenlijk nooit een einde komt!

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Agressieve exclusie, genaamd 'conversietherapie'

Agressieve exclusie, genaamd 'conversietherapie'

Homo's (uit te breiden naar ook andere LGTBQIA+-personen) hebben evenmin als hetero's problemen met hun seksualiteit zoals ook zwarten en blanken geen problemen hebben met hun huidskleur maar in gemeenschappen waar zij een minderheid vormen, worden zij door sommigen wel als problematisch beschouwd, wat betekent dat niet de seksuele geaardheid of de huidskleur problematisch zijn maar wel het behoren tot een specifieke minderheid. Minderheden staan zwakker dan meerderheden en waar de brute wet van de jungle vrij spel heeft, is repressie van de zwakkeren dan ook troef. In menselijke samenlevingen waar voldoende ruimte bestaat voor de inbreng van de rede, worden mensen niet uitgesloten als zij tot een minderheid behoren, daar dit geen redelijke grond voor uitsluiting is maar een drogreden: waar uitsluiting van minderheden gebeurt, is dit een manifestatie van het recht van de sterkste of dus een teken van onmenselijkheid. Bovendien heeft het respect voor minderheden de samenleving geen windeieren gelegd omdat, zoals Spinoza het uitdrukte, het goede even voortreffelijk als zeldzaam is, wat onder meer betekent dat de besten sowieso in de minderheid zijn, en dit ingevolge de eenvoudige wiskundige realiteit van de Gausscurve.

De uitsluiting van minderheden kan onmogelijk volgen uit beslissingen genomen op grond van redelijk overleg en moet derhalve zijn oorsprong vinden in een gebrek aan redelijkheid. Dat gebrek treedt dan uiteraard op waar zekere machten de aanwending van de rede in de weg staan. En op de eerste plaats komen hier de godsdiensten in aanmerking, samen met allerlei ideologieën met redelijk onverdedigbare grondslagen, zoals racisme, nationalisme en machocultuur. Mensen kunnen niet in rassen worden onderverdeeld, naties bestaan bij de gratie van de erkenning van fictieve grenzen en mannelijkheid is geen synoniem voor menselijkheid.

De uitsluiting van mensen kan gebeuren op verschillende manieren: de meest voor de hand liggende bestaat in het weren van mensen uit een bepaald territorium maar exclusie is er evenzeer waar aan mensen de toegang verhinderd wordt tot het gemeenschapsleven en dan kunnen zij weliswaar nog steeds het fysieke territorium van anderen betreden maar zij worden uitgesloten van minder zichtbare, sociale speelvelden, onder meer omdat hen die informatie onthouden wordt die noodzakelijk is voor het goede functioneren binnen de bewuste groepen of omdat zij er feitelijk weggepest worden. Een bijzonder agressieve vorm van exclusie toepasselijk met betrekking tot homo's is nu de conversietherapie.

Een conversietherapie is een behandeling waarbij gepoogd wordt om van homo's, hetero's te maken; het is een ingreep die de seksuele oriëntatie van mensen tracht te wijzigen. Van belang is nu dat die wijziging er vrijwel nooit komt op vraag van de betrokkene zelf, die immers geen probleem heeft met zijn of haar seksuele oriëntatie, maar wel op aandringen van derden, die de onredelijke wens koesteren dat mensen uit zekere minderheden er niet zouden zijn. Deze buitenstaanders, per definitie sociopaten want mensen met een schromelijk gebrek aan empathie, vinden dat zekere minderheden horen te verdwijnen: als ze hen niet kunnen wegjagen, willen ze hen doden en als ook dat niet mogelijk blijkt, streven zij ernaar om in die mensen datgene te doden dat maakt dat zij tot die minderheid behoren. In dat geval doen zij het de door hen weg gewenste mensen aan, hun vermogen tot seksueel genot (middels verminking) te vernietigen.

Onverdraagzaam is een veel te zwakke term om uit te drukken dat men bepaalde anderen uit 'zijn' wereld wil weren maar dat 'ongeduld' is wijd verbreid, vooral bij primitieven en de praktijk van de clitoridectomie die in een religieuze context wordt geplaatst welke de voortgang ervan moet garanderen, is daarvan een voorbeeld. De 'ingreep' is uiteraard een uitvinding van mannen en wordt op vrouwen toegepast. Ze is een verminking van dat gedeelte van de vrouwelijke geslachtsorganen die lust opleveren door de (medisch onnodige) verwijdering van (een deel van) de clitoris en zij wordt verplicht door mannen die vinden dat alleen zij het recht hebben op seksueel genot. Enkele eeuwen geleden vonden heel wat medici dat de clitoris een abnormaliteit is die bij de geboorte maar best kon weggesneden worden en tot in de negentiende eeuw gebeurde hetzelfde om masturbatie onmogelijk te maken. Masturbatie is een natuurlijke praktijk die in heel wat religies en andere van rede verstoken mensbeelden nog altijd hardnekkig wordt beschouwd als zondig of ziekmakend.

Verwant aan clitoridectomie is de praktijk van de gouden lotussen, verwijzend naar de voetinbinding bij vrouwen (in China) die resulteert in misvorming en in kreupelheid, een middeleeuwse praktijk die pas een eeuw geleden een halt werd toegeroepen. Voetinbinding moest verhinderen dat vrouwen wegliepen en vreemd gingen en het gaf hen dan een air van maagdelijkheid die mannen seksueel aantrekkelijk vonden.

Castratie bij mannen werd indertijd dikwijls bedoeld om de sopraanstem van knapen te bewaren (wat werkt indien toegepast voor de puberteit) maar ook tot omstreeks de zeventiger jaren van de vorige eeuw werd castratie in den duik toegepast op homo's. De praktijk wordt voltrokken middels een chirurgische ingreep maar kan ook chemisch gebeuren en (binnen de kloostermuren) in feite ook psychologisch.

Conversietherapieën (misleidend door wie ze voltrekken 'homogenezing' genoemd) gebeurt door zogenaamde 'correctieve verkrachting', chirurgische ingrepen ter hoogte van zekere zenuwen of de hersenen, psychologische technieken en andere methoden van conditionering met medicamenten of elektroshocks, met aversietherapie en zo meer. Edoch, conversietherapieën 'genezen' niet, ze brengen alleen veel psychische en fysieke schade en werken suïcide in de hand. Wie alsnog zelf hun heil zoeken in conversietherapie, doen dat meestal vanuit de angst voor uitstoting (door familie).

Conversietherapie wordt steeds vaker strafbaar gesteld omdat daar waar zij niet wordt verboden, (meestal jonge) mensen de speelbal zijn van andermans frustraties, domheden en agressie.

(J.B., 21 juli 2026)

Het kind (J.B., Verhalen 2006-2009)

Het kind

Het was een smal huisje – een onooglijk deurtje en een smal venster aan de stoep – gelegen in een vrijwel onbereikbaar deel van de stad – onbereikbaar, waarmee wil gezegd zijn dat dit stadsgedeelte eigenlijk een enclave was, zoals er vandaag wel meer ontstaan. Snelwegen, lussen, stadsringen en andere gevaarlijke en lawaaierige verkeerslinten die men moeilijk nog ‘straten’ kan noemen, houden immers helemaal geen rekening met het feit dat zij bestaande landerijen en woonwijken gewoon voorgoed aan flarden rijten.

Toen in de zestiger jaren de E-wegen – toentertijd ‘autostrades’ geheten – werden aangelegd, konden de boeren op hun kop gaan staan: er bleek geen verhaal mogelijk tegen de onbarmhartige inplantingen van deze hoogstnoodzakelijk geachte ‘levensaders’, ‘bypasses’ of ‘overbruggingen’ die hun landerijen aan flarden zaagden: de miserie van de verkavelingen begon, ook de getroffen families werden immers aan stukken gereten, en nog steeds wachten zij – of dan toch diegenen onder hen die nog in leven zijn – op enige vorm van ‘vergoeding’, alsof het ook maar mogelijk was om zulk onheil te vergoeden.

Sinds die tijd is het alleen maar van kwaad naar erger gegaan. Het is werkelijk de pest dat het nooit meer stil is, nooit meer veilig, donker, geborgen of gewoon rustig, en dit de klok rond. Dat wij niet meer kunnen ademen, is blijkbaar bijzaak geworden, en er zijn er zelfs die durven te beweren dat de uitlaatgassen van auto’s gezond zijn want vaatverwijdend werken. Over al die dingen zal hier niets gezegd worden, alleen moet het verschijnsel van de steeds in aantal toenemende ‘enclaves’ aan het licht worden gebracht, en dit met het oog op het situeren van dat huisje in de stad, dat het huisje van mijn jongste zuster was: Anita-Francinesca van Togenbirger-de Waelekens.

‘Onbereikbaar’ is veel gezegd, want volstrekt onbereikbaar was het huisje vanzelfsprekend niet. Wel moest men zowat zijn leven op het spel zetten om daar te geraken. Men moest er heen via de ring, die daar een gevaarlijke bocht beschrijft, en waarop vanuit alle windstreken autowegen aansluiten, die er eindeloze slierten van immer toeterende en veel te snel rijdende wagens op uitspuwen. Vooral de aanblik van het oorverdovende vrachtvervoer is er afschrikwekkend, en niet zelden kan men daar de zwarte legerwagens op hoge wielen op de parkingstrook zien staan.

Het zijn speciale voertuigen van even speciale diensten – voertuigen die nog afschrikwekkender ogen dan de welbekende lijkwagens. Zij worden bemand door vaklui die worden ingezet – en wij geven gevoelige lezers hier de kans om maar meteen naar de volgende zin te gaan – vaklui die worden ingezet om, letterlijk, de voetgangers, de fietsers of de uit hun wagen geslingerde automobilisten, die onder de wielen van zo’n tientonner terecht kwamen, van de weg te pellen, en dan de weg grondig te reinigen met speciale producten welke de rode kleur van bloed neutraliseren. Ja, deze zwarte terreinwagens van het leger, voorzien van een groot wit kruis, worden daar met de regelmaat van de klok gesignaleerd. De vele mensen die daar ter plekke dus de dood vinden, vaak nog heel jong, zijn woonachtig in alle delen van het land, en dat is dan ook de enige reden waarom die afschuwelijke slachtingen zich zomaar kunnen blijven voltrekken: wie het in zijn kring heeft meegemaakt, schuwt de plaats voor de rest van zijn leven, zodat geen van allen die daar dagelijks passeren, beseft dat het ook hem of haar of een van de zijnen of de haren kan overkomen: morgen, of zelfs reeds vandaag.

Temidden van dergelijke bloeddorstige ‘levensaders’, zoals onze verkeersministers ze zo verdomd verbloemend blijven noemen, liggen wijken – eigenlijk dus alleen maar stukjes van gewezen wijken – met daarin nog enkele straten en huizen. Het zijn buurten met eerder bouwvallig aandoende huizen waarvan de gevels zo zwart zijn als roet – huizen waarvan de bewoners vanzelfsprekend lijden aan afschuwelijke longaandoeningen en dientengevolge ook vroegtijdig overlijden. En ook deze mistoestanden is een lang leven beschoren, weerom ‘dankzij’ het feit dat de mensen met hun naaste buren niet meer praten, zodat het kruisje binnen elk huisje door zijn respectievelijke bewoners wordt meegenomen in het graf.

Als mensen in zo’n buurt – een ‘enclave’ dus – al niet geboren zijn, doch er ‘uit vrije wil’ gaan wonen, dan doen ze dat, enerzijds, omdat ze niet anders kunnen: wie kapitaalkrachtig is, weet wel andere wijken te vinden om zich te settelen. Anderzijds bestaat er ook een algemene, toenemende en zelfs absoluut wordende ‘blindheid’ voor het lamentabel karakter van dergelijke woonomgevingen: heel wat mensen hebben zich er blijkbaar allang bij neergelegd dat zij dagelijks het lawaai, de stank, het gevaar en de vele andere onlusten van de huidige ‘samenleving’ maar moeten verduren, en die hel – want dat is het – wordt op de een of andere manier totaal uit het bewustzijn verdrongen.

Mensen die in dergelijke enclaves van de morgen tot de avond moeten roepen ten einde elkaar te kunnen verstaan, en die er, op enkele vierkante meters beton, jonge kinderen moeten grootbrengen en opvoeden, en wiens nachttafeltjes bezaaid zijn met blinddoekjes en met oordopjes, kijken welhaast met evenveel medelijden op TV naar de paria’s die op palen of in sloepen de riolen van Rio, Shangaï of Bombeï bevolken, als hun stadsgenoten uit de villawijken dat doen: zij beseffen het gewoon niet meer hoe erg ze er aan toe zijn, en het heeft er alle schijn van dat ze zich volstrekt identificeren met de ‘rijke westerlingen’ zoals de TV hen dat onafgebroken gebiedt te doen – de TV die zij blindelings geloven, want die, zoals geen van hun verwanten dat nog doen, hen dagelijks ‘persoonlijk’ een goede morgen, een goede avond en een goede nacht toewenst.

Het huisje van mijn jongste zus, Anita-Francinesca, bevond zich dus in een dergelijke buurt, en wanneer aan het verhaal van de omstandigheden hier zo uitgebreid aandacht wordt geschonken, dan gebeurt zulks alleen maar om wat duidelijkheid te scheppen in het feit dat nauwelijks iemand van de hele familie ooit nog een bezoekje aan haar bracht. Er werd wel eens gevraagd: “Hoe zou het nog met onze Anita gaan?”, maar het antwoord klonk dan altijd zo vreselijk voorspelbaar: “Och, ik heb haar al lange tijd niet meer gezien!” Er werden wel eens aanstalten gemaakt om Anita een bezoek te brengen of om haar uit te nodigen maar, eigenlijk zonder dat dit tot het besef doordrong, was daar dat vreselijke obstakel van die verhitte snelwegen, dat alle plannen in die zin telkens weer smoorde in de kiem. Hoe vaak ben ik niet naar bed gegaan met het plan om mijn zusje de volgende dag te gaan bezoeken! Maar ik kon gewoon de slaap niet vatten als ik er begon aan te denken langs welke weg haar te bereiken. Er moest een makkelijke weg zijn, een kalme weg, ja, die moest er beslist zijn – zo dacht ik telkens, en zo dachten wij beslist elk op onze beurt, op de vooravond van zo’n gepland bezoek. Maar ’s ochtends bij het ontwaken had de droomarbeid er voor gezorgd dat deze plannen onze geest geheel spoorloos hadden verlaten: er was immers helemaal geen weg te bedenken om daar op een menselijke wijze te geraken, gewoonweg omdat die buurt nu eenmaal volledig ingesloten was.

En zo kwam het ook dat wij – moge de hemel ons genadig zijn! – vergaten dat zij nog een kindje had!

Het bedje stond altijd temidden van de woonkamer – zo herinner ik me nog van de laatste keer, intussen vele jaren geleden. Het was een bedje uit vezelplaat gezaagd, en onze Anita had me toen gevraagd of ik het eens wilde schilderen, in het wit. Ik antwoordde haar dat verfdampen beslist rampzalig voor een baby zijn, en dat die verf dan toch altijd blijft rieken. Ze had mijn argument gedwee beaamd, en ik veronderstel dat het bedje is gebleven zoals het was: een rechthoekige bak – eigenlijk veel te groot – uit vezelplaat gezaagd, zoals ik zei, en met kepernagels tot een geheel aan elkaar getimmerd.

Wie ooit zo’n constructie heeft gefabriceerd, zal weten dat zij nogal gammel is en mettertijd nog gammeler wordt: de nagels houden de platen weliswaar samen, maar het geheel optillen of verplaatsen is volstrekt onbegonnen werk. Vezelplaten zijn zwaar en hun onderlinge verbinding door middel van nagels is niet sterk: het tillen aan het ene uiteinde van het bed kon algauw resulteren in het in elkaar klappen van het andere eind.

Het bed was ook nog hoog, en dus diep: om het kind eruit te halen, moest men zich over de bedrand neigen – voorzichtig, zodat men er niet op leunde – en dan het kind vastnemen en het optillen, wat een zware belasting gaf op het onderste deel van de rug. Toen ik die keer op bezoek was, vroeg Anita zich zelfs luidop af of ze dit wel zou kunnen blijven doen als het kind nog groeide, want zelf had zij geen al te sterke rug overgehouden aan een carrière van twintig jaren in de spinnerij die inmiddels ter ziele was gegaan. Omdat ook zij nu van een uitkering leefde, had ze die rug eigenlijk flink verwaarloosd.

Bij die gelegenheid was het dat ik haar beloofd heb haar een bed – een echt bed – cadeau te zullen doen. Maar toen ik mij deze belofte – veel later – ook herinnerde, en tot mijn afgrijzen moest vaststellen dat ik mijn woord gegeten had, bedacht ik, mijzelf verschonend, dat zij wellicht allang zelf een ander bed had aangeschaft. En hoe had ik trouwens zo’n bed daarheen kunnen krijgen – ik, die geen auto bezit, en die bovendien geen verstand heb van kinderartikelen.

Het bed stond dus middenin de woonkamer, en wellicht is het daar al die tijd ook blijven staan. Met ‘al die tijd’ bedoel ik: de tijd, de jaren eigenlijk, dat het kind dus groter moet zijn geworden. Het waren jaren dat Anita geheel uit onze gedachten was, en niet alleen zij kwam niet meer in onze gedachten op: God moge het ons vergeven, maar ook aan haar kind heeft blijkbaar niemand van ons ooit nog gedacht.

De lezer zal ons nu blameren – ik verwachtte niet anders – voor deze onmenselijke houding, en terecht. Wij verdienen alle blaam, en zelfs de straffen van de hel zullen de schuldgevoelens niet verhelen, die veel erger zijn dan het vuur van alle duivels. Maar ik wil toch de verzachtende omstandigheden niet onaangeroerd laten, want in werkelijkheid dachten wij van elkaar dat er, nu en dan, wel eens iemand van ons een bezoekje bracht aan onze Anita, of dat zij zelf al eens bij de ene of de andere op de koffie ging. Dat dit ook gebeurde, werd weliswaar nooit bevestigd, doch het wegblijven van zulke stavingen schreven wij dan weer, elk voor zich, toe aan het feit dat wij tenslotte weinig spraakzame mensen zijn. Alleen… dat het kind helemaal niet meer ter sprake kwam, zal ook ik mezelf nooit kunnen vergeven.

Ik had, voor mijn part althans, de vage indruk dat er met het kind iets mis was, en dat het misschien beter was om er niet over te praten, of althans, om het initiatief daartoe aan anderen over te laten. Maar blijkbaar dachten zij daar op de een of andere manier, elk voor zich, eender over. Bovendien bezaten slechts enkelen van ons een auto, en die hadden het dan weer zo druk dat ze zelfs voor de eigen kroost geen tijd meer over hadden. En diegenen onder ons die wel tijd hadden, waren ofwel ziek, ofwel ontbrak het hen aan de meest elementaire middelen.

Er waren nog andere en meer gecompliceerde omstandigheden, maar daarover kan ik het hier niet hebben. Hoe dan ook bleken er jaren voorbij te glijden alsof het slechts dagen waren, totdat een vreemde wending van het lot ons nog een keertje samen bracht, ergens aan een rijk gevulde tafel. Pas op dat ogenblik kwam het kind weer in mijn gedachten, en ik wist met de grootste zekerheid dat dit ook voor alle anderen gold.

Zo wachtten daar blijkbaar allen het ogenblik af waarop Anita-Francinesca gegeten had, en vervolgens werd gewacht op diegene die de vraag zou stellen, want Anita was aanwezig zonder het kind, en zij had er nog helemaal niets over gezegd. Maar het bleef stil daarover, de gesprekken waren vrijwel inhoudsloos, geen tongen kwamen los, de spanning werd alleen maar opgedreven. De lezer kan zich weliswaar afvragen hoe zulks dan mogelijk is onder familieleden, doch hij dient te bedenken dat de verborgen wetten die het sociale verkeer regelen, enorm complex zijn, en soms is ook daar sprake van opstoppingen, nieuwe verkeersaders, lussen, overbruggingen en wat al niet meer. Het lawaai neemt toe, en de stank en de dreiging; de rust en de vrede moeten eraan geloven; de ene is een autostrade van woorden die enkel nog handelen over zijn ‘zaak’ en er is gewoon geen kans om er iets tussenin te brengen; de andere staat aan de kant op een oversteekplaats, klaar om een vraag te stellen, maar het geroep is oorverdovend en de kans om de oversteek te wagen en er een woord tussenin te brengen, is gevaarlijk of zelfs onbestaande. Wie geen snel voertuig ter beschikking heeft, staat terzijde en gaapt de voorbijrazende tientonners aan; hij vreest de zwarte terreinwagens van het leger die alom opduiken om hen die het waagden om over te steken, van de weg af te pellen, en dan de bloedsporen met ontkleurders te bewerken.

En zo kwam het dat wij weer uit elkaar gingen zonder dat het kind ter sprake was gekomen. Geen van ons wist of het nog in dat bedje van vezelplaat lag, middenin die woonkamer. Misschien was het al flink gegroeid, kon het al goed lopen, spreken en aardige vragen stellen? Geen van ons die het wist! Misschien ook was het kind ziek geweest en kreeg het een longaandoening waarvan het maar moeilijk genas, en moest het nu dagelijks zichzelf met een beademingspompje behelpen? Wie zal het zeggen! Misschien gebeurde er iets op de ring, die daar een gevaarlijke bocht beschrijft, en waarop vanuit alle windstreken autowegen aansluiten, die er eindeloze slierten van immer toeterende en veel te snel rijdende wagens op uitspuwen? En misschien verzweeg onze Anita het voor iedereen omdat zij zelf niet in staat was het te verwerken, van die zwarte terreinwagens? Ieder van ons had er het raden naar, en meer zelfs: niemand van ons bleek er met ook maar een ander ooit over te spreken.

En zo zijn wij dus uit elkaar gegaan, alsof wij vreemden waren voor elkaar. Ik ben huiswaarts gegaan, zoals allen huiswaarts gingen na dat maal. De kans bestaat dat wij elkaar nu nooit meer zullen zien want, meer nog dan het onmenselijk verkeer dat ons voor elkander steeds onbereikbaarder maakt, wordt nu ook het menselijk verkeer in de war gestuurd door opstoppingen allerhande. En sinds ons afscheid denk ik haast onafgebroken aan dat kind, en weet ik met zekerheid dat ieder van ons aan niets anders meer denken kan, dan aan het kind dat, zoals wij nu ongetwijfeld allen wel zijn gaan beseffen, in de ellende van het verkeer is achtergebleven.

(J.B., Verhalen 2006-2009)





De 'klimaatramp' en de discussie

De 'klimaatramp' en de discussie

'De wereld' was het erover eens dat zekere maatregelen tegenover corona moesten genomen worden en dus werden die ook genomen. Dikwijls desastreuze maatregelen, zoals gebleken is, maar ook bijna zeven jaar later blijft men volharden in de leugens van destijds. En nu de waarheid deze leugens achterhaald heeft en dreigt ze aan het licht te brengen, wordt het hele gebeuren met man en macht naar de achtergrond gestouwd, wat uiteraard geschiedt door al de aandacht die ze naar zich toe trok, af te leiden naar een nieuwe, alle tijd en krachten verslindende 'ramp': de vermeende klimaatverandering.

Het rijtje van de rampen is intussen aardig lang maar weinig daarvan is uiteindelijk overeind gebleven en zo zag men Malthus met zijn overbevolkingscrisis al tijdens diens leven in de prullenbak belanden, al blijft zijn misantrope stichting aanhangers rekruteren. 'De wereld' die het over zovele zaken eens is, blijkt vaak veel gelijkenis te vertonen met de sekte van de Getuigen van jehova: voorspellingen die nooit uitkomen, overtuigen kennelijk slechts weinigen om het geloof in de betrokken profeten op te geven, integendeel: men neemt er telkens vrede mee dat de leugenaars hun verzinsels wat bijwerken en zij krijgen steeds weer carte blanche. Dat geen enkel van álle voorspelde rampenscenario's zich ooit voltrokken heeft, valt nochtans makkelijk te bewijzen: de wereld is nog altijd niet vergaan.

Maar we moeten genuanceerd zijn want niets is altijd helemaal waar of helemaal gefantaseerd en van andersdenkenden kan men alleen maar leren. Toch zijn er waarheden waaraan niet te tornen valt, gewoon omdat ze zich boven de feiten verheffen en dat zijn in de eerste plaats de wiskundige waarheden. De vrees van Descartes dat deze hun vermeende immuniteit ontlenen aan het feit dat ze niet met de werkelijkheid in betrekking staan, is terecht maar tegelijk is het ook waar dat het gepraat dat alleen maar kan uitmonden in telkenmale een consensus, evenzeer niets anders dan puur fantasie kan zijn. Tot de wiskundige waarheden behoren die van de logica, al is de omgekeerde stelling ook verdedigbaar. En wat leren ons de logici over de gang van zaken?1 We beperken ons hier tot een enkel punt, wat volstaat om onze stelling hard te maken: dit soort van discussies zijn zinledig.

In het artikel Politici met een sigaret in hun oor. Drogredenen en oneerlijke discussiemethoden in de context van klimaat en corona vertelt emeritus-hoogleraar Logica en Taalanalyse Harrie de Swart hoe men een loopje neemt met 'waarheid', onder meer door 'feiten' van hun contexten te abstraheren.2 Echter, zijn critici wijzen hem erop dat hier de pot de ketel verwijt dat hij zwart ziet want ook de Swart zou zich bezondigen aan het weglaten van een niet onbelangrijke context, met name in het verwijt dat de organisatie die aan de professor het podium verschaft (Clintel), gefinancierd wordt door een industrie die haar voordeel doet met zijn beweringen.3

Paradoxaal genoeg kan de logica niet ondersteunen dat de gevolgen van zekere daden, tevens deze daden veroorzaakt hebben om de eenvoudige redenen dat (onuitgesproken) intenties objectief onkenbaar zijn. Door te wijzen op het belang van de context, begeeft de wiskundige zich op glad ijs omdat hij daar uittreedt uit zijn ivoren toren waar hij het gelijk sowieso aan zijn kant heeft. Op die manier verliest de aangewende logica haar relevantie en blijkt de discussie een toneel dat slechts kan functioneren om het achterliggende machtsspel te verkappen dat uiteindelijk de waarheid fabrikeert. Jammer genoeg, maar het gaat er vooralsnog niet anders aan toe.

(J.B., 20 juli 2026)

2H. de Swart: “Stel: een man staat met zijn auto zonder benzine en vraagt mij naar een benzinepomp. Waarop ik antwoord: hier om de hoek is een benzinepomp [wat inderdaad het geval is]. Maar ik zeg er niet bij dat de pomp gesloten is. In zo’n geval heb ik de waarheid gesproken, maar tegelijkertijd heb ik de man in kwestie toch misleid, omdat ik voor hem relevante informatie heb achtergehouden! Ik heb weliswaar de waarheid gesproken, maar door de man geen optimale informatie te geven heb ik hem toch op het verkeerde been gezet en zelfs bedrogen.”

3“Selon Follow The Money et De Volkskrant, la fondation Clintel est financée par l'industrie fossile. (...)” (Cf.: https://fr.wikipedia.org/wiki/Climate_Intelligence_Foundation )

 

De tuinen (J.B., Verhalen 2006-2009)

De tuinen

3366639-6abaa8c228f64d300c2886f9a2ec56da.jpg

“Wel!? Zijt ge daar alweer!?”

Omsk wist niet goed wat te zeggen. Het was al de tweede keer die nacht, en ook gisterennacht was hij daar geweest, misschien wel al zeven keer die week.

Daar stond hij dan, in die… mist. Eigenlijk was het geen mist, want het voelde niet koud aan of niet nat; het had alleen het witte, het half-doorzichtige van mist. Maar met mist kon je het wel het beste vergelijken.

De man tegenover hem – hij keek eigenlijk op hem neer, want hij stond wat hoger dan Omsk – werd nu eens door het mistgordijn omhuld, en dan weer was hij helemaal klaar te zien. Die man kon er blijkbaar niet om lachen, al maakte hij zich ook niet kwaad. Het kwam hem veeleer voor alsof hij er flink mee verveeld zat, en dat gaf hij ook aan Omsk te kennen:

“Ge doet mij weer lopen, beste vriend! En dat telkenmale voor niets! Ge blijft daar staan en ge komt niet verder? Gisteren zijt ge hier tot op de tweede onderste trede van de trap geklommen, en dan hebt ge rechtsomkeert gemaakt; en nu staat ge daar weer te drentelen… op welke trede staat ge nu, ik heb mijn bril hier niet… Vertel het eens!”

Omsk keek naar beneden, zag zijn eigen beeld weerspiegelen in het witte marmer dat met rode adertjes doorspekt was, alsof er bloed doorheen pompte, en hij moest zich concentreren om de treden te kunnen tellen, want daaronder duizelde het allemaal op de een of andere manier weg:

“Op de derde trede, meneer”, zei hij, en er was nog angst te bespeuren in zijn schuchtere stemmetje, als gevolg van de blik in de diepten.

“Zo… en hebt gij hoogtevrees misschien?”, merkte de man dan ook op.

“Eigenlijk niet, mijnheer…”, antwoordde Omsk.

“En waarom komt ge dan niet verder?”

“Het is weer beginnen kloppen, mijnheer…”, zo excuseerde Omsk zich.

“Zo… Ja, dat zeg je telkenmale, is het niet? Wat vervelend voor mij!”, riep de oude man uit, en hij wierp een blik in het gesternte, en keek dan weer op Omsk neer: “Ge begrijpt toch dat ik een oude man ben; gij doet mij telkens lopen voor niemendal!”

“Mijn verontschuldigingen, meneer, ik kan het echt niet helpen…”, klonk nu het dunne stemmetje van onze vriend.

De man zuchtte diep, zoals iemand zucht die ten einde raad is: “Ik sta hier al duizenden jaren, aan deze poort…”, en met een armzwaai wees hij naar de dikke, witte wolken achter zijn rug, waarmee zijn eveneens sneeuwwitte kleed zich wel leek te vermengen:

“Ik heb wel meer van die twijfelgevallen, weet u: lui die niet goed weten wat ze willen, en die eerst aankloppen en dan terugkeren…weer aankloppen, weer teruggaan… Maar de tweede of de derde keer komen ze dan toch binnen. Gij daarentegen… hoe is de naam weer, zegt u?”

“Omsk, meneer”

“Juist, ja… Gij zijt mij hier al tientallen keren komen storen, nietwaar? Ik zit net naar een interessant programma te kijken, ontspannen met een glaasje erbij, en… had ik het niet kunnen denken! Daar zijt gij dan weer!”

“Nogmaals mijn excuses, meneer, maar ik kan het echt niet helpen…”

“Ja, dat weet ik wel: het is weer beginnen kloppen, nietwaar… We zouden er iets moeten op vinden, hé? Nu, wat zijt ge van plan? Blijft ge daar staan of gaat ge terug?”

“Ik denk dat ik maar beter terugga, meneer”.

“Natuurlijk, natuurlijk… dat is het beste…”

“Het klopt nu weer zoals normaal, meneer, ik denk dat ik dus beter terugga”, herhaalde Omsk.

3366639-99d5d9d626fde5e0ad92c1124b03f846.jpg

Het witte heerschap had het smekerige in zijn stem gehoord en in zijn daarop volgende optreden kon Omsk niets anders dan een weinig leedvermaak bespeuren: de heer keek hem heel aandachtig aan, boog zich warempel voorover om hem nog beter te kunnen zien, en beval:

“Kom eens een paar trapjes hoger! Zodat ik weet waar ik aan toe ben! Ge ziet lijkbleek, maar uw ogen kan ik zo niet zien… jaja, ik heb het tegen u: twee trapjes maar”, drong hij aan.

Nu was de pret in zijn stem echt goed te horen. Omsk had er de grootste moeite mee om zijn rechter voet op te heffen en die op de volgende trede neer te plaatsen.

Dit manoever ging gepaard met alweer een heftige steek in zijn hartstreek, waarna hij deze spier gedurende wel drie opeenvolgende seconden voelde fibrilleren. Dan volgden enkele uiterst onaangename want krampachtige trekkingen welke gepaard gingen met een licht verstikkingsgevoel, zodat Omsk eventjes naar adem moest happen en duizelig werd. Teneinde niet naar beneden te donderen, restte hem geen andere keuze dan zijn voet terug te trekken, zodat hij nu weer met de beide voeten op de tweede trede stond. En omdat hij tijdens deze zichtbaar stuntelige bewegingen als het ware bijna zijn evenwicht verloor, vond hij er dan ook een reden in om maar meteen nog een trapje lager te gaan postvatten.

Zijn hart leek hem hiervoor uitvoerig te bedanken met een hele reeks heel regelmatige slagen, en hij kwam zowaar weer op adem.

“Maar zó… kan ik helemaal niets zien!”, repliceerde de man in het wit, die zich nu weer oprichtte, kennelijk met grote moeite, de handen tegen het onderste deel van zijn lange, dunne rug gesteund.

Hij kermde eens, haast onhoorbaar, leek dan door een nieuwe, dichte wolk omgeven te worden, en Omsk voelde zich nu terugzakken uit de mist en zeeg met een zo grote snelheid dat hij er kriebels van kreeg in de buikstreek, achterwaarts doorheen het firmament.

Hij passeerde nu weer de weelderige tuinen waar hij telkenmale doorheen moest als zijn hart het dreigde te begeven, en hij kwam in een zeer vreemde extase, omdat ze aantrekkelijk en afschrikwekkend was tegelijk.

3366639-8e5dcf5ae4f09de269ae14a6ee76cbbd.jpg

De tuinen… ze vertoonden patronen van een geheel onaardse regelmaat, niet te beschrijven, en ook niet voorstelbaar voor mensen in wakkere toestand. Nooit was er een schilder geweest, en er zou er ook nooit een geboren worden, die deze kleurenpracht vermocht af te beelden.

De belangstelling van Omsk voor de tuinen was bijzonder groot, maar tegelijk ook durfde hij er niet te lang of te aandachtig naar kijken, omdat hij wist dat dit niet ‘ongevaarlijk’ was. Regelmaat, ja, dat woord was hier van toepassing, maar deze term was lang niet krachtig genoeg om het betreffende spektakel weer te geven: hier toonde zich een patroon met een regelmaat van vormen en lijnen die mensen zich niet kunnen voorstellen. Een evenwicht van gestalten en van kleuren die het hele spectrum bestrijken, maar ook die delen van het spectrum die door mensenogen normaal nooit kunnen worden gezien: ultraviolet, infrarood…

3366639-8107b074a07282aeb91bbcae983a68e4.jpg

Ach, dat zijn slechts woorden, wist Omsk: hier zijn geen woorden voor, dit zijn niet langer kleuren en vormen, geluiden of muziek: dit is wat àchter alle kleuren, àchter alle schilderijen, symfonieën, gedichten en noem maar op, verborgen zit. De tuinen zijn werkelijk de bronnen waaruit wij onze schamele patronen putten, het zijn de klankkasten, neen, de genen van de schoonheid zelf.

Was dit dan wat men het ‘Aards Paradijs’ noemde?

Omsk viel met een schok terug op zijn hoofdkussen. Hij zweette hevig, ademde ongemakkelijk, kon het gevoel van verstikking dat hem alweer de hele nacht in zijn greep had, niet van zich afwerpen. Zijn hart pompte, maar hield dan met pompen op, alsof het niet in staat was om te reageren op de volgende, zich opdringerig aandienende prikkel. Het koolzuurgehalte in zijn bloed steeg, gaf een krachtige impuls aan de Nervus Plexus Vagus of hoe heette dat zenuwcentrum in de nek ook weer, dat ons dwingt om naar adem te happen als wij het benauwd krijgen?

Hij hapte naar adem, doch het baatte hem niet; hij hapte andermaal, en nogmaals, werd beklemd door een plotselinge doodsangst, maar vooraleer die hem tot enige handeling kon aanzetten, voelde hij zich weer wegduizelen, en voor zijn ogen ontplooiden zich in al hun symfonische pracht opnieuw… de tuinen!

3366639-606c5e859a4435ec28d7200a19f6195e.jpg

Dit is echt, zo zag Omsk nu heel duidelijk: deze tuinen zijn onvervalst, en hun onbeschrijflijke pracht getuigt van hun echtheid: noch ikzelf, noch enig ander mens had ooit kunnen bedenken wat zich nu voor mijn ogen afspeelt.

Hij verzette zich niet langer tegen de taferelen die in steeds toenemende mate zijn hele gezichtsveld vulden. Hij liet de muziek naar binnen stromen en verwelkomde het water uit de brede, klare stromen in de diepe, donkergroene dalen die in een bloemenweelde aan zijn voeten lagen. Hij voelde zich opstijgen boven dit alles, dat zich met zo’n nadrukkelijke pracht in zijn geest prentte, dat hij niet anders doen kon dan geloven dat iemand dit speciaal voor hem had voorbereid, zoals men ook speciaal voor iemand een gedicht kan schrijven of een lied, dat men hem of haar te zijner tijd ten gehore mag brengen. En hij steeg op, hoog boven dit alles, en dreef dan weg, ergens terzijde, en een plotse wind stak op, hagel kletterde neer tegen de ruiten…

3366639-22d4e64bb8c2c5bdb7521bf3fd7b0863.jpg

Omsk zag dat het al klaar geworden was. Zijn toestand was lichtjes beter. Hij moest nog wat slapen, want hij was nog te vermoeid, zo kon hij de dag niet door. Hij trachtte rustig te ademen, aan niets te denken, de slaap te vatten. En hij realiseerde zich dat hij zich telkenmale als hij de ogen sloot, en nu opnieuw, begaf op dat terrein dat wij het gebied van de allergrootste onzekerheid plegen te noemen, het ‘kantje-boord’, het randje tussen het eenmalige leven en de volstrekte dood.

(J.B., Verhalen 2006-2009)




Het boek (J.B., Verhalen 2006-2009)-

Het boek

3366631-8f413168af44bdf128a944fa87258575.jpg

De tocht, het was een tocht - maar ik moet zeggen dat ik er maar tussen liep, het was immers allemaal zo snel gebeurd, ongepland eigenlijk, en niemand had er naar gevraagd, het was ook donker en er was een lichte paniek ontstaan, er waren er die nog niet eens gegeten hadden, we hadden ook helemaal geen mondvoorraad bij voor onderweg, geen drinken, niets was voorzien, helemaal niets…

De vrouw die naast me liep, had een kind op de arm, ik schat anderhalf jaar oud, het zag helemaal wit, en zij jammerde natuurlijk - zij was misschien vijfenzestig, en kon dus niet de moeder zijn, wellicht was zij de grootmoeder, ze had ook iets aan een van haar voeten of haar knie, ik weet het niet, ze mankte, en achter haar aan dan nog twee kinderen, schreiend ook, een van hen hield haar rok in de handjes geklemd, een meisje van misschien vier - het andere, een jongetje van hooguit zes jaar oud, keek alleen maar de hele tijd verbaasd rond zich heen naar al die anderen, want ze waren er allemaal net zo aan toe.

Er mocht niet geslenterd worden, af en toe hoorde men die stemmen roepen en maakten de aldus roependen gebaren, met de arm, met een stok of met iets dat geleek op een geweer, maar dat kon ik niet zien, het was nu eenmaal donker geworden, plotseling, en een felle wind was komen opzetten, een koude wind ook, die door de kleren heen blies en elkeen rillingen bezorgde. Ze maakten gebaren dat we moesten opschieten, dat er niet te dralen viel nu, en wie niet meer mee kon, werd gewoon voorbijgelopen, liep achterstand op, net zoals in een loopwedstrijd, maar een loopwedstrijd was dit niet, helaas niet, en opgeven, aan de kant gaan zitten of teruggaan kon hier vanzelfsprekend niet.

Een deel van ons liep op de weg, of op wat er restte van wat eens een weg geweest moest zijn, een ander deel, het grootste deel, waadde door weide, struikgewas, grachten en geboomte, want alles was te smal geworden nu, alle paden, wegen en pleinen. Straten waren er zo goed als niet meer: er moest haast worden gemaakt, vooruit worden gegaan, er mocht niet geslenterd worden en bochten maken hoorde er niet meer bij, het was rechtdoor of sterven, daar had het alle schijn van.

Een deel van ‘ons’, zeg ik, alsof wij samen hoorden, maar wij hoorden helemaal niet samen: zo te zien was dit een massa enkelingen, geen had uitstaans met een ander, maar dit vreemde lot dwong ons nu om samen weg te trekken. Wegtrekken was het wat wij deden, zoveel was nu wel duidelijk - of we ergens heen trokken, weet ik niet en ik dacht ook van niet: wij verwijderden ons alleen maar - of wij trachtten dat althans te doen - wij verwijderden ons zo spoedig mogelijk, wij maakten ons uit de voeten, of wij deden alvast een poging daartoe, een wanhopige poging zo te zien, want het was lopen met de moed der wanhoop, welke men voelen kon, elk voor zich in zijn buik en in zijn knieën, en welke men ook zien kon in de gang van alle anderen.

Geheel onverwacht was het begonnen, ik vergat zelfs wat ik aan het doen was toen zij plotseling riepen dat wij moesten lopen, weglopen, en ik had enkelen echt zien rennen, en wat verderop vielen zij ter aarde, buiten adem, angstig, badend in het zweet terwijl nochtans de koude winden uit het noorden ons nijdig in het gezicht bliezen en er een mist opstak, hij kwam als uit de grond, een kille mist die opdook uit de moerassen van de zwarte aarde.

In mijn rechterhand klemde ik iets vast, zo stevig dat ik krampen voelde in mijn vingers, en ik liet het niet los, alsof ik mij er aan vasthield, leek het wel, ik had geen tijd om het te bekijken, geen aandacht ook, want het leek nu wel dat de geringste verstrooiing fataal kon zijn, maar ik dacht dat het een boek was dat ik bij me had, en terwijl ik aandachtig om me heen keek, hijgend ook, en rillend, trachtte ik flarden van mijn gedachten samen te brengen, en geloofde ik me te herinneren dat ik aan het lezen was op het moment dat dit begon, al wist ik dat niet zeker, en wat ik dan wel las, was allang de verste van mijn gedachten. Er moest immers haast gemaakt worden nu, geen moment van dralen, laat staan verpozen, was aan ook maar iemand nog gepermitteerd.

