hoofdpijn (m.a.w.)
vandaar dat ik weer hoofdpijn had
een zware hamer uit de buurt
sloeg er alle stalen nagels plat
hoofdpijn (m.a.w.)
't regent weer
zaterdaagse gedachten
vijver impressie
hartstochtelijk gemaakt
onweerachtig heet-
we schrijven juli en de zomer
op zijn heetst en het blauw
staalblauw het is zo vochtig
warm want zelfs de mieren
hebben nu vleugels gekregen
en ze schrijven het neuken
op zijn heetst en het blauw
staalblauw met een zwerm
en witte vegen
dan verwacht je donderwolken
maar die zijn nog te ver weg
van hier, er rommelt wat
en de mieren neuken maar
ondergronds graven ze voort
ze stapelen lijken aan de poort
ze lijken wel al kaida
---
Tirade
Alleen Het eerste woord is heilig
hij haakt zich nog steeds verbeten
vast aan zijn alledaagswit gewaad
dat nimmer smetteloos is gebleken
de woorden die
hij predikt lijken
niet meer te zijn
dan wat ouderwets
gerijm en tandenloos
gefezel van oude dwazen
die gezeten op hun
zelfgemaakte troon
een even dwaze
jeugd tot heilige
oorlog roepen
Herinner u!
alleen het "eerste woord" is heilig
de rest niet meer dan wat gekwaak
hun gezichten wit van woede al
of niet terecht, de vuisten worden
hoog geheven en ze roepen hem
Kluizenaar
karpers zoenen (II)-
hij draagt een spiegeltrui
die in mijn blikveld werd
gevangen in het water
weekt zijn gouden vlees
die rare lippen maken
't zoenen overmoedig
ze happen dan ook hele
brokken uit de lucht
aan de oeverkant zie ik nog
een koppel karperzoenen
zijn trui die slobbert wat
en in haar mond zwemt
een tong zo lekker tussen
een paar sensuele lippen
en hij hapt nu ook naar lucht
bekijkt haar heel verbaasd
met van die vissenogen
---
het hatelijk heden-
hij preekt haat
het ijzig woord
en heeft zichzelf
een paradijs
gegeven
slechts koud staal
en grijze steen
is zonder schuld
gebleven
er klauwt een marter
in zijn hart
vlijmscherpe tanden
en het bloed stolt
glanzend zwart
hij hoeft zichzelf
niet te vergeven
zijn haat is immer
groot genoeg
---
Oorlogs veteraan
Een dichter op het podium*
hij kent het matig leven niet
de dagen worden telkens afgeteld
en roepen welbespraakt de mensen toe
wij worden aanhankelijk, en zijn lippenspel
trachten we te lezen, maar de klank gaat
dieper dan de aarde tot aan de grondtoon
hij gebaart daarom heftig en wenkt
zichtbaar wordt de wereld één zin zijn
dagen zijn geteld geweest maar hij weet
het niet of wil het niet weten, hij sterft
nog liever onverwacht op houten planken
maar het hijgen schraapt de stembanden hees
het wassen van woorden verloopt zo moeizaam
---
Zoektocht
De leegte in het bestaan-
hij staart nu hopeloos bezopen naar
de bodem van het glas en beseft dan
dat de leegte, het ontbreken van
goedkope rode wijn, het einde was
geen glazen staan meer overeind
een wijnfles evenmin, ze rollen rond
het holle klinken ligt er overvloedig
op de grond en de dagen zingen
niet ze klagen, ze strompelen
nog altijd voort
***
dichtoefening
Impressie van Jotie
Aardewaartse zinnen*
alsof hij zich met een ganzeveer
tot bloedens toe geprikkeld had
zo rood schreef hij de krullen
die voor mij nog verzonnen
moesten worden, ze kropen
zoals mieren hun richtingloze
kronkels op een blad, ze beten
en zijn ogen die traanden niet verbeten
gemaakt verdriet maar van slierten rook
en ook omdat hij van nevel, bossen en hoge
bergen houdt, zijn blik dwaalt er nog rond
haar navel en haar platte heuvels liggen er
nog na te trillen van genot in de ochtend
en zijn storm werd er gesust
---
ochtend cirkelsaanleiding tot een gedicht
wat is er zo bijzonders aan
een meeuw, een duif, een kraai
en een merel die me elke ochtend
liedjes zingt en nooit alleen en overal
ze vliegen, ze hebben streken in de lucht
ze voelen de warmte van het grasveld
bellen maken, die zich losrukken
en hen in vervoering brengen
omdat het zweven moeiteloos gaat
als ze cirkels vliegen, en hoger steeds hoger
alleen de merel niet, die zit te kwelen
en meestal in de grond te wroeten
hij heeft zijn zinnen aardewaarts gericht
Dialectiek