het hatelijk heden
-
hij preekt haat
het ijzig woord
en heeft zichzelf
een paradijs
gegeven
slechts koud staal
en grijze steen
is zonder schuld
gebleven
er klauwt een marter
in zijn hart
vlijmscherpe tanden
en het bloed stolt
glanzend zwart
hij hoeft zichzelf
niet te vergeven
zijn haat is immer
groot genoeg
---