Op een boogscheut van mij vandaan zag ik een man in een hoestbui verwikkeld strompelen en tenslotte nederduiken met het hoofd recht in de grond en daar bleef hij ook liggen, werd vertrappeld in het donker en vergeten. En een kind aan mijn linkerzijde schreide luid, ik zag dat het moederziel alleen was, deed een poging om het, lopend, naderbij te komen en vast te grijpen bij de hand, met mijn nog vrije linkerhand. Maar een tak had ik in de hand, die door mijn vel sneed, en het kind verdween in de nevelen als een geest, zonder ook maar een spoor achter te laten.

Er was nu een kar heel dicht genaderd achter mij, ik hoorde het rammelen van de grote, ijzeren wielen op de kasseien van de weg die ons nu verder loodste door het donker, en de kar werd getrokken door vier paarden, als ik goed geteld heb, en ik hoorde hun zware hoeven tegen de stenen kloppen, luider steeds en kouder ook. De kar haalde ons in, de paarden briesten, ernstig in de verten kijkend - al stelden die verten niets anders voor dan een zwarte muur die opschoof, mee met ons, zodat wij wel ter plaatse leken te lopen, niet vooruit kwamen en alleen maar werden ingehaald. De kar kwam op mijn hoogte, schodderde gevaarlijk dicht langs mijn zij; ik zag de grote wielen met de harde gietijzeren velgen die twee koppen boven de mijne uit kwamen, en toen ik eventjes snel opkeek, viel mijn blik op haar berijders, in de hoogte. Hun silhouetten staken zwart af tegen een bijna zwarte hemel zonder sterren, en men kon de bewegingen zien die ook zij maakten, in de lucht - zij sloegen wild in de lucht, met stokken, zo leek het mij, en zij riepen luid, ik kon hen goed horen doorheen het gieren van de wind, maar ik kon hun roepen niet verstaan.

In de weg die nu een zandweg was geworden, lieten zij diepe sporen achter die ons het lopen nog meer bemoeilijkten, en ik zag hoe mensen struikelden, neervielen in de verse, diepe grachten die de wielen groeven, en bedolven werden, en levend begraven. Maar geen van allen sloeg nog acht op deze ongelukkigen, het was elk voor zich nu, elkeen klampte zich met de moed der wanhoop aan zijn eigen leven vast - ook al wist men goed dat het niet helpen zou, uiteindelijk, want ’s mensen kracht is eindig, en als het lichaam moe wordt, de benen de romp niet langer dragen kunnen, de armen loodzwaar gaan wegen en de onderkin niet langer op de schedel aansluit, maar de mond wild open en dicht gaat slaan zodat de tong gaat bloeden door het klappen van de tanden, weet men dat het einde heel nabij is, dat men zal ter aarde vallen, zijn gedachten zal verliezen, en alleen nog zien zal hoe men daar ligt, geheel ontspannen tenslotte, en alles loslatend wat men tot dan toe een leven lang met zorg heeft vastgehouden.

Ik klemde nog steeds mijn boek vast - als het een boek was tenminste, wat ik meedroeg - of beter: een van mijn handen omklemde het boek, want de hand leek een eigen bestaan te leiden nu, los van de rest van het lichaam dat mij al rennend vooralsnog verder droeg en dat het weldra zou begeven. Ik hield mijn ogen wijd opengesperd om tenminste nog iets te kunnen zien, maar niet wijd genoeg, daar het niet langer baat om te kijken als er geen licht meer is. Het ging door me heen: dat wij denken dat we zien - we gaan er prat op dat we zien - maar in feite zijn het niet onze ogen, het zijn gekregen ogen, en op hun beurt krijgen zij het licht naar binnen gegoten: wij hebben daar geen enkel aandeel aan, en dat beseffen wij slechts heel op ‘t einde, plotseling, als wij ons de ogen uit de kop kijken omdat ons leven er van afhangt, doch vergeefs kijken we dan, want er is geen licht meer dat ons nog gegeven wordt.

Meteen realiseerde ik me ook hoe erg ik er aan toe was; immers: als het einde echt nabij komt en het lichaam op bezwijken staat, zoekt de geest afleiding in het maken van dergelijke bedenkingen: die gedachten, hoe overvol van waarheid ze ook mogen zijn, zijn uiteindelijk niets anders dan de verbloemde aankondiging van een nakend en fataal bewustzijnsverlies: het start met dergelijke overdenkingen, en geleidelijk, geheel onopgemerkt doch sneller dan men denken zou, gaan ze over in dromen - en wie droomt, is niet langer wakker. Het is een paradox: wij geloven dat wij ons redden kunnen door ons aan gedachten vast te klampen, alsof de voortzetting ervan ons de continuïteit van ons bewustzijn garandeerde, maar wezenlijk is het net andersom, en dienen wij het denken te schuwen als de dood zelf, die zich met gedachten en met de droom omringt teneinde ongemerkt zoals een roofdier naar zijn prooi toe te kunnen sluipen om er dan op te springen - één ogenblik, een enkele beet die feilloos de levensader openlegt en, met het bloed, het leven wegzuigt uit het lichaam. En wie kon ooit denken dat het leven dan zo broos was, dat het gewoon weggezogen worden kon, zoals water door een rietje.

Het water was er plots, en het omarmde ons, ombolsterde ons, omgaf ons ten allen kante, sloot ons in, benam ons van de adem, wij ademden nu water, onze longen gingen wild te keer, een korte wijle nog, een al verloren strijd, ons bloed dat zich met het water mengde. Planken, schroot, diepvriezers, auto’s, daken, bomen - het wriemelde rond ons heen, en armen werden uitgerukt, hoofden afgeslagen, karkassen dreven, zelf schroot geworden, mee in de wilde vloed - het was nu een kwestie van nog luttele seconden vooraleer het nekschot kwam, want dit einde zou niet anders aanvoelen. En nog net had ik de tijd, zo geloofde ik toch, om nog de diepe, tergende en uiteindelijk dodelijke heimwee te kunnen voelen, bij het weggerukt worden van alles wat ik zonder het ooit ook maar een ogenblik goed beseft te hebben, zozeer had bemind. Niet het onheil geeft een mens de genadeslag: het is de liefde.

3366631-3d13d827c12b88188638a91dacb8f1de.jpg

(J.B., Verhalen 2006-2009)



























De legitimering van het recht van de sterkste - Over de oorsprong van verrechtsing

De legitimering van het recht van de sterkste

Over de oorsprong van verrechtsing

Een recreatiedomein ontzegt de toegang aan allochtonen omdat blijkt dat zij een leeuwenaandeel hebben inzake problemen van openbare orde en derhalve ook van te garanderen veiligheid.1 Discriminatoir, zo zegt de wet maar hoe moet de probleemoplossing er dan wél uitzien?

Om te beginnen bestaan er geen goede kortetermijnoplossingen voor problemen vergelijkbaar met dit voorbeeld, waarmee tevens gezegd is dat de fabrikanten van de lange termijn, die politici zijn, en derhalve, paradoxaal genoeg, kortetermijndenkers, hun verantwoordelijkheid niet in de schoenen moeten schuiven van onderdanen van wie verwacht wordt dat ze op staande voet bijvoorbeeld het kind van gisteren heropvoeden in de volwassene van vandaag of dat ze de vrijheid respecteren van wie anderen muilkorven en bedreigen.

Immers, ook voor de geviseerde executeuren van door nitwits bereide wetten geldt dat de verwachting om het onmogelijke te realiseren, dermate frustreert dat zij elke draagkracht breekt en onafwendbaar resulteert in een falen waarvoor de blinde massa sowieso iemand wil zien hangen, in de waan aldus het probleem te hebben opgelost.

Omdat desalniettemin kortetermijnmaatregelen worden verwacht voor zaken die uitsluitend gevoelig kunnen zijn voor behandelingen op de lange termijn, zijn zondebokken onvermijdelijk en overeenkomstig de pikorde worden zij zoals altijd gerekruteerd uit de laagste echelons terwijl de eigenlijke daders aan de dodendans gezwind ontsnappen. Een bekend voorbeeld: wanneer het een feit is dat de helft der gevangen onterecht veroordeeld zijn, is dat omdat men stopt met zoeken naar de dader eenmaal ongeacht wie bij de kraag werd gevat en om geen andere reden worden ook hier plichtsgetrouwe lieden opgezadeld met een jarenlang door anderen opgebouwde schuldenlast.

Een van de kwalijke gevolgen van de beschreven gang van zaken is wel dat het allerlaagste echelon niet dat is van degenen die onafwendbaar discriminatoire maatregelen moeten nemen: de laagste in rang zijn immers degenen, meestal kinderen, die worden opgezadeld met een straf voor daden die er vanwege hun opvoeding of een gebrek daaraan, al heel vroeg onherroepelijk ingebakken zitten. Enkel en alleen omdat zij de minst weerbare personen van onze samenleving vertegenwoordigen, krijgen zij uiteindelijk bovenop de discriminatie waaraan zij al onderhevig zijn, tevens de rekening gepresenteerd voor de gevolgen van die discriminatie, zodat ook hier, geheel verkapt, alle daders ontkomen en hun slachtoffers twee keer worden gestraft. En uiteraard neemt ook daar dan de frustratie toe en dat wordt een vicieuze cirkel.

Maar de verrechtsing kan op grond hiervan wel loepzuiver worden gedefinieerd als het uitvaardigen van maatregelen tegen slachtoffers van wantoestanden, tegelijk met de bescherming van de misdadigers en dat is met andere woorden de legitimering van het recht van de sterkste.

(J.B., 18 juli 2026)



 

Verbloemingen (J.B., Verhalen 2006-2009)

Verbloemingen

'Eufemisme', zo klinkt het meer geleerde woord voor 'verbloeming', en iets verbloemen doe je wanneer je het een beetje fraaier omschrijft of voorstelt dan het in feite is: je plaatst het als het ware tussen de bloemen, en dan ziet het er warempel ook veel beter uit.

Er is niets mis met verbloemingen, tenminste als zij niet bedoeld zijn als bedrog, maar veeleer dienen om onszelf en anderen te behoeden voor de abrupte waarheid die wel eens nodeloos shockerend kon zijn. Zo acht men zichzelf of iemand van de zijnen veeleer een werkzoekende dan een werkloze, men verkiest te zeggen 'onverstandig' waar men bedoelt 'stompzinnig' en wanneer ergens de kakkerlakken kermissen en de kamers met rattenkeutels liggen bezaaid, dan zegt men liever dat men op die plaats niet bepaald van de vloer kan eten.

Het begint eigenlijk al van bij de geboorte, welke een bijzonder pijnlijke, bloederige en gevaarlijke belevenis is, zowel voor moeder als voor kind als voor alle andere betrokkenen, want aan baren is er niks gezonds of moois. Men spreekt niet over weeën, pijn, angst, bloed, navelstrengen en moederkoeken, het infectiegevaar waarbij moeder en kind soms het leven laten en wat al niet meer aan mistoestanden en aan kwalen: men zegt dat een nieuwe telg het levenslicht gezien heeft en de beschrijvingen van het geluk dat nu alle betrokkenen te beurt valt, lijken wel onbegrensd. Allerlei versnaperingen luisteren het feestgebeuren op, gaande van zoete suikerbollen tot dineetjes met Champagne, en ook heuse gedichten in veelkleurendruk geïllustreerd en talloze andere, schattige cadeautjes.

Een kind dat geboren wordt, is helaas niet aan de wereld waar het in terecht komt, aangepast, en dat vormt eigenlijk een volgend, groot probleem, dat in feite de tijd en de krachten van alle betrokkenen gedurende de rest van hun bestaan naar zich toe trekt en uitput. Voor de voeding en de opvoeding van elkeen moet levenslang worden gezorgd, en ook die termen zijn verbloemingen want eten is duur en naar het schijnt ook zelden gezond, en vaak vormt reeds het naar binnen werken van het dagelijkse rantsoen een probleem apart: men heeft geen trek omdat men ziek is, men kampt met etterende ontstekingen op de lippen, de tong, de amandelen, de huig, het verhemelte, het tandvlees, de tanden, de slokdarm, de maag en ga zo maar door. Edoch, wij spreken liever niet over al die kwaaltjes en pijntjes en we hebben ook geen aparte woorden om deze waaier van kwellingen te beschrijven, we houden het bij dat ene, domme woord: pijn. Al het kwaad wordt met dat ene woord beschreven, en vaak wordt ook dat nog eens verbloemd en zegt men niet dat iets pijnlijk is, maar dat het niet prettig aanvoelt of dat er gewis aangenamere dingen bestaan.

Daarentegen hebben we wel een quasi eindeloze lijst van benamingen voor een even eindeloos assortiment van specialisten, geneesmiddelen en therapieën. Het volstaat dat men eens een rondgang maakt in een kliniek om zich ervan te vergewissen dat tegen elke kwaal wel een kruid is gewassen, want in hoeveel partikels het menselijk lichaam ook wordt opgedeeld: voor elk mogelijk gebrek aan élk van die partikels bestaan speciale zorgen en een gamma aan passende medicijnen.

In een nieuwsuitzending op televisie worden beelden getoond van uitgemergelde mensen ergens in een heel ver land (en wat denkt u van de benaming 'ontwikkelingsland'?) waar men van hieruit wel eens op vakantie pleegt te gaan. Magere mensen die in een voor ons onverstaanbaar taaltje brabbelen, mensen gekleed in lompen en ook mensen die er alles behalve bedreigend uitzien maar die zelf wel bedreigd worden: door de honger, door de kou en ook nog door clusterbommen en kogels. Zij troepen om de TV-reporters heen - echte reuzen naast die levende lijken. Een van de reporters houdt iemand een microfoon onder de neus en vertaalt wat die jammerende massa uitroept: "Voedsel, beste kijkers, dat is het waar de mensen hier om vragen, want de voorraden raken uitgeput en de aanvoer wordt bemoeilijkt door de strubbelingen van de opstandelingen die de wegen blokkeren in het binnenland." Aan het slot van de reportage zegt de journalist zijn naam en geeft hij 't woord aan zijn eveneens bij de naam genoemde collega in de studio. Maar van de namen van de geïnterviewden in dat verre land wordt niet gerept, alsof zij er helemaal geen namen droegen, alsof zij geen mensen waren - zij vormen immers geen bedreiging en het volstaat warempel hen te voederen opdat zij rustig zouden zijn. In de daarop volgende show zetten gigantische, fluorescerende getallen op een podium vol vedetten onze ongeremde vrijgevigheid in de verf en ook zet zich nog een rijtje politiekers in de bloemen, zwaaiend met cheques van duizend euro en aldus alle miserie in één klap verbloemend met iets dat zichzelf verschuilt onder de benaming 'generositeit'.

In een dagdroom gelijkend op deze welke destijds Godfried Bomans' Erik - uit diens Erik of het kleine insectenboek - te beurt moet zijn gevallen, viel mijn oog bij het milieuvriendelijke wegkieperen van de resten van een rijkelijk middagmaal achter in de tuin, op een klein zwart torretje dat centraal op de mesthoop klaarblijkelijk volop zat te genieten van de zon. Op een zwart, dor blad was het gezeten, drijvend op een kuip vol stront, maar met het hoofd geheven alsof het voor een grootse, edelmoedige beslissing stond. Het richtte ineens het woord tot mij, en sprak: "Hey daar, Mik-Mak, of hoe je ook heet: kom maar niet te dichtbij, want alles wat je hier ziet, dat is van mij, als je dàt maar weet: de drek, incluis de scheet die je net hebt horen bulderen alsof Thor zelf zich een gat in de luchten beet!"

Ik keek beter toe en schrok van de messcherpe schilden op het pantser van dit minuscule schepsel Gods dat niettemin ijdeler bleek dan iemand van onze eigen soort kon dromen. Een pekzwart pannendak bezaaid met vreemde antennes: daarmee leek het ding wel overdekt te zijn, al mocht ik gewis niet zeggen 'ding' en diende men het schepsel aan te spreken met mijnheer, mevrouw, of misschien wel Hare Hoogheid, Monseigneur.

"Zeg maar Jaap", zo kwam het torretje eensklaps mijn verbijstering tegemoet en het trok zowaar zijn das wat losser, ging languit in zijn bureaustoel achterover liggen en hield mij een kistje gevuld met Havanna's voor: "Ikzelf ben gestopt, maar geneer u niet, ze zijn vers overgevlogen uit Cuba, betere vind je niet!" En toen ging Monseigneur zowaar aan het dichten:

"Ein voller Becher Weins zur rechten Zeit

ist mehr wert, als alle Reiche dieser Erde!

Dunkel ist das Leben, ist der Tot!"

- aldus citeerde hij zangerig de grote Li-Tai-Po en hij graaide naast zich in de zwarte plas en schepte mij er zodoende een kroes van vol die ik door al die tralala nu bezwaarlijk nog weigeren kon, en zo zette ik tenslotte een beker gevuld met aal aan mijn lippen en sprak ik plichtsmatig van de pracht en praal waaraan ik niet kon tippen.

En zo vergaat het menigeen die alsmaar wil verbloemen, want hij verbloemt zijn eigen ondergang: hij gaat de dood zelfs roemen, en 't eeuwig leven waarbij vergeleken - volgens hem - 't armtierige bestaan in dit weeë tranendal rustig naar de maan mag gaan.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

https://www.boekenbestellen.nl/boek/het-eeuwige-vuur-en-andere-verhalen-geillustreerd/10812








Misbruik van zwakheid

 

Misbruik van zwakheid

Eenmaal naar binnen gesijpeld in een cultuur is de wet van de jungle of het recht van de sterkste de legitimatie van het onrecht of dus een toestand die verwerpelijker is dan de wetteloosheid waarin wilde dieren leven. Het vergelijkbaar worden van een zogenaamde beschaving met de jungle herinnert spontaan aan Heart of Darkness, de iconische roman van de Pools-Britse schrijver Joseph Conrad uit 1899. Zonder namen te noemen maar bijzonder herkenbaar behandelt het boek de genocide van Leopold II in de Congo. In zijn dienst werkt een zekere meneer Kurtz, de verpersoonlijking van de wreedheid die hiervoor echter rijkelijk wordt beloond. Bij uitstek in het kolonialisme situeert zich de jungle in het hart van de beschaving die om die reden zwart is als de nacht.

Het recht van de sterkste is in wezen het misbruik van andermans zwakheid, wat betekent dat het gebrek aan weerbaarheid van de ander wordt aangewend als een wapen tegen hem of haar, wat in het licht van elke vorm van beschaving uiteraard een exponent is van de lafheid. De macho die zijn meerwaarde etaleert door al dan niet vermeende tekorten van anderen tentoon te stellen en belachelijk te maken is meer dan ooit aan de orde van de dag in de huidige internationale politiek en wel het eerst op die plek die zichzelf durft uit te roepen tot het hart van de wereld, in militair en economisch opzicht maar godbetert ook moreel.

Er is geen onschuld in de pronkzucht van wie leven in batimenten die rusten op witmarmeren pilaren: ijdelheid en pralerij kunnen alleen maar repressie, vervolging en moord verkappen. Evenmin is er heldhaftigheid in het neerslaan van een ander met door hemzelf aangereikte wapens, waartoe immer zijn zwakten behoren. Het nog verder verzwakken van de zwakkeren is zoals het intrappen van open deuren: men doet dan wat iedereen kan, men eist aandacht op voor stunten die er helemaal geen zijn en zodoende creëert men een publiek dat men maar meteen berooft van zijn tijd. Heldhaftigheid en sterkte zijn pas te ontwaren waar men erin slaagt een zwakke sterk te maken en zwaktes in troeven te veranderen, zoals ouders voor hun kinderen doen, vogels voor hun eieren en insecten voor hun broedsels. Waarmee meteen gezegd is dat wie andermans zwakheden uitbaten, niet eens de benaming van beesten verdienen.

(J.B., 17 juli 2026)



 

Ellende (J.B., Verhalen 2006-2009)

Ellende

3366601-3fb5ed13afe8714a7e5d13ee506003dd.jpg

Vsevolod Mikhailovich Garshin's vader was militair en pleegde zelfmoord in het bijzijn van zijn zoon, die toen zeven jaar oud was. Garshin zelf was pacifist maar ging niettemin vechten aan het front, kwam zwaar gewond terug en schreef later dan een twintigtal schitterende kortverhalen. Op zijn drieëndertigste pleegde hij op zijn beurt zelfmoord door van de vijfde verdieping van een trappenhal naar beneden te springen. Ernest Hemingway, de auteur van het prachtverhaal De oude man en de zee, pleegde zelfmoord met zijn eigen jachtgeweer. Er wordt gezegd dat hij in zijn familie de vijfde in het rijtje was om dat te doen. De beroemde Virginia Woolf vulde naar verluidt haar jaszakken met stenen op en sprong daarna in een rivier. En als men op Google naar artiestenlevens hengelt, kan men nog urenlang op deze wijze doorgaan.

3366601-4efdd2f969559e8b1c92e99f32ded48e.jpg

Een lugubere onderneming, kan men zeggen, maar wie op de een of andere manier in het land van de ellende terecht komt, kan uitgerekend daarin veel troost vinden. Wonden genezen vanzelfsprekend niet in gevolge de bezichtiging van nog grotere wonden, maar niettemin blijven de Fransen zeggen: "Mal de voisin réconforte et même guérit." Want het ergste aan ellende is misschien wel dat men zich daarmee alleen waant. Ontegensprekelijk zijn slechts weinigen bereid om in de ellende van anderen te gaan delen, en daarom sluit elkeen er zijn ogen voor. Maar de struisvogelpolitiek die zegt dat ellende niet bestaat, houdt het precies zo lang vol totdat de ellende aan de eigen deur klopt. Op dat moment is men wel gedwongen om van strategie te veranderen en in plaats van de ogen ervoor te sluiten, gaat men de ellende nu opzoeken om met zijn ellende niet langer alleen te zijn. Het is uiteraard een gemene truc als men andermans miserie opzoekt - niet om te proberen hen daarvan te bevrijden, doch om ze te baat te nemen. Maar sommigen houden vol dat dit werkt.

3366601-f99687dd719c4e8bc6a39e946c3d9ef7.jpg

Aan de essentie van ellende valt vanzelfsprekend helemaal niets te verhelpen, want ellende is per definitie een toestand waar geen kruid tegen gewassen is. Ik weet niet of het etymologisch hout snijdt, maar het lijkt wel zo te zijn dat het woord 'ellende' de woorden in zich heeft van 'el' of 'elle' - een oude lengtemaat waarbij de elleboog, of beter de ellepijp, diende als meetinstrument - en 'ende', wat 'einde' betekent. Ellende is dan een nare toestand waarvan het einde ellen ver is en nog lang niet in zicht komt: er komt géén einde aan ellende. Hierin onderscheidt ellende zich dan ook van bijvoorbeeld verdriet, dat door de tijd geheeld wordt omdat verdriet geen echte bron heeft. Ellende heeft wel een echte bron, in dat opzicht vergelijkbaar met een waterbron die haar specie ook gestaag blìjft voortbrengen. 

3366601-2de40e0d504f583cda7465979f958a98.jpg

Een sterfgeval brengt verdriet, maar het sterven zelf sleept niet aan: de dood komt en gaat en mettertijd slijt het verdriet en gaat men enigszins in het verlies berusten, ook al kost dat vaak vele jaren van geduld. Maar wie bijvoorbeeld door onvoorzichtigheid het ongeluk of de dood van een ander veroorzaakt heeft, die kent ellende omdat - én zolang als - de bron van het ongeluk waarmee hij dan immers zelf samenvalt, blijft bestaan. Ellende verdwijnt niet tenzij met de dood van de ellendige zelf die daarom perfect met zijn ellende samenvalt, en dan moet hij bovendien nog hopen dat de dood in staat zal zijn om af te breken wat het leven deed voortduren. Wie immers durft te beweren dat onze geest niet verder blijft bestaan, al was het maar om de lasten die erop rusten te blijven torsen? Want hoe dan ook moet ìemand ze toch torsen.

Mevrouw Vermeulen slikte zopas haar tand in - een prothese, een voorlopige prothese eigenlijk. Of beter: zij gelooft dat ze haar prothese ingeslikt heeft, want na haar ontbijt heeft zij in haar spiegel het zwarte vakje van de ontbrekende tand aanschouwd, ze heeft eraan gevoeld en ze heeft inderdaad de beruchte leegte op dat plekje kunnen vaststellen. Onwillekeurig deed het haar denken aan een rijhuis, onverwacht gesloopt: men staat des morgens op, men haalt een brood om de hoek en men ziet plotseling dat daar wat verderop een huis ontbreekt. Is het daadwerkelijk gesloopt of is het ingevallen? Was er dan niet een lichte aardbeving vannacht? Lag het huis al langer plat en werd het alleen niet opgemerkt?

Behalve misschien vanwege haar prijs, heeft de prothese met het huis helemaal niets gemeen, maar de prijs volstaat voor het spontaan tot stand komen van de vergelijking in de geest van mevrouw Vermeulen. Verder valt er met het steengruis van de sloop niets meer aan te vangen terwijl daarentegen de tand nog heel moet zijn en dus recuperabel. Mevrouw Vermeulen heeft dan ook haar bed al helemaal afgestroopt, zij heeft verwoed gezocht tussen de lakens en ook onder het bed, in de tapijten en in de vacht van de schapenvellen. Vervolgens heeft zij grote inspanningen gedaan in een poging om zich te herinneren wat ze precies heeft waargenomen in de tijdspanne tussen het wakker worden en het ontbijten.

Heeft zij in de spiegel gekeken? Waarschijnlijk wel. Heeft zij daarbij haar gebit bekeken en de nu ontbrekende tand gezien? Maar dat herinnert ze zich helemaal niet! Als men opstaat, dan doet men alles routineus, en dat is zeker het geval als men al wat jaren heeft; hoe dan kon men in die omstandigheden gedetailleerde waarnemingen doen? Neen, zij had die tand zeker nog in, anders was het haar beslist opgevallen. Het ongeluk moet zich voltrokken hebben tijdens het ontbijt. Ik eet immers brood van meel met daarin allerlei brokjes, zo realiseert zich mevrouw Vermeulen nu: zonnebloempitten, maanzaadjes en dies meer. Op die zaadjes kauw ik niet, en zo is de prothese erin geslaagd om zich onopgemerkt een weg te banen, prompt doorheen het keelgat. En zij herinnert zich nu een voorval met haar moeder, een gebeurtenis van vele jaren geleden.

De moeder van mevrouw Vermeulen moet toen ongeveer haar huidige leeftijd hebben gehad, en dat wil zeggen tachtig jaar. In die tijd kregen de mensen nog slechte tanden ten gevolge van minuscule kiezeltjes die in het meel belandden tijdens het malen van het graan met reusachtige molenstenen. Het tandglazuur verging alras en het gebit rotte weg. De malaise was algemeen en de staat zette een campagne op touw: alom ten lande deden grote tandartsen-autobussen de gemeenten aan, en elkeen liet er al zijn tanden trekken, in de hoop na enkele weken te kunnen pronken met een jeugdig ogend gebit. Een vals gebit weliswaar, dat soms minder goed paste in de mond en dat soms niet aan het gehemelte wilde blijven plakken. Zodat het gebit eigenlijk slechts werd gedragen voor de duur van eens een avondje uit. En het was na zo'n avondje - haar wekelijkse kaarting in de bejaardenclub - dat de moeder van mevrouw Vermeulen een trappist was misvallen. In die tijd immers konden op de bodem van het flesje van het nog artisanaal gebrouwen bier van hoge gisting dat door de huisdokter zelf werd aanbevolen tegen allerlei ouderdomskwaaltjes, nog aardig wat slakken zitten. Het was dus na haar thuiskomst van zo'n kaarting dat zij zich in zeven haasten naar het toilet begeven moest, alwaar zij zich moest neerleggen bij een kotspartij waarbij het half verteerd trappistenbier op zijn terugreis naar buiten vergezeld werd van een nog nagelnieuw en peperduur gebit. Een nog haastige grabbelreflex schoot helaas net wat tekort om het kleinood te redden van een gewisse val in een wel bijzonder onherbergzame diepte.

Men dient immers te weten dat de toiletten uit die tijd nog enigszins verschilden van onze moderne WC-potten. Om te beginnen bevond het toilet zich toen buiten in een hokje op de koer, en dat was niet zonder reden: het toilet was immers gebouwd bovenop de beerput in de tuin. Van sifons was nog lang geen sprake en de uitwerpselen, de kots of eender wat dat in het toilet gedeponeerd werd, belandde rechtstreeks - en dat wil zeggen: in vrije val - in de beerput daaronder.

Met pijn in het hart herinnert zich mevrouw Vermeulen hoe haar moeder die nacht grotendeels moet hebben doorgebracht in volstrekte eenzaamheid in het 'vertrek', zoals het WC-hokje werd genoemd. Niet omdat ze al die tijd onpasselijk zou zijn geweest of dronken, want toen zij haar fortuin de dieperik zag ingaan, was ze rap nuchter, al tastten haar handen nog een tijdlang en wanhopig achter haar lippen in de lege holte van de mond, wellicht vooralsnog in de schriele hoop dat dit verlies een droom moest zijn geweest. Met een lange stok dan maar, aan het uiteinde waarvan een reusachtige, smeedijzeren lepel vast hing - een tuig dat 'beerloeder' heet en dat werd gebruikt om te 'beren', wat wil zeggen: 'aal scheppen' - poorde zij nog urenlang in de put en inspecteerde ze bij het ophalen telkenmale nauwkeurig de inhoud van de lepel, in de hoop daarin haar fortuin aan te zullen treffen. Met behulp van haar kleinzoon die haar nochtans plechtig had beloofd het voorval te zullen verzwijgen, werd het gebit tenslotte opgevist. De moeder van mevrouw Vermeulen was blij omdat het niet één barst vertoonde; zij schrobde het schoon met zeep en ging er de week nadien alweer mee kaarten alsof er geen vuiltje aan de lucht was.

Mevrouw Vermeulen is haar prothese kwijt maar, het voorval van weleer met haar goede moeder indachtig, weet zij het alras te relativeren en zij besluit dat het niet meer is dan een heel klein ongelukje. Wat haar moeder mee moest maken daarentegen, had een ietwat tragischer karakter. Vele eenzame uren in de nacht, gebogen over een stinkende beerput, had zij ervoor over om te voorkomen dat men over haar gezegd zou hebben dat zij wellicht een glas teveel gedronken had, dat zij gulzig was geweest, onvoorzichtig, dronken of zelfs spilzuchtig - uitgerekend zij, die zich in de ellendige oorlogsjaren letterlijk het eten uit de mond spaarde om haar kleine kinderen nog iets toe te kunnen stoppen, met het gevolg dat zij bij de bevrijding nog amper veertig kilogram woog. Maar dat alles had niét kunnen voorkomen dat haar jongste meisje kroep kreeg en prompt stierf, geen zeven jaar oud was zij, en met man en macht hebben ze moeder toen in bedwang moeten houden daar zij steeds herhaalde dat haar dochtertje nog veel te klein was om te worden begraven en dat zij beter nog een poos in haar bedje bleef.

Niettemin God weet dat zij geheel onschuldig was, hebben de zelfverwijten de jonge moeder een lange tijd ergens op de grens gebracht tussen, enerzijds, de heldere werkelijkheid en, anderzijds, een land van alleen maar duisternis en mist. En zij is - uiteindelijk - uit de mist teruggekeerd, maar mét een ellende die nog onverminderd daar was op haar sterfbed, en die misschien nog voortduurt in het graf - wie zal het zeggen?

De moeder van mevrouw Vermeulen is niet van de vijfde verdieping van een trappenhall naar beneden gesprongen. Zij heeft zichzelf ook niet neergeschoten met een tweeloop en ze is niet, de jaszakken gevuld met zware stenen, in een rivier gesprongen. Zij zag van dit alles af omdat zij meende te weten dat ook de dood een mens niet kan ontheffen van zijn schulden, aangezien hij op het einde van de tijden verwacht wordt bij het oordeel, als de laatste bazuin zal schallen, de zerken open zullen worden gegooid en de doden, zoals immers beloofd werd, zullen verrijzen. De moeder van mevrouw Vermeulen heeft de gedachte aan de dood nimmer kunnen vereenzelvigen met een of andere vorm van bevrijding: sterven was voor haar een straf, net zoals lijden, en dood-zijn was een voorlopige toestand in afwachting van een eeuwig leven, hetzij in de hemel, hetzij in het eeuwige vuur. Niemand heeft haar ooit af kunnen brengen van de verschrikkelijke overtuiging dat zij schuld had aan de kroep van haar klein dochtertje, want als niet zij de schuldige was, wie dan wel? En zo leefde zij sindsdien een leven van ellende, en stierf zij tevens een ellendige dood, zonder een andere uitkomst dan het eeuwige vuur van een nog ellendiger hel.

Mevrouw Vermeulen overdenkt al deze dingen in de tandartsenstoel en de dokter aan wie zij het verhaal van haar ingeslikte prothese heeft verteld, glimlacht er nog om terwijl hij aandachtig bezig is met het boren van een gaatje in haar kaaksbeen voor de inplanting van een nieuwe tand. Het zijn, alles samen, een viertal operaties en met de opbrengst van die klus zal zijn zak geld alweer wat zwaarder wegen. "De armen zeggen wel dat ge uw fortuin niet mee kunt nemen in uw graf", zo zegde hem zijn moeder altijd toen hij nog studeerde, "maar dat is een troost zoals een andere." Hij bleef maar aan die woorden denken, en hij herinnerde ze zich nu weer, alsof zij hem had willen duidelijk maken dat de armen het bij het verkeerde eind hebben, en dat men zijn rijkdom wél kan meenemen over de grenzen van dit leven heen - alleen was hij misschien nog steeds niet rijp genoeg om de wijsheid van wat zij hem had toevertrouwd, helemaal te kunnen bevatten. "Men moet een mens zijn troost niet ontnemen", zegde zij, "en bijna niets kan een mens meer troost bieden dan een gaaf gebit, ook al is het vals". En was het dan geen diepe wijsheid als zij daar liet op volgen: "Of een gebit echt is of vals, doet immers niet ter zake, want wie verkiest geen vals gebit dat bijten kan boven een echt dat alleen maar pijn doet? En zo kunt gij de armen twee keer troosten: eenmaal met een vals gebit en andermaal met de overtuiging dat men zijn fortuin niet meeneemt in zijn graf".

In een afgrond of in het water springen of zichzelf door het hoofd schieten zijn niet de aangewezen manieren om zich te ontdoen van "het leven dat we allen moeten doorstaan", zoals een wijs dramaturg het ergens verwoordt, met een klemtoon op dat 'moeten'. Waarschijnlijk is het zo dat iederéén zonder uitzondering zich van het genoemde "moeten" wil ontdoen en, verder, dat de vlucht in de droom daartoe wellicht de meest gelukkige weg is. Een mens kan immers veel missen, maar neem hem zijn dromen af en hij wil niet meer leven! Ja, deze gedachte is niet nieuw meer in haar eigen hoofd en zonder enige twijfel heeft ze al in vele andere hoofden rondgewaard want het is een ware gedachte: een leven zonder droom stelt blijkbaar helemaal niks meer voor en blijkt niet eens de moeite om geleefd te worden - het is daarentegen een foltering! Een gedachte die nog lang niet is uitgeput... Bedenk eens hoe diep zij is, en wat voor consequenties zij dan heeft, want houdt zij niet in dat een haast toevallig bijverschijnsel van de vele werkingen van een levend organisme, de enige bestaansreden van dat organisme vormt? Minder nog dan een schaduw zijn onze dromen vergeleken bij ons leven - zo onecht, zoals iedereen zal beamen - maar welk wezen vindt zijn bestaansreden dan in het bestaan van zijn eigen schaduw? "Ik leef, maar dat heeft geen enkel belang, geen enkele zin. Mijn enige en echte levensdoel is de productie van een eigen schaduw! Een schaduw is volstrekt immaterieel, zegt gij? Het is inderdaad waar dat ge hem niet kunt oppakken, opvouwen en in een doosje stoppen. Maar of hij daarom onbestaand is, durf ik niet te zeggen. Meer zelfs: als ik geen schaduw meer heb, dan vind ik dat ik er beter ook zelf niet meer ben!" - Wie heeft ooit een weldenkend mens zo'n woorden horen spreken?! En toch blijken zij de waarheid te bevatten en niets dan de waarheid! Dromen immers zijn nog onwerkelijker dan schaduwen.

Ellende is daarom uiteindelijk alleen daar, waar de dromen hebben opgehouden. Omdat ze verbannen worden, of om welke reden dan ook. Het leven dient daarom met dromen te worden volgesponnen. Dromen, ze zijn inderdaad zoals spinrag. In hun fijne webbenweefsel dat lang niet meer van stof is, blijven niettemin soms dikke en voedzame vliegen haken die zich dan uit de dromen niet meer ontwarren kunnen en die aldus zichzelf inspinnen en zoals poppen worden. In tegenstelling tot de dromen waarin zij zich op hun beurt ingenesteld hebben, zijn zij wél van vlees en stof, en aldus voedzaam voor al wie zich zo'n webben dromen. Eigenlijk zijn het allerminst vliegen die in onze dromen blijven haken: het zijn daarentegen vaartuigen van een bijzonder kunstige makelij, die uit een veraf gelegen wereld geconcentreerd voedsel aanbrengen, vele keren krachtiger nog dan biefstuk is of vis. En met de kracht die zij beloven, moet men weer nieuwe dromen spinnen, en nooit mag men ophouden met het spinnen aan de dromen: het moet de allereerste wet zijn van het leven, dat men dromen weven moet, want alleen zij geven soelaas tegen de ellende. Dromen zijn gelijk stegen waarin men wandelen kan, ver weg van de harde snelwegen. Dromen zijn kaartenhuisjes, in een handomdraai staan ze daar, en zij maken geen slachtoffers als de aarde beeft en als dan alles wat uit beton is, doodt al wat er onder zit. Dromen zijn gelijk een vals gebit waarmee men niettemin bijten kan, of ze zijn gelijk een spreuk die ondanks alle armoede troost kan brengen.

De oude man en de zee is een droom die aan eenieder die dat wenst, voor de duur van een paar uren onderdak verschaft en beschutting tegen de ellende. Elk kortverhaal van Garshin is een droom en daarom ook een zeer kostbaar geschenk, alleen kon hijzelf blijkbaar niet snel genoeg dromen, zich niet diep genoeg inwikkelen in het kluwen van zijn woorden, zich er niet terdege in verliezen, omdat teveel ellende gauw weer ontbond wat hij nog zo vernuftig en snel samenstelde. Virginia Woolf trachtte zich in de golven in te spinnen, in hun beweging, in de cadans van hun slag, in hun muziek en tenslotte in de zware koelte van het water en, geholpen door jaszakken vol stenen, slaagde zij ook in haar opzet en zodoende was ook voor haar de gelukkigste weg - die van de droom - niet weggelegd; ook in haar geval haalde een ontbindende ellende de nochtans vernuftige spinsels van vele kunstige dromen in, en zag zij zich genoopt om een verterend vuur met heel andere middelen dan met de droom te doven.

Wij weten dat er met de ellende van de wereld iets gaande is dat zich ergens zal laten verwoorden in een wet, vergelijkbaar met de wet van de entropie. Ergens weten we ondanks alles dat de ellende slechts kan toenemen en dat haar toename de eigenlijke reden is voor de explosie van de droom, welke wij geheel verbloemd voor werkelijkheid houden, zodat we spreken van de wetenschap, van de explosie van de cortex, of van de vooruitgang in het algemeen. Wij weten wel dat deze dingen slechts dromen zijn die voorthollen zoals een meute, op de voet gevolgd door een lavastroom, ontsnappend uit een uitbarstende vulkaan. Wij weten het en wij trachten dit weten met een niet willen weten ongedaan te maken, in de blinde hoop dat, uiteindelijk, het willen het zal winnen van het weten.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Jan Bauwens, "Het eeuwige vuur en andere verhalen", Serskamp 2014, 676 pp., geïllustreerd:

https://www.boekenbestellen.nl/boek/het-eeuwige-vuur-en-andere-verhalen-geillustreerd/10812

 


















Extase (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Extase

3366579-4a565dd479ba940b7a3701e68a09fecb.jpg

Een video van een Johann Sebastian Bach's Goldberg Variationen spelende Glenn Gould op het internet nodigt uit tot een korte meditatie met zonlicht, grafiet en papier, waarbij men een enkel beeld uit dat festijn tracht vast te leggen. De muzikale figuren zijn innemend zonder meer - blauwdrukken van cherubijnen - maar toch staan Bach's Variationen blijvend in de schaduw van het Hexachordum Apollinis van Johann Pachelbel, Bach's voorganger en - via diens oudste broer - eigenlijk zijn ongeëvenaarde leermeester, wat men er ook van zegt. Toen Pachelbel stierf, was de grote Bach tweeëntwintig jaar en in het witte licht van Pachelbel klinken de kleuren van Bach soms nodeloos complex. Maar tegelijk moet worden erkend dat ook in die complexiteit een onovertroffen eenvoud schuilgaat die doet denken aan de simpliciteit van sneeuwkristallen. Geen twee componisten zijn gelijkender dan Pachelbel en Bach en tegelijk zijn er geen twee die onderling meer verschillen, maar dat heb je nu eenmaal met wie of wat zich boven al het vergelijkbare verheffen.

Glenn Gould - andermaal de incommensurabiliteit zelf, maar dit keer in het wezen van de pianist - speelt Goldberg Variationen alsof het een compositie van Pachelbel betrof, en wel de hoger genoemde, en zo komt zij warempel op een nimmer geëvenaarde wijze tot haar recht. Hexachordum Apollinis kan immers evengoed op pianoforte worden gespeeld, Goldberg Variationen op harpsichord, clavichord of orgel - muziek met eeuwigheidswaarde is tijdloos en onttrekt zich aan haar instrumenten. Maar zonder de geniale uitvoerder bestaat zij niet: Glenn Gould is welhaast even onvervangbaar als Bach zelf en, als de tekening geslaagd is, zal zij ook laten zien waarom: de pianist staat in verbinding met de componist via het wonder van de extase.

