Op zoek naar Annelies Mayer.
Op de purperen heide stond een grote linde en een klein café. Annelies Mayer had ik daar gekend.

Hij was in de familie gekomen na de Tweede Wereldoorlog. Ik kwam in dezelfde familie even na de Revolutie van Mei 1968. We ontmoetten elkaar aan tafel tijdens de regelmatige familiedinertjes rond Kerstmis en Nieuwjaar, op kermissen, huwelijken, doopsels, eerste en plechtige communies, en begrafenissen. Samen dronken wij dan rode wijn, Frans en ik, en we zagen nooit op een glaasje. Na vijf glazen werd ons gesprek steeds boeiender. De onderwerpen veranderden niet vaak, meestal ging het over hetzelfde als ware het de oudste vinylplaat van Will Tura die werd gedraaid en herdraaid op elk familiefeest. Als insider moest ik nonkel Frans informeren hoe het was en ging worden met de intresten van de kleine spaarder. Dan was het zijn beurt om te beschrijven hoe moeilijk het werd in zovele winkels kaas, melk en boter te leveren, in het drukke verkeer van de hoofdstad Brussel waar het aantal vierwielers en politiemannen steeds maar vermeerderde. Daarna begonnen we over het velorijden op de stille Haspengouwse veldwegen, en zo ging het dan verder terwijl wij onderbroken werden omdat wij ook nog taart of ijskreem moesten eten.
Nonkel Frans was een klein stevig mannetje afkomstig uit een dorp nabij de fruitstad. Hij was twee dozijnen jaren gehuwd met de zuster van mijn schoonmoeder. Zij was vrij omvangrijk van borsten en billen, maar botergoed van hart, in ieder geval dan toch met mij, omdat ik getrouwd was met haar liefste nichtje. Want als ambtenaar van het Ministerie van Financiën moest zij uiteraard streng zijn voor vrijwel alle andere landgenoten die er bestonden en zeker voor haar echtgenoot. Wij wisten dus wel dat zij zou tussenkomen bij het openen van de volgende fles, maar dat kon ons niet schelen. Eens gekomen aan zijn zevende glas rode wijn werd onze nonkel uit Brussel weer Frans van Dung en dan was hij niet meer te houden. 'Wij maken deze fles Rotwein soldaat...!' zo sprak hij dan met brede glimlach en met geheven glas ... 'zoals in der Zeit auf der Lüneburger Heide ... !'. En dan waren wij gekomen waar we moesten zijn, in 1946 toen ik nog moedermelk dronk, en toen hij de eer van ons vaderland verdedigde ergens ver in Duitsland, niet meer tegen de Duitsers want de oorlog was voorbij en gewonnen, maar wel tegen die Britten die niets van voetbal, bier, of whisky kenden , en nog veel minder van hoe je toen met vrouwelijk schoon uit Saksen moest omgaan.
Waarheid en ernst verplichten mij vanaf deze zin mijn verhaal wat rustiger te brengen. Op zekere dag liep het plots mis met het hart en de bloedvaten van nonkel Frans. Hij lag toen op een kamer in de kliniek, meer dood dan levend. De dokters bliezen zijn aders terug open en bouwden een overbrugging in zijn lijf , maar de man uit Evere zou voortaan een regime moeten volgen en het rustig aan doen om nog wat langer te kunnen leven. Op dieet ieder dag van de week maar nooit als er een familiefeest was want dan probeerde Frans toch of het nog wat kon gaan. Immers hij die zoveel vette kaas had geproefd en Boergondisch wijnen had gedronken, kon niet nalaten te denken dat het beter is rap dood te gaan dan langzaam te sterven. Hij die als leerling-beenhouwer spek, worst en steak had gegeten tijdens de oorlog toen vele mensen maar een stukske haring, kikkerbil of duif kregen, voelde toen dat ook voor hem de tijden veranderden.
De gezondheidsproblemen van Frans bleven aanslepen en ook al begon hij na het kwijtspelen van vele kilo's een veteraan van goed niveau bij de wielertoeristen te worden in navolging van zijn oudere broer ' de Meester uit Sint-Truiden', toch was beperking op gebied van wijnen voor hem werkelijkheid. Maar op een dag spraken ik en hem toch af dat wij samen eens een weekje zouden gaan fietsen tussen Celle, Soltau en Lüneburg. In die tijd echter was mijn motivatie nogal zwak om dit te ondernemen, en we waren zo dwaas van ons plan uit te stellen. Daarna gebeurden er ook nog dingen die dit hebben belet, zoals de valpartij van Frans waardoor hij maandenlang buiten de wielerstrijd viel, en later tenslotte volgde een tumor in zijn hoofd, en kwam het einde van nonkel Frans Herman K.. Samen hebben we nooit die fietstocht kunnen maken, onze zoektocht naar Annelies Mayer.