Extase - van het Griekse ékstasis - wijst op een buiten zichzelf treden van de mens. In vervoering maakt de ziel zich van het lichaam los, zij het voor een korte tijd: zij bevrijdt zich van de beperkingen van de stof en zij gaat op in dingen van meer geestelijke aard. De kunst, en bij uitstek de muziek, zijn uitnemende werktuigen om zich los te wrikken uit de kerker van de stof - het zijn voertuigen naar hogere regionen. Men doet soms geheimzinnig over extase en over de daarmee gepaard gaande paradijzen, en er zijn zelfs tijdperken in de geschiedenis die dermate materialistisch zijn dat ze het bestaan van die ervaringen zelfs gaan ontkennen, ofwel herleiden ze die tot een simpele kwestie van chemie. Maar elkeen ziet het oneigenlijke van dat reductionisme in van zodra hij bedenkt dat muziek veel meer is dan de tekens van het notenschrift waarin zij wordt vastgelegd. Men doet vaak geheimzinnig over extase - ten onrechte want zij is helemaal geen uitzonderingstoestand. De waarheid is dat de mens in feite zo gemaakt is dat hij helemaal ongeschikt is om al was het slechts één ogenblik niét in extase te zijn.

De mens die spreekt, is in extase; wie luistert, wordt vervoerd door wat hij hoort: door wat een ander zegt, ofwel door de geluiden van een waterval, een onweer of een woud op het middaguur. De engelen schilderende Chagal is in extase, Claude Debussy die Prélude à l'aprés-midi d'un faune componeert, is buiten zichzelf, Auguste Rodin die uit een steen een vorm kapt die niet alleen een mens van vlees en bloed suggereert maar bovendien een mens die dieper denkt dan wie hem aanschouwt, is een boven zichzelf geëxalteerde kunstenaar en de Franse Provence is voortaan en onomkeerbaar omgetoverd in de vibrerende akker Gods die de 'povere' Vincent Van Gogh, recht uit zijn extase, op zijn doeken neerschilderde.

Gelijk Vaslav Nijinsky, wiens voorgeslacht in de straten en op de pleinen van het Tsaristische Rusland om den brode danste en ook om de kou te overwinnen, plots werd opgemerkt door een van deze edellieden die zag dat de jongen niet zomaar sprong doch door de luchten van de steppe vloog, zo ging er een rake vonk van de extase van Glenn Gould op zijn ontdekker over; zo ook heeft ooit de extase van Bach, Glenn Gould in brand gezet en aan het dansen; zo deed de vervoering die Pachelbel uit zichzelf wegtrok, de vingers van Bach jubelen - zoals een vuur dat immer wijder branden wil en dat van geen ophouden weet - een vuur waarvoor geen bluswater bestaat.

Extase is het waarvoor al diegenen nog in leven willen blijven die aan hun bed gekluisterd zijn en die zich nauwelijks nog roeren kunnen: zolang zij leven immers, kunnen zij buiten zichzelf treden, het zieke en stervende lichaam verlaten, zweven, muziek horen en kleuren dromen. De extase zoeken mensen in concentratiekampen op, en arbeiders op werkvloeren, jongeren in duffe scholen en kazernen, zeevaarders en woestijnbewoners, sterrenkijkers en wiskundigen, ontdekkingsreizigers en metselaars, fabrikanten van knoopsgaten en borduursters van kazuifels van kardinalen, glasraamontwerpers in kathedralen...

Misschien is het tenslotte wel de extase waarin alles overgaat dat opgeleefd is, uitgeteerd, verbrand, verbruikt, tot niets herleid dan nerven en kristallen, overschot van al het weggeteerde leed. Misschien is de doodse stilte wel de extase van de muziek zelf; misschien is de volstrekte onbeweeglijkheid - het stolsel van het levensbloed - de lang verwachte dans der dansen. En misschien is er geen mimiek die smeken kan zoals het dodenmasker dat, te laat maar beter te laat dan nooit, om redding roept als reeds zijn meester is vergaan. Misschien is de algehele ontbinding van de stof broodnodig voor de verlossing van de laatste druppel bloed - wie zal het zeggen!

(J.B., Verhalen 2006-2009)






De Overname (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

De Overname

Ze kwamen naar binnen wandelen, hier, in de huiskamer, alsof het de meest normale zaak van de wereld was, ja, alsof ze hier ook woonden en thuis waren: insecten, zo groot als schildpadden, en welhaast even traag en houterig als deze laatsten, verplaatsten ze zich. Ze begaven zich naar de keuken en beklommen het aanrecht, op zoek naar iets om te eten.

Je kon niet kwaad op hen zijn en je had ook niet de neiging om ze te doden: niet omdat ze enorme bloedvlekken zouden achterlaten op het parket, maar omdat ze bij je een soort van medelijden opwekten, vooral dan door hun bewegingen die iets hadden van de manier waarop ouderlingen zich voortbewegen. Als je naar hen toe stapte, van plan om hen te pletten met de schoenzool, bedacht je je meteen: ze keken immers op, ze keken je aan, recht in de ogen, zoals katten dat kunnen, en het leek alsof ze vol vertrouwen waren, en dat vertrouwen wilde je op de een of andere manier niet beschamen, en daarom zag je af van je aanvankelijke neiging, en liet je hen begaan. Je deed een stap terug, en je keek alleen maar toe hoe ze naar binnen wandelden en zich doorheen de woonplaats werkten, over de harige tapijten waaraan de uiteinden van hun poten veelvuldig bleven haken, of welhaast even moeizaam over het gladde parket waarop de uitrusting van hun ledematen duidelijk niet voorzien was. Ja, heel even kwam het in je op dat je hen beter wat helpen zou, bijvoorbeeld door krantenbladen uit te spreiden over de vloer ten einde hen de moeizame verplaatsing gemakkelijker te maken, want het leed geen twijfel dat ze er al een heel lange tocht hadden opzitten.

Ze waren ongetwijfeld meegekomen met de helse winden die nu overal woedden, ze waren een product van het natte, klamme weer, van het veranderde klimaat, om zo te zeggen, want of ze alleen maar exotisch waren ofwel geheel nieuw, dat had geen mens kunnen uitmaken. Je had hen alvast nooit eerder gezien, je wist niet hoe ze heetten, of ze denken konden… niets wist je over hen. Spinnen boezemen angst in, padden afkeer, katten verwekken gevoelens van zorg, maar deze dieren, op de hun eigen manier, verwekten… medelijden.

Met velen waren ze: er liepen er al zeker dertig in de kamer rond toen je bemerkte dat ze er waren, maar ze bleven binnenkomen, met ganse colonnes, traag doch gestaag, en toen je door het raam naar buiten keek, zag je dat de voortuin er helemaal zwart van zag en, verderop, ook de straat, de velden.

Overal gingen ze de huizen binnen, en klaarblijkelijk liet elkeen hen begaan, omdat ze bij elkeen dezelfde wrange gevoelens van compassie verwekten: voorbijgangers bleven staan en keken de beesten na met open mond. Kinderen gingen hurken en negen zich met het gezicht tot bij de koppen van de beesten, die hen dan aankeken, recht in de ogen, en de kinderen dropen af en trachtten zich, voorzichtig, een weg terug te banen, naar huis, waar ze ook waren. Ze waren overal, ze beklommen muren, struiken, bomen, lantaarnpalen, daken…

En toen begonnen ze te eten, uiteraard, en nog meer medelijden kreeg je met hen, omdat je zag dat ze echt honger hadden, en je haalde alles uit de kast om ze te voeren: eerst hondenbrokken van de hond die nergens meer te bespeuren was, of het voeder voor de kat die evenmin nog was te zien, en dan opende je een blik sardienen, een doos melk, een blokje kaas. Ten slotte zette je de deur van de koelkast gewoon open, en die van de kelder, waar het fruit lag en de aardappelen…

In geen tijd was alles verorberd en, zoals je had gevreesd, begonnen ze nu ook te knagen aan je voeten.

Lomp waren ze niet: ze kwamen tot vlak voor je zitten, hieven de kop, en keken je aan, recht in de ogen, en wat kon je dan nog doen?! Wat kon je nog beginnen, als je hun getormenteerde blikken zag, zo vol van verdriet?! Zeg mij eens: wat viel hier tegen te beginnen?!

Een slijmerig vocht scheidden ze eerst af, dat ze op je schoenen lieten druipen en dat door het leer heen drong, waarna je het gewaar werd: je voeten werden geheel ongevoelig. Ze keken je weer aan, recht in de ogen, als om te vragen: “Werkt het al?”; “Werkt de verdoving al?”; “Ben je klaar?” “Mag ik beginnen bijten?” En wat kon je dan nog antwoorden? Wat anders kon je antwoorden dan: “Bijt maar, beestje, ga je gang en bijt maar, want je hebt ongetwijfeld honger nu, en elkeen moet leven in deze wereld, en het is tenslotte geen aardigheid dat de ene de andere opeet. Tast dus maar flink toe, en laat het je smaken!”

Pijn deden ze je niet, en het verdovend slijm gaf je zelfs een allerzaligst gevoel, het maakte je slaperig zonder dat je er meteen ook van in slaap viel, want je kon het gebeuren helemaal volgen tot op het eind.

Toen ze aan je ogen gekomen waren, keken ze je een allerlaatste keer aan, recht in de ogen, en dan wachtten ze geduldig nog een poos, als om je de gelegenheid te geven om nog eens rond te kijken, een allerlaatste keer. Kijken naar de wereld die ineens niet meer de onze was, want het was allemaal voorbij, en zij – zij waren nu de nieuwe mens.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 

'Educatie'

'Educatie'

De visser hecht een lokaas aan de haak van zijn lijn, gooit die in de stroom en wacht totdat zijn buit toehapt. Hij volgt hiermee het voorbeeld van de vissen zelf die vanuit een hol op de bodem van de zee hun prooi lokken om die te verslinden. Wat die vissen en vele andere dieren doen, heet jagen. Jagen is een middel om aan voedsel te komen: men doodt de ander om die te verorberen en zijn vlees te baat te nemen voor het in stand houden van het eigen lijf want leven is pas mogelijk bij de gratie van ander leven - dat gedood moet worden.

De drang tot zelfbehoud maakt dat geen wezen zich zomaar zal laten vangen en daarom moet elke prooi eerst om de tuin worden geleid. De jager laat zijn prooi geloven dat die iets krijgt om ze zo weerloos te maken en pas dan neemt hij die in zijn bezit. Het is de tactiek van de verleiding die prominent aanwezig is in de wereld en die voorafgaat aan even prominente koelbloedige moordpartijen. Het duo is soms zichtbaar waar eerst gepronkt wordt met producten voor een oogverblindende handel - die uiteindelijk zijn ware gezicht toont in de oorlog. Maar vaak is het tweespan dat de wereld van de jacht uitmaakt, verborgen en derhalve veel gevaarlijker dan men vermoeden kan. Ontmaskeraars moeten dan monddood worden gemaakt, wat meestal gebeurt middels stigmatisering: zij worden ervan beschuldigd samen te zweren, te liegen of niet bij hun verstand te zijn.

Een voorbeeld van verborgen jacht voltrekt zich in wat zich vaak als 'opvoeding' profileert: een malafide regime houdt de bevolking onder de duim middels een toneel dat keurig als 'educatie' wordt bestempeld, van het Latijnse 'educare', wat betekent: wegleiden - met name uit de onwetendheid. De tactiek van deze verborgen vorm van jacht bestaat er dan in dat aan de opvoedelingen helemaal geen wetenschap wordt bijgebracht maar dat zij daarentegen onwetend worden gemaakt, wat uiteraard gebeurt met leugens. En de ervaring leert dat als de leugenaars een hoge maatschappelijke status hebben, het groepsinstinct er automatisch voor zorgt dat zij klakkeloos zullen worden geloofd, ook al raakt al wat zij uitkramen kant noch wal. Op die manier weet bijvoorbeeld de kerk sinds meer dan tweeduizend jaar met de meest vergezochte sprookjes de halve wereldpopulatie, incluis verstandige mensen met diploma's om u tegen te zeggen, te misleiden - en te onderwerpen.

De leugenaars in kwestie kunnen hun snode plan pas voltooien als ze erin slagen om twee zaakjes te regelen. Vooreerst moeten zij maken dat zij de waarheid kunnen voorstellen als een leugen en daartoe moeten ze eerst de auteurs van die waarheid bij het publiek in diskrediet weten te brengen. Pas dan kunnen zij er werk van maken om zekere leugens als de waarheid te verkopen. De achterliggende idee is het gegeven dat mensen verwoed op zoek zijn naar een houvast. Maar wie weten hoe zich aan het firmament de sterrennevels verplaatsen, begrijpen ook dat een houvast helemaal niet kan bestaan doch uitgerekend om die reden wordt het zozeer begeerd dat wie het aanbieden, gewis een buit zullen binnenhalen, ook al bestaat het aanbod uit een onooglijke made.

In 1967-1968 publiceerde de Braziliaanse androloog Paulo Freire de teksten voor een boek bestemd voor de onderdrukten en voor de medelijdenden die hen terzijde staan: Pedagogia del oprimido (wat Portugees is voor Pedagogie van de verdrukten).1 Wie een volk wil onderwerpen, moet het eerst beroven van zijn zelfvertrouwen, een tactiek door het westen toegepast op de kolonies in de derde en de vierde wereld, door Freire in kaart gebracht met betrekking tot de onderwerping van het Latijns-Amerikaanse continent. Daarin betoogt de volksbevrijder dat in een dictatuur het onderwijs wordt aangewend om het volk dom te houden, vooreerst door te onderwijzen in een volksvreemde taal. (…) onderwijs moet gebeuren in de taal van het volk en moet emancipatie bevorderen. (...).” Maar het project van Paolo Freire werd gedwarsboomd door de V.S. die in 1964 in Brazilië een militaire dictatuur die twintig jaar zou duren aan de macht bracht. Freire werd gevangen gezet, week dan uit naar Chili en Mexico om pas in 1980 naar Brazilië terug te keren maar zijn ideeën overleefden de coup.

“In zijn boek stelt Freire vast dat mensen bang zijn voor vrijheid, bang om de bestaande gang van zaken te veranderen. De bevestiging van de eigen menselijke identiteit is cruciaal maar die wordt gedwarsboomd - een ontmenselijking waarbij men wordt geobjectiveerd, uitgebuit en onderdrukt. Weerwerk daartegen bestaat niet in het voeren van oppositie die alleen maar een nieuwe dictatuur aan de macht brengt, maar door via begrip van de verdrukking naar bevrijding te zoeken. Verdrukkers zijn materialisten die mensen als louter instrumenten zien die zij in hun dienst willen stellen. De onderdrukten mogen die rollen niet zomaar omkeren: zij moeten in dialoog streven naar de bevrijding van iedereen. Dat moet gebeuren door de onderdrukten want wie de onderdrukking niet zelf hebben ervaren, kunnen helemaal geen hulp bieden.

Onderwijs moet aansluiten bij wat men kent, bij de praktijk, en moet ook in twee richtingen verlopen: de alwetende opvoeder tegenover het kind dat moet zwijgen ruimt plaats voor discussies in gelijkheid over reële problemen. Dictatoriaal onderwijs, dat manipulatief, regelgevend, verdelend en cultuur-onderdrukkend is, voedt een passiviteit die belemmert dat men ook maar aan de weet komt dat men onderdrukt wordt, en daarvan profiteren de onderdrukkers; het moet vervangen worden door een verenigende dialoog.

Edoch, wie de waarheid spreken, worden gevreesd door wie op de leugen teren en in het dictatoriale Amerika van vandaag dat in een mum van tijd via een in het kapitalisme fatale verrechtsing koers zet richting een derde wereldoorlog, maakt dat de inzichten van Paolo Freire opnieuw bijzonder actueel.”2

(J.B., 14 juli 2026)



2 Cf.: Jan Bauwens, Achter de coulissen. Artikels van 19 april tot 25 juli 2025, Serskamp 2025, pp. 231-233. Voor de integrale tekst, zie: https://blogimages.bloggen.be/tisallemaiet/attach/93208129869.pdf




Het Credo (J.B., Verhalen 2006-2009)

Het Credo

Ik heb me door de enge pijpen gewrongen, tussen de ijverige en na-ijverige insecten met hun zwarte aktetassen, antennetjes en angels, en ik heb geen engelen gezien, doch duivelse figuren, schaduwen die nooit in het licht komen dat immers veel te straf voor hen is, en dat ze alleen maar zien als een straf op het einde der tijden. Mijn longen begaven het haast, zo kort van adem werd ik, en dat voelde ik in mijn pootjes, die de trappen en de roltrappen beklauterden in een duisternis alleen verlicht met elektriciteit, met buis- en neonlampen die eigenlijk niet branden doch flikkeren, zo snel dat haast niemand zich eraan stoort, tenzij ikzelf, die er gek van word. Maar de onderaardse pijpen zijn lang en worden steeds langer; een steeds groter stuk van onze dagen en van gans ons leven slorpen ze op, zodat wij op de duur haast fulltime onderaardse wezens zijn geworden, wij, arbeiders, wij, dienaren van geen mens die nog weet welk goed - de economie, de welvaart, de status...

Help mij een beetje, zo bad ik alsmaar tot mijn engelbewaarder, want vandaag geraak ik door de pijp niet heen: er is te weinig lucht, er is geen zuurstof meer, geen licht, geen lucht, het is alleen maar happen, snakken, op de tenen lopen tegelijk, verdrinken eigenlijk. Geen engelbewaarders te bekennen in de hel - niet één. En, aldus amechtig verder klauterend, kwam als in een vlaag van nostalgie die als een klauw meedogenloos de ingewanden uitwringt, de lang geleden kindertijd terug, de veelbelovende tronies met hun versjes van: "je moet hard studeren, dan heb je het later goed." Enfin, dit is dus later, dit is goed, voor ons allen, voor u en ook voor mij: het klimmen door de pijpen die door het zuurstofgebrek wel volgestroomd lijken met een zwarte, kleverige brij. En nu en dan valt er eens iemand af, net zoals het er in onze kinderlijke spelletjes aan toe ging: iemand die plotseling obstakel wordt in de stroom, iemand die knielt en die de nutteloos geworden aktetas waaraan hij zich al die tijd heeft vastgeklemd, laat vallen, met de beide handen naar het hart grijpt dat onder kleren, huid en ribben zit, en valt, en ligt, en roerloos liggen blijft - een obstakel, hartmassage, sirenes, hospitaal en dan: lijkenhuisje, mis of geen mis, kerkhof, schroothoop, door de molen, fijngemalen, in de oven, luchtbezoedeling, klachten van omwonenden, heisa, nieuws, sensatie...

Mijn handen trillen, mijn rechter klauw omklemt het handvat van de tas - plastic - hoe lang ik het nog houden kan, ik weet het niet, mijn zicht wordt slechter, het beeld vult zich met zwarte vlekken op, het suizen in de oren, eerst luid, dan niets meer, en het hart is nu het centrum van de hele wereld: het hart in de pijpen, krijst.

Wij zijn terecht gekomen in een vreemde ruimte, het is hier stil, alles lijkt van hout, met hout omzoomd, behangen, geurend naar boenwas ook en alleen het schuiven van duizend glanzende schofjes in eikenhout vult nu de stilte, alleen het glanzen van opgeblonken, edel hout, in een diffuus licht dat doorheen glasramen valt, gedempt, niet pijnigend, en zeker afkomstig van een milde zon - onrechtstreeks licht in deze... kamers. Het is niet zomaar een kist, niet zomaar een graf: dit is een ganse ruimte met een ondergrondse zon - een ruimte met vele kamers, allemaal in hout, in alle kleuren van de regenboog, maar dan gedempt, niet pijnigend doch zalvend en verfrissend. Dunne klanken van een hexachord hoort men hier zelfs, en kleine klokjes in een verte die toch heel nabij moet zijn: het leidt geen twijfel dat het zondag is voor eeuwig nu, en wij gaan op verkenning, als door lichte vleugeltjes gedragen.

Hier worden de doden bewaard die wat grootsprakerig waren, zo zingt een engeltje, wijzend naar een gat in een kast, een soort geheime ruimte die wel heel hol klinkt nu, en diep: nu moeten zij hun eigen echo's beluisteren, zo zingt het engeltje: ze moeten ze analyseren, erover doctoreren, waarna hun werk wordt bijgezet in de catacomben van de geest, want elk heeft hier zijn eigen recht, dit is niet zomaar een hel, herinner u namelijk uit de boeken, dat het God zelf is geweest die alles schiep en zegde dat het goed was. Wat verderop, en achter een brandglasraam, zitten zielen te ademen die veel gelogen hebben: zij zien nu alles in één kleur, al naar gelang hun leugens, zo zingt de engel verder. En zo brengt hij mij van schuif naar schuif, van kast naar kast, van kamer naar kamer en van zaal naar zaal, in dit wel eindeloos lijkende land dat ondanks alles troost vindt in een welriekendheid die zelfs in de prachtigste bloementuinen op de aarde niet kon worden bespeurd.

We zijn er haast, zo zegt het engeltje dan: neem nu uw vleugeltjes maar af, je hebt ze nooit meer nodig, want dit hier, is jouw plaatsje, zie. En wij staan voor een raam dat uitgeeft op een kale vlakte, zo uitgestrekt dat men nog moeilijk zou geloven dat er nog iets meer kon zijn dan dat. Het engeltje is weg, ik zie een puntje uit de verte naderen, en als het dichterbij gekomen is, herken ik hem: de hooiwagen!

Er is geen ontkomen aan, ik moet erop, want hij rijdt zo meteen weer weg, en als ik deze laatste trein mis, dan ben ik voorgoed verloren. Een speld in een hooiwagen zult gij zijn, tot het einde der tijden, zo staat het op het etiket, dat in serie is gedrukt, in ongetwijfeld vele miljarden exemplaren. De tijd die rest, is nu de eeuwigheid, en even eindeloos is de ruimte: een gans firmament voor elke menselijke ziel, dat is de straf waarmee wij zijn bedacht geworden. Geen vader of geen moeder meer, geen kinderen, mensen, beesten, spinnen, pijpen, duisternis of licht. Alleen het kriepen van de assen van de grote wielen van de kar, in het droge zand onder een egaal grijze hemel. En af en toe iets als een heel dun en hoog en scherp geluidje dat aan de speld ontspringt, telken male wanneer zij huivert voor het eindeloze niets.

Maar de hoop is gebleven: de goede hoop, dat dit 'gerinkel', dit pieptoontje, dit haast onhoorbaar trillinkje - wie weet - zal dragen over de vele mijlen van het dorre zand, doorheen het dikke, dreigende wolkendek, doorheen de misschien wel kristallen atmosfeer, de sterrenhemel en de eindeloze melkwegstelsels, tot buiten dit universum - op de een of andere manier - om dan een ander universum naar binnen te dringen, en daar opgevangen te worden, vele lichtjaren, lichteeuwen, licht-lichteeuwen later - opgevangen door een tweede speld. De hoop dat dit gebeuren zal, zorgt voor de tijdspannes van kalmte van de speld, telkens tussen twee trillinkjes door. Het is onbegonnen werk, weliswaar, om zo door de dood heen te moeten, maar als er geen alternatief is, dan is dit al heel veel. En wij weten het allen en wij moeten het beamen: waar hoop is, is leven.

En de huiveringwekkende trillinkjes inspireren: zij brengen ons een lied te binnen, en meer bepaald het Hexachordum Apollinis van Johann Pachelbel, dat precies uit het in vele licht-licht-lichtjaren verzameld getinkel van speldjes, elk in zijn eigen universum, werd gewonnen, geordend en tenslotte opgevoerd. Alle tijd van de wereld hebben wij nu, om de wonderbare melodie te reconstrueren in ons hoofd - de speldenkop - en te beluisteren vanbinnen. Als God bestaat, alwetend en almachtig - God, die doorheen de tijdloze tijden mee luisteren kan met de roodgloeiende kopjes die als sterren aan de ontelbare firmamenten staan - dan zal precies dit lied Hem op den duur verleiden. En ook al weet Hij dat de prijs voor wat Hij nogmaals doen zal, bijzonder hoog is - dat het ondanks alles tenslotte weer uitlopen zal op ondergrondse pijpen, verstikkingen, schaduwen en demonen: de melodie zal Hem verleiden, en Hij zal met scheppen herbeginnen. Het credo heeft geen alternatief.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

De illusie van tijdloosheid

De illusie van tijdloosheid

De illusie van tijdloosheid. Zij is enigszins vergelijkbaar met de illusie van onuitputtelijke rijkdom. Het kan niet op, geen zorgen dus, geen nood, weg met de haast; rust, slaap en zoete dromen. Eén dag lijkt niets, wij leven als het mee zit twintigduizend dagen en één daarvan, zo dunkt het ons, kunnen we wel missen. Maar het is een illusie.

De bodem van de portemonnee is altijd in zicht. De snelheid waarmee de zon over de hemel reist, lijkt wel berekend om ons haar stilstand te kunnen verkopen want we ontwaren haar beweging niet. Als ze een heel klein beetje rapper ging, wij zouden haar beweging opmerken en ons zorgen maken maar wij zien het net niet.

Er zijn solden, zo zeggen wij: laten wij gaan kopen, en wij gedragen ons alsof we geld gaan rapen maar net dan glipt het ons door de vingers. Vrije tijd, zo noemen wij de dagen waarop we denken niet te moeten werken maar geen tijd is vrij, elke seconde spoedt zich naar de volgende seconde, de uren lossen elkander af als in een estafette met immer onvermoeibare atleten. Zij rennen, feilloos geven zij de stok door, van vijf uur naar zes uur, van zes naar zeven, acht en negen en zo gaat het verder totdat het uit is want de eindeloosheid is een waandenkbeeld.

De illusie van tijdloosheid is een creatie die tegemoet komt aan een nood ontstaan vanuit de angst voor het voorbijgaan van de dingen. De eindigheid is een bijzonder tergend want onoverkomelijk probleem waartegen geen kruid gewassen is maar uitgerekend om die reden rijzen de remedies tegen de eindigheidsstress als paddenstoelen uit de grond en vullen zij de uitstalramen van zowel de geijkte als de alternatieve sectoren die te maken hebben met ons welzijn. En omdat het gaat om een illusie, zal de essentie te vinden zijn in de verpakking.

Edoch, een verpakking is niet niks, zij heeft een uitwerking en die gaat verder dan het effect van een placebo; er bestaan zelfs theorieën die de verpakking van een zaak met haar essentie identificeren. Zij liggen in de lijn van wijsheden zoals deze die het doel op zich voor een illusie houdt en zegt dat alles draait om de weg er naartoe. Of denk aan het Chinese gezegde dat de essentie van de kamer niet de ruimte is maar de muren er omheen - of was het net andersom? Uit de modewereld is de uitdrukking afkomstig dat de kleren de man maken en we weten allemaal dat een goede voorbereiding de helft is van het werk. De Sint-Baafskathedraal van Gent is een van de talloze godshuizen maar alvast voor een groeiend aantal ongelovigen is hij een verpakking om een leegte heen; men kan er als toerist naar binnen en dan, plaats nemend op een kerkstoel, de prachtige verpakking ook van binnenuit bekijken.

Neen, over verpakkingen moet men niet neerbuigend doen, want dat is wat religies aandurven, ofschoon zij kampioenen zijn in het verpakken van alleen maar wind. Godsdiensten doen meewarig over verpakkingen als het de mens betreft, over wie zij vaak beweren dat het lichaam slechts de verpakking is van de ziel, de eigenlijke essentie, ofschoon zij hiermee de theorie van de opstanding van het vlees weerspreken maar ook de leer over de zin van het lijden dat immers alles met vlees te maken heeft. Dat men 'broeder ezel' niet moet ontzien, is een devies dat in de kaart speelt van de niets en niemand ontziende uitbuitingsstrategie van de rijken en beslist zullen die zich ervan weerhouden om het toe te passen op het eigen weke vlees.

Het lichaam als verpakking is een leer die de essentie mist want alles wat bestaat, huist in het vlees, dat leeft, pijn lijdt en geniet totdat het sterft en ontbindt. Het levend vlees; het leven dat, totdat het tegendeel bewezen is, altijd uit ander leven voortkomt en nimmer uit een zich samenvoegen van levenloze elementen. Zelfs de tijd huist in het vlees, daar hij bestaat uit het verleden dat een resultaat is van herinneringen en uit de toekomst die enkel leeft in de verwachtingen, terwijl herinneringen en verwachtingen producten zijn van het geheugen - dat van vlees is, en voor wie dat in twijfel trekken: Alzheimer gaat samen met de zenuwcellen ook met het geheugen aan de haal.

Het levende lichaam is de essentie en omdat alle leven sterft, delen in dat wrede lot ook de aan onze zenuwen verbonden herinneringen en verwachtingen - de essentie van de tijd. Dat ruimte en tijd ergens in de kosmos buiten ons bestaan, is een schromelijke vergissing inherent aan een micro-reductionistisch mens- en wereldbeeld dat de kar voor het paard spant maar wij weten beter: er is geen uitgestrekte ruimte en ook geen eindeloze tijd en evenmin een ruimtetijd, met daarin alles wat onze fantasie bedenken kan: het bestaat eerst allemaal in onszelf. Dit zelf is evenwel ook helemaal geen geest, zoals doorheen de tijden velen zonder ook maar de geringste grond hebben gemeend te moeten beweren. Het fundament van al het zijn kan de natuurkundige afbeeldingen niet verdragen omdat het verstand een afstand vereist die het Zijn geweld aandoet daar het immers in de eerste plaats onszelf aangaat. Al het Zijn rust in het vlees dat lijden kan en sterven moet en daarom ook moet getuigen, recht spreken en de waarheid kennen. Er is geen tijdloosheid omdat de tijden rusten in het vlees dat moet ontbinden maar de illusie van het tegendeel is even gigantisch als de verschrikking van die waarheid.

(J.B., 13 juli 2026)

Het Eeuwige Vuur (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Het Eeuwige Vuur

"Gaat u nu maar eens mooi voor dat graf staan", gebood hij.

Hij sprak rustig, doch streng. En hij van zijn kant begreep dat hij nu maar het best precies kon uitvoeren wat van hem gevraagd werd, want dat er niet veel nodig was om de heer gevaarlijk kwaad te krijgen.

Hij ging staan zoals hij dacht dat het van hem verwacht werd: de voeten samen, het hoofd lichtjes gebogen.

"Kijkt u naar het graf!", drong de stem aan: "en niet naar de toppen van uw schoenen!"

Hij richtte zijn blik een beetje op.

"En vertelt u mij eens wat u nu ziet!", zei de stem.

Hij zweeg. Wat kon hij immers antwoorden op zo'n vraag?

"U zwijgt?", zei de stem afwachtend, en ze herhaalde: "Ik vraag of u zwijgt?"

"Ik zie een graf, mijnheer", antwoordde hij gedwee en ingehouden tegelijk.

"Zo", beaamde de stem: "u ziet een graf, zegt u. En kunt u ons nu ook zeggen van wie dat graf is?"

Het zweet brak hem uit. Moest hij deze vragen nu echt beantwoorden?

"Wij luisteren!", sprak de stem weer streng. "Verplicht mij niét de vraag te herhalen!"

"Het graf van een dode", antwoordde hij haast onhoorbaar, en kort. Hij sloot zijn ogen, het aanblik was afgrijselijk.

"Juist, de levenden hebben geen graf", repliceerde de stem. "U krijgt nog wat bedenktijd. Zegt u mij intussen ook eens wat een dode is!"

Eventjes had hij de neiging om de heer aan te kijken, maar hij beheerste zich tijdig toen hij zich realiseerde dat dit voor hemzelf wel fataal kon zijn.

"Iemand die..."

"Ja... iemand die wat?"

"Iemand die euh... weg is, mijnheer"

"Waagt u het zich niet te lachen!", waarschuwde de stem nu.

Alsof het ook maar enigszins mogelijk was om deze situatie niet ernstig te nemen!

"Iemand die weg is, zegt u", zo herhaalde de stem zijn woorden: "en waar is die dan wel heen?"

"Dat weet ik niet, mijnheer", antwoordde hij, bijna onhoorbaar.

Er volgde een moeilijke stilte, de seconden leken uren te duren.

"U weet het niet, zegt u!", zo herhaalde de stem nu weer zijn woorden. En dan, zoals een ondervrager die op het punt staat om de onwetende belachelijk te maken: "En wat weet u dan wél? Zegt u ons dàt misschien eerst eens!"

Nu dreigde hij de kluts volledig kwijt te raken, en de heer had het blijkbaar in de gaten, en hij zei:

"Als u nu eens uw voeten lichtjes spreidde, dan zou u misschien wat vaster komen te staan? Vindt u dat geen goed idee?"

Hij gehoorzaamde meteen en nam een lichte spreidstand aan. De vingers van zijn rechterhand leken de duim van zijn linkerhand tot moes te knijpen.

"U zult immers wel begrijpen dat u niet omver kùnt vallen, is het niet?", zo informeerde de stem.

Hij knikte eens kort, bedacht dat de heer op een gesproken antwoord wachtte, en voegde eraan toe: "Ja, mijnheer, dat begrijp ik".

"En kunt u ons misschien ook eens uitleggen waarom u niet omver kunt vallen?", vroeg de stem nu al te vriendelijk.

Hij beefde, zocht vergeefs naar een plausibel en tegelijk ongevaarlijk antwoord. Zijn gedachten stokten. Hij was nu helemaal in het nauw gedreven.

"Wij wachten", zei de heer, "maar wij hebben tijd zat. Denkt u dat trouwens ook niet?"

"Ja, mijnheer", zei hij, blij dat hij tenminste op deze vraag een antwoord kon geven.

"En waarom denkt u dat?", ging de stem onverstoorbaar door.

Weer lieten zijn gedachten hem een hele poos in de steek. Hij hervond zijn evenwicht, bedacht dat het geheel ongevaarlijk was deze vraag te beantwoorden, en zei: "Omdat u alle tijd hebt, mijnheer".

"Juist!", beaamde de stem met een toon van tevredenheid: "Wij hebben al-le tijd! En vertelt u ons nu ook eens hoe dat volgens u dan komt, dat wij alle tijd hebben? Ja, zeg het maar, wij horen toe!"

Wie A zegt, moet ook B zeggen, zo realiseerde hij zich bitter.

"Omdat u de eeuwigheid bent, mijnheer", zo moest hij toegeven, en hij besefte meteen na zijn antwoord al dat het gesprek nu definitief in een heel gevaarlijke richting kon worden gestuurd.

"Warempel, u weet het nog ook!", schokschouderde de stem: "En laten we nu eens terugkeren naar onze eerste vraag. En vertel ons nu niet dat u zich onze eerste vraag niet meer kunt herinneren!"

Hij dacht na. Het was als een onontwarbaar kluwen waarmee hij wrocht.

"Wat ziet u als u voor zich kijkt?", zo herhaalde de stem haar vraag plotseling, luid en duidelijk.

"Ik zie een graf, mijnheer...", aarzelde hij.

"Goed zo", zei de stem: "en herhaal nu zelf maar onze tweede vraag! Ja, doe maar op!"

"De tweede vraag was... wie ligt er in dat graf, mijnheer..."

"Juist, juist! En nu het antwoord, snel!"

"Ik, mijnheer!", riep hij, en hij hijgde, doch zijn hijgen bracht hem geen aarde aan de dijk, en hij hield met hijgen op, keek naar het graf dat aan zijn voeten lag, realiseerde zich nu dat het inderdaad niemand anders zijn graf was dan het zijne.

Nu keek hij op, maar verschrikt stelde hij vast dat er niemand in de buurt was.

Geleidelijk ging de verschrikking over in rust: hij had dit wellicht gedroomd. Er was geen heer die tot hem sprak, hij hoorde alleen het gieren van de wind, en zelfs dat bleek een inbeelding, want geen tak was er die zich roerde, aan de planten die alom op de zerken stonden.

Hij bekeek nu opnieuw het graf aan zijn voeten, dat nog zonder zerk was. Het was een hoopje aarde, nog vers.

Er ontstaat vanzelf zo'n hoopje, zo ging het door zijn gedachten, vanwege de plaats die de kist inneemt. En vanwege het feit dat men de aarde nooit meer zo goed kan aanstampen als voorheen. Je kunt dat trouwens ook zien waar een mol heeft gewroet; het is net hetzelfde principe.

Een ogenblik lang had hij de neiging om daar nu weg te gaan, maar dat lukte hem om de een of andere reden niet. Hij begreep niet meteen dat ook de schoenen, waarvan hij de toppen had staan bekijken toen hem werd gevraagd om zijn blik op het graf te richten, een inbeelding van hem waren.

"Ja, bekijk uw voeten maar eens goed!", zo meende hij nu weer die stem te horen zeggen, maar hij begreep algauw dat hij dit zelf gezegd had, of beter: gedacht had. Verweesd immers tastte zijn hand naar de plaats waar zijn mond moest zitten, doch daarop volgde geen enkel contact. Het leek alsof de hand doorheen de mond tastte, alsof de mond een lege holte was geworden.

Een lege holte, dat was de mond wel altijd geweest, en de Chinese wijsheid, zo herinnerde hij zich uit zijn boeken, zegde ook onomwonden dat de essentie van de dingen het 'niets' daaraan is. Het wezenlijke van een kamer zijn niet de muren: het is het 'niets' ertussen. Het wezenlijke van de mond was, eensgelijks, het 'niets' tussen de kaken.

Hij had zijn mond dus nog, beslist. Alleen de kaken waren er niet langer.

"Maar ze zijn niet essentieel", zo hoorde hij zichzelf nu weer zeggen.

Zijn woorden waren net zoals de wind waarvan hij het gieren had menen te horen, het ogenblik voordien: inbeelding. Doch hier gold weer dezelfde wijsheid: het wezenlijke van de woorden is niet het geluid dat zij maken wanneer we ze uitspreken: de essentie van de woorden is hun betekenis. En die was duidelijk gebleven, want hij kon zijn eigen woorden ook heel goed verstaan.

Weer beangstigd werd hij, toen nu onverhoeds de rechterhand haar spiegelbeeld trachtte te vinden, geheel vergeefs. En toen hij het uiteindelijk aandurfde om naar zijn schoenen te kijken, ontwaarde hij noch schoenen, noch voeten.

"Natuurlijk bevinden die zich onder de aarde", zo sprak hij nu weer, schijnbaar luid en duidelijk, want hij kon zijn eigen woorden goed verstaan. En hij bekeek aandachtig de aarde, stelde opnieuw vast dat zij nog vers was, omgewoeld vers, en dat zij, net zoals een molshoop, op een hoopje lag, vanwege de kist die plaats innam, en het feit dat men die aarde nooit meer aangestampt krijgt zoals voorheen.

Een kleine kortsluiting deed zich voor toen hij, als het ware in zijn hoofd, zijn Catechismus trachtte te openen.

Het was immers niet in zijn hoofd dat dit gebeurde, want ook dat hoofd was er nu niet meer.

"Ze hebben ongelijk", zegde hij: "ze hebben ongelijk, zij die beweren dat gedachten door de hersenen worden voortgebracht en zich in het hoofd bevinden. Maar waar bevinden zij zich dan wel? Het zijn immers mijn gedachten, toch?"

Hij herademde en trachtte zich te concentreren. Het waren zijn eigen gedachten, die hij nu dacht, en die van niemand anders. Hij en niemand anders dacht ze. Tegelijk bevonden die gedachten zich niet langer in zijn hoofd. Dat hoofd lag immers dood in een kist onder de aarde, bij de rest van zijn lijk. Konden anderen nu zijn gedachten mee beluisteren? Waren zijn gedachten nu niet langer geheim? Galmden ze voortaan door de lucht, zichtbaar of hoorbaar voor ongeacht welk oor?

De Chinese wijsheid uit zijn boeken indachtig, was de essentie van een oor tenslotte eveneens niet de vergankelijke schelp, doch de ruimte ertussen. En als dat inderdaad zo was: in welke mate waren dit dan nog zijn eigen gedachten? Waren zijn gedachten nu niet veeleer 'de' gedachten, zonder meer? 'De' geest?

"Mijn Catechismus", stotterde hij, en hij bladerde in zijn Catechismus, daarin moest het antwoord zeker te vinden zijn. En hij las onder het hoofdstuk over de dood:

"Nergens wordt het raadsel van het menselijk bestaan zo groot als in het licht van de dood."

"Van de ene kant is de lichamelijke dood een natuurlijk gegeven, maar voor het geloof is hij in feite 'het loon van de zonde'"

"De dood is het einde van het aardse leven... Bij de dood, die de scheiding is van lichaam en ziel, gaat het lichaam van de mens tot ontbinding over, terwijl zijn ziel God tegemoet gaat in de verwachting van de hereniging met haar verheerlijkt lichaam."

"Zodra hij gestorven is, ontvangt iedere mens in zijn onsterfelijke ziel de eeuwige vergelding in een bijzonder oordeel dat zijn leven in het licht van Christus plaatst, zodat hij ofwel een loutering ondergaat ofwel onmiddellijk in de gelukzaligheid van de hemel binnentreedt ofwel onmiddellijk voor eeuwig verdoemd wordt."

Hij keek weer naar het graf, realiseerde zich dat daar, onder de aarde, zijn lichaam te ontbinden lag en zeker voor immer verloren was. En hier, aan de voet van zijn graf, stond hij - hij, dat wilde dus zeggen: zijn ziel - die, zoals hij nu duidelijk ervoer, voorgoed van zijn lichaam was gescheiden. En hij, zijn ziel dus, moest - volgens zijn Catechismus - nu wachten op een mogelijke hereniging met zijn lichaam, nadat dit lichaam zou verheerlijkt zijn...

Hij bedacht nu meteen ook dat de verheerlijking van het lichaam - de verrijzenis - misschien niet voor iedereen was weggelegd. Weer bladerde hij door het dikke boek, en las:

"God zal in zijn almacht het onvergankelijk leven definitief aan ons lichaam teruggeven door het krachtens de verrijzenis van Jezus met onze ziel te verenigen... "

"Wie zal verrijzen? Alle mensen die gestorven zijn: 'Dan zullen zij die het goede deden, uit de graven te voorschijn komen tot de opstanding ten leven, maar die het kwade deden, tot de opstanding ten oordeel.'"

"Wanneer? Op het einde van de wereld... wanneer het bevel gegeven wordt, als de stem van de aartsengel weerklinkt en de bazuin van God, dan zal de Heer zelf van de hemel nederdalen en eerst zullen de doden die in Christus zijn, verrijzen."

Hij stond perplex.

"Van een onmiddellijk oordeel heb ik niets gemerkt", zei hij tot zichzelf, "behalve dan misschien... die stem...", en hij trachtte zich iemand te herinneren, doch hij realiseerde zich dat hij de blik niet had durven opslaan toen de stem hem toesprak. Van wie was de stem, en wat had zij hem duidelijk willen maken?

Dat moet de stem van mijn geweten geweest zijn, besefte hij nu. Maar wat had zij hem dan verteld? Ze deed trouwens nauwelijks iets anders dan hem vragen stellen! Vreemde vragen waarop hij het antwoord niet kende. Of niet wilde kennen.

"Een leven lang heb ik geloofd dat de dood het eindpunt was", dacht hij: "Ik geloofde dat dan voor eens en voorgoed zou uitgemaakt worden wat er met mij verder zou gebeuren: de hemel of de hel. Op de hemel heb ik weliswaar nooit gehoopt, maar ergens durfde ik toch nog te hopen dat de genadige God zo oneindig goed was... dat Hij mij misschien van de eeuwige verdoemenis zou redden. Hoe dan ook geloofde ik dat de dood eindelijk een eind zou maken aan dat getwijfel: het zou ofwel erop zijn, ofwel eronder. En wat ook de uitkomst mocht zijn: ik zou tenminste verlost zijn van de onzekerheid die een leven lang op mijn schouders heeft gewogen. En kijk, wat stel ik nu vast? Ik word alleen gelaten, moederziel alleen, en zelfs de troost van mijn lichaam, waarin ik mij had kunnen verliezen, moet ik missen. En ik moet weer wachten op het oordeel! Wachten, wachten, wachten...tot het 'einde der tijden'!

"Ach", zei hij: "ik zal er eens over slapen, en het morgen allemaal eens herbekijken met een frisse kop..."

"Er is geen slaap meer nu", beantwoordde onmiddellijk een stem de chaos van zijn gedachten: "Er is geen 'morgen' meer, behalve de dag des oordeels, en geen ander 'gisteren', behalve het gisteren aan uw voeten in het graf."

Hij schrok, en begreep meteen: hij was niét moederziel alleen; de stem was er immers nog. Hij keek snel op, doch zag weer niemand in de buurt, hij hoorde alleen de wind, zo dacht hij.

Plotseling realiseerde hij zich dat er verder niets meer te gebeuren stond, behalve dan... dat die stem daar maar bleef rondspoken. De stem die hem vragen bleef stellen waarop hij het antwoord niet kende, of niet wilde kennen. "Wellicht...", zo drong het nu tot hem door: "wellicht is dit... het eeuwige vuur."

En nu wist hij het klaar en duidelijk: ook de essentie van de hel, waren niet de vlammen; het wezenlijke van de hel, was het 'niets' eraan.

Er gierde een gure wind over het kerkhof, niettemin alles onbeweeglijk bleef, alsof het bevroren was: de graven, de kerk, de bomen en de planten. Toen hij eventjes opkeek, stelde hij vast dat ook de wolken vast zaten. Hij keek er ongelovig en tegelijk aandachtig naar, doch zag nu tot zijn ontzetting dat ze inderdaad niet langer voorbij dreven, doch als het ware versteend waren en bleven hangen waar ze hingen.

Hij kreeg het nu echt koud, zijn rug leek van ijs geworden, en andermaal wilde hij weggaan van die onherbergzame plek. Het lukte hem niet, en hij keek naar de plaats waar zijn voeten zich hoorden te bevinden. Een ogenblik nog meende hij zijn schoenen te zien, doch het was alleen maar een donkere schaduw op de grond, die hem de illusie gaf van een stel zwarte schoenen. Een donkere vlek was het, over de omgewoelde aarde, zoals men soms ziet als men achteloos rondwandelt en naar beneden kijkt. Men denkt dan: de aarde is hier zo donker; is dit een olievlek misschien? Wie zou hier dan olie hebben gemorst? Men bukt zich om de plek wat nader te inspecteren, men tast eventjes met de vingertoppen over het zand, maar men stelt vast dat het geen olie is. "Wat doe je daar?", zegt dan de stem van iemand die met je mee wandelt. En je zegt: "Niets, niets... ik dacht alleen maar dat ik hier iets zag liggen...", en je staat op en loopt verder, en omdat dit tenslotte geheel onbelangrijk was, ben je het twee seconden later geheel en al vergeten.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Geld (2)

Geld (2)

Als de krant de wekelijkse illustratie van Piet aan de man weet te brengen, samen met bijhorende teksten van vele anderen, geeft hij de valse indruk aan zijn lezers dat hij het is - de krant dus - die de tekeningen en de teksten voortbrengt. Een valse indruk uiteraard maar heel begrijpelijk tegelijk omdat zonder de krant wellicht geen mens die verhalen en die tekeningen onder de ogen kreeg. De krant heeft helemaal niets te maken met de productie van die kunst en die cultuur en hij heeft zelfs geen idee van wat artiesten allemaal moeten doorstaan vooraleer zij van een kunstwerk kunnen bevallen maar hij is wel in staat om de kunst en de cultuur te boycotten en dat komt omdat hij het monopolie heeft over die toegangswegen waarover we het hoger mochten hebben.

De media lijken cultuur te scheppen en kunst te brengen maar in feite zijn zij louter tollenaars: zij zijn staketsels, of eerder nog barricades, opgeworpen op de weg tussen de kunst en de wereld en zij eisen tol voor alles wat passeren wil. Wie niet betalen, komen er niet in en ook wie zich niet schikken naar de grillen van de nitwits met hun prikkeldraad, kunnen rechtsomkeert maken. Zo zijn de schijnbare schenkers van de kunst in wezen ordinaire dieven die alleen datgene gedogen waarvan zij het deel ontvangen dat zij ervan opeisen. Toch lijken zij er in te slagen om zich als de producenten van kunst en van cultuur te laten doorgaan bij de politici en derhalve bij de hele staat want het zijn zij die de subsidies innen, de sommen bestemd voor de productie van het schone, maar die in feite belanden bij wie de artiesten de weg naar het publiek versperren. Het kan bezwaarlijk absurder aangezien op die manier de burgers via belastingen degenen subsidiëren die verhinderen dat zij het door de kunstenaars voor hen bestemde werk onder de ogen krijgen.

En dan is er nog, aan de barricades zelf, het gemarchandeer: huurlingen halen hun beste Latijn naar boven om daar het schone zwart te maken en in plaats daarvan waardeloze prullen te komen slijten. Welbespraakt zijn zij en geoefend in de retorica die wordt aangewend om wat recht is, krom te praten en, andersom, het scheve voor te stellen als de rechte regel. Geen mens die hen zal tegenspreken, zo de ervaring leert, omdat zij sinds Tijl Uilenspiegel allen functioneren onder de druk van schone schijn, hypocrisie en protocollaire constructies om u tegen te zeggen.

Enerzijds zijn er aldus de kunstenaars met hun werk en anderzijds is er het zogenaamde systeem, wat een mooi woord is voor de barricades die tollenaars opwerpen bij de toegangswegen tot de wereld om daar van alles wat erin wil, hun deel op te eisen. Eigenlijk zouden de tollenaars het allemaal voor zichzelf willen houden maar dat kunnen ze uiteraard niet doen omdat dit het einde van hun hele handeltje zou betekenen en daarmee zijn ze zelf ook geen stap vooruit. Zij pakken zoveel mogelijk, wat wil zeggen dat zij hun handen afhouden van wat ze wel verplicht zijn om te investeren om de carrousel draaiende te houden.

En dat is ook wat de kapitalist doet met zijn loonslaven die om die reden proletariërs worden genoemd of dus mensen wiens enige bezit bestaat uit hun 'proles', het Latijn voor 'kinderen': zij kunnen helemaal niets opsparen van hun loon omdat zij amper voldoende krijgen om te overleven en dus om aan de slag te blijven in de industrie welke in het bezit is van de stelende klasse. Waarmee meteen gezegd is dat deze dieven niet alleen de industrie bezitten maar ook alle daar te werk gestelden, waarbij het arm houden van de slaven nodig is om te verhinderen dat ze ooit aan de slavernij ontkomen.

Edoch, omdat voor de bezitter zijn winst het ultieme doel is, laat het hem in feite koud wat hij te produceren heeft: voedsel of vergif. En als vergif hem meer winst oplevert, zal hij gezwind de productie van voedsel door die van gif vervangen en dat is wat troef is op de hedendaagse markt die daarom ook de laatste is: de handel in gemak, illusies, pijnstillers en nog andere drugs gaat hand in hand met de ondervoeding van de consument die uiteindelijk crepeert en ofschoon hij tegelijk de loonslaaf is, laat dat zijn bezitter koud, die immers op korte termijn denkt en die zijn speelveld verlegt van zodra het een onleefbaar vuilnisbelt geworden is, een oorlogsfront met alleen nog ruïnes in een stank van lijken.

Zo ook laat het de bezitter koud of de kunst en de cultuur waar hij dik achter verdient, nog langer kunst en cultuur genoemd kunnen worden. De sowieso tergend langzame productie van het schone gekenmerkt door vooral zeldzaamheid uiteraard, staat de woeker in de weg en derhalve betaalt de hebzuchtige legers advocaten die rap-rap en in serie geproduceerde bullshit van het etiket van 'kunst' voorzien en het zo waardevol verklaren. Men doet dat ook met bij uitstek bankbiljetten: zij halen hun geldigheid alleen maar uit het afgedwongen geloof van de massa in hun waarde doch van zodra de honger uitbreekt, blijken zij alleen maar van papier te zijn. En zo gaat het ook met de honger naar kunst en naar cultuur, de honger naar het schone: vervalsing brengt een indigestie die het einde inluidt van de beschaving.

(J.B., 12 juli 2026)




De Meester (J.B., Verhalen 2006-2009)

De Meester

Aardedonker was het: geen maan, geen sterren, geen lichtje in de verte, niets dan duisternis en tasten met de voeten door de ritselende bladeren op de grond – de bladeren die ook zongen nu, alom, in het ongrijpbare zwart. Het zingen van de bladeren – alleen dat vulde de nacht, en het was een gedruis als van talloze vliegtuigen die, heel hoog in het firmament, op de plaats waar de sterren hoorden te zitten, in colonnes zonder begin of einde, over de donkere wereld heen joegen. Ook de wind was er: een aanhoudende verplaatsing van de luchten die als gedreven warme stromen, onverhoeds doorheen het landschap sneden dat zich in die warme duisternis verborg – stromen, die de bladeren in hun warmte, die bijna een hitte werd, als ’t ware sprok maakten en ze met een lichte tik van hun takken afbraken en meevoerden door het onzichtbare landschap, dat nu wel helemaal gevuld leek met een zwarte, etherische en tegelijk lucide pap. Het sprok worden van de bladeren en het tikkend geluid dat werd voortgebracht wanneer ze van hun takken afbraken, en wanneer ze door de warme luchtstromen werden meegevoerd over velden, doorheen struiken, over daken en langs verzonken paden – dat geluid vermenigvuldigde zich zoveel keren als er bladeren waren, en dat bracht het bijzondere gedruis voort dat nu oorverdovend werd, en dat deed denken aan eindeloze colonnes zware bommenwerpers, heel hoog in het firmament – zoals gezegd: daar waar de sterren hoorden te zitten.

De zwarte wind speelde door mijn haren, misschien zaten er vleermuizen in – wie zal het zeggen? – of waren het gewoon de dunne, dorre bladeren die langs me heen vlogen, mijn wangen aanraakten met hun lichte prikkelingen, niet zwegen, zongen - ja: het was niet louter een gedruis als van verre, hoge, motoren dat ik nu hoorde, of een neuriën: veeleer was het een gefluister, een luid gefluister, een gefluister als van mensen die wel luidop spreken willen doch die het niet kunnen omdat hun stem dienst weigert uit angst gehoord te zullen worden. Een gefluister als van tientallen, van honderden, ja, van duizenden stemmen, vulde de warme nachtwinden, en het was een aanhoudend gefluister dat steeds driester werd en waarin langzaam doch zeker een motief gestalte kreeg, zoals dat het geval is in een symfonisch werk voor meerdere, grote koren – een werk dat met de deur in huis valt en dat aanvankelijk chaotisch aandoet, maar uit welker chaos zich, zoals een beeld uit kleiaarde, langzaamaan een lied verheft.

Onverstaanbaar zijn de woorden eerst: ze zijn nog louter klank, zij het bij tijden al een ietsje meer woord dan klank, en ze vangen de aandacht omdat men weten wil wat ze onmiskenbaar zeggen zullen, daar men kan vermoeden dat wat ze te zeggen hebben, niet onbelangrijk is. Geheel geheim is wat nu gezegd wil worden: het stamt uit een wereld die wij nooit eerder betraden, maar tegelijk is duidelijk dat het om geheimen gaat die zich niet langer verbergen kunnen omdat er nu, heel onverwacht, dingen op het spel staan die van een hogere orde zijn.

Maar het gefluister – dit gedruis – kon niet dat van mensen zijn, tenminste niet dat van mensen in levenden lijve zoals men ze op de Bühne in gelijnde colonnes ziet staan, met open kelen, beheerst de partituur volgend en de magische bewegingen van een dirigent die met getrek en geduw aan onzichtbare, stroperige elastieken die van zijn vingertoppen tot de lippen van de zangers reikhalzen, het tempo naar zijn hand tracht te zetten. Het gefluister was te ijl om dat van levenden te kunnen zijn: de stemmen die nu weerklonken, zongen heel duidelijk vanuit een andere dan deze wereld, en er was niet de geringste twijfel aan dat ze dit doen konden omdat nu de hele toestand waarin deze nacht verzeild leek, zich op de een of andere manier precies daartoe leende.

Ik hield de armen een weinig voor me uit, als ‘t ware tastend in de winden, terwijl ik voortschreed over een onzeker pad dat ik nooit voordien had verkend, maar dat ik gaan moest – er was geen ontkomen aan. Er is immers geen ontkomen aan dat een mens, ook al is het middernacht, ook al is hij moederziel alleen, ook al moet hij opstaan uit een diepe slaap, en ook al drijft op dat onzalige moment de wereld weg in een onbestemdheid die in zich de kiemen draagt van dingen die niets goeds voorspellen – er is geen ontkomen aan dat een mens moet opstaan en op pad moet wanneer hij uit de droom gehaald werd door een luide schreeuw.

Het gedruis zwol aan, zoals het geroffel van een donder aanzwelt in de verten, lang nog vooraleer van een onweer iets anders te bespeuren valt dan het zich plotseling verplaatsen van de luchtlagen die her en der takken meevoeren, en vele andere dingen die los zijn komen te zitten. De stemmen tekenden zich steeds duidelijker af in deze stilaan oorverdovend geworden vracht van – onmiskenbaar – gezangen. Voorzichtig verplaatste ik mijn voeten door het dorre lover, ik tastte in de nachtelijke novemberwinden, keek in het zwart met niettemin gespannen aandacht, en ik hoorde toe of in het wassende gedruis van duizenden ‘bijna-stemmen’, die ene noodroep uit de verte niet opnieuw viel te ontwaren.

De lange jas die ik bij het naar buiten vluchten inderhaast had aangetrokken, sloeg als een dol wapperende vlag tegen mijn lendenen: het was een los en hol geluid dat me in zekere zin bewust maakte van mijzelf, die zich dan toch in alle spoed geheel verloren had in die onbestemde schreeuw, en het ontspande mij een beetje, en schonk me het zelfvertrouwen terug, alsook de rust die nodig is om snel beslissingen te kunnen nemen wanneer het onverwachte plotseling daar is. En ineens meende ik ook duidelijk de woorden te verstaan die de stemmen zongen, en die zich, ritmisch, als ’t ware om de haverklap, herhaalden: “Splijt het hout en Ik ben er! Splijt het hout en Ik ben er!” Ja, dat zongen ze, er was geen twijfel mogelijk: dat waren welbepaald de woorden die ze, zoals het repetitieve zwaaien van een helse dans, herhaaldelijk door de nachthemel joegen. Ik hield halt, sloot ondanks de algehele duisternis de ogen teneinde mij nog beter op het geluid van het gedruis te kunnen concentreren, en ik herkende inderdaad geheel onmiskenbaar telkens weer diezelfde woorden, heel duidelijk gearticuleerd, maar waarvan verder enige zinnige betekenis mij totaal ontging.

Toen ik opnieuw de ogen opende, was de nacht nog altijd aardedonker, maar ik vergiste mij niet toen ik, hoog aan de zwarte hemelen, plotseling een helle lichtflits zag: het was geen bliksemschicht; de flits was korter van duur dan het licht van de bliksem, en tevens verlichtte hij de aarde niet, wat bliksemschichten daarentegen wel doen. Deze flits deed eerder denken aan het heldere licht dat men soms in het eigen hoofd ontwaren kan, als men verkeert in een toestand die het midden houdt tussen de waaktoestand en de slaap. Men ziet dan een lichtflits terwijl men nochtans de ogen gesloten houdt – een licht dat duizend keer helderder is nog dan dat van de zon – als het ware een zon die onder het schedeldak schijnt, en die één keer oplicht, soms enkele keren relatief kort opeenvolgend, om vervolgens een bijzonder spoor na te laten dat lange tijd nadien de slaap nog vervult met een warmte die niet met woorden te beschrijven is. Zo’n licht zag ik toen, maar dan met de ogen open, en aan de hemel van de nacht. Het was bovendien een licht dat zich ook hierin nog onderscheidde van het zonlicht, doordat het heel duidelijk afgetekende stralen had – raderen eigenlijk – die als de spaken van een reusachtig kristal de kosmos zelf leken te dragen. En toen het innemende spektakel zich daarop herhaalde, meende ik tevens te begrijpen dat het dit lichtende wiel zelf was, dat het nu ontzaglijk geworden gedruis voortbracht.

De wind was nu dermate hevig geworden dat het mij niet eens had verwonderd indien ik er door werd opgetild en meegevoerd. Edoch, ik bleef ter plekke staan, en er was alleen het luide klappen van mijn jas tegen mijn lijf dat bijna pijnlijk aanvoelde nu. Met de beide armen klemde ik de jas tegen mij aan – ik was intussen ietwat voorover gebogen gaan staan om me te beschermen voor het ontij – en ik wilde net rechtsomkeert maken, toen de schreeuw zich, luid en duidelijk, herhaalde.

Ik hief de blik, keek geheel ontwapend in de grenzeloze nachthemel waar de noodkreet vandaan kwam, hoorde nu de gezangen verstommen en het gedruis verdwijnen. De winden gingen liggen, de warmte trok uit de luchten weg en in geen tijd stond ik daar in een vrieskou.

De bladeren kraakten onder mijn voeten, toen ik mij op de weg terug begaf. Ik betrad mijn woonst met een gevoel van diepe verslagenheid, want ik geloofde het nu wel heel goed te hebben begrepen. De kreet die mij gewekt had, was onmiskenbaar de schreeuw van een man van wie ons allen wel de woorden bereiken, doch niet of slechts heel zelden het hartverscheurende geluid van zijn eeuwig met de dood vechtende roep.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

Zuster Olympia (J.B., Verhalen 2006-2009)

Zuster Olympia

Nooit werd een naam op een eerbiedigere wijze uitgesproken dan de naam van zuster Olympia. Zij was quasi onzichtbaar – zuster Olympia – zoals de vrouwen uit het Oosten in hun burka’s onzichtbaar zijn, want haar enorme gestalte was gehuld in een zwart habijt waarvan wij allen de betoverende geur kenden: alle kinderen van het dorp, maar ook hun ouders, en de ouders van hun ouders, en ook nog de ouders van deze laatsten. Zuster Olympia moet tenminste honderdvijftig zijn geweest, anders valt het niet te verklaren dat onze grootouders bij haar nog op de banken zaten. “Zit jij bij zuster Olympia op school?!”, zegden ze dan met een voorzichtige verrukking, en op de toon waarmee iemand met bewondering vraagt: “studeer jij aan het Massachusetts Institute of Technology?!”

De paradox was dat zuster Olympia feitelijk onzichtbaar was terwijl niemand op de hele wereld meer aanwezig was of dichter bij dan zij. Op school was zij het centrum van de speelplaats en, zoals grachten omheen het centrum kringelen van Amsterdam, zoals concentrische cirkels de hel van Dante omgeven, zoals de ringen van een halo de volle maan hullen in een lauwerkrans en haar aldus voorzien van een ornaat waarvan zelfs de zon niet dromen kan, zo omkringelden de kinderen de hele speeltijd lang de wondere zuster Olympia.

“Kijk, dat heb ik van zuster Olympia gekregen!”, zo zegden de kinderen aan hun moeders, toen zij thuis kwamen van school. En zij staken elk hun handje uit, spreidden de kleine vingertjes open, en in de handpalm verscheen… een hagelwit klontje suiker!

“Ik heb uw namen geschreven in de palm van mijn hand.”

Op de palm van haar hart droeg zij een kruisje, zuster Olympia. Alle kinderen kenden het kruisje, en ook hun ouders kenden het, en de ouders van hun ouders, en de ouders van deze laatsten. Allen kenden zij het kruisje van zuster Olympia omdat zij daar, in het midden van de speelplaats, altijd voorover gebogen stond te praten met de kinderen, en dan bengelde het kruisje als een pendel tussen de kinderen en zijzelf, zoals een uitgelaten hondje dat ongedurig heen en weer huppelt tussen mensen die elkaar na lange tijden weerzien. Zo bengelde het kruisje tussen het donkerzachte gewaad van de zuster en de vele kinderhandjes, waarvan er soms eentje een wang van de zuster heel eventjes betastte om te voelen of zij wel echt was, en dan kneep de mollige hand van zuster Olympia in de wang van de deugniet, als wilde zij daarmee zeggen: “En waarom zou ik niet echt zijn!? Ik ben even echt als jij, mijn kleine kapoen!”

Toen zuster Olympia nog een kapoen was, was er honger in de wereld. Het kroostrijke doch arme gezin waarvan zij kortstondig deel uitmaakte, moest enkele van haar kinderen afstaan om den brode. De kleine Olympia, die toen nog anders heette – maar niemand heeft ooit geweten hoe dan wel – en die toen ook nog haar moedertaal sprak, moest ook haar moeder zelf verlaten, en zij weende vele nachten lang: dagen, weken, maanden, weende zij haar nieuwe bedje met gevouwen handjes helemaal met kindertranen nat. Als men heel dicht bij de zuster was, betoverd door de wondere geur van haar zwarte habijt, en met het pendelende kruisje tussenin, kon men het hulpeloze kind nog ruiken dat smeekte om terug naar huis te mogen, of tenminste één keer nog haar moeder te zien. Het oude kind, Olympia, non van een magistraal volume – een volume dat, zoals de nacht die omheen alle sterren van het firmament grijpt, heel ver nog buiten het geurige laken van haar donkere habijt de wereld vulde en vervulde – zij verlangde nog elke dag naar moeder die zij nooit meer had teruggezien; zij hoopte nog om ooit bij haar thuis te komen – warempel, zij geloofde: “Eens komt moeder mij hier halen, en dan hoef ik nooit meer weg!” God kan immers in geen geval zo onbarmhartig zijn dat hij het dit kleine meisje – dit kind wiens lichaam maar niet ophield met groeien – niet om ‘volwassen’ te worden, doch om het gat van het tekort te kunnen vullen – God kon niet zo onbarmhartig zijn dat hij dit smekende kind gewoon achterliet.

Bij de grot was zuster Olympia vaak – vier andere zusters hielpen haar op de knieën te gaan zitten en, als zij met bidden klaar was, kwamen zij terug om haar weer te been te krijgen. En toen zij bad, met gevouwen handen, keek zij hoopvol op naar Onze-Lieve-Vrouw, die nu haar moeder was. En de kinderen deden de zuster na, en gingen knielen bij de grot, rondom de zuster. Maar zij keken niet naar het beeld uit kalk dat daar te bidden stond: zij keken naar de knielende moeder, zij voelden in haar plaats de pijn aan haar geschramde leden onder het gewicht van het grote lichaam, en zij voelden zeer zeker ook een stukje van de pijn in haar even grote hart. Dicht bij de zuster gingen de kinderen dan staan, en zij streelden het habijt – deels om er zo de betoverende geur uit los te maken, maar deels ook om het kind in haar te troosten, dat nu een moedertje van kalk, niet groter dan een pop, aanbidden moest. Maar dit beeld, hoewel uit kalk gegoten, verbeeldde meer dan wat wij, kinderen, zagen. Net zoals de zuster zelf die, naar de wijsheid van het Oosten, begraven werd onder een nachtelijke mantel om, uitgerekend op die wijze, ons meer dan wie ook alom en altijddurend nabij te kunnen zijn – net zo verborg zich in het beeld de moeder die geen kind zou achterlaten, en die nimmer stierf.

“Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis.”

Voorzichtig stapvoets schuifelde zij door de gang. De echo van het schuiven van haar zwarte schoentjes over de koude vloer in de lange, holle gangen van het klooster. Wij hadden plaatsgenomen op rieten stoelen in de wachtkamer – vader, moeder, wijzelf en onze kinderen. Op deze zondagmiddag waren wij naar het rusthuis getogen omdat wij ook onze kinderen nog eens aan de wondere zuster wilden laten zien.

Stil was het daar, en ook de kleinsten durfden niets luidop te zeggen, zij fluisterden en vroegen ongedurig waar “zuster Olympia” dan wel bleef. Maar zij moest de honderdvijftig lang voorbij zijn nu, en haar gang was net zoals die van een slak – een zwarte reuzenslak die bijna geruisloos schoof over de granieten tegels doorheen de spelonken van deze wonderbare kerker. Drie rijen rieten stoelen stonden daar – plaats voor ruim twintig bezoekers – en bij de deur stond ook een ministoeltje waarop ons jongste dochtertje haar poppemie had kunnen te wachten zetten indien zij die maar had meegenomen – edoch, zij wilde een flinke indruk maken op de zuster, en had daarom de poppen thuis gelaten. En toen wij tenslotte stapjes hoorden naderen, heel dichtbij, verscheen zij in de opening van de deur.

Een onooglijk nonnetje, als een kleine, zwarte spin met een groot kruis, vastgegroeid op de borst; voorover gebogen, de neus tegen de knieën, niet half zo groot als onze jongste spruit, terzijde gestaan door twee zorgzame zusters, kroop de wachtkamer naar binnen, zonk traagzaam op dat klein stoeltje neer, en lachte!

Wie zal het verklaren: in een oogwenk werd zij na de handdrukken en de eerste vreugdekreten aan ons zicht onttrokken, wijl al onze kinderen haar bestormden met ongedurige verhalen en met vragen, en de zuster keek nu en dan breed lachend onder haar zwarte kap vandaan en tussen de kinderen door in onze richting, met goedkeurende blikken. Druk als zij het hadden met gedichtjes, versjes en vertelsels, handjes geven en het betasten van het zwarte habijt van dit wonderbare wezen, vergaten wij haast waar en wie wij waren, en leek het blijde weerzien onzeggenlijk veel meer dan dat van oude dorpsgenoten die een non op rust bezoeken. Een bundel zon viel plotseling door de brandglasramen van de hoge, smalle venster op het zustertje neer en, in geen tellen, stond zij in een Onze-Lieve-Vrouweblauwe gloed en, zoals de zon zelf, ging zij nu aan het stralen.

“Llama que consume y no da pena.”

De hele weg terug nog, en de dag en de nacht die daarop volgde, en ook de volgende dagen, weken, maanden en jaren, waren helemaal met de wondere aanwezigheid van zuster Olympia vervuld. Onze ouders baadden in een gloed van voor gewone ogen onzichtbaar licht; onze kinderen, niettemin zij nog zelden praatten over haar, bleven zichtbaar met de zuster in gesprek; en iets van het vuur “dat het hart verteert zonder te pijnen” is met ons allen meegetogen naar het huis dat wij, na al die levensjaren en die eeuwen van de wereld, allen samen nu bewonen.

(J.B., Verhalen 2006-2009)


 

Het argument (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Het argument

"Zijt gij doorgedrongen tot de schatkamers van de sneeuw?

En hebt gij de schatkamers van de hagel gezien,

die Ik heb opgespaard voor de tijd van benauwdheid,

voor de dag van strijd en oorlog?"

"Er was in het land van Uz een man, wiens naam was Job, en die man was vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad."

Aldus begint het Boek 'Job', een der mooiste teksten uit de hele wereldliteratuur: er was eens een vroom en oprecht man; hij had alles wat zijn hartje lustte. Maar...

Op een dag bezochten de zonen Gods de Heer, en onder hen was de satan.

"Vanwaar komt gij?", vroeg de Heer.

En de satan antwoordde: "Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb."

"En hebt gij daar ook Job gezien, mijn trouwe knecht?", zo vroeg de Heer vervolgens.

De satan grijnsde: "Trouwe knecht, zegt Gij? Het is niet lastig om trouw te zijn aan hem van wie men alles krijgt wat men maar verlangt!"

De Heer had de list allang door. Het ongeluk staat immers in de sterren geschreven.

"Gij hebt uw hand maar om te draaien", zo sprak de satan, "om hem al zijn bezit te ontnemen. Wedden dat uw 'trouwe knecht' U dan verwerpt?"

En de Heer sprak: "Goed dan, doe met zijn bezit wat ge wilt, maar laat hem zelf met rust".

"Toen ging de satan van des Heren aangezicht heen".

Een man, niet gering van gestalte, gekleed in een helder gewaad, een uil op de rechter schouder gezeten, een bril op de neus en een kaars in de hand, spreekt:

"De satan is een van de zonen Gods."

Een bries steekt plots op en trekt door de nacht; met geritsel alom beamen de takken aan de bomen deze woorden. De vlam van de kaars flakkert eventjes op.

"Hij is een wetenschapper", zo verklaart de spreker zich nader: "hij wil immers zekerheid; hij wil de proef op de som."

Een nieuwe bries steekt op, nieuw geritsel van takken en twijgen, herhaalde beaming van de wijze woorden, het heropflakkeren van de kaarsvlam.

"Beeldt u zich immers eens heel even in, mijn broeders", zo zegt de man, "dat de zonen Gods zomaar alles lieten begaan: zouden ook de schepselen van de hel de Heer niet aanbidden als Hij hun hel tot een plaats van voorspoed maakte?"

De takken zwijgen, hij laat hen de tijd niet om na te denken en gaat voort: "Maar laten we nu verder lezen..."

Job's sprookje werd aan diggelen geslagen: roversbendes plunderden zijn vee en vermoordden de veehoeders; grote stormen staken op en verwoestten de oogst. Maar Job begaf niet en hij zei:

"De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd."

Edoch, de satan gaf niet op. Opnieuw bezocht hij de Heer. En wanneer deze hem confronteerde met de volharding van zijn knecht, antwoordde de duivel Hem stoutmoedig:

"Gij weet ook wel dat iemand alles over heeft om zijn vel te redden. Gij hebt uw hand maar om te draaien: sta toe dat ik Job zelf aantast, en ge zult zien: hij zal u niet langer vereren!"

Het ongeluk is altijd voortvarender dan wij kunnen vermoeden, maar de Heer had dit voorzien. Hij sprak:

"Goed dan, gij hebt de beschikking over het lijf van mijn knecht, maar spaar zijn leven!"

"Toen ging de satan van des Heren aangezicht heen, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn hoofdschedel toe. En hij nam een potscherf om zich daarmee te krabben, terwijl hij neerzat in de as."

"U merkt het", zo spreekt de man in het heldere gewaad: "een wetenschapper zou geen wetenschapper zijn indien hij de wetenschappelijk methode onrecht aandeed door in zijn experiment niet alle factoren af te zonderen die van invloed kunnen zijn op het eindresultaat van zijn proef."

De uil knikt.

"Maar laten we eens kijken wat er nu gebeurt...", en hij plaatst zijn bril terug op de punt van zijn neus, slaat het boek opnieuw open, en verlicht zijn lectuur met de vlam van de kaars. De bomen en de struiken houden de adem in.

Op dat moment verscheen de vrouw van Job ten tonele. Net zoals ooit Eva, Adam verleidde, zo ook verfoeide zij nu haar man omdat hij de Heer nog langer trouw bleef. Echter in tegenstelling tot zijn voorvader, begaf Job niet, en hij berispte zijn vrouw:

"Zoals een zottin spreekt, zo spreekt ook gij; zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?"

Intussen hoorden 'de drie vrienden van Job' over het onheil dat hem trof, en zij bezochten hem, en bekloegen hem om zijn lot: Elifaz, Bildad en Zofar.

"En zij zaten bij hem op de grond, zeven dagen en zeven nachten; niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat zijn smart zeer groot was".

En nu vervloekte Job de dag van zijn geboorte:

"De dag verga, waarop ik geboren werd;

de nacht, die zeide: Een kind is ontvangen.

Die dag zij duisternis."

"Waarom geeft Hij het levenslicht aan rampspoedigen,

en aan hen die bitter bedroefd zijn?

Zij wachten op de dood, en hij komt niet,

zij graven ernaar, meer dan naar verborgen schatten;

zij zouden zich verheugen tot jubelens toe,

blijde zijn, wanneer zij het graf gevonden hadden."

"U merkt het", zo spreekt de man in het heldere gewaad nu opnieuw, "dat het leed zo zwaar kan zijn dat wie erdoor getroffen worden, de dood zoeken, of wensen nooit geboren te zijn. Maar blijkbaar is dat niet wat de Heer wil."

Elifaz nam nu het woord. "Gij hebt zovelen getroost toen zij leden", zo zei hij tot zijn vriend, "maar nu ge zelf lijdt, zijt ge moedeloos. Waarom hebt ge geen vertrouwen in de Heer die toch rechtvaardig is? Leg uw zaak aan Hem zelf voor, Hij zorgt immers dat recht geschiedt; het komt allemaal wel goed."

Job antwoordde: "Laat de Heer mijn leven nemen", zo zei hij, "want het is alleen nog maar een verschrikking. Waarom beaamt gij dat niet? Hebt gij dan geen medelijden met uw vriend? Ik heb u nooit iets gevraagd, en nu negeert ge mijn klacht, en mijn smeekbede om te mogen sterven... "

Vervolgens nam Job's tweede vriend, Bildad, het woord: "Raaskal nu niet", zo vermaande hij Job: "God is immers rechtvaardig, en als gij oprecht zijt, hebt gij niets te vrezen. Kijk het maar na, het is immers altijd zo geweest: God verwerpt de oprechte niet."

Maar Job antwoordde: "Wie zou ik, een sterveling, wel zijn om God in het ongelijk te stellen! Heus, dat doe ik niet: Hij is voorwaar almachtig, en Hij is aan niemand uitleg verschuldigd. De onschuldige en de schuldige verdelgt Hij. De aarde is in de macht van de goddeloze gegeven, en het aangezicht van haar rechters omhult Hij: doet Hij het niet, wie dan? Ik wil alleen maar van God weten waarom Hij zich tegen mij keert. Ach, was ik maar niet geboren! Hoe verlang ik naar de dood!"

Job's derde vriend, Zofar, richtte zich nu tot hem, minder voorzichtig dan de andere twee: "Durft gij te beweren dat God u onschuldig straft? Ik geloof daarentegen dat Hij nog zaken door de vingers ziet als Hij straft! Wie oprecht is, vreest niet, mijn beste!"

De man in het heldere gewaad onderbreekt hier zijn lezing voor een ogenblik. Hij kijkt op naar zijn trouw luisterend publiek dat stil is nu, en zegt:

"Ge merkt wel, wat nu het grootste onheil is in deze hele geschiedenis: niet het verlies van Job zijn bezit, ook niet het verlies van zijn gezondheid, maar het verlies van zijn vrienden, en hun ontrouw jegens hem. Zij hebben geen medelijden, want ze gunnen hem zelfs de dood niet; maar wat meer is: alle drie suggereren zij - de laatste wat duidelijker dan de andere twee - dat zij er Job stiekem van verdenken dat hij gezondigd heeft en onrecht heeft begaan. Ja, daar zijn ze eigenlijk zeker van. Uiteraard kiezen zij partij voor de Heer, die immers almachtig is. Zij geloven zelf nog steeds in het recht - en dat kunnen zij ook makkelijk doen, zo zou de satan zeggen, zolang zij niet eerst zelf op de proef werden gesteld. Zij spreken nu zoals Job zelf ooit placht te spreken - ooit, dat wil zeggen: vooraleer het onheil hem trof. En zij herinneren hem eraan, dat hij de troostelozen troostte, toen. Job's ergste beproeving, mijn waarde publiek, is dus deze: dat hij dit ongeluk helemaal alleen moet dragen. Niemand, ook zijn eigen vrienden niet, geven hem gelijk. Job heeft nog slechts één ander op wie hij zich nog vertrouwen kan - zij het blind en tegen beter weten in - en dat is de Heer zelf, die - vatte wie het vatten kan - toestaat dat de hele natuur én de wereld hem veroordelen. Zofar noemt hem, onrechtstreeks, zelfs een leeghoofd, en dat moet zwaar aankomen. Hoor maar eens, wat hij tot zijn vriend zegde:

"Als een leeghoofd tot inzicht gebracht kan worden,

kan het veulen van een wilde ezel als mens geboren worden.""


En Job antwoordde: "Gij bespot mij. Denkt gij misschien dat ik van de wijsheid Gods nooit heb gehoord? Zelfs de dieren kennen deze wijsheid."

"Raadsheren zendt Hij barrevoets heen,

en rechters maakt hij tot dwazen.

Boeien, door koningen aangelegd, slaakt Hij

en Hij bindt een band om hun lendenen.

Priesters zendt hij barrevoets heen

en wie vast staan, stort hij neer.

Hij beneemt de spraak aan hen op wie men vertrouwen stelt,

en neemt het onderscheidingsvermogen der ouden weg.

Hij giet smaad uit over edelen

en maakt de gordel van machtigen los.

Hij legt de diepten uit de donkerheid bloot

en brengt de diepe duisternis aan het licht.

Hij maakt de volkeren groot en richt hen ten gronde,

breidt volkeren uit en voert hen weg.

Hij beneemt de hoofden van het volk des lands het verstand,

en doet hen ronddwalen in ongebaande wildernis.

Zij tasten rond in lichtloze duisternis,

en hij doet hen dwalen als een beschonkene."

En Job noemde zijn vrienden nu kwakzalvers: "Uw uitspraken zijn spreuken van as". Job wilde dat ze zwegen - alleen dan zou wijsheid aan hun lippen ontspringen. Hij wilde - hoe dat ook kon aflopen - zijn zaak nu aan God zelf voorleggen. En andermaal betreurde hij dat zijn vrienden hem in verdenking stelden in plaats van hem bij te staan. Hij verlangde nu zelf naar een openbare rechtszaak waarin tenminste gezegd zou worden wat hem ten laste werd gelegd.

"U merkt het", zo zegt de man in het heldere gewaad, "dat Job hier nu bekoord wordt tot die praktijken en methoden die de satan zelf hanteerde en waarmee hij hem 'den duvel' aandeed. Immers, net zoals de satan, gaat Job op zijn beurt vragen om een 'proef op de som', een 'wetenschappelijke methode', een gerechtszaak met argumenten en tegenargumenten, een 'bewijs' van zijn onschuld en zijn trouw. Alsof liefde en trouw zaken waren welke konden gewogen worden met menselijke middelen. Ja, ligt hier niet een mogelijke verantwoording voor het feit dat God uiteindelijk aan de duivel vrij spel gaf om hem te testen? Hier, in het feit dat Job deze test zelf goedkeurde, daar hij hem nu op zijn beurt wenste te hanteren om de trouw van God te meten?"

De bomen, de struiken, de wolken: allen blijven zij geruisloos. Zwijgen is toestemmen. Het heldere gewaad wappert, de bladeren van het boek ritselen, de uil blaast de vlam van de kaars. Ik treed nader om de man nog een vraag te stellen, al is de geschiedenis van Job nog lang niet ten einde. Maar terwijl ik hem nader, bemerk ik dat er geen man te bekennen is. Warempel, het is alleen een stuk lompen dat aan een boomtak hangt te waaien in de wind. En de woorden waar ik zo aandachtig naar geluisterd heb, waren slechts toevallige geluiden, zoals men die hoort in de donkerte van de nacht. Het gebeurt dan wel eens, beangstigd als men is voor rovers, dat men echt meent dat men hun stemmen kan horen, ja, dat men zelfs gelooft te verstaan wat ze precies fluisteren onder elkaar.

[Noot: alleen de cursieve tekstgedeelten tussen aanhalingstekens zijn citaten uit de bijbel (NBG, Amsterdam 1975); de rest van de tekst poogt een synthese te brengen. Alleen de hoofdstukken 1 tot 14 halverwege, uit het boek 'Job', werden behandeld.]

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Geld

Geld

Piet heeft een schitterende tekening gemaakt, hij had er lang op gebroed en nog langer aan gewerkt maar het resultaat mag gezien worden, het is een waar kunstwerk. Het probleem is alleen dat bijna niemand dit pareltje te zien krijgt want Piet heeft geen huis met een uitstalraam in een drukke straat van de hoofdstad en evenmin heeft hij toegang tot het museum, de krant of eender welk medium. Hij kan weliswaar met zijn werk op de markt gaan staan maar niemand is bereid om zoveel te betalen als dit werk waard is, het gaat immers om het beste wat Piet ooit maakte en wellicht zal hij dit in zijn verdere leven niet meer evenaren, de mensen kopen ook liever een poster van een wereldberoemd schilderij om op te hangen aan de muur en helemaal ongelijk hebben ze natuurlijk niet want geen mens ziet het verschil tussen het origineel en de reproductie terwijl het prijsverschil gigantisch is. Piet blijft dus zitten met zijn meesterwerk, hij kan er weliswaar zelf naar kijken en zijn vrienden manen hem aan om dapper voort te doen: dat je er zelf plezier aan beleeft, is het voornaamste, zo zeggen ze, en misschien word je op een dag nog eens beroemd.

En op een dag heeft een vriend van Piet een foto van diens tekening getoond aan een meneer van de krant die er onmiddellijk wel wat in zag en zo belandde de tekening zelf op het bureau van de redactie waar de artiest ontboden werd. U bent getalenteerd, zo klonk het, en wij willen uw tekening afdrukken in onze krant maar dan wel op voorwaarde dat u er wekelijks eentje maakt, het lijkt ons immers iets te zijn dat past in onze nieuwste rubriek en wij zoeken een eigen illustrator, de auteursrechten voor het benutten van bestaande tekeningen zijn immers al te hoog, wat denkt u?

De kans van je leven, Piet, zo fluisteren zijn vrienden en wellicht hebben ze geen ongelijk: met de opbrengst zal hij niet langer aan zijn zuur verdiende spaarcenten moeten zitten om zijn potloden te betalen en al zijn ander gerief want bij tekeningen maken komt meer kijken dan men kan vermoeden. En Piet zegt toe en tekent een contract bij de krant voor wekelijks een tekening. Hij zal nu wel zijn stijl een beetje moeten aanpassen aan de mode van de dag maar dit probleem wordt overschaduwd door het loon dat hem beloofd werd en dat een substantiële aanvulling betekent van zijn werkmanspree. Wat water bij de wijn want zo hoort het overal, wil men in het leven iets bereiken en Piet gaat aan de slag.