Oefeningen met tanks in de sixties - Betonnen trappen gebouwd door Italianen.
Door de wonderen van de hedendaagse technologie kan een oude man zonder pijn van ziel en lichaam nog terug naar de Lüneburger Heide van 1946, en naar stukjes puzzle die in zijn memorie waren gebleven, stukjes over avonturen die zijn nonkel Frans zaliger vertelde na het drinken van ettelijke glazen rode wijn. Speuren in de nevelen van het na-oorlogse 1946 is niet gemakkelijk, want het deksel van de militaire geheimhouding heeft veel in de schaduw gelaten. Daarom zal ik dan maar eerst schrijven dat mijn verhaal FICTIE is en zoals de Italianen vaak zeggen ' weliswaar onwaar maar dan toch waarachtig mooi verteld ...' .
Het is vandaag voor een snuffelaar in de archieven trouwens gemakkelijker te vinden wat een soldaat van Napoleon uitrichtte in 1806 dan wat een Belgisch soldaat heeft gedaan in 1946, ergens in Noord-Duitsland waar toen sedert decennia geen enkele gewone sterveling een kijkje kon nemen. Vermits mijn nonkel op een appartementje boven op een torengebouw woonde, heeft hij nooit enige documentatie bijgehouden. De helft van zijn woning was steeds ingenomen door allerlei electrische toestellen in opbouw of in afbraak, want zeer jong had zijn zoon reeds de roeping van uitvinder, en voor de rest was alles onder toezicht van zijn echtgenote. Nonkel Frans had in zijn kelder alleen een plaatsje voor een koersfiets en enige accessoires voor wielertoerisme, en dan was daar uiteraard ook nog zijn reserve flessen rode wijn. Ten huize van bijna-oudstrijder Frans dus geen enkel archief noch foto uit 1946. Moest het eens mogelijk worden van in de archieven van het Belgisch leger te kunnen duiken en zoeken, zal het wellicht ook moeilijk zijn ene milicien Frans Kempeneers terug te vinden in de lichting 1946, alleszins niet op Duits grondgebied en dan nog in het Britse leger, want onze nonkel was indertijd ingelijfd bij hulptroepen die de Engelsen versterkten.
Ongetwijfeld werd hij door een olijke Waalse onderofficier op een lijst van ' specialisten-vrijwilligers' geplaatst omwille van zijn familienaam. Om die onbekende heide te bezetten was het best gezonde jongens uit onze Kempen te sturen, en dus was een Kempeneers uit Limburg een geschikte man voor die onduidelijk en wellicht gevaarlijke job op de Lüneburger Heide. Na een lange rit waren de aangeduide Belgische manschappen aangekomen in het Münsterlager. Daar hebben zij gedurende één goed jaar hun dienst volbracht.Vermits hij beenhouwersgast van beroep was, kreeg Frans een tweezijdige functie, één voet in de keukens en éen voet als ordonnance van officieren. Ook daar werd weer gesjoemeld met zijn identiteit. Zijn voornaam Frans was niet passend , want zijn overste was tegen de verfransing van ons leger. Die kerel had een lief in de naburige stad Hermannsburg en vermits er ook als laatste voornaam Herman op zijn papieren stond, werd de nieuwe ordonnance herdoopt en ingeschreven als Herman . Het heeft niet lang geduurd of Frans Kempeneers, alias Herman K, het grote voordeel inzag van verschillende pasjes, lidkaarten, papieren, marsorders, tickets, bonnetjes, te hebben met diverse voornamen, namen, identiteiten. De Belgische soldaat, in zijn dorp bekend als Frans van Dung, en jongste telg uit een gezin van acht kinderen, moest zeker niet Schwejk of Barry Lyndon heten om goed zijn plan te trekken in die tijden van chaos in het Noord-Saksen van toen.