Piet verkoopt zijn levenswerk voor vijftig euro, een bedrag dat zelfs de kost van potloden en papier niet kan vereffenen, laat staan de jaren voorbereiding en het feit dat hij wellicht nooit meer iets van dat niveau zal produceren maar het is nu of nooit, zo hebben ze gezegd met begeleiding van een schouderklopje, en de eerste weken gaat het goed: Piets tekeningen worden gepubliceerd in een zekere rubriek van de krant en op een keer komt een van zijn vrienden Piet proficiat wensen met het verschijnen van zijn werk in een tweede krant en dan ook nog in een mondain magazine met glanzend papier dat mensen zoals hij helemaal niet kunnen kopen.

Moet ik nu trots zijn? Zo vraagt Piet zich af want de krant waarvoor hij werkt, bracht hem niet op de hoogte van wat Piet terecht een doorverkoop zou noemen maar wanneer de artiest alsnog in een kiosk een exemplaar van het magazine heeft gekocht en er in bladert, moet hij vaststellen, zeer tot zijn ongenoegen, dat niet zijn naam onder de tekening staat maar die van een hem tot dan toe geheel onbekende 'kunstenaar'.

Het is een beroemdheid, zo laat iemand zich ontvallen: ben je nu niet fier dat die zijn naam wil zetten onder werk van jou? Plagiaat? Ach, zo gaat het er in de kunstwereld aan toe: Rubens werkte ook met personeel, Madonna is een grote firma en het beroemde beeldhouwwerk van Rodin werd wellicht door een vrouw gekapt. Je weet nog weinig over hoe het eraan toe gaat in de wereld, in de kunstwereld, maar geloof me, zo zegt een meneer van de krant bij wie hij is gaan klagen: het went hoor vent, mijn baas zet gezwind zijn naam onder mijn teksten, het voornaamste is dat hij betaalt, mijn kinderen studeren en je weet, vandaag kost een diploma voor de zoon een heus huis, de buis niet meegerekend en de dochter; ik weet wel, dat is allemaal niet pluis maar het is nu eenmaal niet anders, leg u daar nu voor een keer gewoon bij neer. En, overigens, wees blij want die artikels die door uw tekening worden geïllustreerd, zijn reclameteksten, wat betekent dat een ander voor de publicatie van uw werkjes heeft betaald. Want, vergis u maar niet: u ontvangt een aardige som voor het tonen van uw werk aan de wereld maar de meeste artiesten betalen daarvoor, informeer maar eens wat het kost om in een galerij te mogen hangen, dat is een kleine huishuur! En tot zo ver het verhaal van Piet en met die verhalen kan men al een eeuwigheid de straten plaveien. Edoch, het verhaal waarover we het wilden hebben, is nog een ander.

Nog steeds staan in de bewuste wekelijkse rubriek van de krant de tekeningen van Piet en hij is dus alles behalve een uitzondering: zowat de hele inhoud van de krant bestaat uit teksten en uit prenten van grote kunstenaars die klein worden gehouden omdat zij het karig loon dat hen te beurt valt, helemaal niet kunnen missen en artiesten zijn er genoeg, als eentje zich kwaad maakt en opstapt, heeft men reeds 's anderendaags een ander aangeworven die beslist een tijdje mee zal draaien want dat is het geheim van de uitbuiting: tegen de tijd dat de mensen het in de mot krijgen dat zij lustig worden gepluimd, zijn ze oud en versleten en de nieuwelingen weten weer van niks zodat hetzelfde spel zich eindeloos kan herhalen. Om het te houden bij een enkel voorbeeld, neem de grootste aller schrijvers, Fjodor Dostojewski, dan weten wij dat zijn volumineuze meesterwerken niets anders waren dan telkenmale een bundeling van vervolgverhalen in een Russische gazet die aldus lezers lokte. De arme man moest ze wel schrijven daar hij grote schulden maakte, hij was immers gokverslaafd. En kan het dan nog iemand verwonderen als bekend geraakt dat uit te melken kunstenaars vaak aan het lijntje worden gehouden door de firma's die er stinkend rijk van worden met naast het leefloon allerlei verslavingen die immers beter werken dan de zweep dat deed ten tijde van de slavernij? De striemen die zij maken zijn weliswaar niet zichtbaar voor het ongeoefend oog maar zij zijn daarom niet minder pijnlijk, om niet te zeggen niet minder dodelijk.

Het verhaal waarover wij het wilden hebben, is het aloude liedje van de middeldoelomkering: het museum is er niet om kunstwerken te etaleren maar de kunstwerken zijn er om het museum vol te krijgen en dat geldt dus ook voor kranten en voor alle andere media. En het gevolg van die praktijk waarbij alles op zijn kop gezet wordt, is dan uiteraard dat het de uitbaters van de media worst zal wezen of het kunst is wat zij brengen of gewoon vulsel, opvulsel van lege plekken die de leegte schuwen omdat zij plek innemen die immers moet renderen, en zo komt het dat de toeschouwer, die overigens figureert in zijn door hemzelf gefinancierde waan van kunstkenner, allang niet meer kan zeggen of deze of gene lege plek in het museum dan een kunstwerk is ofwel gewoon een lege plek waarop een artistiek object ontbreekt.

De zaak is dat de eigenaars van onze media, die net zo min de onze zijn als de aarde de zon die zich ook heel leuk 'de onze' laten noemen, door het feit dat zij het zijn die heersen over de toegangsweg tot kunst, bepalen wat schoon is en wat lelijk, wat goed is en wat slecht, wat waar is en wat leugen, wat vals is en wat echt.

(J.B., 9 juli 2026)



Het Orgaan (J.B., Verhalen 2006-2009)

Het Orgaan

Zijn ziekte had hiermee te maken, dat een orgaan van hem zich buiten zijn lichaam bevond.

Een eeuw geleden zou men dit als onzin bestempeld hebben, maar reeds kort na de oorlog waren er mensen van wie gezegd werd dat zij een oog hadden afgestaan aan een ander, teneinde bijvoorbeeld een eigen kind te kunnen laten studeren, of het van de hongerdood te redden. En vandaag bestaat er een zwarte doch bloeiende handel in allerlei menselijke organen: her en der – en vaker dan men denkt – worden harten, levers, nieren en wat al niet meer, besteld en betaald, welke kort daarop door specialisten uit de lichamen van jonge en gezonde mensen worden ontvreemd, nadat dezen uit hun omgeving werden weggehaald en werden omgebracht – het ‘afval’ wordt wellicht vernietigd in een bad met zwavelzuur, ofwel meegegeven aan een bemanningslid van een olietanker, die de definitieve opruiming ervan dan overlaat aan de vissen in de zee.

Als men bij wijlen verneemt dat stukken van lichamen worden opgevist uit een kanaal, of dat ze aanspoelen op een vakantiestrand, dan verdient het dus alle aanbeveling om niet uitsluitend te denken aan psychopaten die mensen voor hun plezier in mootjes hakken: veel vaker immers dan ziekte, is het winstbejag de motor van de misdaad. Dat was vroeger het geval en, omdat de hebzucht mét de competitie toeneemt, is dat vandaag nog veel meer zo.

Ook zijn het geen armelui op het randje van de hongerdood, die een dergelijke handel voeren: de geschiedenis leert ons dat precies diegenen die het helemaal niet nodig hebben om in leven te blijven – de allerrijksten dus – tot deze praktijken overgaan – om er namelijk nog rijker van te worden.

Ik mag niet zeggen dat ik geen flauw idee heb van hoe de hebzucht werkt en danig kan ontaarden, want reeds in dit gedoe op de blogs, waarde lezer – ja, de blogs waar wij momenteel in grasduinen – kan men soms getuige zijn van nogal bizarre ondernemingen welke klaarblijkelijk geen andere bedoeling hebben dan de eigen score aan bezoekers te verhogen en aldus het eigen kraampje te zien stijgen in de competitie.

In principe zou de rang die een blog bekleedt, een weerspiegeling kunnen zijn van zijn kwaliteit, en dat geldt uiteraard niet alleen voor blogs, het geldt ook voor andere marktproducten en zelfs voor mensen. Dat dit in de praktijk beslist niet zo is, behoeft eigenlijk geen uitleg.

Het begint al met die ene beperking – uiteraard geheel onvermijdelijk – dat men vooreerst moet aannemen dat het succes de kwaliteit weerspiegelt. De verborgen regel, dat het beste nu eenmaal datgene is wat een meerderheid wil, is uiteraard zeer democratisch, en de democratie is heden – alweer: volgens de meeste mensen – het beste wat men zich maar indenken kan.

Ook dient abstractie gemaakt te worden van de ‘persoonlijke verdienste’: sommigen spenderen dagelijks vele uren aan hun product, doch met een mager resultaat, terwijl anderen vrijwel zonder moeite de top bereiken, omdat zij gebruik weten te maken van onze verborgen angsten en verlangens.

Er zijn er zelfs die erin slagen om een vrijwel leeg blog – echter voorzien van een intrigerende naam en gesteund door niet nader te noemen tactieken – naar de regionen van de elite te versluizen. Dat blog staat daar dan als een lege doos, en elkeen die erin kijkt, wordt diep teleurgesteld: hij gelooft zijn eigen ogen niet. En zo kijkt hij er nog een tweede keer in, en ook een derde keer, hij blijft er maar in kijken: het staat immers helemaal vooraan, dus het moét wel heel bijzonder zijn. Maar dat zijn de kleren van de keizer en het lege doek van Uilenspiegel ook. En zo komt het dat de waarde der dingen is gaan afhangen van het etiket dat erop geplakt werd, ook als er behalve dat etiket niets anders is te vinden.

Zo komt het dat het geld, dat op zich geen enkele waarde heeft omdat het louter papier is, of alleen maar een getal op een rekening, nochtans door de meesten van ons met veel gretigheid wordt begeerd. In het geval wij het nodig hebben om bijvoorbeeld te kunnen eten, heeft onze begeerte een geldig excuus – wij worden daar immers door het geld gegijzeld. Maar het vreemde is dat niet de armen geldzuchtig worden maar, integendeel, de rijken onder ons: de maag is geheel verzadigd – om niet te zeggen oververzadigd – en men heeft een dak boven het hoofd en vaak meer dan één. Met nog meer geld kan men dus niets anders meer aanvangen dan het te beleggen, wat in principe een spel is. Welnu: dat overbodige ‘spel’ blijkt ons tot veel stoutmoedigere handelingen te kunnen bewegen dan bijvoorbeeld onze reële noden, zoals de honger. Ik kan het niet helpen, maar dat blijkt nu eenmaal uit de koelste cijfers.

Ik heb het niet over onze luttele spaarcentjes, waarde lezer, of over het welverdiende appeltje voor de dorst, het optrekje in het zuiden waar wij jaarlijks haastig wat bijkomen van de moordende stress van veeleisende arbeid, en waar wij de stank van de stad enkele dagen kunnen vergeten. Maar wat denkt u ervan als, om maar iets te noemen, het Vaticaan, dat zich dan toch aan de wereld presenteert als zetel Gods op aarde, jaarlijks ettelijke miljoenen uitgeeft voor de restauratie van haar imperium aan de superbeleggingen welke de daar opgeborgen kunstwerken toch onmiskenbaar zijn? Wat zou een verguisde artiest zoals, alweer om maar iemand te noemen, Vincent Van Gogh daarvan niet gezegd hebben? De sukkel deelde zijn handvol geschooide duiten nog uit, aan nog grotere sukkelaars. Die ‘zetel Gods op aarde’ heeft weliswaar een antwoord klaar – ’t zou er nog aan ontbreken – want de hebzucht dient in de eerste plaats zichzelf in stand te houden, wil zij ook buit kunnen maken.

Maar om een lang verhaal kort te maken: vandaag wordt het geldspel dus gespeeld met, heel letterlijk nu, stukken van mensen. Zeker in bepaalde regionen moeten mensen dus echt beginnen uitkijken, wanneer zij ergens een hoekje om gaan, dat ze niet ongelukkiglijk ‘het’ hoekje omgaan. Niemand durft zich vandaag nog op straat te begeven met, bijvoorbeeld, een gouden halssnoer, om maar iets te zeggen, maar staan wij er bij stil dat de organen die wij onvermijdelijk overal met ons meedragen, waar wij ook gaan of staan, in waarde hun gewicht in goud verre overtreffen?

In mijn eigen jeugd werden wij af en toe gewaarschuwd voor de kidnapping van onze zusters, die immers konden worden uitgebuit als slavinnen achter nachtelijke ramen in de prostitutie van een heel ver land. Maar welke pooier van formaat houdt zich nog bezig met de poespas van ontvoering, onderduiking, schriftvervalsing en wat allemaal niet meer, als hij met heel wat minder rompslomp, ja, in één enkele klap, het tien- of honderdvoudige uit zijn slachtoffer kan halen door het gewoon in stukjes te snijden?

Misschien zal men opmerken dat de meeste mensen dan toch, gelukkig, een geweten hebben?

Mogen wij dan echt over het hoofd zien dat de moordenaar, evenals het Vaticaan trouwens, in de eerste plaats een alibi heeft dat zijn geweten sussen kan? Op de keper beschouwd: doodt hij niet slechts één mens om daarmee het leven van tenminste tien anderen te redden? Het ‘donorhart’ kan een vooraanstaand politicus redden, die er misschien geen weet van heeft, of hebben wil, wie nu zijn donor is; de lever kan een oliesjeik die teveel gedronken heeft, redden van de ondergang; twee nieren dan: alweer twee mensenlevens; een milt, een maag, twee longen, het merg, het bloed… zeg mij hoeveel onderdelen levensreddend kunnen zijn!

Maar om terug te keren naar ons onderwerp: zoals gezegd, had zijn ziekte er dus mee te maken dat een orgaan van hem zich buiten zijn lichaam bevond. Het was een lever, een dure lever, in een bakje naast zijn bed. Nog primitief, maar toch, het werkte: het bakje maakte het verschil voor hem, tussen leven en dood. In het bakje zaten levende levercellen, en zijn bloed werd langs het bakje omgeleid, en zo bleef hij in leven. Uiteraard was hij stinkend rijk, want dergelijke primeurs worden nog lang niet door de ziekenkas terugbetaald: zijn lever had hem meer gekost dan al zijn andere bezittingen samen. Het deed een beetje pijn, weliswaar, maar een alternatief was er nu eenmaal niet. En dat bakje, stel je voor, stond nu helemaal onbeschermd naast zijn bed in een kastje op wieltjes.

Hij had er nachtmerries van, en op een keer, toen hij het aan een verpleegster had verteld, had zij alleen maar luid gelachen, en zij had gezegd: “Wie in ’s hemels naam kan daarmee nu iets aanvangen!?” Maar het liet hem helemaal niet met rust, het was een obsessie geworden, een ziekte er bovenop. Telkenmale hij bedacht wat het bakje hem wel gekost had, terwijl het daar nu helemaal onbeschermd in dat kastje stond, binnen het bereik van vrijwel iedereen, want de deuren waren niet op slot en elke willekeurige voorbijganger kon de kliniek in en uit wanneer die daar maar zin in had, nam de angst van hem bezit.

Stel bijvoorbeeld eens dat een chirurg bedacht dat hij toch niet veel meer te goed had, terwijl enkele kamers verder, in dezelfde gang, een ander, met dezelfde bloedgroep en ook heel veel geld dat hij er vanzelfsprekend direct wilde aan uitgeven, naar zo’n bakje lag te wachten. Een koud kunstje zou het voor de dokter zijn om geheel ongezien dat bakje een tweede keer te verkopen, en dan een derde keer. Een kleine ingreep slechts, maar welk een fortuin zou het hem niet opleveren! En redde hij eigenlijk niet het leven van een ander, of van twee anderen, als hij dit deed? Wie mag trouwens oordelen over de waarde van een mensenleven? En is het wel rationeel te verantwoorden om de kwestie van leven en dood over te laten aan het toeval – wat in niet-misdadige omstandigheden zo te zien dan toch de regel is?!

Misschien is het wel zo, bedacht hij, dat men in de medische wereld, zoals trouwens ook daarbuiten, allang veel rationeler te werk gaat dan wij in onze afhankelijkheidspositie wel bereid zijn te geloven! Misschien mankeert of mankeerde er aan mijn lever niets, of toch niets ernstigs, en heeft men mij dit bakje gewoon aangepraat! En hij tastte eens gauw naar zijn buik om zich ervan te vergewissen dat er wel degelijk een buisje in en uit liep, al kon hij dit onmogelijk terdege controleren. Hoeveel mensen waren er al niet van wie organen zich buiten hun lichaam bevonden? Kunstnieren, kunstharten… Het is al een zorg dat je je papieren geld moet deponeren op een bank of in een kluis; als je dus stukken van jezelf verspreid ziet in de handen van derden, vreemden eigenlijk, die je tenslotte alleen maar ‘helpen’ omdat ze daar zelf beter van worden…

Hij nam plotseling een beslissing, duwde op het knopje naast zijn bed, en vroeg de zuster naar de dokter. In een mum van tijd stond hij daar, glimlachend, vragend hoe het met hem ging. Het was de dokter van wacht, een jongeman nog, hij werkte daar nog niet zo lang, dat was hem aan te zien, en was hier fier over het werk dat hij nu deed.

“Wat kan ik voor u doen?”, vroeg hij beleefd: “Heb je pijn?”

Meteen kwam onze held op zijn beslissing terug: “Neen, niets… ik droomde”, verontschuldigde hij zich.

“Ik zal toch maar eens je bloeddruk checken”, zei de arts: “slaap je goed?”

Hij maakte de rubberen band vast rond zijn arm en blies er lucht in, liet de lucht ontsnappen, en zei dan: “Dat is allemaal prima…”

Onze held schrok, want de dokter had de hengsels van de stethoscoop niet eens in zijn oren zitten.

“Of toch wel”, hernam hij zich: “Ik heb je opgeroepen om je vriendelijk te verzoeken, dat bakje daar…”, en hij wees dus naar zijn lever, “weg te halen… en wel nu meteen”.

Versteld keek de arts hem aan, hij herhaalde wat hij net gezegd had, en voegde er aan toe: “ik verdraag het niet langer dat ik zo moet leven, met een orgaan buiten mijn lijf…”

De dokter dacht een ogenblik na en antwoordde: “Maar mijn beste mijnheer: je hebt niet alleen een orgaan buiten je lichaam; ook de enzymen, de zenuwen, en al die andere dingen die dat orgaan besturen, leiden een bestaan aan de andere kant van je huid; de ganse maatschappij staat ten dienste van je lever! Als ik dat bakje laat weghalen, dan staat binnen de kortste keren de hele wereld op stelten; heb nu toch eens wat begrip!”

De verpleegster die naast het bed stond toe te kijken, knikte beamend: “Zo is het”, zei ze: “amper een jaar geleden hebben we iets gelijkaardigs meegemaakt: de wereldpers kwam meteen in actie, het gerecht stond op zijn achterste poten, de helft van het ziekenhuispersoneel werd aangehouden… er zijn zelfs verschillende slachtoffers gevallen toen!”


“Wij zijn elkaars enzymen en organen geworden, mijnheer”, ging de arts weer verder, “laten we maar stellen dat u een nare droom gehad hebt, okee? Als je wil, zal de zuster je een slaapmiddel brengen, iets om wat rustiger van te worden, goed?”, en hij verliet de kamer.

Zij glimlachte weer, boog zich over het bed, gaf hem een pil en wat water en dekte hem daarna wat beter in.

“Wij, vrouwen, krijgen wat anders te verduren”, zei ze nu belerend: “Kijk”, en ze wees naar haar ietwat gezwollen buik. Het bracht hem een beetje in verlegenheid, want hij was zelf nooit getrouwd geweest en had geen kinderen.

“Het is gelijk een orgaan”, zo zei ze, “dat je op een dag moét afstaan, willen of niet. Je bent er zelfs veel meer aan gehecht dan aan een orgaan, zoals die lever van jou… Het groeit op, gaat een eigen leven leiden, komt je opzoeken, soms vaak, soms niet, en als je sterft, moet je het hier achterlaten…”

Ze glimlachte nu breed: “De dokter heeft gelijk, geloof me: wij zijn elkaars organen, en het is nooit anders geweest…”

De pil was beginnen te werken en hij zag de zuster vloeibaar worden. De lever naast zijn bed lachte vriendelijk naar hem. Doorheen het open raam hoorde hij de enzymen-op-vier-wielen passeren, allemaal druk in de weer voor zijn orgaan: ze klaksonneerden, gaven gas, riepen, lachten, maakten ruzie… En dan begon het te regenen terwijl de zon bleef schijnen, en leek hij zich in dat glinsterende lichtspektakel zalig te verenigen met het ganse heelal.

Dit, zo zag hij nu heel duidelijk: dit is het Orgaan, dit is... de zetel Gods!

(J.B., Verhalen 2006-2009)

Water (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Water
“Hef dan toch een been op, domkop!”, riep hij.
“Begrijp jij dan niet dat als je con-ti-nu met de beide voeten in het water blijft staan, dat dan je huid helemaal zal verweken en er zelfs zal afvallen! En wat ga je dan doen?! Hè?!”
Ik zocht steun met een hand bij het muurtje, dat glad aanvoelde, en vies, van het mos, en hief mijn rechter voet op uit het water.
“En droog hem nu met je zakdoek af”, voegde hij er nog aan toe, en dan keek hij de andere kant op, en ik hoorde hem nog denken: “Domkop die je toch bent!”
Ik droogde mijn voet af, het was een acrobatenwerkje, maar ik deed het, niet om mijn huid te sparen, want wat mocht het tenslotte baten, nu eens de ene voet droog en dan weer de andere, en dan telkens zoals een kip blijven staan op één enkele poot totdat de krampen zich deden voelen… Neen, ik deed het om hem tevreden te stellen, ja, om hem te kalmeren, want ik had allang gezien dat hij de ondergang waarover iedereen de mond vol had, niet meer zou meemaken als hij zich telkens weer zo opwond.
“Ik denk dat het aan de overkant minder diep is”, probeerde ik na een poosje, maar hij beantwoordde mijn opmerking niet en deed zelfs niet de moeite om de schouders op te halen.
Ik observeerde de overkant, of dan toch de plaats waarvan ik veronderstelde dat zij aan de overkant moest gelegen zijn, want het water maakte vanzelfsprekend alles wat er onder lag, onzichtbaar. Alles werd bij wijze van zeggen door het water begraven, en het was eigenlijk gissen geworden waar precies de weg moest liggen, vooral omdat hier geen huizen meer stonden, en wij hier minder bekend waren, en het bovendien stilaan donker werd. Waarom waren we niet gebleven waar we waren, en hadden we ons niet gewoon laten ondergaan, zoals trouwens de meesten dat deden?
Iedereen had het zien aankomen, meer dan blind had men moeten zijn om het niet te zien, en toch had niemand, maar dan ook niemand er aan gedacht om, bijvoorbeeld, met wat hout uit de stal of met enkele balken die toch wel in elke achtertuin te vinden zijn, een simpel, klein vlot in elkaar te timmeren. Hoe welkom zou zo’n eenvoudig schuitje nu niet geweest zijn, al was het alleen maar om die krampen te vermijden, die het gevolg waren van dat staan op één been, en die koude ook, die via het ‘steunbeen’ naar boven leek te kruipen. Het is vreemd, ook als sta je enkel tot eventjes over de enkel in het nat: alras wordt je hele kuit een ijsblok, en ook je knie, en dat kruipt vrij snel nog hoger op, en dan moet je van been wisselen natuurlijk, om het andere been wat warmer bloed te gunnen. Ja, dan pas sta je er versteld van hoe warm ons bloed is, en hoe vanzelfsprekend wij dit altijd vonden; wij stonden er nooit bij stil, tot op dit eigenste moment dat we er moeten bij stil staan, en op één been dan nog.
Ik had gewacht met plassen totdat de duisternis helemaal gevallen was, want ook in anderszins benarde situaties blijft plassen een gênant karwei. Haast onhoorbaar was het straaltje – warm dampend – water uit het eigen lijf, wegens de regen die muziek bleef maken in ‘het meer’, zo zal ik het maar noemen, en het verdroot me dat ik, door nood gedwongen, aldus wat van de eigen lichaamswarmte los moest laten, nu ik daaraan tekort begon te lijden, maar het kon niet anders meer.
Helemaal donker werd het, het verwonderde me dat het zo donker worden kon, maar ik bedacht meteen dat wij, die opgegroeid zijn in het tijdperk van de elektriciteit, eigenlijk nog nooit de nacht hadden gezien die, tot voor enkele tientallen jaren, vele duizenden jaren lang, en eigenlijk teruggaand tot het begin der tijden, alle generaties die het mensdom en het dierenrijk had voortgebracht, altijd al in gijzeling had gehouden gedurende ruim de helft van hun bestaan. Ja, nu werd het echt donker en, al was het niet echt koud: het nat bleef via het ene been – nu eens het linker, dan weer het rechter – veld winnen op het gebied van het lijf dat nog door het bloed kon warm gehouden worden. Dit kon niet zo heel lang meer duren, dit was een zaak van hooguit uren, misschien nog een dag, of twee, daar had ik het raden naar – ik, die altijd in de watten gewezen, de grenzen van de lijfelijke krachten en zwakten nooit had hoeven te verkennen.
“Van één graadje gaan we heus niet dood, haha!” – zo hoor ik het hem nog altijd zeggen op teevee, de “haha” erin begrepen – de grote ethicus, de raadgever der vooraanstaanden, de beschermengel van alle burgers in dit land, de trooster, de vredebrenger, de bruggenbouwer, de rechtschapen wetenschapper. “Eén graadje”, zei hij, en ze praatten het allemaal na: de weerman en de weervrouw, de eerste minister en misschien ook wel de koning in zijn groot kasteel: “Het is gemiddeld genomen slechts één enkel graadje, mijn lieve vrouw: je hoeft heus niet bang te zijn, alles loopt zoals normaal!” En zij dan, haar man bewonderend voor zijn comfort verschaffende inzicht: “Ja, het zal wel zo zijn, wij zijn altijd veel te snel bang. Maar ik dring er toch op aan dat we nu wat vakantie nemen in de bergen. Een verblijf in onze blokhut in de Alpen zou ons tot rust brengen, denk je niet?” En dan hij weer: “Dat zal jammer genoeg niet lukken, mijn lieve vrouw; onze blokhut is immers niet meer; er is daar een stukje van een kleine gletsjer gepasseerd, de afgelopen week.” En dan, haar meteen troostend: “Maar… geen nood, geen nood: ik gaf reeds opdracht voor de bouw van een nieuwe. Intussen kunnen we voor de verandering misschien eens een cruise maken – wat denk je ervan?”
Zegde hij nu een ‘cruise’ of een ‘kruis’? Hoe dan ook, het werd door iedereen gezegd: van één enkel graadje gaan we heus niet dood.
Ik hoor het onze grootmoeder nog steeds zeggen: “Van één enkel graadje gaan we heus niet dood”. Dat was ter gelegenheid van de energie-besparings-dagen, thuis, intussen al heel lang geleden. Er was een campagne ten tijde van de allereerste ‘oliecrisis’: “Als elke burger de verwarming één graadje lager zet, dan komen wij er met zijn allen wel doorheen!” – “Eén graadje voor het goede doel!” Wij waren nog kinderen toen, en we voelden daar natuurlijk helemaal niets van. Maar grootmoeder, die de rekeningen bijhield, vertelde ons op een dag na de winter, hoeveel geld die luttele besparing in het laatje had gebracht. Ik herinner mij geen getallen meer, maar het was een heel behoorlijke som en, dank zij dit ene graadje, reden wij in de lente allen met een nieuwe fiets.
De muziek van de regen was nu luider gaan spelen, het was een geruis dat beslist gezellig had geklonken indien wij nu maar ergens knus bij een kachel hadden gezeten, spelend met de kinderen, op een wollen tapijt, kijkend in de vlammen die uit de blokken brandhout oplaaiden, en de oudjes onder ons, mijmerend over vroegere tijden.
Eén enkel graadje in één enkele huiskamer maakte ons toen rijk – zoveel energie is er met dat ene graadje gemoeid. En hoe groot is het volume van een huiskamer? Hoeveel huiskamers gaan er in onze atmosfeer?
Ik keek op naar de lucht, doch zag niets dan een zwart vlak en voelde koude regendruppels in mijn ogen pletsen. Ik verloor haast het evenwicht, wisselde nog eens van been, werd gerustgesteld door het gehoest aan mijn zijde dat eigenlijk zeggen wilde: “Ik ben er nog, ik ben er nog, wees maar niet bang…”
Talloze huiskamers gaan er in de atmosfeer, en het woord ‘talloos’ is in feite veel te dunnetjes om het verschil in beeld te kunnen brengen. Op de lagere school leerden we ooit dat warme lucht meer vocht vasthoudt dan koude, en voor de gelegenheid had onze onderwijzer, die toen tachtig moet geweest zijn, een elektrische kookplaat meegebracht en een soort glazen ketel die hij met water vulde en verwarmde op de steen. Hij toonde ons wat damp was, en ook condensatie.
“Kan iedereen goed zien dat het volume water in de ketel nu geslonken is?”, zo vroeg hij ons na een poosje, en hij trok de jongens die achteraan stonden omdat zij bedeesd waren, naar voren, opdat ook zij het goed zouden zien.
“Het water is niet weg”, zo vervolgde hij zijn uiteenzetting: “het is nu waterdamp geworden. En die damp zit nog steeds in de ketel. Hoe langer ik het water verwarm, hoe meer water er zal veranderen in damp. De lucht in de ketel is even heet als het water: pas daar altijd van op, want je kunt je daaraan verbranden! Onthoud dus goed dat warme lucht meer vocht kan bevatten dan koude lucht!”
Dan kwam het moment dat hij ons ging laten zien wat condensatie precies is. De kookplaat met de waterketel stond bij het raam en het was winter. Het vroor zeker min tien graden buiten en de ruiten van de ramen van de klas waren kil. In die tijd hadden de klaslokalen nog hoge plafonds, en onze onderwijzer had ons trouwens ook eens uitgelegd dat dit noodzakelijk is opdat wij allemaal genoeg zuurstof zouden kunnen inademen. Dat architecten van scholen dit vandaag niet meer nodig vinden, is mij trouwens altijd een raadsel geweest, en sommigen beweren zelfs dat de toenemende algemene leerachterstand op scholen aan niets anders te wijten zou zijn dan aan een algemeen zuurstofgebrek in de klaslokalen. “Hoge plafonds voorkomen dat wij lui worden en in slaap vallen tijdens de les”, zo zegde onze onderwijzer het, “want zuurstof is broodnodig voor de hersenen!”
Toen nam hij het deksel van de ketel en een hete damp steeg uit de ketel op, kwam met de koude ruiten in contact, en vormde daarop vrijwel onmiddellijk grote druppels die dan in straaltjes naar beneden gleden en plassen achterlieten op de vensterbank.
“Warme lucht kan meer vocht vasthouden”, zo herhaalde onze onderwijzer, “en als die lucht dan afkoelt, dan condenseert dit vocht, en dat wil zeggen: de kleine waterpartikeltjes die in de warme lucht verspreid zitten, voegen zich samen als ze kou krijgen, en zo vormen ze dus grotere druppels, en die vallen naar beneden. Zo ontstaat regen. Heeft iedereen dat begrepen?”
Iedereen knikte, maar zoals elke goede onderwijzer kende hij de kracht van de herhaling en hij zei: “Ik herhaal het nog eens: warme lucht kan meer water bevatten dan koude lucht. Het water blijft in de vorm van damp, en dus onzichtbaar, in de lucht hangen. Als de lucht afkoelt, vormen zich druppels en gaat het regenen.”
Gerard, die de slimste leerling van de klas was, stelde toen de vraag hoe veel warmer de lucht van het klaslokaal dan wel moest worden opdat een ganse emmer water daarin zou kunnen verdampen.
Onze onderwijzer zegde dat hij dat kon berekenen: hij wist het niet precies, maar ik heb zijn antwoord altijd onthouden omdat het zo ongelooflijk klonk.
“Ruw geschat”, zo sprak hij, nadat hij gedurende enkele seconden naar het hoge plafond had staan staren, “zal het ongeveer zo zijn…” Iedereen luisterde met spanning toe.
“Als de lucht in dit lokaal verzadigd is met vocht, en wij willen er nog een ganse emmer laten in verdampen, dan volstaat het waarschijnlijk om de kachel één graadje hoger te zetten.”
Er was een algemeen ‘ooh’-geroep, de warme mantel der verwondering omzwachtelde ons allen.
“En zetten wij daarna de kachel weer een graadje lager”, zo ging hij met zijn uitleg door, “dan krijgen de ruiten, de muren en de vloer van dit lokaal eigenlijk een ganse emmer waterdruppeltjes over zich. Jullie zouden daar natuurlijk niet veel van merken, dat vocht verspreidt zich, dat begrijpen jullie zeker wel, maar mocht men het meten, ik denk dat ik er niet ver naast zou zijn met mijn schatting.”

“Als de temperatuur met één graad gestegen is”, zo zei ik plotseling luidop – en eigenlijk deed ik dat om te testen of hij er nog was – , “dan moet het wel zo zijn dat de luchten ganse zeeën vol met water hebben opgeslorpt”.
Hij zweeg, en ik interpreteerde zijn zwijgen als een akkoord.
“Zolang de temperatuur blijft stijgen, is er geen probleem”, zo ging ik verder: “de luchten houden dan steeds meer vocht vast. Het probleem doet zich pas voor als de temperatuur plotseling gaat zakken, want op dat moment valt al dat water er weer uit.”
Hij bleef zwijgen, en net zoals indertijd mijn onderwijzer dat deed, herhaalde ik wat ik net gezegd had om hem te overtuigen: “Dat zijn dus vele zeeën vol!”
Maar het maakte klaarblijkelijk helemaal geen indruk op hem, want hij reageerde niet.
Hierop besefte ik plots dat hij er niet meer was. Ik liet mijn ene been zakken, waadde voorzichtig door… het meer, naar de plaats waar ik dacht dat hij altijd gestaan had, doch daar was niemand meer te bekennen. Ik waadde verder nog, nu eens naar links, dan weer naar rechts, rechtdoor, achteruit, maar ik vond niets of niemand in mijn buurt.
“Waar ben je dan?”, riep ik.
Er kwam geen antwoord. Mijn stem kon ook niet ver gedragen hebben in dit gedruis van de regen. Tevens spoelde het water nu ook met een al veel grotere snelheid dan aanvankelijk het geval was, voort, en door de koude waren mijn benen zo ongevoelig geworden dat ik niet eens gemerkt had dat het waterpeil intussen flink gestegen was. Toen ik in het water tastte met mijn nog warme handen die nog voelen konden, merkte ik dat die waterspiegel al tot een stuk boven mijn knieën kwam.
Ik betastte mijn benen, en merkte dat mijn vingers weliswaar mijn benen konden voelen, doch niet andersom: ongetwijfeld door de koude, die men echter niet meer voelt als men er aan gewend is, was het gevoel uit mijn benen zelf zo goed als geheel verdwenen. Toen ik dus merkte dat ik mijn voeten niet meer gewaar werd, vroeg ik me af of ik ze nog wel had. Indien ik met een voet in een glasscherf had gestaan, of boven op een nagel, dan had ik daarvan helemaal niets gemerkt.
De volstrekte duisternis belette me nu ook om de toestand waarin mijn voeten zouden verkeren – en waarover ik mij na deze bedenkingen echt zorgen was gaan maken – te gaan inspecteren. Ik kon ze weliswaar betasten, maar wat ik dan betastte, kon ik zelf niet meer voelen: het leek alsof ik een stuk hout betastte, iets wat alvast niet tot mijn lichaam behoorde.
Wat nu het geval was aangaande mijn voeten en mijn benen – een algehele ongevoeligheid veroorzaakt door de kou van het nat – gold nu ook met betrekking tot het onderste gedeelte van mijn romp, zo stelde ik nu vast, en ik realiseerde mij plotseling dat het een wonder was dat mijn benen mij nog langer droegen, en dat ik nu heel gauw een houvast moest gaan zoeken tegen het ogenblik dat zij het zouden begeven. Ja, alleen mijn handen en desnoods mijn aangezicht waren nog tot tasten in staat – verder niets meer: verder was het alsof mijn lichaam mij niet langer toebehoorde.
Ik voelde mij aldus – niettemin ik in klaarlichte dag nog geheel zichtbaar zou zijn – reeds voor de helft verdwenen. En dan, plotseling, kreeg ik het warm.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

Septembernacht (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Septembernacht

Het was een van die intussen niet meer zo zeldzame, warme nazomernachten in september. Het middernachtuur was allang verlopen, maar in de straten van deze oude stad kon men nog over de koppen lopen. Het was niet de drukte van de dag die in de winkelwandelstraten heerste: onder een volle maan, gehuld in een halo van kleurenringen, was het wandeltempo rustig nu, haast slenterend. Het keuvelen van nieuwe en ook oude koppeltjes, hand in hand, welhaast in strandkledij, werd begeleid door het stroelen van het water in de bekkens onder de kleine fonteintjes die alom als gebeeldhouwd oprezen uit saters en nimfen van donkergrijze granietsteen uit de vergangen gewaande middeleeuwen. Een mist van een zeer draaglijke en welkome friste was intussen op de pleinen afgedaald en hulde verre torentjes in een dromerige waas en, zoals reusachtige, kleurige lantarens, lieten van binnenuit verlichte kathedralen hun glasramen zingen terwijl zij gestreeld werden door nevelslierten die zich als bleke slangen om de donkere steunberen slingerden. Hoog daarboven verdween nu en dan de kroon van een kerk volledig in laaghangende nachtwolken die veel te wit waren om echt te kunnen zijn, wat een onwezenlijk spektakel opleverde: het leek dan alsof de kerk op zachte en onhoorbare wijze was onthoofd voor de duur van enkele tellen terwijl, uitgerekend dan, uit die niet meer bestaande toren het gedruis van een bronzen klok tot tweemaal toe weerklonk.

Het zware gelui viel neer in de stegen en galmde haast eindeloos in portieken, spelonken, bakstenen gangen en weggetjes met smalle trappen die langs koude, sierlijke, gietijzeren traliehekkens in donkere schaduwen afdaalden naar zwarte, koele waters waarop zwanen slapend in grote kringen dreven. Ontelbare ruitjes, pekzwart in de trapgevels, weerkaatsten in voorbijgaande flarden de maan en haar dromen, de wolken en de nacht en, hier en daar, een schare oude bomen die in het windstille van de nacht de pracht van hun tentakels in het licht van de mist als toortsen verhieven terwijl zij geheel verstild en onbeweeglijk bleven. Zij stonden, de bomen, overwelmden met een diepgroene geur als van bloemen de banken, gesneden uit hun eigen vlees dat hout heet, en op de banken hadden zich wandelaars gevleid om nog dieper te kunnen ademen nu, en de tere longen geheel met de koelte van de maan te vullen, zoals men kristallen bekers vult met donkere wijn, en dorstige tongen laaft aan ijskoud water.

De dorst die nu zichtbaar was in het welven van de silhouetten van de ranke lichamen bij elke ademteug, was onmiskenbaar niet langer een dorst naar water of naar wijn. Menig wandelaar begon nu echt te slenteren, sommigen ook kwamen middenop de weg tot staan, lieten het hoofd in de nek vallen, keken diep in het wonder van het firmament en sloten dan de ogen voor een wijl, alsof zij van dit zalige ogenblik op onnaspeurbare wijze een prent maakten welke ze langzaam lieten neerzinken naar de bodem van de ziel om die daar voor immer te bewaren. Anderen gingen op de koele, stenen muurtjes zitten, lieten de zwaar geworden armen hangen en ook het hoofd dat zich als in gebed voorover boog ter aarde, en gezalfde ogen verwonderden zich over de vormen van de stenen van de straat, het kunstwerk van kasseien die door een duizendjarige, onverdroten dans van wandelaars zo rond en glad geschoren waren als de mysterieuze keien in de rondingen van de helderste stroom.

En zo ging het nog een tijdlang door, als was dit niet echt gebeurd, doch slechts een stille film, geprojecteerd op het theater van de aarde; een spokerige droom waarvan alras het einde naderde wanneer nu koelere lagen lucht door de aders van de straten daalden. Het volk trok weg, werd dunner, verdween als in het niets, en de ruimte nam haar plaats weer in, vestigde zich in een nieuwe kilte. Een forse wind blies de laatste nevelen aan flarden, stuurde donkerder wolken boven de kathedralen van de stad, benam de maan het zicht. En 't overtrok nu overal, de stenen werden koud, het spel dat uitgespeeld was werd verjaagd, een sliert van plotseling afgerukte bladeren vluchtte door de straten, de lantaarnpalen op het plein gingen nu sidderden en in de verte rammelde een frisdrankblikje met een hels lawaai.

Ik nam de enkele munten uit mijn hoed, klopte het stof uit de jas waarop ik gezeten had en zocht een slaapplaats, ergens uit de regen en veilig voor de wind. De munten knoopte ik goed vast, in de rode zakdoek die ooit van mijn oude moeder was.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 

"Alles van waarde is weerloos”

“Alles van waarde is weerloos”1

Niet in staat tot onpartijdigheid en tot het respecteren van de scheiding der machten, kon het niet verwonderen dat de megalomane Trump rechters aan de kant zette en vervolgens ook topwetenschappers in onder meer de medische en de klimaatsector maar met zijn bemoeienissen met de topsport steekt hij prompt zijn evenknie naar de kroon: ook de racist Adolf Hitler kon niet verkroppen dat uitgerekend de zwarte atleet Jesse Owens, nadat hij in 1935 in minder dan een uur zes wereldrecords had verpulverd, nu ook vier keer goud behaalde op de Olympische Spelen in Berlijn; de dictator weigerde de kampioen te feliciteren maar de overwinningen ongeldig verklaren deed hij niet en hier breekt de Amerikaanse Hitler alle records inzake onsportiviteit. Nog op te merken valt dat Owens na de Spelen in de persoon van de Amerikaanse atletiekbaas en nazi-sympathisant Avery Brundage (die Owens naar de Spelen had gestuurd ter vervanging van een joodse atleet die Hitler in verlegenheid had kunnen brengen,) door de Amerikaanse atletiekfederatie uitgebuit werd en voortijdig stierf, hij werd amper 66.2

Als top arbiter maakt Trump zich andermaal onsterfelijk belachelijk, al lijkt hij door zijn verstandelijk vermogen verhinderd om dat ook nog te vatten. Toch heeft hij in zijn zieke logica alsnog gelijk: hij weet dat in het land van Mammon alles te koop is wat zonder waarde is.