Het leven in de barakken van het grote Munsterlager.
Wie op zoek gaat naar informatie op internet zal toch even moeten slikken bij het ontdekken van waar nonkel Frans was terecht gekomen. Ik wil zelfs duidelijk stellen dat die goede man toen niet en later ook niet heeft geweten waar hij eigenlijk was tijdens zijn legerdienst in Duitsland. Zijn bewegingsmogelijkheden en informatie zullen wel zeer beperkt geweest zijn.
Reeds vanaf 1891 werd er begonnen te Münster in de omgeving van de Kaserne Hindenburg met de inrichting van een grote Truppenübungsplatz. Dit oefenkamp kende gedurende die vele jaren verschillende afmetingen , maar was toch altijd minstens 7400 ha groot. De Pruisen hadden daar reeds hun wapens getest voor de Eerste Wereldoorlog, met inbegrip van de smerige gassen die in de loopgrachten zouden worden gebruikt. Zeer bekend was de schietbaan en de plaats waar met handgranaten werd gegooid. Grote militaire kampioenen werden daar gevormd of ontdekt. Ongeveer 21.000 krijgsgevangenen werden tijdens 14/18 op dit onvindbaar en verboden militair domein in een kamp opgesloten. In de jaren '30 werd daar in die omgeving de Blitzkrieg voorbereid en onder stricte geheimhouding waren er voortdurend maneuvers met twee divisies. Belangrijker waren nog de geheime opslagplaatsen van munitie en van gassen. Vandaag nog steekt daar veel gevaarlijk materiaal in de grond, achtergebleven, niet ontploft, niet meer op documenten en plannen vermeld. Eens toen de Tweede Wereldoorlog bezig was, bouwden en herbouwden vanaf 1940 de POWS, de Britse krijgsgevangenen, een kamp voor 40.000 man en later ook voor Italianen, Russen,.en nog meer Britten, zoals de 400 para's die zich te Arnhem overgaven. Toen het kamp, bekend als Stalag 357, werd bevrijd op 16 april 1945 verbleven er 96.000 krijgsgevangenen. Op 30 km van Fallingbostel-Bergen was er dan ook nog het concentratiekamp van Bergen-Belsen, dat van een heel andere soort was.
De Britten en de anderen verlieten het krijgsgevangenkamp toen de oorlog voorbij was. Kort daarna werd hetzelfde kamp de verzamelplaats van de verliezers. Van overal werden ontwapende Duitse soldatens aangevoerd. Zij werden geïdentificeerd en van de nodige civiele papieren voorzien. Zo maar even 1.700.000 Duitsers werden daar gedemobiliseerd en naar ' ihre Heimat bei Frau und Kind ' teruggezonden.
De rol van het Belgisch leger begon in dat gebied vanaf 1 april 1946 toen drie infanteriebrigades onder Brits bevel de bezettingseenheden in dat deel van Duitsland gingen vervoegen. Maar het was pas op 2 december 1946 dat de precieze taak van de Belgische Strijdmachten werd vastgesteld en dat de BSD voor een aantal jaren zowat de tiende provincie van België werd. Gedurende vele jaren nadien bleef de Lüneburgerheide een militair oefenterrein, voornamelijk voor het Nederlands leger, dat daar dikwijls soldaten per trein bracht en er voornamelijk ook trainde met de Leopardtanks. Ook het nieuwe Duitse leger van nu blijft daar nog aanwezig.
Wat precies de dagelijkse bezigheden van soldaat Frans Kempeneers op de Lüneburger Heide waren is me niet bekend en vermits hij nu dood is, kan hij me dat ook niet meer uitleggen. Maar volgens onze vroegere gesprekken was er toen tijdens die maanden van 1946 maar één activiteit nog belangrijk, en dat was 'tauschen'. Tussen de soldaten die over eten en kledij beschikten en de vele hongerige Duitsers onstond er een intense ruilhandel, met een grenzeloos aantal variaties. Een ordonnance die ook part-time in de keukens verbleef, had mooie troeven in zijn hand om goed te presteren in dat 'tauschen' . Er waren natuurlijk paden die men kon bewandelen en andere paden waarop werd uitgegleden. Niet overdrijven, niets naar België meebrengen, altijd