(J.B., 6 juli 2026)

1Lucebert.

2Cf. The Jesse Owens Story. Link naar de film: https://www.youtube.com/watch?v=AaAcK7gfcX4

De Laatste Reis (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

De Laatste Reis

Zij was omstreeks tweeëntachtig toen het begon, en het ging snel. Op een morgen was zij opgestaan, veel vroeger dan gewoonlijk, want zij bleef meestal op haar kamer totdat mijn vrouw en ik op waren, en zij was druk doende in de keuken die zij tot dan toe als het terrein van mijn vrouw had beschouwd, en die zij slechts betrad om te helpen afdrogen bij de vaat, waartoe zij altijd eerst de toelating vroeg. Nu lagen wij nog in bed en werden wij voortijdig gewekt door het alleen in de volstrekte stilte hoorbare geluid van stromend water doorheen de leidingen en het rammelen van ijzeren pannen, stenen borden en glazen. Mijn vrouw wilde meteen opstaan om te kijken wat er was, maar ik weerhield haar daarvan, en zei: "Laat haar begaan", omdat ik al gemerkt had dat zij veranderd was de jongste dagen, die misschien wel haar laatste zouden zijn, zo kwam het heel even bij me op. Want voor een mens de geest geeft, wil hij de zaken op orde hebben - zo heb ik het altijd horen vertellen en ook menigmaal zelf zien geschieden.

Wij wachtten dus nog een poos, maar stonden ten slotte toch een ietsje vroeger dan gewoonlijk op. Terwijl ik me schoor, hoorde ik glas breken, wat een reden was om te gaan kijken, en toen ik in de keuken arriveerde, zag ik tante met het vuilblik en de borstel in de weer terwijl zij riep: "Kom niet te dicht want er ligt glas hier, ik ben zo klaar!"

Zij zag er opmerkelijk jong uit, bloosde vurig en had haar haren in een dikke vlecht gekamd zoals toen zij nog een schoolmeisje was, zo wist ik van de foto's uit haar album. Om haar jurk had zij een glanzende zwarte kiel geknoopt en aan haar voeten droeg zij haar beste zondagse schoenen. Van haar reuma was blijkbaar geen spoor meer te bekennen zoals zij nu tekeer ging: zij leek vol van energie, net zoals iemand die haastig nog de koffers pakt vooraleer op reis te gaan.

Toen het glas was opgeruimd, zei ze dat ik verder mocht komen. Ik zag dat ze al koffie had gezet en brood gesneden had, en nadat ze mij een bord en een kopje had voorgezet, deed zij verder met het werk waaraan ze bezig was: ze schrobde de kastdeuren met zeep en met water tot ze blonken, en liet zich in deze bedrijvigheid niet afleiden door mijn aanwezigheid. Mijn vrouw verscheen, wisselde met haar een goedemorgen, stond een poosje te kijken naar haar bedrijvigheid en wilde toen iets zeggen, maar zij hield zich in, ging zitten en at mee.

Nog voor we gegeten hadden was tante klaar: zij maakte haar zwarte schort los, vroeg aan mijn vrouw haar eventjes te willen helpen met het opspelden van haar haren, "want ik moet er goed voorkomen vandaag", zei ze: "een oude kapelle moet versierd worden!"

En toen dat werk erop zat, ging zij terug naar haar kamer waar zij nu lange tijd verbleef, zo te horen rommelend in haar kleerkasten en haar schuiven om zich op te kleden. Na een poos kwam zij terug met in de handen twee paar schoenen, een paar witte en een paar zwarte, en zij wendde zich tot mijn vrouw en vroeg welke zij dan aan zou trekken voor de tocht:

"Men zegt altijd dat het maar een boogscheut hier vandaan is", lachte zij, "maar men kan maar beter voorbereid zijn op een lange tocht; ten slotte is van ginder nog steeds geen mens teruggekeerd om ons te vertellen hoe ver we daar moeten lopen!"

Niet bij machte om haar verbijstering te verbergen, keek mijn vrouw me plotseling hulpeloos vragend aan, maar zij herwon de moed en antwoordde ten slotte: "Zou je niet eerst een beetje rusten, tante? Ik zie dat je al koffie hebt gezet, laten we nog een kopje drinken, we zullen dan je schoenen passen..."

Zij geraakte duidelijk niet uit haar woorden, ging zelf weer zitten, en staarde het naarstige besje gelaten aan.

"Ik neem de zwarte", zo besloot zij na wat aarzelen: "die witte zijn voor jonge mensen, ja, ik trek de zwarte aan, en ook mijn zwarte mantel, zodat de mensen weten waar ik heen ga, en zij mij niet om de haverklap doen stilstaan met hun vragen. Mijn eigen moeder heeft me ooit verteld dat zij op die manier de trein eens miste, en terug is moeten keren... uit haar graf!"

Zij sprak dat laatste woord uit met een klemtoon die een fierheid verried welke alleen past bij woorden zoals 'prijs' en 'pracht', en er was geen greintje angst te bespeuren in haar fijne en nu wat zangerig geworden stem die welhaast zong. Ze nam de schoentrekker en ging zitten, bukte zich zonder moeite en plantte haar hielen in de zwarte schoenen, ging opstaan, deed enkele pasjes en zei: "Ze vallen wat ruim uit, maar het gaat nog net; als ik wat gestaan heb, worden mijn voeten dikker; zij zullen als gegoten zitten tegen de tijd dat ik vertrek. Hoe laat is het trouwens al?"

Mijn vrouw keek naar de klok aan de wand: "Half zes, het is nog donker... zou je niet een beetje rusten, in bed? Je hebt zo weinig slaap gehad, dat is niet goed hé, tante?", probeerde zij weer.

Ik zag het aan de slinkse blik, de vinnige oogjes, dat zij wist dat men haar niet ernstig nam, maar zij was sluw genoeg en speelde het spelletje mee en zei: "Je hebt gelijk, ik zal eerst een dutje doen, een slaapje; de dag is nog lang..."

"Zal ik je helpen, tante?", vroeg mijn vrouw haar, maar zij wuifde haar weg en lachte:

"Kindje, kindje, dat kan ik zelf wel, nu; eet jij maar flink en straks ben ik er weer!", en dan weer: "Kindje, kindje, kindje...", alsof zij in haar nopjes was.

Mijn vrouw wachtte totdat de deur van tante 's kamer in het slot viel en keek me dan aan: "Zullen we nu een dokter bellen, of zou het over gaan?"

"Rustig maar", antwoordde ik, in een poging haar te bedaren: "het zou haar alleen maar van streek maken. Ik zal eens met de dokter praten, vanavond of morgen of zo, en als hij donderdag dan komt, kan hij haar pillen aanpassen; zo zal het zonder heisa allemaal vanzelf in orde komen, wees maar niet bang..."

"Hier zitten we dan", zuchtte mijn vrouw, "een uur te vroeg... zou ze nu al slapen?"

"Ga eens kijken!", fluisterde ik - ik was er zeker van dat ze al snurkte.

Mijn vrouw verliet de keuken en ik stond op, ontgrendelde de achterdeur en begaf me met mijn kopje koffie op het terras dat uitgeeft op de tuin. Bij het raam van tante 's kamer was geen spoor van licht meer te bekennen, daarvoor had ik mijn bril niet nodig, maar toen ik beter toekeek zag ik dat daar de ochtendwind met de gordijnen speelde. Stond haar raam dan open?!

"Er is geen licht meer in haar kamer", zo hoorde ik mijn vrouw nog zeggen bij de deur, terwijl ik de trappen naar beneden liep, de tuin in en tot bij het kamervenster, daar de gordijn wegtrok en mijn verwarde ogen zochten in het lege bed.

"Doe iets", riep mijn vrouw mij na, terwijl ik door de tuin rende, achter de struiken keek, de voortuin inliep en mij op straat begaf.

Het was er stil en donker, maanlicht glansde tegen bleke gevels, heel in de verte kraaide al een haan. Ik liep de weg op, trachtte uit te vinden welke kant zij zou zijn opgegaan, en gokte in de richting van het kerkplein. Achter mij aan hoorde ik op haar sloffen mijn vrouw mij nalopen en zij riep dat ik haar moest tegenhouden...

Ja, daar ging ze, met haar zwarte schoenen aan en in haar zwarte mantel, met een grote, dappere stap, zo ging zij, recht en door, en stil om niemand in de buurt te wekken. Ik liep haar na, maar haalde haar niet in, zo snel hamerden haar gelakte schoenen door de straten. Ik wilde haar wel stoppen, maar zag dat het niet baten zou: zij was immers zo fel in volume toegenomen, dat zij wel een reuzin leek nu, met zevenmijlslaarzen aan. Tenslotte geheel buiten adem moest ik de achtervolging staken en bleef ik pal in 't midden van de kerkstraat staan met, achter mij, zwaar ademend, mijn vrouw.

Wij zagen hoe zij kerkwaarts stapte: een gestalte, zwart en hoger dan de huizen, zich vaag aftekenend tegen het eerste ochtendlicht en in de schittering van de maan; een schaduw tegen 't firmament was zij geworden, en toen is zij geheel vergaan, zoals de sterren in de morgenhemel.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

Stank

Stank

Hoogst persoonlijk int Trump de lof die aan de V.S. als wereldheersers toekomt en applaudisseren doen de in de mondiale hegemonie gecompromitteerden, onder wie het patriottistische Rusland en de ene ware kerk van het Vaticaan: allen delen zij in de gigantische misdaad die met de streng bewaakte kloof tussen rijk en arm de continuïteit van de genocide garandeert door alle kritiek op de waanzin van het ook voor het milieu catastrofale kapitalisme, de kop in te drukken en dat met alle mogelijke middelen. Het verrast allang niet meer dat de mammon bij het uitschakelen van diens rivalen van sportiviteit gespeend blijft, de aanval in de rug verkiest en de wet volgt van de jungle.

Een verdeeld land achter zich krijgen doet men op beproefde wijze met vuurwerk in combinatie met de creatie van een demon en deze laatste is uiteraard de mens die opstaat tegen het onrecht, de slaaf of loonslaaf die opkomt voor zijn vrijheid maar die prompt gedemoniseerd wordt met het brandmerk 'communisme'.

Geschiedenisherschrijving als de vetst betaalde job van het moment kan evenwel niet verhinderen dat elkeen zich alsnog kan informeren over hoe het allemaal in zijn werk ging in de loop der tijden. Er zijn meesters en slaven en de eersten rekruteren uit de tweede groep verraders die hen als slavendrijvers dienen in de gedaante van godsdienstigen die immers doordringen tot in de kern der zielen waar verborgen microfoons en camera's geen toegang hebben. Quasi feilloos verloopt aldus het fabricaat van de 'puppet on a string', de robot bestemd voor de productie van de bommen waarmee hij in het spel van zijn meesters zichzelf ombrengt.

De lomperiken die de grote jan uithangen blijven evenwel nood hebben aan publiek vanwege hun verslaafdheid aan applaus en dat publiek creëren zij dan ook te gepasten tijde naar behoeven met vuurwerk en met leugens. Vandaag vieren ze in Washington de meedogenloze uitroeiing der autochtonen na een invasie met de zegen van de kerk en morgen doen andere kolonialen dat in het jubelpark van de 'grafstad' zoals Conrad ze heeft genoemd, opgebouwd door een zich geniaal achtende vorst met het bloed van twaalf miljoen Congolezen. Ook de Romeinse wereldheersers verklaren zichzelf zalig, zo niet heilig, en al dat eigen lof moet dienen om de stank van hun allang ontelbare moordpartijen en verkrachtingen te kunnen overstemmen.

(J.B., 5 juli 2026)




 

De Goede Deur (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

De Goede Deur

U kent de “Goddelijke Komedie” van Dante Alighieri – deze “allervurigste dienaar van de liefde”, zoals Boccaccio hem noemde – en u weet daarom dat de ingang tot de hel een onopvallend en achter een struik verborgen gat is, ergens in een duister woud. (Weinigen weten dat Dante zich voor zijn bijzondere reis inspireerde aan de Mohammedaanse verhalen over het hiernamaals, zoals “De nachtelijke reis van Mohammed” van de Spaanse Moudjioeddin Ibn Arabi die precies honderd jaar eerder dan Dante werd geboren – maar dat tussen haakjes). In de penopauze van zijn leven gekomen, belandt Dante in een duister woud, en daar vindt hij prompt de hellepoort. Op het bordje boven de poort staat te lezen: “Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt!” Hij gaat doorheen de poort, laat zich door Charon over de Styx varen, en komt warempel in de hel terecht.

In de middeleeuwen werd de hel gesitueerd in het middelpunt van de aarde, en dus het verste verwijderd van God. Aan onze ‘zuidpool’ lag de louteringsberg met daarop het Aards-paradijs; aan de ‘noordpool’, Jeruzalem. Dat het inwendige van de aarde een poel van vuur is, wisten ook al de eerste mensen die vulkanen in actie zagen. Wij leven eigenlijk op het korstje van de hel.

Het letterlijke en het figuurlijke lopen hier enigszins dooreen. Een kennis van me die zich bezighoudt met de eigenaardige zaken van het leven – die voor mij overigens even onbegrijpelijk zijn als de ‘gewone’ – vertelde me eens dat Dante’s hellepoort een soort ‘gat’ is naar een ‘andere dimensie’, in dit geval dus de hel. De ruimte, welke wij eigenlijk met een primitief meetkundige geest bekijken, is in feite heel onregelmatig, zo vertelde hij me, en zij zit vol met dergelijke gaten. Bovendien is de ruimte helemaal niet statisch, maar zij ‘leeft’ en zij beweegt. Het zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren dat een ‘gat’ zoals de hellepoort zich plotseling opent, zodat je er naar binnen kan, en dat het zich daarna weer sluit, zodat je er nooit meer uit komt.

Er zijn kraters waaruit vuur gespuwd wordt en er zijn bronnen met helder en fris water, of met stoom; er zijn gasbronnen waaruit dodelijke dampen opstijgen. Er zijn tornado’s van louter lucht die koeien en huizen kilometers hoog optillen. Er zijn draaikolken die machtige schepen verzwelgen en in de ‘grote’ ruimte zijn er ook ‘zwarte gaten’ die materie verslinden, gaten waaruit nieuwe heelallen ontspringen, gaten die in feite fonteinen zijn waaruit tijd wordt in het rond geblazen, en gaten die naar andere ruimten leiden. Mijn geleerde kameraad vertelde mij dat er tal van dergelijke dingen bestaan waarvan wij nagenoeg geen notie hebben.

Ik moet zeggen dat mijn belangstelling voor deze verhaaltjes altijd zeer matig is geweest. Wanneer ik toehoorde, dan deed ik dat veeleer om de spreker aan het werk te zien, of om hem als in een soort van vriendendienst mijn oor te lenen. Vaak luisterde ik zelfs niet, verdwaald als mijn ogen waren in de zijne, waaruit ik niet zelden vonken zag opspringen, maar toen ik hem daarop attent maakte, werd hij kwaad omdat mijn aandacht verslapte. De ‘feeling’ voor het bovennatuurlijke – of was het gewoon het ‘natuurlijke’, zoals hijzelf steeds beweerde? – ontbrak mij volkomen. Tot op zekere dag.

Ik moet die avond iets verkeerd gegeten hebben, want van zodra ik in slaap viel, droomde ik. Ik voelde hoe mijn hoofd loodzwaar werd, rondtolde en tenslotte recht doorheen mijn hoofdkussen zakte en met een pijnlijke klap terecht kwam op de plankenvloer onder mijn bed. Uit vrees dat ik andere huisgenoten wakker had gemaakt, wachtte ik eerst een poos, aandachtig luisterend, en toen ik geen andere geluiden kon horen dan het geroep van een witte uil in de zwarte diepten van de nacht, scharrelde ik met mijn rechter arm over de bedrand heen naar mijn hoofd, dat dus ergens onder het bed, op de planken vloer, lag te wachten op hulp. Groot was echter mijn verbazing toen ik prompt scherpe tanden door drie van mijn vingers voelde boren. Toen ik mij ervan bewust werd dat het inderdaad ikzelf was die beet, loste ik niet, wetende dat mijn hoofd op die manier wel weer snel zou belanden waar het thuishoorde van zodra de arm zich terugtrok. Echter, ik had de kracht en de snelheid waarmee de arm zich terugtrok, fel onderschat, en zo kwam het dat mijn hoofd tijdens de plotse en forse beweging van de arm werd weggeslingerd… doorheen het open raam… en ergens in de struiken in de tuin van de buren terechtkwam.

Oog in oog stond – of lag – ik plotseling met Rakkie, die mij – gelukkig! – meteen herkende, en die mij genegen was omdat ik hem nu en dan wat lekkers durfde toe te werpen. Van het brave beest kende ik wel het karakter, maar met het inzicht en het analystische vermogen van het dier maakte ik toen voor de allereerste keer kennis: de hond nam me bij de haren in zijn muil –  zoals honden dat ook doen als ze hun jongen dragen – sprong in een wip over het muurtje, en bracht mijn hoofd prompt terug op het hoofdkussen in mijn bed, waar het thuishoorde. Zonder te wachten op een bedankje, verdween het beest weer onmiddellijk en geruisloos.

Toen nu mijn hoofd opgehouden had met tollen, wist ik dat ik sliep. Ik stond dus op zonder te moeten vrezen dat ik ook werkelijk mijn bed verliet, en sprong door het open raam naar buiten. Rakkie die, zoals alle dieren, de uittredingen der slapenden waarneemt (zoals mijn geleerde kameraad mij verteld had, maken dieren geen onderscheid tussen de ‘werkelijkheid’ en de droom), keek mij hijgend na, wipte over het muurtje, en volgde mij, ijverig snuffelend. Ik stuurde hem niet terug omdat zijn neus mij nog van pas kon komen; ik had immers besloten om door te gaan met zoeken naar iemand die ik in geen jaren meer had gezien, ja, iemand die mij na aan ’t hart lag en om wie ik mij al een hele tijd zorgen maakte. Kort voordien had ik nog iemand nageroepen op straat omdat ik geloofde dat hij het was – tot mijn schande, want toen de man zich omdraaide, moest ik bitter vaststellen dat ik me schromelijk had vergist: de man keek me aan met de mij bekende trekken, maar de gelijkenis die ik meende te ontwaren, verdween meteen toen het gezicht bij het opkijken in een andere plooi viel. De gelijkenis met het gezicht van de persoon die ik zocht, was slechts het gevolg geweest van louter toevallige spanningen in de gelaatsspieren van de vreemdeling.

Wij liepen over de brede baan in de richting van een streek die ik kende uit de nachtmerrie welke voorafging aan deze droom, en waarop deze droom het vervolg vormde. Dat is niets bijzonders, aangezien ook elke dag het vervolg vormt op de voorgaande. In het laatste geval zit de slaap er tussen; in het eerste geval, de dag; maar slechts zelden vormt de ene een belemmering voor de andere. Het is pas wanneer de wakkerheid en de droom zich gaan vermengen, dat ernstige problemen kunnen opduiken. In dat onfortuinlijke geval zullen wij, eenmaal uit zo’n met de dag vermengde droom ontwaakt, spreken van een nachtmerrie. Maar voor de dromer die terugkeert uit een ongeordende dag waarin fragmenten van de droom zijn binnengeslopen, liggen de kaarten enigszins anders…

We liepen aan een goed tempo in de richting van de streek die ik reeds in een voorafgaande droom had verkend. Ik herinnerde mij vaag waar het was, maar omdat het toen erg mistig was, slaagde ik er niet meteen in om alle puzzelstukjes in elkaar te passen. Iemand had me getoond waar ongeveer de gezochte persoon zich moest bevinden, en in de straat waar ik terecht kwam, had ik reeds alle huizen uitgekamd. Ik was daar in de vele, zweterige slaapkamers geweest, had voorzichtig lakens opgetild om de gezichten te kunnen zien, had me dan begeven naar een naburige kliniek om er de bedden in de slaapzalen te inspecteren, maar was tenslotte onverrichter zake terug moeten keren omdat de dageraad aanbrak en het licht me dreigde te wakker te maken. Licht is een obstakel als men zoekt in de nachtelijke droom, maar nu er geen maan te bespeuren viel, bleek dat een nog veel groter obstakel: ik zag vrijwel niets voor mijn ogen en als ik Rakkie niet had gehad, dan was ik zeker moedeloos geworden en had ik mij onmiddellijk teruggekeerd.

Ik stond nu in de wat bergaf lopende straat voor het huis dat ik laatst had opgezocht, en ik herkende de plaats nu ook heel duidelijk: de troosteloze bakstenen muren, de kleine deurtjes, de stank van de slaapvertrekken, de verlepte interieurs eigen aan buurten waar min of meer marginale zielen zich ophouden. Daar was het dat een man, die blijkbaar toevallig in mijn droom was beland, mij verteld had dat de gezochte persoon zich ‘ginder ergens’ ophield. En toen hij dat gezegd had, zonder verdere uitleg te geven, alsof hij eigenlijk al veel te veel gezegd had, verdween hij meteen en liet me daar achter met een onduidelijk panorama dat zich situeerde tussen twee reusachtige eiken die roerloos aan de oever stonden van een beek die men op het eind van deze straat kon horen kabbelen.

Ik liep dus in de richting van die beek, keek naar het nachtelijke landschap dat tussen de eiken opdoemde, en toen ik een lange tijd had staan kijken, zag ik in de verte, alleen door de sterren verlicht, iets als een kerktoren boven het donkere lover uitsteken.

De tocht die wij maakten doorheen de tussenliggende moerassige weiden en velden, verliep niet zonder problemen; vooral de vele dwaallichtjes baarden mij zorgen. In de droom zijn zij immers niet zomaar ‘lichtjes’, doch lichamen of fragmenten van lichamen van wezens die wij overdag niet kunnen zien. Er zijn er bij die zich niet storen aan ronddwalende mensen, en die doorgaan met feesten en dansen of met ruzie maken, maar er zijn er ook die niets omhanden hebben en die er hun plezier in vinden om passerende dromers op te schrikken met de meest akelige bewegingen en geluiden. De bewegingen die ze maken kunnen de snelheid hebben van bewegende laserstralen, zodat zij op die manier – trouwens net zoals mensen dat soms met laserstralen doen – allerlei illusoire vormen en gestalten te voorschijn kunnen toveren. Het ‘gevaar’ bestaat dat men door deze ‘shows’ wordt afgeleid, en dat men aldus oeverloos gaat dromen, zoals trouwens de meeste mensen dat doen, terwijl men z’n voornemens vergeet. Ikzelf was op dat moment evenwel te vastberaden om mijn aandacht te verliezen en het voornemen van mijn zoektocht te vergeten. Veilig bereikte ik de overkant van het veld dat zich uitstrekte van bij de twee eiken tot aan het kerkje, dat daar nu zoals een reusachtige hen, broedend op haar nest, op het klein heuveltje voor ons lag… met van binnenuit door een zwak schijnsel verlichte glasramen.

Wij duwden de zware poort voorzichtig open en konden meteen horen dat daar een nachtmis aan de gang was. De geluiden waren eerder gedempt, maar de kerk zat nokvol volk – volk dat, af te leiden uit de klederdracht, uit een voorgaande eeuw leek te komen. Een ogenblik vroeg ik me af of de doden dan des nachts opstonden uit hun graven om de heilige mis te vieren en zodoende aan de leeggelopen kerken nog een reden van bestaan te geven, maar een mens mag zich niet teveel vragen stellen, zeker niet als het zaken betreft die het alledaagse overtreffen.

Ik moest Rakkie nu wel achterlaten en begaf me alleen het kerkgebouw in. Ik trachtte zo onopvallend mogelijk voort te schuifelen via een zijbeuk, tussen de nu rechtopstaande en zingende mensenmassa door, toen ik merkte dat ik in pyjama was, maar blijkbaar sloeg geen van de aanwezigen acht op me: allen leken zij verzonken in gezang en in het gebed dat zoals het ronken van een bijenzwerm de ruimte onder de hoge gebinten vol maakte. Instinctief voelde ik aan dat ik recht op mijn doel afging: ik wist dat ik ergens bij de eerstvolgende biechtstoel moest zijn – het was een eikenhouten biechtstoel, bekleed met sierlijke, uit het hout gesneden beelden van engelen en van heiligen. Een van de heiligen hield stijf een staf in de hand terwijl hij zong, maar zijn ogen draaiden in mijn richting en wezen mij de plaats aan die ik zocht.

Het was een piepklein deurtje naast de biechtstoel – niet een deurtje van de biechtstoel zelf, maar een deurtje in de zijmuur van de kerk, omkleed met stenen engelenbeelden, en gemaakt uit zwart mahoniehout met daarin sierlijke krullen gegraveerd. Ik begaf mij recht naar het deurtje, duwde het open, en wrong mij er doorheen. Zo stond ik weer buiten.

Rakkie stond daar op een tiental passen van mij vandaan te wachten, ik kon hem horen piepen, maar er was iets met de hond: hij wilde niet naderbij komen, keek me achterdochtig aan, en liep toen haastig weg, me achterlatend bij de kerkmuur.

Het deurtje was dichtgegaan, ik stond dus buiten, de lucht was koud geworden, er was weer mist komen opzetten, haast moest ik om me heen tasten om niet te vallen als ik me een enkele stap wilde verplaatsen. Maar ik wist dat ik nu vlakbij mijn doel beland was. Instinctief wist ik dat er nog een deur was, en dat zich achter deze deur de gezochte persoon bevond. En toen leek het of een zwarte arm die uit de lucht kwam, mij de deur in kwestie aanwees. De arm wees naar beneden, en wees een tweede keer, en verdween dan. En ik keek naar beneden en ik tastte, en ik voelde inderdaad iets als een deur, maar dit keer was het een stenen deur, een harde stenen deur waarop ik mijn vingernagels brak toen ik een poging deed om ze te openen. En toen ik die deur eerst zorgvuldig betastte, ontwaarden mijn vingertoppen, terwijl ik mij over de deur heen boog en erop knielde, in die deur gegraveerd, de naam van diegene die ik al zo lang zocht.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Die nacht (J.B., Verhalen 2006-2009)

Die Nacht…

Toen de grote hitte voorbij was, regende het, en hoe regende het! Een warme regen was het, en ik weerstond niet aan de drang om mij naar buiten te begeven in de avond en te dwalen, terwijl mijn haren kletsnat werden en ook mijn kleren, en ik zag hoe de hoge bomen die geleden hadden onder de uitmergelende hitte van de zon, weer sap doorheen hun bijna verdorde, wachtende takken lieten stromen nu, en zich herop richtten, ademden, de wakke, natte wind door hun kruinen lieten waaien en zich van de druk ontdeden waaronder ze in de lange, zanderige en broeierige julidagen bijna verstikt waren geraakt. Alle schepselen ontvingen nu met open armen, naar boven gerichte handpalmen en wijd uiteen gespreide vingers de helende, heilige zalving van het pletsende nat dat wijde plassen maakte, en op die plassen, bellen, zo groot als vuisten, welke met kinderlijke pret uit elkaar spatten van zodra zij geblazen waren. Doorheen de plassen waadde ik, sleepvoetend als een verzonken kind, totdat mijn schoenen doordrenkt waren van de olie uit de wolken, en ook mijn sokken; doch kou hadden mijn voeten niet, verhit als mijn bloed nu was dat zich nooit genoeg kon laven aan dit op zijn eigen tijd terugkerende spektakel, deze wasbeurt, toegediend door nachtengelen met altijd verrassende strelingen.

Ik weerstond niet aan de drang – nooit heb ik kunnen weerstaan aan de drang – de drang om alles los te laten dat bindt, om alle koorden door te snijden, alle krampachtige vormen uit ijs te laten smelten en weg te laten vloeien naar het diepste punt dat ze maar vinden kunnen. De wijsheid immers zegt dat het water dat de diepten zoekt, vergadert in die diepten, waar de levensaders liggen, koel en altijddurend donker, in nooit geziene meren waar geen vis zwemt en geen mens of dier ooit komen kan. Vele jaren, duizenden en honderdduizenden jaren lang bezinkt daar dan de wijsheid die wij water noemen, wachtend op altijd nieuwe tijden, millennia, epen – alle catastrofen van de oppervlakte overbruggend om, als het tij gekomen is, gewekt te worden door een bosgod – een sater – die met één slag van zijn scepter de vrije teugel geeft aan alle water in een nieuwe bron.

In één ogenblik spat dan in een fontein van licht en lust, de wijsheid na haar rust van ontelbare eeuwen uit de diepste buik van moeder Aarde op, om een volgende cyclus van leven in gang te zetten. En de zon verwelkomt het levensnat en zuigt het op in de containers van haar longen, verdeelt het over alle schepselen en speelt ermee zoals nimfen spelen met klei, naar het eerste voorbeeld van hun grote Schepper.

Zo kwam het dat ik dwaalde door de zee van de nacht, en over de bodem van de nieuwe oceanen liep, verrukt door zich reeds alom verspreidende zwammengeuren die al aan september denken deden, en aan het sterven van het leven, aan de grote dood, het einde en de ijskegels van kristal waarin het al wordt opgeborgen dat geleefd heeft en gezongen. Maar herfst was het nog lang niet nu, in tegendeel: nog duizend soorten moesten opstaan om hun lied te zingen en zich te vernieuwen vooraleer het licht ging wijken, en ikzelf wist mij nu een schepsel behorend tot een van dezen die in de eeuwenlange rij hadden gewacht, geduldig, op de vloed die op de hitte volgt, en op de nacht die de dag toedekt, om op te staan nu uit zijn graf.

Open lag mijn tombe daar, de muil wijd open, dorstig als een dronkenman die ’t niet meer houden kan en die, zich overgevend aan de drank, nu alle gaten die hij rijk is, vol laat lopen. Verlamd tussen de stenen engelen en de inscripties van voorgoed gestorven dichters in ’t graniet waarover gek geworden duizendpoten kropen. Als in een diepe slaap gevallen – laat maar lopen! – en alle deuren wagenwijd open op de nacht en zich aldus verzadigend van het prachtige nat, was nu mijn tombe alleen nog maar een put die zich met water vulde, water uit de warme nacht waarnaar elk keelgat smacht dat nog een allerlaatste keer zo zat wil worden, nu het lang genoeg gesmeekt heeft en geroepen. Geen god is immers zo meedogenloos dat hij niet eens in alle tijden zijn strenge wetten op zou heffen – betoverd als hij zelf wordt door het spektakel van het leven – om ook aan de doden, al was het maar voor de duur van een uur, de natte troost van de regen te geven.

Ja, het was al middernacht, toen ik mijn tocht begon, geheel omringd door lustig krijsende zwermen zwarte vogelmuizen met baleinen vleugels en schitterende tanden in een scherpe bek, maar algauw verlieten dezen mij om, in een grote draai, zich naar hoger gelegen oorden op te laten tillen, waar nog meer wolken waren, ongezien, doch nokvol met ongetemde fristen. Eerst stapte ik een goed gangetje aan, maar algauw begonnen mijn benen, licht als zij geworden waren door het ongeremde ademhalen van de winden, te rennen op de draf van een jong paard. Ik dook, terwijl ik liep, met mijn handen waaraan nu splinternieuwe hoeven prijkten, naar de grond en, aldus een viervoeter wordend en mij vervolmakend in de vereniging met het aardse, hitste mij het ritme op waarmee mijn lichte poten zich in hun ritmische cadans als ’t ware omheen de Aarde sloten, in een gedreven dans die nu heftig aan snelheid won. Laag bij de grond: mijn blik; mijn speurneus die reeds heel andere werelden smaakte; het hijgen dat dampte in het duister uit mijn muil en, in de wind, mijn lange, bloedrode, elastisch bengelende tong. Het leek of ik haast blaffen kon, en toen doorheen de mistbanken nu ineens een volle maan aan klaarte won, spoedde ik mij te vierklauw naar de top van daar, die hoogste berg, strekte mijn ranke muil uit naar de maan, en liet het merg uit al mijn botten leegstromen in het gebed van mijn gehuil waarmee ik haar mijn diepst verborgen dromen kenbaar maakte.

Met een bliksemflits, onmiddellijk door een donderslag gevolgd tot in de allerdiepste diepten van de bodems van deze nachtelijke zee, zegenden de luchten ’t ritueel dat zich voltrok onder de hoogste bescherming van Thor. De pijpenstelen pletsten nu zo nadrukkelijk en hard door ’t zwart van deze duisternis, dat hun gedruis de oren geheel verdoofde, en het wel leek of wij voor een wijle woonden in een glazen waterhuis, onder een stolp, een bijenkorf, en bovenal: in geuren die zo sterk bedwelmden dat ze ons dromen toonden, voor een lange poos, die uit ’t begin van de oertijden stamden. Dino’s liepen krakend door het woud, vleermuizen van onnoemelijke grootte doken gelijk straaljagers door de luchten, en oud als de wereld zelf was ook het ineens zo luid en klaar verstaanbaar kirren en tsjilpen van insecten waarvan schepselen uit veel latere tijden de afmetingen zouden duchten. In gekartelde harnassen waren zij gehuld en gifgroen in de nacht blonken hun schilden in de maan. In de veraf gelegen vijvers ergens midden in het woud, kon men het oude praten van de kikkers horen en libellen boorden zich een weg doorheen het nat – alles wat al geleefd had, alles wat nog leven moest en ook alles wat niet leven kon, werd zat van deze dans.

En toen, ineens, was daar die stank.

Haast onwaarneembaar, want zwart, in een even donkere nacht, was uit de grond een gedrocht gerezen – het torende nu hoog boven de wereld uit en ving tot zelfs het onschuldigste wezentje met één opslag van zijn stalen ogen in zijn blik. Gestaag rees het uit een zwarte krater uit de diepten van een andere aarde op, en overschouwde het heelal. Ik wed dat geen die het gezien heeft, hier ooit over spreken zal, maar toen het monster aldus de muilen in zijn zeven koppen opende en blauw vuur had rondgespuwd naar elke windstreek die men maar bedenken kan, hief het zowaar een lied aan, en het zong!

Geheel verstild was nu de wereld, wijl de hoge toren, na dit ‘lied’, ongeduldig wachtte en dan ook het applaus afdwong waar het naar trachtte. En niettemin het brullen van deze slang de doofste oren met zijn lelijkheid had vermoord, begonnen allen nu te klappen: de grote beesten, en de vissen in de zee, de vogels die zich rap in dichte struiken en getakten hadden weggestoken, de kevers en de torren plakten mee, en geen was er die ’t aandierf om dit bibberig applaus te staken of om ook maar met een vinger of een voelhoorn te raken aan ’t gezag dat voortaan vanuit het ondoorgrondelijkste van de zee, over de wereld gevestigd was. Een grote wee was opgestaan; het levend wezen, groot en klein, zou voortaan niet langer dansen, zingen of jolijten, doch gebukt gaan onder de ontzettend te neer slaande dwang van een serpent waaraan zelfs het water en het vuur van Thor niet went, al zouden eeuwigheden zijn verlopen.

Toen de verbijstering die allen sloeg, ons wegjoeg van die plaats, zag ik mijn verschroeide hoeven en de blote tentakels van mijn vingers komen; ik stond recht, alleen op achterpoten, en waggelde in een vlecht over de stenen paden met een moeizame gang terug naar het graf waaruit ik opgeklommen was. De tombe riep mij ongedurig al tot zich, een laatste keer nog keek ik om en las de woorden van allang gestorven dichters in ’t graniet, tenslotte stapte ik met het verdriet dat nu wel alle schepselen verstoken van de blijheid liet, het graf weer in.

Rap sloten zich de stenen deuren van mijn tombe en ik zocht de vergetelheid van de eeuwige slaap die, zoals gezegd moet worden, geen wezen in verlegenheid achterlaat.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

Waarheid en leugen

 

Waarheid en leugen

Argumenten hebben te maken met de waarheid maar dat is alleen maar zo als er niet mee gemarchandeerd wordt. Van zodra argumenten op tafel worden gegooid zoals men doet met munten of, erger nog, met dobbelstenen, is sprake van een koophandel zoals dat het geval is in een parlementaire democratie: niet het gebeurlijk ene ware argument beslecht daar het pleit doch de stemming welke volgt van zodra de kaarten van alle participanten op tafel liggen. Het gaat dan om een consensus, wat wil zeggen: een overeenkomst - en dat is een samenzwering - en die houdt in dat men onder elkaar afspreekt wat voortaan de waarheid wezen zal. Omdat waarheid het bezit van slechts weinigen kan zijn, zal gebeurlijk de eenzaat met het ene ware argument dan alleen nog voor die keuze staan: ofwel moffelt hij zijn argument rap weg en sluit hij zich stilzwijgend bij de samenzweerders aan, ofwel aanvaardt hij zijn verbanning uit de groep, kiest voor een bestaan ver weg van de samenleving en van de 'beschaving', in een eenzaamheid welke hij weliswaar met zijn waarheid delen kan. Zijn lot is dan dat van bijvoorbeeld menig progressief onderzoeker die wars van de groep desalniettemin zijn eenzaamheid overstijgt omdat de waarheid die hem lief is, hem met alle 'ware' anderen verbindt. En die 'ware' anderen staan dan uiteraard tegenover degenen die zich tot robot laten herleiden in de gelijkschakeling van allen door een regime dat geen individuen verdraagt en dat iedereen instrumentaliseert om de onpersoonlijke machine die zij is, draaiende te houden. Onpersoonlijk betekent dan: niet gehoorzamend aan persoonlijke beslissingen doch door allerlei driften voortgesleurd.

De resultaten uit het sociologisch onderzoek inzake confirmatie, consolidatie, groepsaffiliatie en dies meer zijn ronduit verbijsterend maar dat zijn ze alleen maar omdat wij voor een groot stuk onze identiteit ontlenen aan de groep; we ontlenen die zelfs quasi volledig aan de groep waar het geloof in een of andere godheid, of noem het maar heel gewoon het geloof in de waarheid, ontbreekt. De verbijsterende resultaten uit het sociologisch onderzoek inzake de relatie tussen individu en groep betreffen het gemak waarmee de waarheid aan de kant geschoven wordt van zodra men het er over eens geworden is dat de waarheid een leugen is.

Eenmaal de waarheid tot leugen werd verklaard, wat immers nodig is om mogelijk te maken dat zekere leugens tot waarheid kunnen worden verheven, heerst niet zomaar goddeloosheid maar wordt de plek die voordien aan de godheid of aan de waarheid toebehoorde, dus prompt ingenomen door een leugen. Als het zo ver is, zullen mensen zonder ruggengraat hierin geen problemen zien omdat zij in staat zijn zich te schikken naar de leugens van de dag; mensen uit één stuk zullen daarentegen onafwendbaar in een existentiële crisis belanden.

De leugens die vandaag de scepter zwaaien zijn hallucinant maar zij vormen de mal waarop de wereld zijn huidige vorm aanneemt. De hoofdeigenschap van de leugen is uiteraard dat zij niet waar is maar dat betekent meteen dat zij altijd voor de waarheid op de vlucht zal zijn, wat van haar de rusteloosheid zelf maakt, die men ook ontwaart in de koortsachtige betogen van wie het onverdedigbare alsnog uit de sloot trachten te halen. Waar de waarheid eenvoudig is en vanzelfsprekend, zal de leugen noodgedwongen ingewikkeld zijn en zij zet een complexiteit op touw met geen andere bedoeling dan om op die manier degenen die de waarheid zoeken, van de wijs te brengen.

Leugens worden aan het licht gebracht en zien zich om die reden genoodzaakt om te muteren zoals ook virussen dat doen teneinde hun weerbaarheid tegenover hun bestrijders aan te zwengelen. Het hele uitzicht van de wereld zal derhalve onwillekeurig de heerschappij van de leugens verraden en zo is de wereld in de eerste plaats complex en uiterst veranderlijk of wisselvallig, wat ook gezegd wordt van het lot of het fortuin: O Fortuna/ velut luna/ statu variabilis. Om zich in de wereld te kunnen handhaven moet men derhalve de rusteloosheid omhelzen en een uiterste flexibiliteit aanvaarden, wat uiteindelijk inhoudt dat men zichzelf moet kunnen verliezen in elk ogenblik een ander. Men wordt dan zoals een virus waarop jacht gemaakt wordt. Men verandert continu, wat betekent dat men niet langer een zelf bezit, dat men zijn ziel kwijtgespeeld is, dat men eigenlijk niet meer bestaat.

(J.B., 3 juli 2026)

 

Kunst (J.B., Verhalen 2007-2009)

 

Kunst

Er zijn schrijvers die voor niets anders dienen dan om hun abrupt afgebroken ochtenddroomsels her op te rakelen en te vervolledigen.

Hebben zij dan op generlei andere wijze iets bij te dragen tot de maatschappij? Zo hoor ik u beteuterd vragen. Welneen! Zo kort en bondig luidt mijn antwoord: volstrekt niet!

Eigenlijk mag men al tevreden zijn dat zij het genoemde karwei tenminste eigenhandig opknappen, want stel eens dat er nog eens vaklui dienden aangeworven om voor derden die netelige klus te klaren: dat ware pas een ramp! Nogmaals, wij mogen echt allen van geluk spreken dat zij het zelf doen!

Gij wilt het natuurlijk hebben over rentabiliteit? Beseft gij dat slechts een kleine minderheid der burgers rendabel is in de betekenis die gij beoogt - de materiële, mag ik aannemen? Warempel, aan hen is het te danken dat de maatschappij blijft draaien. Immers, een bijna even groot gedeelte van het volk brengt alleen maar werk méé. Hebt gij er enig idee van wat een gevangene dagelijks aan de gemeenschap kost? Of een bedlegerige? Een blinde? Of alleen maar een werkloze, een gepensioneerde?

Ooit heeft een Zwitser dat allemaal uitgerekend, en zijn slotsom was, althans wat betreft het West-Europese deel van de wereld, dat drie jaar arbeid per burgerleven volstaan om daarvan alles te betalen wat betaald moet worden teneinde goed te kunnen leven. En met 'goed leven' wordt bedoeld: eten en drinken, wonen, studeren en voorzien in alle noodzakelijke dingen.