onderweg zijn in opdracht van je officier, en altijd weten waar je officier zich bevond, dan kon je het ver schoppen als ' Tauscher'!. Je eigen slecht eten uit de Belgische keuken bezorgen aan de Duitsers en in een Engelse trui stiekem gaan eten bij de Engelsen waar de kost beter was. Dat was steeds een goed beginpunt. Als je iets moest gaan halen bij de Britten, die overvloed aan alles hadden, altijd als bestemmeling niet alleen Frans Kempeneers opgeven maar onverstaanbaar in het koetervlaams uitleggen dat je ook nieuwe sokken en onderbroeken kwam vragen voor je kameraden Frans Van Dung en Herman K. van de 'special forces' die hun post niet mochten verlaten. Steeds oppassen voor de Military Police die op de Tauschers joeg. Soms kon je natuurlijk de muur doen en met broekzakken die je veel dieper had gemaakt vol dozen corned beef bezocht je dan plaatsen waar werd gedronken, gedanst en geflirt. Altijd met een groepje uitgaan, want er werd regelmatig gevochten tegen de Britten die zat waren.
Wie was dan toch die Annelies Mayer waarover nonkel Frans steeds begon wanneer wij ons tiende glas rode wijn vulden ? Dat blijft een mysterie. Was zij een Lily Marleen uit de goede oude soldatentijd ? Was zij een dikke soldatenhoer of een boerendochter van een erf zonder mansvolk ? Was zij een hongerige vrouw met onschuldige kindjes die haar zwak eigen vlees ruilde tegen stevige soldatenkoeken en cornet beef ? Was zij een hopeloos lief, moeder of zuster, die bleef wachten en die niet aanvaardde dat hare Franz of Heinz nooit uit Stalingrad of Normandië zou terugkomen ?
Hoe spijtig toch dat Frans en ik nooit samen zijn gaan fietsen op de heide ! Waarschijnlijk zou hij daar, ver van zijn echtgenote, de ware identiteit van deze vrouw hebben onthuld . Misschien zouden wij die Annelies Mayer daar veertig jaren na de oorlog nog hebben teruggevonden en was er nog altijd dat kleine café waar het tauschen plaatsvond. Misschien staat de grote linde, waaronder hij haar lippen had gevoeld, haar borsten en nog meer had betast, er nog.
Veronderstellingen ? Fantasie ? Oprakelen van dronkemanspraat ?
Ik zou eigenlijk wel durven denken, op een nuchter en klaar moment, dat Frans Kempeneers zijn memories vervalste. Hij reed toen misschien alleen maar met een driewieler, een loodzware beenhouwersfiets met vooraan een grote frigobox vol vlees, van de keuken naar de eetzaal van de officieren of van de slachterij naar de keuken, en op die houten bak vastgehaakt aan zijn stuur was er zo'n kleurrijke pin-up girl geplakt, zoals op de snuit van de Royal Airforce jachtvliegtuigen en de grote bommenwerpers, zo'n pin-up geruild tegen een pakje Belga en twee harde eieren met een Schot uit Aberdeen. Onder deze pin-up stond in gekrulde letters geschreven 'Annelies Mayer' en niet 'Betty Boop'.

Prachtige natuurgebieden, een paradijs voor fietsers en wandelaars. De Lüneburgerheide is vandaag een beschermd gebied van heide- en boslandschap gelegen in de driehoek tussen de grote Duitse steden Hamburg, Bremen en Hannover. Tussen 1236 en 1806 was deze streek het Hertogdom Brunswyck-Lüneburg, behorend tot het Heilig Roomse Rijk. Er zijn wel twee dozijnen bergen maar de modale fietser moet niet bang zijn want het zijn maar heuvels. Zelfs de hoogste top bereikt slechts de hoogte van 169 m boven de zeespiegel. Ergens op een nog niet gevonden plaats op de Lüneburger heide werd Heinrich Himmler begraven die eens, na Adolf Hitler, de tweede belangrijkste man van Nazi-Duitsland was. In deze heerlijke streek liggen vandaag verschillende leuke plaatsen om te verblijven.















Fred Perry le superchampion élégant












La femme est un danger pour le pélerin.





Geraldine Farrar.