Daarin zullen vanzelfsprekend geen safari-uitstapjes verrekend zijn, geen limousines en geen verwarmde, overdekte zwembaden. Geen dagelijkse consumptie van dure Franse wijnen uiteraard, of van tabak, opium, oesters of truffels. Ook een eigen biblio- en discotheek zit er wellicht niet in, geen vier televisietoestellen per huishouden, geen jaarlijks professioneel aangelegde tuin met vijvers vol exotische vissen. Alleen genoeg om goed van te leven maar dan ook genoeg.

Het grootste gedeelte van alle geld en tijd en moeite gaat trouwens naar zaken die niet alleen onnodig zijn maar bovendien schadelijk, zelfs dodelijk. Veruit het grootste stuk van de belastingkoek wordt aangewend voor de aanschaf van wapens en ander militair materieel, en voor het bekostigen van oorlogen, en zijn die niet dikwijls schadelijk in menig opzicht? En nu meent u dat dit dan toch niét het geval is met een heel ander en noodzakelijk product, zoals eetwaar?

Tenminste negentig percent van de prijs van, bijvoorbeeld, aardappelen, gaat naar de marketing - de reclame. Het zijn immers niet zomaar 'aardappelen' die verkocht worden: het zijn merken, en die moeten onderling concurreren: als een kilogram aardappelen twee euro kost, dan gaat er hooguit tien eurocent naar de boer die ze levert, de rest - zijnde één euro en negentig cent - gaat naar allerlei tussenpersonen die aan het product zelf helemaal niets goeds toevoegen. Vaak integendeel doen ze er milieuverwoestende verpakkingen bij, zout, carcinogene smaakstoffen, kleurstoffen en cyclamaten. Benzine ook, namelijk om die aardappelen te vervoeren naar de verre vakantiebestemmingen waar mensen van hier ze dan gaan opeten. Spreken we niet over eetwaren maar over geneesmiddelen, dan ligt die verhouding nog extremer: de verpakking kost dan het honderdvoudige van de pil. En hoeveel geld en tijd en moeite wordt er voortdurend niet besteed aan de productie, de aanschaf en de consumptie van drank, tabak en andere drugs? Fortuinen worden vervolgens besteed in allerlei pogingen om de door deze producten veroorzaakte gezondheidsschade alsnog in te dijken. En onze auto's dan: zij kosten, eerst figuurlijk en daarna letterlijk, stukken van mensen - dat zij ons tijd doen besparen, is allang achterhaald...

Rentabiliteit? Laten we de zaken zien zoals ze zijn: vandaag juicht men niet meer als men zich werk kan besparen - zeer integendeel zelfs: de grootste deugd bestaat heden in de creatie van werk! En behoren in dat licht de abrupt afgebroken ochtenddromen niet tot de meest beloftevolle werkgevers?

Alvast is het zo dat de zogenaamde 'droomarbeid' te maken heeft met het 'verteren' van in wakkere toestand onverteerde of zelfs onverteerbare zaken. Als nu de droomarbeid die wij met zijn allen leveren gedurende de uren van de slaap, niet langer volstaat om dat werk te volbrengen, wordt een nog meer gespecialiseerde arbeid noodzakelijk, die door allerlei artiesten wordt verricht. Kunst is dan een bedrijvigheid vergelijkbaar met de werking van bepaalde psychofarmaca die de productie van zekere neurotransmitters hetzij afremmen, hetzij stimuleren. Want artiesten hebben het gemunt op dat residu van onverwerkbare dromen, uit frustraties ontstaan, die om een bijzondere behandeling vragen. Zo verrichten kunstenaars droomarbeid, net zoals alle andere mensen als zij slapen, maar wat des morgens als onverteerbaar in de zeef van de geest blijft liggen, kieperen ze niet zomaar gelijk sluikafval naar buiten, want dit residu is de kostbare grondstof voor kunst.

Als een epidemie een volk dreigt uit te dunnen, isoleren medici de schuldige bacterie of het virus, en zij zoeken naar antistoffen die dan in de handel worden gebracht, en aldus wordt het euvel ingedijkt en opgelost. Dit proces, verricht in laboratoria, vraagt zeer bijzondere inspanningen van de menselijke geest die speciaal daartoe wordt ingewijd en opgeleid. Iets gelijkaardigs moet het geval zijn inzake de stoornissen van minder stoffelijke aard: zij worden in de ochtend vergaard uit onverwerkte dromen, door artiesten die deze zeer subtiele zaken ontleden en in hun greep trachten te krijgen. De pil die zij voortbrengen, is telkenmale een welbepaald kunstwerk dat, indien geslaagd, zijn uitwerking heeft op al wie gevoelig is voor het euvel dat ermee bekampt wordt. Kunst, zo zegt men, loutert, waarschuwt, bevredigt of maakt alert, precies zoals psychofarmaca dat doen, maar dan op nog een ander niveau. Om die reden - bijvoorbeeld - is godsdienst opium voor het volk en verzacht muziek de zeden.

Er zijn schrijvers die voor niets anders dienen dan om hun abrupt afgebroken ochtenddroomsels her op te rakelen en te vervolledigen. Beslist, zij dragen op geen enkele andere wijze iets bij tot de maatschappij. Maar misschien is deze bijdrage wel groter en noodzakelijker dan men op het eerste gezicht zou kunnen vermoeden.

(J.B., Verhalen 2007-2009)

 

De 'nieuwe orde'

De 'nieuwe orde'

“Toen gij jonger waart, gorddet gij uzelven, en wandeldet, alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen, waar gij niet wilt. 1 (Joh. 21:18)

Het citaat betreft de woorden van de Nazoreeër gericht aan zijn leerling Petrus en over het lot van deze laatste maar de woorden blijken principieel van toepassing op eender wie: de bewegingsruimte welke wij genieten, zeg maar onze vrijheid, is bijzonder tijdelijk van aard en zal uitmonden in de stilstand op een plek die wordt bepaald door de bewegingen die wij maakten.

Hiermee wordt gewezen op de absolute verantwoordelijkheid die we als mens hebben over ons doen en laten alsook op de onomkeerbaarheid van eens gemaakte keuzes. We kunnen op het einde van het spel niet zelf oordelen en dan in geval het resultaat ons niet bevalt, herbeginnen, omdat het leven helemaal geen spel is. Dat wij zelfs geen fractie van een seconde kunnen uitwissen en door een andere vervangen, belaadt ons met het gewicht van elk moment: als wij steken laten vallen, valt er een gat in het hele breiwerk van ons bestaan, een gat dat slechts groter kan worden en dat het breiwerk aanvreet.

In het licht van de moderniteit zadelen deze waarheden ons op met nodeloze schuldcomplexen die het leven slechts kunnen verzuren, doch dit is alleen maar zo omdat de moderniteit vrede neemt met de vergankelijkheid, zich neerlegt bij de dood en zweert bij een bestaan dat zij wil consumeren om het dan weg te gooien van zodra het deel aan lasten, de lusten overtreft. De moderniteit immers wordt gestuurd door lasten en lusten, door pijn en genot, wat inhoudt dat zij de lusten gelijkstelt aan het goede en de lasten aan het kwaad. Het devies van “Draag elkanders lasten” is voor haar Chinees, het geldt voor mensen van een andere wereld over wie de Heiland verklaart: “Omdat gij niet van de wereld zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitgekozen, daarom haat de wereld u.”2

Nochtans kan alleen het dragen van elkanders lasten de wereld op het rechte pad houden, ondanks de hardnekkigheid van het kwaad en die hardnekkigheid escaleert in de huidige tijd van verharding en verrechtsing. De escalatie blijkt waar doodslag en moord geschoeid op dezelfde leest waarop de gruwelijke moord op Karel Van Noppen werd gepleegd, zich verplaatsen van de illegaliteit van een bende geldwolven naar het aan de macht zijnde regime. Hoog van de toren blazende wereldstaten leggen in de recente jaren de rechtsgang gewoon naast zich neer, zij veroordelen hun critici zonder vorm van proces en buiten ons aller gezichtsveld brengen zij hen om. Door vergiftiging, door valse beschuldigingen en schijnprocessen, met verminkende explosieven die worden benaderd met de eerbied passend bij hightech brengen zij degenen om die met het eigen leven als inzet pogen om de wereld recht te houden.

Die pogingen worden dan wel bijzonder bemoeilijkt omdat ze nu een verzet vereisen tegen de legaliteit want met de 'nieuwe orde', die de orde van de dood is, zijn er ook nieuwe wetten. Men kan de wereld de rug toekeren zoals broeders in de slotkloosters en kluizenaars dat doen, maar onder een regime van koelbloedige moordenaars met per definitie een samenzweringsmentaliteit en de bijhorende kenmerkende paranoia kunnen verzetslui probleemloos worden weggezet als criminelen, daar zij vanuit heldhaftige pogingen om de wereld alsnog te redden, inderdaad moeten handelen tegen de heersende wetten in.

(J.B., 2 juli 2026)

Verslavingen (J.B., Verhalen 2007-2009)

 

Verslavingen

Mijn vrouw is uit werken en ikzelf - ik zit tot over de oren in het werk, daarom ook blijf ik thuis en doe ik het thuis, om dus geen tijd te verliezen met verplaatsingen. Het gaat trouwens om papier, tekst, wetteksten, afspraken, kortom: zaken die ik kan regelen van in dit kleine bureautje hier dat net groot genoeg is voor een telefoon en een computer met fax, printer en scanner eraan. Wat immers heeft een mens meer nodig om aan de slag te kunnen gaan - geheel ongestoord komt men op die wijze niet aan acht maar, jawel, aan zestien uren arbeidstijd per dag, en de grote baas weet ook heel goed dat werknemers die de juiste stimulansen krijgen, in geen tijd echte workaholics worden, wat het grote voordeel heeft - voor hem dan, en dat weet hij dus héél goed - dat zijn werknemers zelfs bereid zijn om te betalen teneinde nog veel méér werk te krijgen! U gelooft het niet? Welnu, het is de realiteit van de verslaving! Elke psychiater kan dit bevestigen, en het doet er niet toe of de patiënt zijn toevlucht zoekt tot opium, alcohol of werk: als hij er een gebrek aan heeft, wil hij ervoor betalen!

Ik kan dus doorwerken en, bij manier van spreken, kan ik dat doen zonder nog uit mijn luie stoel te moeten komen. En of ik dan niet moet eten en drinken, zo vraagt u zich misschien af? Welnu, ook daar is voor gezorgd want, behalve ikzelf, is hier in huis ook nog Leontine, mijn schoonmoeder - haar aanwezigheid wordt trouwens voortdurend verraden door haar eeuwige hoge hakken, en zolang ik die hoor weerklinken, ben ik gerust. Zij heeft het voor haar rekening genomen om ervoor te zorgen dat ik niet uitdroog en dat ik ook tijdig iets toegestopt krijg om in te bijten. Dat alles doet zij tussen het andere werk door, want uiteraard bestaat de hoofdtaak waarmee ze zichzelf met trots belast heeft, in het doen van het werk van mijn vrouw, die immers aan de slag is in de hoofdstad, en dat is niet bij de deur. En de kinderen, zo zult u zich verder afvragen? Wel, al onze kinderen zijn het huis uit, wijzelf zijn immers al vijftigers intussen, en we mikken momenteel op een vervroegd pensioen, dat zal iets voor binnen een jaar of zeven zijn, dan zal ook het huis helemaal zijn afbetaald, en de auto, en de boot. Die laatste heeft ons behalve heel veel geld ook bijzonder wat miserie gekost, maar een mens moet leren van zijn fouten, zegt men, al zijn er fouten die men slechts eenmaal kan maken, alleen al omdat het leven veel te kort is om dat een tweede keer te doen.

Alles loopt nu zoals het lopen moet, maar er is één klein probleempje: Leontine verdraagt geen vuile ruiten, en bijgevolg kuist ze dagelijks alle ruiten van onze woonst. Op zich is dat natuurlijk niet erg, die verslaving, ware het niet dat we hier bijzonder grote ramen hebben... welke zich hoog boven de begane grond verheffen!

Ik heb er geen idee van hoe ze 't doet maar, als zij de ruiten aan de buitenkant kuist, dan gaat ze op het smalle venstertablet staan, met haar hoge hakken, terwijl ze zich met de toppen van één hand vasthaakt achter de kant van het raamkozijn - de andere hand gaat uiteraard met de schuimende spons tekeer en daarna met het zeemvel. Als ik haar dan vertel dat ze mij de stuipen op het lijf jaagt, dan antwoordt ze alleen maar dat ze al vijfenvijftig jaar dagelijks ruiten kuist op die manier, en wat kan ik daarop zeggen?! Binnen tien jaar is ze negentig en kuist ze al vijfenzéstig jaar ruiten, en dan kent ze de stiel nòg beter... Ja, wat kan ik daar op zeggen?

Aan haar hakken hoor ik waar ze loopt, weet ik dat ze er nog is, want het is diep daaronder, het is daaronder héél diep, mag ik wel zeggen. Meermaals ben ik al gaan inspecteren wat er onder ligt, onder dat ene raam, en dat zijn harde betonnen tegels, ik had al eens plannen gemaakt om daar iets "zachts om in te landen" te gaan zaaien, maar wat? Ik hoor nu de geluiden van het zeemvel tegen de ruit, dan hou ik de adem in, ik wacht gespannen naar de hakken.. waar blijven ze toch? Ik wil u er immers nogmaals aan herinneren dat mijn schoonmoeder heel fier is, en dat ze zeker niet zal gaan gillen als het zover is... Nu moet ik, geloof ik, eens gaan kijken... Ik moet er wel op letten dat ik haar met mijn plotse verschijning niet laat schrikken, zo wordt het uiteraard alleen maar nog erger... dus blijf ik beter hier... Ik heb wel oordopjes, maar die kan ik niet gebruiken want dan hoor ik de telefoon niet meer... en dus neem ik dan beter nog maar een tabletje valium...

"Benoni!"

Ze roept!?

"Ja?"

Daar staat ze in het deurgat van mijn bureau, ik heb haar niet horen aankomen, maar kijk, zij houdt haar schoenen voor zich uit...

"Wat is er?", vraag ik.

"Kijk", zegt ze: "het is mijn rechter schoen, de hak is weer uit het gat gekomen, heb je hier niet wat lijm?"

"Potverdorie, Leontine! Dat is levensgevaarlijk! Jij hebt een paar nieuwe schoenen nodig!"

"Niets daarvan", zo klinkt haar tegenaanval, want elke raadgeving vat zij als een heuse aanval op: "Ik draag deze schoenen al dertig jaar", zegt ze, "het zijn de beste schoenen ter wereld! Zo; dus jij hebt hier geen lijm?"

"Schoenlijm!? Maar wie heeft dat in huis!"

"Laat maar", zegt ze: "ik bevochtig de hak een beetje, en stop hem dan weer in het gat, hij zal zwellen als hij nat is, dan zit hij alvast weer voor een poosje vast..."

"Maar, Leontine: dat is veel te gevaarlijk!"

"Ik moet nog één ruit doen", zegt ze, "het is echt niet meer de moeite...", en weg is ze.

Geen vijf minuten later hoor ik alweer het holleblokken; ik hoor een emmer vollopen met water en vervolgens hoor ik haar steunen als ze een stoel verschuift en het venstertablet beklimt. Zo dikwijls heb ik dit met een zo bang hart aanschouwd, dat het me spontaan voor de geest komt wat ze doet, hoewel ik het niet zien kan vanuit de stoel in mijn bureau. Ze doopt haar spons in de emmer met water, haalt de natte spons eruit en houdt ze klaar, stapt het tablet op met de linker voet, zwaait dan de rechter voet naar buiten, de linker hand graait naar het raamkozijn, de rechter arm zwaait voor de ruit, de hand, gewapend met de schuimende spons, ritst over het glas. Omdat de ruit zo groot is - de ruit van het hoogste raam van gans het huis - moet zij de linker hand waarmee zij het raamkozijn omklemt, een weinig lossen zodat nog slechts de toppen van haar vingers achter het hout van de venster haken, en terwijl ze zo voorover buigt, moet ze ook haar linker voet losmaken van de vensterbank, zij laat hem zwaaien en steunt alleen nog op de rechter voet - wat zeg ik? Op de rechter hak! En terwijl de spons van links naar rechts wrijft en terug, rust zij met haar ganse gewicht nu op de hak, terwijl die hak een as vormt en roteert: een halve draai naar links, een halve draai naar rechts... en simultaan gaat de spons over het glas naar links... en dan naar rechts... en draait de hak - die zij zopas wat bevochtigd heeft opdat hij gespannen in het gat van haar schoen zou blijven zitten - eerst een halve draai naar links... en dan een halve draai naar rechts...

Mensen van tachtig, zo zegt men, hebben vaak een hoge bloeddruk, en bij inspanningen kan het dan gebeuren dat zij heel even het bewustzijn verliezen: een paar seconden, één enkele seconde. Als ze in bed liggen, of in een zetel zitten, voelen ze dat niet eens. Maar in andere omstandigheden volstaat een fractie van een seconde voor een jammerlijk ongeluk. Mensen van tachtig hebben meestal geen normale bloedsomloop meer. Vandaar ook krijgen ze vaak spierkrampen, vooral dan in die spieren die langdurig statisch belast worden. Hoe zij het uithoudt in haar vingertoppen, is mij een raadsel: die vingertoppen, ik weet het, ze trekken wit achter het scherp afgezoomde hout van het raamkozijn, zoveel gewicht moeten ze nu dragen terwijl haar ganse gestalte schijnbaar moeiteloos over en weer zwaait, gewapend met het zeemvel nu, waar druk op moet teneinde geen strepen te maken op het glas. En dan is er die hak die los zit! Zelfs een hak van staal zou het begeven onder dit geweld, ik moet ingrijpen nu het nog kan!

Neen, niet doen: ik mag haar niet laten schrikken... het zweet breekt me uit, het water loopt in straaltjes langs mijn slapen, mijn hemd is al drijfnat, mijn adem stokt, mijn hand grijpt om het doosje valium, wit getrokken vingers grabbelen naar het allerlaatste tablet, ik denk aan het venstertablet en aan het roteren van haar hak die wat nat heeft opgezogen en die daardoor voorlopig klem zit in het gat van de schoen, zij haalt het wel, ik weet het zeker, het tablet zal het niet begeven, ik stop het tablet in mijn mond, het zuigtablet, het glas, de spons zuigt water op, het zeemvel glijdt, het tablet glijdt weg, de rust keert weer... het is zo stil...

(J.B., Verhalen, 2007-2009)

Een boek voor de zomermaanden!!

 

Een cultuurkanjer ziet het levenslicht:

Uit het schuim van de zee

– De Griekse Mythologie in 136 verhalen –

door Kris Vansteenbrugge


3366309-98e03609d9c239fe33ca5b9e1041fa56.jpg

 

Dit is het! Dit, hier, is het boek dat ik al in mijn jeugd koortsachtig zocht tot in de rommeligste boekenwinkels, op gezellige oude markten en hoog in het gebinte van ontelbare bibliotheken. Gij zult het niet vinden! zo klonk het t' allen kante: het boek dat gij zoekt, moet immers nog geschreven worden, en wie zal dat doen? Een groot geleerde met pensioen?

Dit hier is die ene, vaak vergeten peiler van de twee pilaren waarop de ganse westerse beschaving rust. Want naast het monotheïstische christendom dat sinds tweeduizend jaar de wereld overspoelde, is dit die andere en nog veel oudere bron, met wel duizend goden en evenveel verhalen: mysterieus en meer dan sprookjesachtig, maar o zo verklarend als wij díe vragen áchter de vragen stellen zoals bij uitstek kinderen dat doen: hoe zijn wij uit de chaos voortgekomen? Waarom verbeeldt onze achillespees de kwetsbaarheid? Kan een man een kind baren uit zijn hoofd of uit een van zijn dijen?

De woorden van de wetenschap zijn niet zomaar uit het Oud Grieks gewonnen: in Hellas ligt de oorsprong der begrippen, de kiem van de rede die ons de moderne wereld schonk. Want het begin der tijden reikt de einder van de toekomst de hand in de beloften van de nanotechnologie, de eugenetica, de megapsyche van het mensdom en Andromeda.

Uit het schuim van de zee, zo luidt het antwoord op de vraag van een oude man die alle leed en lusten heeft gekend: het wonderbare wezen dat uitgerekend door de broosheid die haar schoonheid geeft, moeiteloos alle krachten van de kosmos aan zich onderwerpt om ze dan eindeloos opnieuw te baren, werd zelf geboren uit het schuim der zee:

"Kronos hieuw Ouranos de geslachtsorganen af en wierp ze ver weg in de zee. En waar het zaad van Ouranos zich vermengde met het zeewater begon dit laatste te schuimen en uit het schuim kwam een onbeschrijflijk mooi en lieftallig wezen te voorschijn, Aphrodite, de godin van de liefde, een kind van de hemel en de zee." (p. 14)



Dit is een boek dat weidse velden behoeft met narcissen bezaaid, glooiende dalen vol boterbloemen en koele meertjes in de zon langs wiens zanderige oevers een voltallig koor van nimfen danst, scanderend in een heilige vervoering:

"Toen ze met Zeus in het huwelijk trad

kreeg Hera als bruidscadeau van haar grootmoeder Gaia

een gouden appelboom.

Ze plantte de boom in haar eigen tuin,

die zich bevond op de hellingen van het Atlasgebergte,

dat is aan de westelijke kant van de wereld,

waar 's avonds de door paarden getrokken zonnewagen

van de god Helios op de aarde nederdaalt

en waar de weiden zich bevinden

waar de onmetelijke kudden koeien en schapen van Atlas grazen." (p. 19-20)

En dan krijgt dit verhaal een wending die wat herinnert aan de boom des levens uit de joodse heilige schrift: op een dag stelen de Hesperiden de gouden vruchten, en Hera laat de boom bewaken door de honderdkoppige draak Ladon - later nog door redder Herakles geveld.

Edoch, ware redding in het Grieks klinkt wel verrassend anders: toen op een dag de twee zonen van Hera's priesteres de plaats innamen van de zieke ossen die haar kar voorttrokken naar haar heiligdom, vroeg zij aan de godin een beloning voor hen beide. En ziet: Hera liet de twee terstond dood neervallen ter aarde: "Want, zo sprak de godin, de dood is het mooiste geschenk dat een mens kan te beurt vallen!" (p. 21)

Wie weet overigens dat de godin Hera een tempel had "op de heilige grond van Olympia (...) ouder nog dan die van Zeus? Te harer ere werden daar Spelen gehouden, de Heraiën, uitsluitend bestemd voor vrouwen. Maagden, naar men zegt." (p. 21)

Ooit nam Hera wraak op haar ontrouwe echtgenoot door bij zichzelf en zonder tussenkomst van een man, een zoon te verwekken, Hephaistos, die zo lelijk was dat zij hem maar meteen in zee wierp, waar nimfen hem voedden; een dwerg bracht hem later de smeedkunst bij. Uit wraak jegens zijn moeder smeedde Hephaistos haar een gouden zetel die zich om haar heen klemde en die haar zo gevangen zette. In ruil voor haar bevrijding eiste de lelijkaard Aphrodite als gemalin. Uiteraard was zij hem ontrouw en zo werd hij de 'hoorndrager'. (pp. 22-23)

Onder Zeus' kinderen waren de oorlogsgod Ares en ook Athena: zij was een bastaard, haar vader verorberde haar moeder maar kon haar niet verteren. "En ziet: uit het hoofd van Zeus steeg een volwassen vrouwspersoon op, fier en rechtop, gehelmd en geharnast, met lans en schild". (pp. 28-29)

Het verhaal over Erichthonios verklaart waarom Athena de kraai, haar lievelingsvogel, vervloekte en inruilde voor de uil; hij was het immers die haar meldde dat de bewaaksters van baby Erichthonios het verbod hadden overtreden om hem te bekijken: hij was geboren met een kronkelend slangenlichaam. Wie zijn bewaaksters waren, waarom het kind misvormd was en hoe het Erichthonios verder verging, staat allemaal nog in dezelfde paragraaf, compact én vloeiend. (p. 30-32)

Ook de maagdelijke wijsheidsgodin Athena had haar zwakheden. Zo maakte zij blind wie haar naaktheid aanschouwde. Zij leerde Arachne weven doch duldde niet dat haar leerlinge zich beter achtte dan Athena zelf van wie zij de lering loochende. Na een weefduel verhing Arachne zich, Athena kreeg spijt en veranderde de dode in een spin aan wie zij beval eeuwig te weven. (pp. 33-34)

Dan komt het verhaal van Poseidon met zijn burcht op de zeebodem, met zijn drietand en zijn gouden paardenkoets waarmee hij stormen bedwong tijdens zijn tochten over de oceanen. Wie wist dat zijn zoon Triton een 'zeemeerman' was? (pp. 36-38)

Hoe goden het aan boord legden om hun escapades te onttrekken aan het oog van hun jaloerse echtgenote, wordt onder meer verteld in het verhaal van Leto die door Zeus werd bezwangerd. "Sommigen beweren dat Zeus haar en zichzelf tijdens de paring veranderde in een kwartel (...)" (p. 39) Maar wie gelooft dat zij zich zo makkelijk liet verschalken, heeft het mis. Het vervolg van dat verhaal verklaart onder meer hoe de Egeïsche zee aan haar naam kwam, waar zich het middelpunt van de wereld bevindt en hoe de Pythische Spelen van Delphi zijn ontstaan.

Hermes dan, werd amper één dag na de bevruchting geboren en tegen de avond van zijn eerste levensdag weidde hij al de koeien van Apollo in 't gebergte. Uit de darmen van die koeien en uit het schild van een schildpad maakte hij de eerste lier. Hij bestal Apollo maar wist zich voor 't gerecht van Zeus zo geliefd te maken met zijn lier dat hij opgenomen werd als twaalfde god en benoemd tot goddelijke bode alsook tot god van de handel. (pp. 41-43)

Het verhaal van Io, de dienstmaagd van Hera die echter met haar echtgenoot Zeus aanpapte, is betoverend mooi. In een raamvertelling daarin verhaalt een fluitspelende Hermes aan de door Argos bewaakte Io die door Hera in een koe veranderd was, het verhaal van de fluit - andermaal een metamorfose, dit keer van de door Pan op de hielen gezeten nimf Syrinx die de goden om bescherming smeekte. Syrinx' bede werd aanhoord, zij werd veranderd in een rietstengel, waaruit Pan zijn fluit sneed. Hermes hakte nu een ingedutte Argos het hoofd af om Io te bevrijden, maar Hera stuurde een horzel op haar af zodat zij vluchtte en zich in zee stortte - de Ionische Zee. Maar hiermee is het verhaal opnieuw nog lang niet verteld. (p. 44-46)

Verliefd op de koningsdochter Europa, begaf Zeus zich in stierengedaante tussen haar vee en nodigde haar uit om plaats te nemen op zijn rug om haar vervolgens te ontvoeren alover de Middellandse Zee tot op Kreta waar hij weer zichzelf werd en zich met Europa verenigde. Europa kreeg die drie zonen, waaronder Minos van Knossos, stamvader van de Minoïsche cultuur. Europa's ongeruste vader stuurde zijn zonen vruchteloos naar haar op zoek. Een van hen was Kadmos, die het orakel van Delphi raadpleegde. Het verdict luidde dat Zeus zelf het spoor verborg en dat hij met zijn mannen een koe moest volgen en een burcht bouwen waar ze strandde. Daar wilden zijn makkers drinken aan een bron, bewaakt door een monsterslang die hen verslond. Maar Kadmos versloeg de slang en Athena voorspelde hem dat hij als slang zou sterven nadat hij eerst een roemrijke stad had gesticht met de hulp van krijgers opgeschoten uit de tanden van de slang die hij op Athena's bevel daar zaaide. Die krijgers moordden elkaar uit, behalve vijf: de Sparti, met wie hij Thebe stichtte. (pp. 47-49)

Kadmos kreeg vier dochters, onder wie Semele, en ook met haar verenigde Zeus zich in de gedaante van een knappe jongeman. Toen hij zich bekend maakte, wilde zij de godheid zien en hij beloofde het haar ook ofschoon hij wist dat niemand god kon zien en blijven leven. Toen hij aan haar verscheen, brandde Semele op, en Zeus riep Hermes ter hulp om met een keizersnede nog gauw haar vrucht te redden en die in te planten in zijn eigen dij, en zo werd Dionysos geboren. (pp. 50-52)

In het verhaal van Ino wordt de oorsprong van de Isthmische Spelen verklaard: zij herdachten Ino en haar zoontje die tragisch om het leven kwamen. En even tragisch verging het haar zuster, Agave. Dionysos werd door vijf nimfen opgevoed, hij maakte wijn, leefde uitbundig en telde onder zijn volgelingen maenaden alsook saters, onder wie Pan. Na omzwervingen terug in Thebe organiseerde hij daar een orgie waarop Agave te gast was. Bedwelmd door de wijn aanzag zij haar zoon voor een wild dier, doodde hem en at van zijn vlees. Toen sprak Kadmos de beroemde woorden: "Prijst nooit iemand gelukkig voor hij zijn laatste dag heeft geleefd". (pp. 56-58)

En ook de zuster Autonoë verging het slecht. Haar zoon Aktaion zag op een keer Artemis naakt baden, waarop deze hem in een hert veranderde, zodat zijn honden hem verscheurden. Zeus bezwangerde de koningsdochter Kallisto - een tempeldienares van Artemis die geslachtsbetrekkingen verbood - en toen Artemis het merkte, veranderde ze haar prompt in een berin, die Arkas baarde, die op beren jaagde. Toen die op het punt stond om zijn moeder te doden, veranderde Zeus ook hem in een beer en van de twee maakte hij de sterrenbeelden Grote en Kleine Beer. (pp. 59-60)

Toen Demeter's dochter Persephone verdween, was zij uitzinnig van verdriet en prins Triptolemos vertelde haar "dat op een naburige weide een meisje was geschaakt door een geweldenaar in een door vurige zwarte paarden getrokken wagen. Daarna was de aarde opengescheurd en had het hele gespan verzwolgen [in het zogenaamde 'hol van Pluto (of Hades)']". Helios, de zonnegod die alles ziet, bevestigde dat Hades de dader der ontvoering was. Zeus werd ter hulp geroepen doch kon niets meer doen aangezien Persephone reeds gegeten had van de granaatappel die een terugkeer uit de onderwereld onmogelijk maakt. Van droefheid verdorde toen de ganse natuur en zo werd een compromis gesloten: een deel van het jaar mocht Persephone bij haar moeder, dan werd de natuur blij en ontlook de lente; het andere deel moest zij bij Hades in de onderwereld leven, dan verdorde alles en werd het winter. Hier rond werden de Eleusische mysteriën gesticht, uitbundige feesten over de levenscyclus. (pp. 61-63)

Betoverd door een jaloerse Aphrodite, deelde de koningsdochter Myrrha met een list het bed met haar vader. Toen die haar herkende, vluchtte zij naar Arabië maar toen zij zwanger bleek, schaamde ze zich zozeer dat ze niets meer wenste te zijn, noch levend noch dood. De goden veranderden haar in een myrrheboom die uit zijn bast welriekende gomhars weent om de verloren eer. Uit de schors werd Adonis geboren, een kind zo schoon dat Aphrodite hem adopteerde die het aan Persephone ter bescherming gaf. Ze kregen ruzie over het kind, en Zeus besloot dat het gedurende een derde van het jaar bij Persephone zou verblijven en een derde bij Aphrodite. Over het laatste derde besliste hij zelf en hij koos voor Aphrodite. Aphrodite werd verliefd op Adonis en de jaloerse Ares, in de gedaante van een ever, doodde hem. Adonis' bloed kleurde een beek rood die via de Styx naar de onderwereld stroomde. Waar het bloed van Adonis de aarde doodrenkte, ontsproten alom anemonen. (pp. 64-65)

Dan is er het verhaal van Tantalos die het allemaal voor de wind ging totdat hij de alwetendheid van de goden op de proef wilde stellen. Hij nodigde hen bij hem aan tafel uit en schotelde hen zijn eigen zoon Pelops voor. Alleen de nog in rouw verkerende Persephone at een stuk van zijn schouder, de andere goden doorzagen en verafschuwden de daad. Tantalos belandde in de Tartaros, de diepste hel, gefolterd door een eindeloze kwelling: staande in het water komt hij om van de dorst en onder altijd wijkende vruchten verhongert hij. Zeus liet de stukken van Pelops lichaam weer samenstellen, alleen het opgegeten stuk schouder ontbrak, het werd vervangen door ivoor. Poseidon werd verliefd op Pelops en schonk hem een stel paarden en een renwagen. (pp. 66-68)

De kunst van het paardenrennen kwam Pelops ten goede toen zijn oog viel op Onomaios' mooie dochter Hippodameia. Onomaios immers daagde elke huwelijkskandidaat uit tot een renwagenwedstrijd en boven de paleispoort hingen de dertien hoofden van Pelops' voorgangers tentoon. Hippodameia echter werd verliefd op Pelops en beraamde het plan om haar vader's wagenmenner Myrtillos om te kopen en zijn wagen te saboteren. Zijn loon: de helft van het rijk en de eerste huwelijksnacht met Hippodameia. Pelops won maar misgunde Myrtillos zijn loon en duwde hem van een rots naar beneden. Myrtillos kon Pelops en diens nageslacht nog net vervloeken. Om voor zijn misdaad vergeving te bekomen van zijn vader Hermes en van de andere goden, stichtte Myrtillos de Olympische Spelen. (pp. 69-71)



Maar hiermee werd de beknopte inhoud van slechts de eerste eenentwintig van de in totaal honderdzesendertig verhalen weergegeven. Ze bestrijken een kleine vierhonderd bladzijden en worden aangevuld met een vooral voor oningewijden bijzonder welkome, overzichtelijke genealogie en ook een uitgebreid trefwoordenregister. De tekst wordt verlucht door grappige pentekeningen van de grafische kunstenaar en cartoonist Kurt Vangheluwe. Het boek ligt vlot in de hand met zijn plooibare doch stevige kaft, de bladspiegel oogt fraai en ook lettertype en lettergrootte komen de leesbaarheid zeer ten goede. Een kanjer dan toch, een unicum in de Nederlandse taal en niet van de eerste de beste, een onschatbare rijkdom aan culturele bagage met eeuwigheidswaarde. Binnen pakweg driehonderd jaar zal men dit boek nog lezen in Vlaanderen en in Nederland, en zonder te overdrijven: als een boek het verdient om vertaald te worden, dan wel deze prachtige parel.



Nog iets over mythologie als ware kennis

Wie de oude, zangerige verzen leest waarin gewag gemaakt wordt van de mythologische oorsprong van de dingen, kan zich niet van de indruk ontdoen dat hij te maken heeft met metaforen verweven met welluidende vertelsels, veeleer dan met wat wij vandaag ‘overtuigingen’ zouden noemen. De Griekse oorsprongsmythen treffen wij vandaag meestal aan in een of andere moderne taal en in de vorm van een haast redelijk verslag, terwijl ze eigenlijk gebaseerd zijn op de verzen van, in dit geval, vooral, een van de meesterwerken van een groot dichter, namelijk de Theogonia van Hesiodos: een muzikaal gedicht van meer dan duizend verzen dat er geen twijfel laat over bestaan dat hier vooral de menselijke fantasie van eeuwen aan het werk is geweest, vanuit het opzet om in een symfonische vorm het grote verhaal van het ontstaan van de wereld zo indrukwekkend, zo beeldend en zo volledig mogelijk te vertellen ten behoeve van het kind dat zich verwonderd afvraagt waar wij dan vandaan komen. Geen mens is er die zich die vraag niet heeft gesteld, en er is ook geen mens die de vraag van het kind onbeantwoord kan laten. En het dichterlijke antwoord is ook rijk en mistig genoeg om niet ontkracht te kunnen worden, om de fantasie veeleer te voeden dan ze in te tomen, en om zodoende hoop te schenken aan de mens die zich per slot van rekening verloren weet in de oneindige uitspansels van de ruimte en de tijd. Diezelfde rijkdom en mistigheid die onze vragen weliswaar niet onbeantwoord laten, maar die ze tevens verveelvoudigen, vindt men trouwens ook terug in de zogenaamd wetenschappelijke benaderingen van ten slotte exact dezelfde problemen, die nimmer wijken, doch die terugkeren, telkenmale met hernieuwde kracht geladen en met steeds weer onverwachte verrassingen. Het is daarom beslist niet zo, dat mythen “prewetenschappelijke verklaringen” zouden zijn; veel beter kunnen wij onze wetenschappen als “neomythische verhalen” bestempelen.

De Grieks-Romeinse oorsprongsmythen zijn ons het beste bekend, maar misschien eerder nog de Joods-Christelijke, en het verwondert ons dan ook terecht wanneer wij vaststellen dat, in tegenstelling tot de Helleense, de Joodse ontstaansverhalen bij velen van ons niet eens in strijd worden geacht met wat de moderne wetenschappen ons leren. Wij noemen de Griekse mythen moeiteloos pre-wetenschappelijk, en als wij zelf aan wetenschap doen, dan beschouwen we het zelfs geheel onbewust als een vanzelfsprekendheid dat wij geloof hechten aan wat de wetenschappen ons aangaande de oorsprong van de dingen leren, terwijl wij de mythologie als een folklore beschouwen. Anders blijkt het gesteld, althans bij velen, wanneer het wetenschappelijke arsenaal aan kennis naast de Joods-christelijke mythologie wordt gelegd. Deze laatste geldt immers zeer vaak als ‘geloof’, en ze blijft een eigen bestaan leiden naast het huidige ‘spel’ van de wetenschappen.

Niettemin gebeurt zulks niet onterecht. Immers, de vragen die aan de basis liggen van de mythen, en deze die de wetenschappen hebben doen ontstaan, zijn in de grond dezelfde. Het wetenschappelijke denken is complex geworden en wegens zijn vele, hoge specialisaties uitgelopen op bijna louter technische aangelegenheden, wat het nadeel met zich brengt dat de oorspronkelijke vragen soms geheel uit het gezichtsveld verdwijnen. In de oude mythen daarentegen, blijven die vragen zelf uitdrukkelijk aanwezig en kunnen de prachtige metaforen principieel zelfs bij volslagen leken onmiddellijk de bijzondere gevoelens losmaken die eigen zijn aan de verwondering waarin het ganse opzet van de grote zoektocht naar verklaringen duidelijk wordt. Scholieren die met louter wetenschappelijke gegevens worden volgepropt zonder eerst terdege kennis gemaakt te hebben met het wonder van de mythen, dreigt het daarom te vergaan zoals de reizigers in de karavaan, uit de nachtmerrie van Kaspar Hauser in Werner Herzog’s gelijknamige filmdrama: zij trekken door de leegte van een woestijn, echter zonder kop of staart, zonder oorsprong en geheel onwetend omtrent enig doel. Het schrikbeeld van de volslagen stuurloosheid is ongetwijfeld de allerzwaarste last waarmee de jonge generaties, welke uiteindelijk de toekomst van de mensheid vertegenwoordigen, worden opgezadeld wanneer men hen de schoonheid en de verwondering, zoals deze bij uitstek in de mythen spreekt, onthoudt. En die stuurloosheid is niet alleen een zware last: zij is op de keper beschouwd moordend en onhoudbaar, zowel voor de wetenschappen zelf als voor hun beoefenaars. Immers, de wetenschappelijke bedrijvigheid zelf lijdt er zwaar onder wanneer zij haar beginselen, die haar ziel zelf zijn, moet ontberen, en zo mag het dan ook niemand nog verwonderen dat er ‘wetenschappen’ ontstaan, of althans bedrijvigheden, die, geheel losgekoppeld van enige oorsprong of enig doel, alleen nog technische complexen zijn die niet alleen geen aarde aan de dijk brengen, maar die bovendien, met een knipoog naar de — mythologische — toren van Babel, nog slechts energie en tijd verspillen die men dan elders tekort komt, zodat zij verworden tot een alles verslindend, louter ‘spel’. De doelen zijn dan middel geworden en het middel werd tot doel verheven, om het te zeggen met de auteur van de toren van Babel, met Christus, met Augustinus, met Marx, met Illich en ook met de postmodernen. Het zijn de mythe van de eeuwige Sisyphus, de Tantaloskwelling, de draad van Ariadne. De zaak is nu dat pas deze oerlegenden ons het licht schenken waarin wij ons bewust kunnen worden van waar we aan toe zijn. (1)

(J.B., 27 september 2011)

Noten

(1) Zie: J. Bauwens, Over het ontstaan, in: http://www.bloggen.be/ontstaansvraag/

OVER DE AUTEUR:

Kris Vansteenbrugge (°Grijsloke, 1940) is arts (chirurg) van beroep, net zoals Tsjechov, Slauerhoff en vele andere getalenteerde schrijvers. Hij is dramaturg, romanschrijver, essayist, dichter en marathonloper. In het spoor van zijn naamgenoot Chrisolius, een Armeense missionaris en martelaar die in de derde eeuw de Vlamingen in Grijsloke tot het Christendom kwam bekeren, bekeerde dokter Kris Vansteenbrugge onze gewesten tot de helende loopcultuur als stichter van Vlaanderen's mooiste loopkoers, Dwars door Grijsloke, die in augustus 2011 aan zijn eenendertigste uitgave toe was. Kris Vansteenbrugge is tevens een kenner van de literatuur en in het bijzonder van de Griekse Mythologie. Met Uit het schuim van de zee - de Griekse mythologie in 136 verhalen - komt hij tegemoet aan een aloude vraag naar een volledige, authentieke en overzichtelijke weergave van de verhalen die de basis uitmaken van de bakermat van de westerse cultuur - een unicum in de Vlaamse letteren, met een gezwinde pen en in een vlekkeloos hedendaags Nederlands. Kris Vansteenbrugge publiceerde eerder onder meer "Dwars door Grijsloke - Kanker en hartinfarct moeten niet zijn", over de nieuwe gezondheidsleer, "De mens... een loopdier - De heksen van Grijsloke", "Grijsloke's Olympiade", over de mythologische oorsprong van de verschillende Antieke Spelen" (Grijsloke 2000), "O jerum jerum jerum" (2006), een autobiografie, en nog een aantal toneelstukken. Voor meer info, zie: www.bloggen.be/pierpont  & www.bloggen.be/kris  & www.bloggen.be/dzeus .

 






Salvator Mundi

 

Salvator Mundi

Ter nagedachtenis aan dr. Karel Van Noppen werd een herdenkingstuintje aangelegd in de nabijheid van de gracht waarin hij stierf nadat hij daar werd onder vuur genomen omdat hij trouw bleef aan zijn burgerplicht en niet wilde bezwijken onder de dreigementen van een bende geldwolven. Als men bij de gracht gaat staan, kan men het nog zien gebeuren en weet men dat de mensen die voor het heil van anderen hun leven gaven, ook die mensen zijn die deze wereld op het rechte pad houden - ja, niet zomaar een of ander individu redden zij zodoende maar de heuse wereld, zo groot als hij is.

De wereld wordt door sommigen misprezen en voor een groot stuk terecht maar evenmin als de natuur kan ook maar iemand zich de luxe veroorloven om de wereld naast zich neer te leggen. Er zijn de broeders in de slotkloosters, de kluizenaars en de bannelingen maar ook zij krijgen de wereld niet helemaal weggewerkt; als puntje bij paaltje komt moet de heremiet naar de stembus en brengen grenswachters de vogelvrijverklaarde tot staan. Zonder papieren bestaat men niet langer en eenmaal het contant geld geschiedenis zal zijn, zal zich, dronken van zijn macht, de mammon verheffen boven de massa die eens tot mensheid was bestemd.

“Als jullie van de wereld waren, zou de wereld jullie als het hare erkennen en liefhebben. Maar jullie zijn niet van de wereld: Ik heb jullie uit de wereld uitgekozen, en daarom haat de wereld jullie” ­aldus (in de Willibrordvertaling van 1995) het Johannes-evangelie. De wereld staat in het christendom tegenover het zogenaamde rijk Gods maar in feite heeft het christendom niet het monopolie over het rijk dat zich van de wereld afkeert omdat zich ook in andere religies en in het atheïstisch humanisme een strijd voltrekt tegen het onrecht dat in het wereldse reilen en zeilen verankerd zit - in feite als een 'vervolg' op de wet van de jungle.

De jungle of het 'hart der duisternis' van Joseph Conrad kent zijn gelijke in het hart van de 'beschaafde' mens van wie de wreedheid deze van de wilde dieren in zijn schaduw stelt (met in de Congo van Leopold II zowat twaalf miljoen slachtoffers) en Conrad beschrijft in 1899 het Brussel van de genociderende koning als de 'grafstad'. In 1959 beledigde de Belgische vorst Boudewijn het Congolese volk en toen daarop Patrice Lumumba hem van antwoord diende, werd jacht gemaakt op de vrijheidsstrijder; hij werd opgepakt, gefolterd en vermoord.1

Gedegen historisch onderzoek heeft ook hier de feiten aan het licht gebracht en de daders, die andermaal op persoonlijke winst uit waren, met naam genoemd. Edoch, het kwaad is en blijft hardnekkig en zo bestaat het dat heden een grote renovatie aan de gang is van het Jubelpark, een van de megalomane met slavenbloed gefinancierde bouwwerken van de waanzinnige vorst: tegen het jaar 2030 zal België tweehonderd jaar bestaan en dat zal daar gevierd worden; het is dansen op een gigantisch graf.

Maar die hardnekkigheid van het boze maakt het noodzakelijk dat altijd weer, en met het eigen leven als losgeld, aan de duivel in hoogst eigen persoon, tol betaald wordt voor de redding van de wereld, in het spoor van Sint-Salvator.

(J.B., 1 juli 2026)

1Cf.: Jan Bauwens, De plundering van de Congo en de genocide van 1890 tot 1910. Een synthese van: Adam Hochschild, De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo, Meulenhoff/Kritak 1998 (in een Nederlandse vertaling door Jan Willem Bos). (Oorspronkelijk: King Leopold's Ghost. A Story of Greed, Terror and Heroism in Colonial Africa, Adam Hochschild 1998) - met enkele bedenkingen, Serskamp, 2023.

Voor de integrale tekst, zie: https://blogimages.bloggen.be/tisallemaiet/attach/93208122348.pdf

 

Ludo Noens en het 'fantastisch realisme'

 

Ludo Noens en het 'fantastisch realisme'

In Fantastisch realisme. Opening naar andere kosmische zijnsniveaus in Portulaan nr. 167 d.d. het derde kwartaal 2026 heeft Ludo Noens het (met de nodige voorzichtigheid) andermaal over psychoactieve stoffen welke volgens sommigen de toegang tot andere bewustzijnsniveaus mogelijk zouden maken en in dat verband verwijst hij naar o.m. de Nederlandse (para)psychologen en filosofen J.J. Poortman en H. van Praag en naar de legendarische H.P. Blavatsky. De ietwat verkapte thesis van de auteur houdt in dat er niet een tweedeling van geest en stof is maar een graduele overgang van grof- naar fijnstoffelijk, zeg maar van harde en tastbare materie naar steeds ijlere zijnsvormen die op den duur overgaan in emoties en in bewegingen van de wil, zodat een wederzijdse invloed van het ene op het andere uiterste van het genoemde spectrum zou kunnen verondersteld worden, waarbij de beïnvloeding van de stof door de geest uiteraard het meeste tot de verbeelding spreekt en zo citeert hij ene E.W. Berridge: “(...) Als een mens zich iets verbeeldt, schept hij in feite een vorm op het astraal of zelfs nog hoger vlak; en deze vorm is even werkelijk en objectief voor intelligente wezens op dàt plan, als onze aardse omgeving voor ons is.”1 En de auteur heeft het hier over zogenaamde elementalen van de theosofen die zich onder invloed van gedachten zouden kunnen materialiseren.

Een en ander herinnert aan het in 1976 verschenen The Origin of Consciousness in the Breakdown of the Bicameral Mind van de Amerikaanse psycholoog Julian Jaynes waarin deze betoogt dat het in vroegere tijden toeschrijven van waargenomen stemmen en nog andere verschijningen aan derden (geesten, goden, demonen...), in feite een gevolg was van het feit dat men zich toentertijd nog geheel onbewust was van het eigen denken, omdat het nog als zodanig onbenoemd was en in dat licht zou het alsnog gewag maken van de objectiviteit van die verschijnselen, de nieuwe inzichten gewoon negeren.

Een ander argument dat pleit tegen dat continuüm-idee tussen het stoffelijke (lichaam) en de onstoffelijke geest over steeds ijler wordende 'materie' is het bestaan van een verleidelijke neiging naar reductionisme: wars van het dualisme van geest en stof, wenst men alles te herleiden tot één principe (stof, ijlere stof, nog ijlere stof die zich dan zou voordoen als wil, als geest...) en dit in weerwil van het bestaan van een onoverbrugbare kloof tussen die twee: zo bijvoorbeeld staat een grammaticale naamval in betrekking tot de taal en kan die helemaal niets te maken hebben met materie.

Bovendien lijkt het er op dat de stugge opdeling door de filosofen van het Zijn in subject en object misschien helemaal niet zo fundamenteel blijkt als zij altijd heeft geklonken en moeten wij het onvatbare van die metafysische posities verplaatsen naar het aloude 'mysterie van het (organische) leven' dat zich bewust is van zijn omgeving en van zichzelf.

Voor die meer fenomenologische of vitalistische kijk pleit de facto de vierde-eeuwse wijsgeer Augustinus van Hippo met zijn opvatting over de tijd, die vliegt, en die tevens sneller lijkt te gaan naarmate men ouder wordt. De tijd heeft geen objectief bestaan, zegt Augustinus: hij wordt een realiteit voor ons door toedoen van het vermogen, eigen aan het leven, om verwachtingen te koesteren en herinneringen te hebben. Tijd, ruimte, de kosmos: het bestaat allemaal pas binnen het leven. De aloude kijk op de mens als een quasi zuivere geest (die zich echter wel moet vol gieten met sterke koffie om tot zijn fundamentele ontdekkingen te kunnen komen...) of als het lichaamsloze 'subject' van de filosofen kan best vervangen worden door het vleselijke wezen dat kan denken: het mysterie wijkt niet, het verschuift naar het vlees, maar misschien is het daar wel op zijn plaats.

Bijzonder in dat verband is overigens de katholieke these dat de verrijzenis of dus de opstanding uit de dood niet als beeldspraak op te vatten is: het betreft een heuse opstanding van het vlees. Maar wat is dan het vlees, nietwaar? En zijn in dat verband de onderzoekingen niet relevant rond bijvoorbeeld de afdruk van het verrezen lichaam in de lijkwade van Turijn die door sommige auteurs met 'fijnstoffelijkheid' of met straling in verband wordt gebracht.2

Vlees is hoe dan ook niet zonder meer een materiële zaak zoals weggezet in de micro-reductionistische kijk op mens en wereld en dat wordt overigens ook duidelijker voor wie zich bezighouden met de verschillende opvattingen over gezondheid en geneeskunde. Niemand kan loochenen dat levende cellen opgebouwd zijn uit dode stof maar is het niet zo dat het leven aan de dood voorafgaat in die zin dat het de cel is die de zin (en derhalve ook het 'zijn') geeft aan de stof waaruit zij bestaat? Want het lijkt erop dat de (levens)functies voorafgaan aan de systemen waarin ze zich voltrekken, en dat ze als het ware hun voorwaarden zelf scheppen.

(J.B., 28 juni 2026)

1Ludo Noens, Portulaan, Ukkel 2026, nr. 167, pp. 39-44.

2Cf.: Ludo Noens, Subliem licht op de lijkwade van Turijn: ware herkomst van een omstreden middeleeuwse relikwie, Aspekt, Soesterberg 2015.

 

 

Puffen

Puffen

Puffen is wellicht het werkwoord dat dezer dagen het vaakst gebruikt wordt en het is een klanknabootsing van wie het ongemak laten blijken dat voortkomt uit een tekort aan zuurstof en derhalve aan kracht ingevolge hitte, ozon en nog andere aanverwante mistoestanden resulterend uit het jarenlange in de wind slaan van de waarschuwingen der geleerden inzake klimaat en milieu.

Als de temperaturen voorbij de dertig graden Celsius gaan, spreekt men van hitte en blijven de nachttemperaturen hoog dan bestelen zij ons van de nachtrust nodig om gezond te kunnen blijven functioneren en dan worden wij ziek. De klimaatverandering is inmiddels een onmiskenbaar feit en dertig graden is voortaan te pruimen in het licht van de wetenschap dat nu overal in Europa de kaap van de veertig graden overschreden wordt. Men staat er niet bij stil maar in acht genomen het feit dat onze atmosfeer een heel dun vliesje is over de aarde, is het helemaal niet onmogelijk dat dit nog verder wordt beschadigd en dat de temperaturen overal nog verder oplopen.

En we hebben het hier niet over anderhalve graad, of twee graden, of drie, zoals we het bij overstromingen ook niet hebben over een stijging van het waterpeil met twee, drie centimeter: een overstroming is er plotseling, het is een natuurgeweld dat de kracht van het water etaleert dat in een mum van tijd alles wegspoelt, mensenlichamen inbegrepen. Men moet het eerst meemaken vooraleer men het kan geloven en dat geldt ongetwijfeld ook voor wat wij vooralsnog niet meemaakten, het geldt voor wat we misschien slechts eenmaal kunnen meemaken: het plotselinge uit de pan springen van de temperaturen op aarde.

Want dertig graden mag dan heet zijn en veertig nog lastig met airco te bestrijden: wat zullen we doen als eensklaps onze thermometers het niet meer meten kunnen? Andermaal: dertig is heet, veertig doet puffen maar de temperatuur van de zon bedraagt zestien miljoen graden Celsius en vergeleken bij die hitte is een verschil van tien graden op aarde, of laat het nog honderd graden wezen, helemaal niks. Dit maar om te zeggen dat een plotselinge hittegolf die in een mum van tijd het water van de oceanen aan de kook brengt, alles behalve onmogelijk is: wij kunnen het niet denken omdat het bij ons beste weten nog nooit werd geregistreerd maar dat geldt ook voor alle mogelijke rampen in de verleden tijdspanne van biljoenen jaren welke ontsnapt aan ons simpele ken- en voorstellingsvermogen.

De waarheid is dat het zeewater niet hoeft te koken om alle leven op de aardbol ongedaan te maken: een stijging van de gemiddelde temperatuur met een paar graden ingevolge (alsnog in te perken) menselijke activiteit gemeten aan de hand van CO.2-uitstoot, volstaat ruimschoots om het leven helemaal te destabiliseren op een manier die nimmermeer te corrigeren valt en dat is een wetenschappelijk feit dat wordt herhaald, rondgebazuind, bevestigd door de waarnemingen en... keer na keer geloochend door piraten-nitwits aan de macht die ermee doorgaan drones en raketten in het rond te spuiten dat het een lieve lust is. En het gaat hier nota bene om een handvol onverbeterlijke criminelen, gestoorde lui die alleen maar gehoor geven aan primitieve vernielzucht en die men om de een of andere reden maar niet achter de tralies krijgt.

(J.B., 26 juni 2026)

https://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Moeten_we_ons_voorbereiden_op_een_nieuwe_ijstijd.webm

 

Vervelende waarheden

 

Vervelende waarheden

3366171-7aef8b34c6c4691ff3304c8dbb2d62d4.jpg

Ongeëvenaard zijn de taferelen waarin het van seniliteit verdachte presidentschap van de machtigste staat op aarde haar onder een ingebeelde triomfboog doorglijdende Führer zich in alle bochten laat wringen om een mouw gepast te krijgen aan de waarheid waar die ook maar een tikkeltje te vervelend wordt. Er is de Epstein-affaire met betrokkenen uit alle hoogste kringen, er is de haat tegenover inwijkelingen en andersdenkenden maar ook tegen het eigen volk, er zijn de vele oorlogen die bergen lijken opleveren en schulden die middels afpersing van 'bevriende' staten zullen worden afbetaald. Edoch, deze piratenregering is geen unicum, haar voorganger en schijnbare tegenpool droeg van hetzelfde laken een broek met de corona-affaire die volgens meer geleerden de rode loper voor de huidige derde wereldoorlog was. En gaat men terug in de geschiedenis dan blijkt dat het nooit anders was.

“Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de mooiste van het land”, uit een oeroud sprookje, te boek gesteld door de gebroeders Grimm. “De nieuwe kleren van de keizer” van de Deen Hans Andersen. Of waarom niet uit eigen land, “Tijl Uilenspiegel” zoals herschreven door Charles De Coster die zijn publiek laat applaudisseren voor een leeg doek?

“Uilenspiegel stond voor het dichtgesloten gordijn.

—Doorluchtige Landgraaf, sprak hij, en gij, mevrouwe de Landgravinne, en gij, hertog van Luneburg, en gij allen, schoone damen en dappere kapiteins, achter dit gordijn heb ik, op mijn beste, uw lieve of krijgshaftige gezichten geschilderd. Een iegelijk zal zich dadelijk herkennen. Gij zijt nieuwsgierig uw konterfeitsel te zien; ’t is redelijk, doch verweerdigt u geduld te nemen en laat mij nog een woord of vijf zeggen. Gij, schoone damen en dappere kapiteins, die allen van edelen bloede zijt, kunt mijn schilderwerk zien en bewonderen, maar mocht onder u zich iemand bevinden van onadellijk bloed, niets zou hij zien dan een witten muur. En nu, verweerdigt U uwe doorluchtige oogen te openen.

Uilenspiegel schoof het gordijn weg.

—Alleen de edelen kunnen iets zien; lieden van gemeene afkomst blijven blind voor dit kunststuk.

Al de hovelingen sperden de oogen open, gebaarden in bewondering te staan, zich zelven en anderen wederzijds te herkennen, doch in werkelijkheid zagen zij niets dan een naakten muur, hetwelk hen gansch onthutste.

Doch de nar die aanwezig was, sprong drie voet hoog, en, zijn narrenstok zwaaiend, sprak hij:

—Men mag mij uitmaken voor boer, en daarenboven voor schurk, voor deugniet, maar ’k zal het roepen en schreeuwen van de daken, dat ik daar een witte muur, een naakten muur, een blooten muur voor mijnen neus heb! Zoo helpe mij God en alle zijne santen.

Uilenspiegel sprak:

—Als de zotten spreken, is ’t tijd dat de wijzen optrekken.

Hij wilde het paleis verlaten, als de landgraaf hem tegenhield.

—Snaak, sprak hij, die overal gaat en komt om het schoone en goede te prijzen en luidkeels te spotten met de dwaasheid; gij, die in tegenwoordigheid van zooveel grooten der aarde, als man uit het volk, zoo onbermhertig dorst spotten met hunne blazoenen en voorrechten, gij zult eens gehangen worden om uw stoute tong.”1

(J.B., 24 juni 2026)

1Charles De Coster, De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders, hoofdstuk 57, in een Nederlandse vertaling van René de Clercq (liederen) en Richard Delbecq (proza) uit 1919. Zie: https://www.gutenberg.org/cache/epub/11208/pg11208-images.html (Oorspronkelijk: La légende et les aventures héroiques, joyeuses et glorieuses d'Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs, 1867.)

 











Wetten

Wetten

We moeten er niet vanuit gaan dat alle mensen goed zijn want doen we dat dan worden we om de haverklap bestolen; als toerist in een vreemd land of alleen maar in een stadskwartier met een exotische tint door niet vertrouwde talen, kan je het wisselgeld natellen als je wat koopt maar verder heb je geen verhaal als geen gevolg gegeven wordt aan je kritiek. Dat kost één euro, zei je, ik heb betaald met twintig euro en kreeg er zes terug!? Dan hebt u fout geteld mevrouw. En daar staat zij dan, geen mens heeft het gezien, gehoord, gesnopen maar naar haar overige dertien euro kan zij fluiten. Hier kom ik nooit meer, denkt ze en aldus wordt het beschaafde stadsdeel weer een stukje kleiner en de jungle wint veld.

De inzet van camera's en de technologie van de gezichtsherkenning zorgen weliswaar voor nu en dan een kleine trofee maar de techniek blijkt allerminst in staat om de sociale controle van weleer bij te benen, alleen al omdat alras de kleinste kinderen weten waar de camera's hangen, wie zij wel en niet kunnen bestelen en hoe men handelen moet om niet gevat te worden: tasjesdieven, malafide commerçanten en toneelspelers allerhande bewaken eigen territoria die het overleven proberen te garanderen en zo delen zij in het lot van steeds meer volkeren in een stilaan overbevolkte wereld.

Hoe ooit kon mevrouw haar dertien euro opeisen, laten we zeggen in een rechtbank waar ze een klacht neerlegt tegen een allochtoon, een twaalfjarige met een lichaamsgewicht dat amper de helft bedraagt van dat van haar eigen twaalfjarig kind, uiteraard omdat het niet half zoveel te eten heeft daar het afstamt van illegalen, weggevlucht uit een door het beschaafde westen gekoloniseerd land waar nu een oorlog uitgevochten wordt tussen Russen en Amerikanen met deze lichtgewichten als huurling aan het front omdat zij geen keuze hebben?

De jungle van de malafide handelaren die in de beschaafde metropolen steeds grotere stadsdelen controleren blijkt klein bier vergeleken bij de jungle door het zogenaamd beschaafde werelddeel geschapen ter gelegenheid van een 'kerstening' welke een plundering verkapt en vaak ook een genocide.

We moeten er niet vanuit gaan dat alle mensen naïef zijn want doen we dat dan worden we om de haverklap bestolen. We moeten weten dat ooit gemaakte bergen schuld, al is het lang geleden en al is het is den vreemde ver van hier, vereffend willen worden volgens een wet die alle rechtspraak in haar schaduw stelt en die zal zegevieren naar gelang de tijden op hun einde lopen.

(J.B., 24 juni 2026)






De hemel en de afgrond

De hemel en de afgrond

In de tijd dat ons, ons nog kende, was wie uit een eerder liberaal gezin kwam, een vreemde eend in de bijt van de groep rekruten jeugdschrijvers die werden uitgenodigd in de abdij van Averbode. Het geluk dat alleen schrijvers kennen bij het zien verschijnen van hun eerste stukjes: in de jeugdmagazines van de uitgeverij alsook in katholieke kranten en in de door de grote voorbeelden, John Flanders alias Jean Ray en Cyriel Verleyen gespijsde reeks der Vlaamse Filmpjes. Zo was Project Jota een verhaal over een uit de hand gelopen wetenschappelijk experiment met de AEZ-14 schimmel die in de marge van het manuscript het commentaar van “nogal vergezocht” kreeg opgeplakt en de volgende dertig inzendingen van dezelfde auteur werden niet meer opgenomen in de reeks. Vreemd, als men bedenkt hoe actueel het thema intussen wel werd maar tevens vreemd in acht genomen het feit dat de leiding van de bewuste abdij waar de uitgeverij zetelde, nog steeds 's lands centrum voor exorcisme is.

Vergezocht? De kerk en de duivel: ziekten welke hardnekkig voor bezetenheid moeten blijven doorgaan en artsen die een stap opzij zetten voor 'erkende duiveluitdrijvers'. Erkend, weliswaar alleen maar door de kerk maar elk protest vanwege medische en juridische korpsen bleef wel achterwege bij de uitvoering van navenante gruweldaden die niet moesten onderdoen voor de foltertaferelen afgebeeld door middeleeuwse miniaturisten, nog te bezichtigen in Brugge, die Schone.

Edoch niet alleen psychische aandoeningen werden lange tijd beschouwd als demonische bezetenheid, ook het van de norm voor seksuele voorkeur afwijkend gedrag werd door de kerk hardhandig aangepakt en dat wil zeggen met geweld en meer bepaald met lichamelijke verminking van meer specifiek de edele delen, zoals dat nu nog altijd in het jodendom en in de islam gangbaar is. De katholieke kerk hield het niet bij besnijdenissen maar voerde heuse castraties door, onder meer bij gezonde en allerminst criminele mensen met een homoseksuele aanleg en voor de ingreep in kwestie werd men doorverwezen naar specialist dokter Aimé Wijffels, in het Nederlandse Heiloo die met zijn vele honderden ontmanningen gouden zaken deed.1 Pas na luid protest van zelfhulpgroepen en van enkele gerenommeerde schrijvers van wie het werk op de index der door de katholieke kerk verboden geschriften stond, werd in de jaren zeventig van de vorige eeuw aan de criminele praktijken een halt toegeroepen.

Kennelijk echter blijft het gros der mensen onderontwikkeld, wellicht in hoofdzaak doordat wie geleerd zijn, ook aan het eind van hun dagen zijn beland en worden vervangen door onwetende kinderen. Demonisering immers rukt in sneltempo weer op, hand in hand met uiteraard kerk en geloof, vermeende heldenmoed bij de onderdrukking van anderen en een kersvers elitarisme dat in wezen een verkapt egoïsme is, aangevuld met de nodige misvattingen waaraan het leeuwendeel der ongeletterden onderhevig blijken. Koploper in dezer is vandaag de V.S. die onder het bewind van een bende piraten een gewisse afgrond tegemoet ijlt.

(J.B., 23 juni 2026)

1 Zie: Thys, Erik. (2015). Psychogenocide. Psychiatrie, kunst en massamoord onder de nazi's, Epo, Berchem, alsook: https://www.standaard.be/weekend/het-nederlandse-heiloo-schuiloord-voor-pedopriesters/42862828.html

 







Verbondenheid---

 

  1.  

    Verbondenheid

    In kapitalen siert het woord een steeg langsheen een herberg, de voorbijganger leest het onwillekeurig en denkt er even onwillekeurig een ogenblik over na: verbondenheid, het klinkt zoals veiligheid, maar als ik vraag aan mijn correspondente of zij veilig is, nu ze over een nakend warmte-onweer heeft bericht in de Dolomieten waar zij toeft, luidt het ontnuchterende antwoord: “Veilig? Nooit, en jij ook niet.” Derhalve vraagt men zich af of men ooit wel verbonden is.

    Kennis is pas eigenlijk als die tot actie aan kan zetten en dat geldt evenzeer voor verbondenheid: als de batterij van de iPhone het begeeft, toont zich de onoverbrugbaarheid van de afstanden die wij dachten weggewerkt te hebben. Als wij alleen maar met getikte zinnen in contact stonden met elkaar en als we bovendien elkaar ook nooit fysiek zouden ontmoeten, waren we vervangbaar door robots, wat betekent dat wij er dan evengoed helemaal niet hadden kunnen zijn. Het vleselijke lichaam of het leven is waar het allemaal om draait en al de rest zijn mooie spinsels die met even mooie woorden een bestaan opeisen dat in feite pure fictie is. Cultuur, communicatie, satellieten: het is uiteindelijk alleen ons rauwe vlees dat er een zin aan geeft.

    Want dat is het gevaar van deze 'cultuur': dat hij ons van onze lichamen doet vervreemden, dat hij ons laat geloven dat wij geesten zijn, ja, spoken voor wie louter woorden volstaan terwijl het lichaam er helemaal niet toe doet. Men heeft allerlei zaken uitgevonden die ons in extase brengen of dus buiten onszelf, zodat wij naast onze schoenen lopen. We hoeven geen honger meer te hebben en geen dorst en er zijn pillen die elk pijntje stillen en er is Bach, er is Dostojewski en er is Lippeveld maar ach, zo wordt de mens van vlees en bloed vergeten die gaat geloven dat voedsel, beweging en dergelijke zaken meer voor primitieven zijn.

    Nota bene: wij zijn primitieven of wij zijn niet!

    (J.B., 22 juni 2026)

  2. 3366133-a8442c82eae7121232ad67ad88253264.jpg






Drijfzand

 

  1. Drijfzand

    Men verneemt dezer dagen vaker dat de werken aan een bouwsel moeten onderbroken worden wegens verzakkingen en meestal kan het hele zaakje alsnog rechtgetrokken worden maar als de fundamenten waarop een mensenleven is gebouwd, wankel blijken of vals, zijn de brokken niet zo makkelijk te lijmen. En waar de grondslagen van het leven ter sprake komen, moet men denken aan mens- en wereldbeelden, aan ideologieën en religies. 

    De vraag rijst waar mens- en wereldbeelden dan vandaan komen, of beter: de kwestie of zij ontstaan vanuit een aan de mens inherente nood ofwel of zij ons worden opgedrongen. Het antwoord is complexer dan de vraag: als mensen de handen vol hebben met werken om den brode, zijn metafysische speculaties zeker niet de eerste zorg maar het leidt geen twijfel dat primitieve volkeren in nood soelaas zoeken in de aanroeping van wat men kon bestempelen als ‘hogere machten’ en als het antwoord op die aanroepingen uitblijft, zullen er wel altijd gewiekste lieden opduiken om voor buikspreker te spelen en voor souffleur.

    Tegen een kleine vergoeding uiteraard, die zeker niemand zal misgunnen aan wie alsnog troost weten te bieden aan arme lui in tijden van hoge existentiële nood. Want het lijden en de eindigheid van het bestaan kunnen geen klein bier worden genoemd door wie het klappen van de zweep al hebben moeten leren kennen en er wordt aardig wat vindingrijkheid en talent vereist om dan, in fel contrast met het gezond verstand, alsnog uitgelegd te krijgen dat het lijden een kostelijke illusie is en het leven eeuwigdurend. Dat immers is wat de zogenaamde kerkvaders presteerden in de naar hen genoemde periode van de patristiek en later ook ten tijde van de scholastiek, waar de wondere Thomas Aquinas de kroon spande. 

    Over hem wordt gezegd dat hij zijn werken dicteerde aan zeven scriptores tegelijk, elk van hen schreef een apart hoofdstuk en de geleerde sprong aldus moeiteloos over van het eerste naar het tweede en dan naar het derde hoofdstuk en zo verder tot en met het zevende, voor het dicteren van de openingszin. Vervolgens keerde hij voor het dicteren van de tweede zin terug naar de scriptor van het eerste hoofdstuk, dan naar de tweede, de derde en zo verder, de hele dag lang tot een stuk in de nacht. Op een andere manier immers kan geen mens uitgelegd krijgen hoe de theoloog er kon in slagen om in net geen vijftig levensjaren een oeuvre te creëren dat enkele meters boeken in de rekken van onze universiteitsbibliotheken beslaat - een slordige twintig duizend bladzijden. Alleen een figuur zoals Johann Sebastian Bach deed het hem na, alleen wordt van deze laatste niet gezegd dat hij kon leviteren, al doet hij met zijn muziek nog steeds, en wellicht tot aan het einde van de tijden, alle melomanen zweven. 

    Maar op een dag komt men er onherroepelijk achter dat de theologische constructies van de heiligen op louter drijfzand steunen en wel omdat vervelende professoren er tegen wil en dank toe komen middels gedegen historisch onderzoek, dat van een intrede in de geschiedenis van de godheid zelf nog altijd geen enkel bewijs geleverd werd. Uiteraard worden de brengers van de nare want zo troosteloze mare verketterd, al kunnen zij het helemaal niet helpen dat het de waarheid is waarvan zij bezeten zijn en als de waarheid god is, dan zijn zij van god bezeten en heeft die bezetenheid ervoor gezorgd dat zij de openbaring naar de prullenmand hebben verwezen. Samen met de stoeten wonderbare leugenaars, incluis de ijverige Thomas van Aquino. Van Bach blijft men uiteindelijk alsnog houden zoals men houdt van al het schone - dat dikwijls met het ware vloekt.

    En de ontdekking waarvan sprake is uiteraard niet niks: het is de ontsluiering van een geheim gehouden leugen omtrent de grond van ons bestaan en over de zin van al ons streven. De ontdekking van het metafysisch drijfzand… die paradoxaal genoeg voor de meesten onder ons helemaal geen mijlpaal zal betekenen want wij weten dat bijvoorbeeld de getuigen van Jehovah die al talloze keren het einde van de wereld hebben voorspeld, gewoon doorgaan met geloven omdat zij steeds weer nieuwe uitleggingen weten te verzinnen zoals alle leugenaars dat doen sinds het begin der tijden. 

    Drijfzand, inderdaad, maar kijk vanavond als het helemaal donker is eens naar de sterrenhemel en vraag u af of er een meer ontwrichtend drijfzand kan bestaan dan dat van het lege en ijskoude firmament dat zelfs in de blikken van de krekels en de vissen valt.

    (J.B., 19 juni 2026)

     

 





Het geheel en de delen: burgers van andere werelden

 

Het geheel en de delen: burgers van andere werelden 

De zomer doet zijn intrede en daar zijn de hittegolven al; zoals voorspeld zullen zij begeleid worden door stortregens met navenante overstromingen en dat is dan één van de vele rampzalige gevolgen van wat men verkeerdelijk overbevolking noemt want in feite gaat het hier om overconsumptie, een kwaad dat sterk samenhangt met een economie die moet blijven groeien, zoals dat het geval is met de kapitalistische. Eén procent van de mensen verbruikt evenveel als de overblijvende negenennegentig procent, wat betekent dat mits matiging van het verbruik de aarde in staat is om nog veel meer mensen te dragen dan heden het geval is. Maar dat betekent uiteraard geenszins dat de draagkracht van de aarde oneindig groot is, al kan er wel meer ruimte worden geschapen door bijvoorbeeld de vleesconsumptie te beperken. 

Overbevolking is er nog niet maar het kan komen en in dat geval doet zich een bijzonder ethisch probleem voor dat, zoals de geschiedenis uitwijst, door onze politici meestal helemaal niet wordt begrepen. Het heeft te maken met een misvatting die we al enkele keren mochten bespreken en die hardnekkig en rampzalig genoeg is om dat andermaal te doen. Het gaat om het probleem dat in de wiskunde of in de logica bekend staat als het bollenprobleem en dat, meer algemeen, het waarschijnlijkheidsrekenen domineert. Het geheel is namelijk niet gelijk aan de som van de onderdelen maar wat meer is: de eigenschappen die toepasselijk zijn op de onderdelen hebben geen uitstaans met de eigenschappen van het geheel, al lijkt het vaak zo, en die illusie is een bron van miserie.

In het verleden haalden we in dit verband al de voorbeelden aan van de zogenaamde volksgezondheid en van de ‘gezonde’ economie. Adolf Hitler verving de artsen door beulen en naar zijn inzicht kwam dat de volksgezondheid ten goede. Voor de slechte verstaander: als alle zieken worden vergast, zal de gezondheid van de gemiddelde burger erop vooruitgaan. Evenzo gaat de economie erop vooruit als de mensen meer produceren en meer consumeren. Maar de zaak is dat de gemiddelde burger een fictie van jewelste is en dat de economie niet eindeloos kan opgedreven worden. De gemiddelde burger is de norm maar het enige normaal is de afwijking van de norm - ziedaar de paradox. Het opdrijven van de productie en van de consumptie helpt de economie vooruit maar dan wel in de richting van haar totale instorting en van het einde van de mens. 

In de genoemde gevallen bestaat het kwaad in een (weliswaar verkapte) zogenaamde middeldoelomkering: een volk is geen menselijk lichaam en heeft derhalve helemaal geen gezondheid: het gebruik van die term voor zowel de mens als voor het volk, schept een nooit goed te praten verwarring. De economie is een instrument van de mens en niet andersom: dat wij de economie nodig hebben, maakt haar helemaal niet belangrijker dan de mens en op cruciale momenten moeten wij haar - ten bate van onszelf - kunnen loslaten. 

En dan is er de parabel van de splinter en de balk of het onvermogen om het kwaad dat we bij anderen vaststellen, ook bij onszelf te zien: Hitler wordt heel terecht veroordeeld voor zijn kortzichtigheid maar als wij niet aandachtiger toekijken, dreigen wij precies dezelfde dramatische stommiteiten te begaan want vandaag leest men in de pers bijvoorbeeld dit: ‘Voor het eerst proberen Europese leiders mensenrechten af te zwakken in plaats van uit te breiden’ (1) Migratie zou niet goed zijn voor de economie (wat tussen haakjes op zich al een foute opvatting is) en derhalve dienen mensenrechten eraan opgeofferd te worden. De auteur van het artikel in kwestie waarschuwt dat niet alleen migranten bedreigd worden maar ook vele andere groepen. In feite al wie afwijken van de norm, en dat is zonder uitzondering dus iedereen. 

(J.B., 18 juni 2026)

(1) 

  1. https://www.mo.be/analyse/voor-het-eerst-proberen-europese-leiders-mensenrechten-af-te-zwakken-in-plaats-van-uit-te-breiden?utm_campaign=eMO&utm_medium=newsletter&utm_source=email 

 





Over het (on)herbergzame

 

Over het (on)herbergzame

“Als Zarathustra dreißig Jahre alt war, verließ er seine Heimat und den See seiner Heimat und ging in das Gebirge. ” (1)

Naar het voorbeeld van de grote Duitse wijsgeer en dichter Friedrich Wilhelm Nietzsche, trekken steeds meer mensen de bergen in. Misschien niet zozeer om daar in het gebergte te vertoeven maar wellicht veeleer om de lagere regionen te ontvluchten. Uiteraard begrijpe men dit alles in de figuurlijke zin en niet letterlijk zoals Adolf Hitler deed met zijn arendsnest van waaruit hij in zijn waan van hoogheid neer kon kijken op de wereld aan zijn voeten. Ook onderscheidt zich dit gedrag van de zogenaamde ‘cocooning’, waarmee in 1981 de futuristische schrijfster en trendsetter Faith Plotkin (NYC, 1943) een zich terugtrekken in de eigen knusse woonst ver van de drukte heeft beoogd. Bij de drang om zich terug te trekken in de bergen moet men daarentegen veeleer denken aan de verzuchtingen der heremieten: anders dan de cocooners die een knus verblijf creëren voor zichzelf, begeven kluizenaars zich in het on-herbergzame, een beetje zoals de Nazoreeër deed die zich geregeld terugtrok in de woestijn, en wel omdat zij zijn gaan inzien dat de herbergzaamheid van de cultuur waarin wij heden leven, eerder bedrieglijk is. Liever de authentieke onherbergzaamheid dan een oneigenlijke hospitaliteit.

Vals is immers de herbergzaamheid van het moderne dat louter materieel van aard is en dat de ziel vergeet, de vrede des harten en de rust die voortkomt uit het zich verzoenen met de eenvoud. Uiteraard naast haar selectiviteit want, eigen aan de vermeende thuis die het moderne leven zegt te bieden, zijn de muren die de bewoners ervan afschermen voor het lugubere prijskaartje dat eraan vasthangt en dat het leven en het welzijn aangaat van degenen die van onderdak verstoken moeten blijven. De gastvrijheid immers welke ons moet herbergen, blijkt bijzonder conditioneel; kennelijk kent zij geen ‘erbij horen’ zonder de praktijken van de uitsluiting; kennelijk ontspringt zij aan een polarisering die zij bovendien in de hand werkt; haar inclusie vergt een exclusie; haar ‘wij’ bestaat niet zonder een ‘zij’ en zo bestendigt zij een oorlog, zoniet een geïnstitutionaliseerd geweld.

In het woord ‘herbergzaamheid’ zit het woord ‘berg’ ingesloten: de bergen zijn hetgeen onze vallei omringen en derhalve mogelijk maken; de bergen zijn de muren van de burcht waar wij geborgen zijn, de muren van ons huis, van onze thuis. Zij schermen ons af van allerlei vijandelijkheden waaraan wij onderhevig zijn door onze kwetsbaarheid. Maar muren schermen ons ook af van het licht als zij geen vensters hebben en geen deuren en in het donker zijn wij vanzelfsprekend extra fragiel. Het juiste evenwicht waarover de Antieken spraken, blijkt een devies dat tijdloos is. 

Door ons te verplaatsen in een wildernis die authentiek is, helpen wij het empathische vermogen in onszelf om te begrijpen hoe nefast exclusie inwerkt op het gemoed van wie in onze herbergzaam geachte oorden alle werk opknappen zonder waarachtige gastvrijheid te genieten, zonder erbij te mogen horen. In het onherbergzame van de hoge bergen staan wij bloot aan een natuur die helemaal geen mededogen kent en die daarom gelijkenis vertoont met het onmenselijke in onszelf dat aan het recht van de sterkste alle lof toezwaait zolang het onszelf maar niet belaagt. In de authentieke jungle leren wij het onbeschaafde en het onbeschofte kennen dat, woonachtig in het eigen ‘heart of darkness’, maakt dat de welluidende gastvrijheid die wij aanbieden aan zekere genodigden, met een even lelijke uitsluiting wordt betaald van wie slechts welkom zijn om in het geniep te worden bestolen.

We moeten terug naar de natuur, verder weg van de hedendaagse cultuur die er geen is. Pas in de wildernis kan men het zien, hoe giftig onze steden zijn; pas bij het aan het werk zien van de naarstige bijen die de aarde vruchtbaar houden en de talrijke bomen die ons van zuurstof voorzien bij elke nieuwe ademteug, ziet men waar het echt op aan komt. Het gedoe van wat ze beschaving noemen, blijkt voor het overgrote deel een gigantisch bedrog. Met als kersen op die taart, Sintertrump en Sintermusk met hun door ons aller noeste arbeid te financieren superbommen. De mensen beseffen het niet meer omdat ze allemaal vergiftigd zijn en ziek. 

(1) F.W. Nietzsche, Alzo sprach Zarathustra, Vorrede, eerste zin.

(J.B., 15 juni 2026)





Is het waar dat alles verdwijnt? - Over de fataliteit van het leven

Is het waar dat alles verdwijnt?

Over de fataliteit van het leven

Van Herakleitos, een van de alleroudste filosofen, is de uitspraak panta rei alom bekend, wat letterlijk betekent: alles stroomt, alle dingen veranderen of niets blijft hetzelfde. Alles verandert maar evenwel wordt niet gezegd dat alles verdwijnt en dan rijst de vraag of het ene dat in het andere veranderd is, dan niet echt verdwenen is. Het lijkt weliswaar een woordenspel maar het blijkt ernst van zodra men zich realiseert dat ‘verandering’ misschien wel een eufemisme is voor ‘verdwijning’ of ‘vernietiging’. Die vrees wordt bovendien gevoed door de steeds meer veld winnende overtuiging dat wie geloven in het eeuwig leven, zich wat op de mouw laten spelden. 

Het verlies van geliefden gaat gepaard met een leed dat weliswaar slijt door de tijd maar dat nimmer geheel kan verdwijnen omdat de wens dat zij terugkeren nog nooit werd ingelost. Troost wordt gezocht in de verklaring dat de doden in hun nakomelingen worden herboren maar iedereen weet dat nakomelingen nieuwe en andere mensen zijn: zij kunnen gelijken op hun voorouders maar gelijkenissen zijn even bedrieglijk als luchtspiegelingen en pareidolie. Bovendien herkennen de nakomelingen de geliefden van hun voorzaten helemaal niet en zogenaamd gereïncarneerden zijn door de band ook niet in staat om zich hun vroegere levens voor de geest te brengen. Materie en energie worden voortdurend gerecupereerd maar uitgerekend hetgeen voor ons het meest waardevolle is, glipt ons zoals water door de vingers. 

En dat komt doordat leven, bewegen is en stilstand de dood. Beweging is verandering, in de beweging gaat het ene over in het andere en alleen op die manier kan er beweging zijn. Hetgeen waar wij belang aan hechten, wat betekenis heeft voor ons, dat waarvan wij houden en dat ons zo dierbaar is, is niet de stilstaande materie, het beeld, de prent of de onveranderbare herinnering maar het is een zich uitsluitend in een voorbijgaande beweging manifesterende gestalte. Wij nemen er kennis van, we hechten ons eraan, we willen ze vastgrijpen en ze naar ons toe trekken, ze bezitten en bewaren, ze koesteren en aaien maar terwijl we dat doen en precies doordat we dat doen, onttrekt zij zich aan onze greep en aan ons zicht terwijl wij ons alleen nog een herinnering daaraan voor de geest kunnen brengen - de geest, die leest op bladen die niet echt bestaan dan in een soort van dromen welke evenwel aan de werkelijkheid ontsproten zijn.

Pas als de dingen voorbij zijn, is het hun afwezigheid die ze voor ons aanwezig maakt zoals dat nooit voordien het geval was en zoals dat ook nooit voordien het geval kon zijn omdat het gemis de voorwaarde is voor het daadwerkelijke aanvoelen van het wezenlijke van wat ons te beurt viel. Wij ontmoeten onze geliefden zoals nooit voordien als zij er niet langer zijn, zoals we ook een symfonie pas ten volle kunnen kunnen appreciëren als zij eerst werd uitgevoerd tot de allerlaatste noot. Zij is dan voorbij maar zij is niet verdwenen omdat zij in de herinnering blijft bestaan: onze geest is in staat om ze opnieuw op te roepen, precies zoals ze eenmaal was, met al het goede en het exalterende eraan maar ook met alle soms pijnlijke tekorten. Zij is dan niet meer veranderbaar, zij blijft zoals zij eenmaal was, voor eeuwig en altijd. 

(J.B., 14 juni 2026)






Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten