Naar de inhoud

Verder dan Rome loopt de weg.

Ervaringen van een pelgrim.
akke.beakke.be

Archief

Rome 1996 - In de buurt van De Gelukkige Olifant.

De vissoep was lekker. Tijdens de nacht in Pension Souvenir slaap ik niet goed. Ik zweet en ik heb nachtmerries, stukken ellendige dromen waarin ik hulpeloos in moeilijkheden ben. Ik zie zelfs in mijn waanbeelden hoe Pruisen en Oostenrijkers in 1814 Napoleon Bonaparte op een boot naar Elba brengen, een eiland dat te klein zou zijn. De Corsicaan ontsnapte en kon zijn keizerlijke lotsbestemming verder zetten tot Waterloo. Er moet toch een onfrisse stekelbaars in die vissoep geweest zijn om dat 's nachts in je dromen te zien. Of was dit het verwerken van de grote schrik die de gevaarlijke autorijder me had bezorgd ?

Al vroeg verlaat ik Castiglione della Pescaia langs de Via Costiera op een nieuw fietspad tussen pijnbossen en mediterraan struikgewas. Een echte profwielrenner van het team Panaria rijdt mij voorbij. Zijn blonde haren tonen me dat hij waarschijnlijk Zbigniew Spruch is. Even probeer ik deze elegante wielrijder te volgen, maar zijn tempo benadert 40km/u  en dat is voor mij onhoudbaar. Ik moet hem lossen. Erger nog, mijn armen en benen beginnen te jeuken, na het eerste zweet van deze nieuwe fietsdag. Wat is dat nu ?

Ik stop en inspecteer mijn body. Overal zijn er rode hobbels op mijn benen en op mijn billen. Op mijn armen zijn ook plekken maar die niet jeuken, terwijl op mijn borst en buik niets opvalt. Op mijn rug kan ik niet zien, maar die jeukt nergens en is dus in orde, zoals ook mijn intieme delen zijn. Heb ik bloedvergiftiging of een allergische reactie door het eten van die cacciuto ? Werd ik door een zwerm insecten gebeten toen ik gisteren van de weg afsprong ?  Zogen teken uit het bos zich toen vast aan mijn vel of zaten al eerder vlooien en parasieten op mijn lijf  ? Waren er in de propere kamer van dat pension toch enkele venijnige muggen die mijn bloed zoet vonden ? Deze ochtend nam ik met zeer heet water een douche, het ongedierte kwam daardoor los en nu zijn er gaatjes in mijn vel die geprikkeld en ontstoken worden door mijn nieuw zweet van deze voormiddag. Ik overweeg doktersbezoek.

Te Marina di Grosseto koop ik bij een apotheker zalf tegen insectenbeten. Gezeten op een bank nabij het strand besmeer ik alle pijnlijke plekjes. Ik trek mijn kleine zwembroek aan en ga in de voormiddagzon genieten van de zeelucht met haar talrijke helende eigenschappen. Ik drink een liter koele A-melk, want dat is goed tegengif. Mijn pen is wakker en met zwier bezorg ik zichtkaarten aan vrienden en familieleden. Het eeuwig boeiende spektakel van de zee, van het onbevuilde strand, van de glinsterende golven , van de verte en van de massa water zonder grenzen,  is aan de Toscaanse kust altijd afwisselend en doorlopend aanwezig. Per minuut voel ik de toestand verbeteren van mijn armen, van mijn benen en van mijn billen. Een nieuwsgierige man komt mij gezelschap houden. In de taal van Dante, die door mij rijkelijk wordt aangelengd met Frans en Latijn, kan ik hem uitleggen dat ik een Belg ben, reeds weken per fiets op weg naar Rome, een nieuwe gepensioneerde die van het leven geniet na een loopbaan bij de Spaarkas, maar die op dit moment door beten van moscitos wat wordt belemmerd in zijn tocht doorheen de Maremma. De oude Italiano, nazaat van Romeinen, Etrusken, zeerovers, wijnbouwers, vissers, of van wie ook, heeft me begrepen. Hij strompelt verder. Zijn dag is weer goed, want hij zal de plaatselijke oude wijze zijn die kan uitleggen wie die zwerver met de fiets was en waarom die allochtoon altijd onbeschaamd naar zijn eigen billen keek .

Na deze gedwongen rust, begeef ik me weer op pad. Niet voor lang want weldra zie ik de vuurspuwende leeuw van  AGIP. De Azienza Generale Italiana Petroli  heeft niet alleen tankstations, maar ook wegrestaurants voor truckers. Rond het middaguur is een  " routier" waar vrachtwagens staan geparkeerd altijd een oase voor goed en niet duur eten. De prijs is 22.000 lires. Een fles koud mineraal water kost maar 1000 lires, terwijl elders dat 9000 lires kan zijn. Er moet wel geweten worden dat de obers in zo'n restaurant de overbijvende literflessen water en rode wijn afruimen, samengieten, terug afkoelen tussen ijsblokjes, en wat later weer aan de tafels brengen waar zij ' à volonté' voor de gasten staan. Wanneer er papier op de tafels ligt en geen wit tafellaken,  zal er geen coperto worden geteld. Voor de rest bestaan er niet veel andere tafelmanieren. Wijn, water, kaas, fruit, brood, zout, peper, olijfolie, azijn,  mogen  'naar hartelust ' worden gebruikt. Na spijs en drank  volg ik weer de hoofdweg en dan zwenk ik naar de tomboli die me zullen brengen naar de Monte Argentario.  Ik stop wat later aan een badhuis, waar ik een blikje Schweppes drink. Hoe heerlijk is het daar !  Geen vakantiegangers meer. Iodiumgeur. Vogels. Struikgewas. Appelsienenbomen. Olijfbomen. Gelukkig is de pelgrim in de zachte zon van Toscane.

Ik voel me goed en fiets langs de lagune naar Porto di Stefano. Terwijl ik even stil sta om de weg te bestuderen, stopt naast mij een lichte Duitse bestelwagen waar een indrukwekkende mountainbike aan hangt. Een grote  ongeschoren man springt daar uit en komt naar me toe. Werner Freitag uit Berlijn. Hij rijdt reeds drie weken rond in Italië, slaapt in zijn voertuig, en iedere dag heeft hij een individuele rit geprogrammeerd, een rondje op mooie of moeilijke plaatsen. Hij beleefde een mooie vakantie. Hijzelf is personeelschef op een bedrijf van 350 werknemers dat aan het afslanken is. Mensen afdanken, herscholen, outplaceren, vervangen door jongeren is zijn job. " Ich bin ein Berliner ..." zei hij.  Dat waren ook eens de woorden van J.F. Kennedy. Werner wordt weldra een vijftiger. Na deze weken van grote vrijheid op zijn mountainbike is het voor hem duidelijk. Hij wil zichzelf laten afvloeien uit zijn bedrijf,  met een aanzienlijke uitstappremie en een ander leven beginnen, en dit ook omwille van familiale situaties. Als fietsfanaat is zijn ultieme droom een bedrijf op te starten dat nieuwe hebbedingetjes voor de fietsers zal uitvinden en op de markt brengen. Maak al maar publiciteit voor mij in België en elders, zegt hij. Freitag aus Berlin.  Nicht vergessen ! Freitag. Vendredi. Was dat niet het maatje van Robinson Crusoë ?  Ben ik weer aan het dromen , zoals deze nacht, toen ik Napoleon zag.  Ik voel eens in eigen wang. Mijmerend fiets ik verder. Het is nu dinsdag,  und Freitag, vendredi prochain  ...  zal ik al te Roma  zijn.  Wat een tocht  !  Vive le Vélo ...!

Na een taai klimmetje ben ik te Porto Ercole, waar het heerlijk rondkuieren is. Ik ben moe en verbied mezelf om tot op de Monte Argentario te klimmen. Dat betekent 11km om op 635 m boven de zeespiegel te komen. Ik voel me gelukkiger op 3 m boven de zeespiegel. Mijn berg geld is laag. Aan de muur van de Casa di Risparmio probeer ik dat te verbeteren. Niet mogelijk. Pech. Het gaat toch slecht bij de Spaarkassen, sinds goede bedienden zoals ik op rust  moesten gaan. Misschien gaat die automaat gewoon niet door zout en zand in haar gleuf, of had ik er eens met mijn vuist op moeten bonken. In de nabije binnenhaven troost ik mij met een goedkope nieuwigheid :  een ijsje van bevroren koffie. Dat is lekker en ik kreeg het in een kommetje dat ik niet wil weggooien in de container bij het vuil. Als een jongetje van zeven maak ik er een bootje van dat mag meedobberen op de trillende golfjes van de haven van Hercules.

Twee Spaanse forten uit de XVIde eeuw bewaken de ingang van deze pittoreske haven in hoefijzervorm, die in de avondstond toch zo gezellig is. Het is een schuiloord voor vele boten die aangemeerd liggen. De beroemde schilder Caravaggio werd in 1609 in deze haven door de politie hardhandig opgepakt en ten onrechte in de nor gesmeten. Toen hij de volgende dag terug vrij was, moest hij ervaren dat de zeilboot waarvan hij een passagier was met al zijn bezittingen reeds was vertrokken. Caravaggio werd door deze situatie onwel en kreeg koorts. Enige tijd later stierf hij daar aan malaria, toen nog in de Maremma op meerdere plaatsen gevaarlijk aanwezig. Hij was  37 jaar oud en werd begraven in de kerk van San Erasmo te Porto Ercole. Het eiland Montechristo ligt dicht bij deze haven. Alexander Dumas maakte het beroemd door zijn roman  ' De Graaf van Monte Christo'. Zulke avonturen uit de tijd van mantels en degens, van zeilboten, pruiken, mooie kasteeldames, helden , paarden, enz.  ... blijven boeiend voor velen.

Wat door een niet-royalitywatcher als ik onbelangrijk is, maar voor andere mensen zeer belangrijk, is het feit dat de Koninklijke Hollandse Familie in de omgeving van Porto Ercole een riant vakantieverblijf liet bouwen. Rijke mensen kunnen zich de mooiste plaatsen ter wereld aanschaffen om een huisje aan de zee te bouwen. De naam van de koninlijke villa is  ' l' Elephante Felice' .

Om nog te kunnen kamperen buiten de haven is het voor mij tijd geworden om te vertrekken. Nog net voor dat de zon in de zee is gedoken, staat mijn tentje opgesteld in Camping Feniglia. Er staan woonwagens, zwerfwagens, tenten van alle kleur, soort en maat. Naast mij komen twee buren, die me helemaal niet zien staan, want met grote haast zetten zij hun tentje recht. Nog maar een paar seconden steken al hun haringen in de grond of zij duiken al dringend onder hun tentzeil waar geluiden weldra laten vermoeden dat zij houden van hetero privacy. Dit stoort  me. Zij zijn op drie fietslengtes van mij bezig. Ik ga naar de wasbakken om wat textiel proper te krijgen. Een blonde vrouw komt ook haar was doen. Ik wed met mezelf dat zij een  Hollandse is, een fan van Queen Beatrix. Ik ben niet verkeerd. Een gezellig praatje in het Nederlands volgt. Ik probeer ondertussen mijn was zo goed te doen als zij de hare. Afkijken mag aan wasbakken op een camping.

Ik kan toch nog niet slapen gaan. Geen eten en geen drinken te bekomen op die camping. Misschien elders  ?
Langs het strand  zijn bijna alle lichten reeds uit of kapot gelagen door vandalen. Behalve de maan en enkele sterren, is alles daar duisternis en geur van zand en zeewater. Maar met een lamp op mijn voorhoofd kan ik wel mijn weg vinden. Ik had deze noen een goed middagmaal, maar het is toch weer fout dat ik aan het rondrijden was zonder enige reserve eten of drinken. Op het brede strand van Feniglia is het lage tij. Als boemannen staan in de zwarte nacht er hoge bomen tot nabij de zee. Dit is wel het einde van de wereld, zo een stilte en zo een duisternis. De zeewind maakt griezelige geluiden. Dan zie ik toch in de verte enig kleine lichten, alsof er daar mannen of vrouwen staan met een brandende sigaret tussen de lippen. Ik zie weldra schimmen met lange hengels waarop een lampje brandt. Zo weet ik dat het mannen zijn die bij lage tij lijnen in de zee zwiepen op zoek naar bijtende vissen.  Ik schreeuw luid  ' Buona sera ' want het is beter dat die lijnvissers weten dat ook ik daar ben, zoniet zouden zij me wel met een lijn met haken kunnen raken of me wurgen met hun sterke nylondraden. Mijn lijf verwijderen is duidelijk toch wat veiliger, en naar vissers kijken die niets kunnen vangen is toch niet plezant. Ik blijf nog ergens op een hoopje zand zitten, luisterend naar het geruis van de zee. Zonder eten, zonder drinken, zonder vrouwtje, naar bed. Jongen, wie zal ooit geloven dat jij op latere leeftijd zo een asceet was geworden  ! 


.381944-2b470af1e4a88a90811f2ccf0a62fef3.jpg

381944-4a403720188e78164198abf9261438a7.jpg

381944-de32216d663896d5bfc5874973fd1d0c.jpg
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Papoum om 00:00 Reageer op dit bericht

Rome 1996 - Langs de kust.

Na een karig ontbijt betaal ik aan de oudere man van de receptie 116.000 lires. Ik zet nog wat orde in mijn bagage, gooi mijn oude pyjama en onfrisse sokken weg,  en door die gekregen tent beter op te plooien, krijg ik terug wat meer ruimte in mijn fietstassen. Ik voel me sterk bij het vertrek. Gedurende de maand juni viel geen enkele druppel regen in Italië, maar op deze maandagochtend op het einde van september hangen wolken boven de zee die ongetwijfeld nattigheid zullen brengen.

Ik volg de Via Aurelia. Deze weg komt uit het verre Spanje en heet  SS1. De Tyrrheense Zee ligt aan mijn rechterzijde. Een mooi panorama zou mijn beloning moeten zijn. Maar de zeewind  en de regen die al vroeg valt verplichten mij om te gaan schuilen in een overdekte autobushalte. Mijn trainingsbloes doet me te veel zweten. Ik ben nat door mijn zweet en door de regen. Het is niet koud en het is duidelijk dat de regen  langzaam verder zal neerkomen, waarschijnlijk tot op het middaguur. Ik trek een droog T-shirt aan. Om me te beschermen herknip ik met mijn schaartje een vuilzak op maat. Het opschrift " Houd Landen rein" blijft er op, maar de grijze plastiek is netjes rond mijn buik en over mijn billen, nadat ik een opening heb gemaakt voor mijn kop en mijn armen. In andere identieke vuilzakken steekt alles droog en proper in mijn fietstassen. Dun gekleed, profiteer ik maximaal van de zuurstof uit de natte zeelucht. Terwijl het verder regent  fiets ik op een weg waar een doorlopende witte lijn een brede zone voor fietsers en wandelaars afbakent. Zo kom ik vlot 25 km verder.
 
Aan een Agip tankstation stop ik om een expresso te drinken en een warme panini met gesmolten kaas te eten. Er zijn daar wel 100 Agip-wegkaarten te koop van alle regio's van het schiereiland, maar van de streek waar ik nu ben is er niets meer. Ik herinner me de aanbevelingen die ik eerder had gelezen . Een andere randonneur schreef dat je steeds een wegkaart moet kopen twee dagen op voorhand, want de plaatselijke kaart zal onvindbaar of zeer duur zijn. Ik koop daarom reeds een stadsplan van Rome, nodig op het einde van deze week. 

Nog meer regen. Dat geselt mijn blote en geschoren benen die ik met zonnebrandolie heb ingesmeerd. Het gaat goed. Ik draai vlot een groot verzet en weldra heb ik reeds 50 km afgelegd. Maar langs de grote steenweg wordt het te eentonig omdat de zee te ver is. Ik verlaat de SS1 op zoek naar San Vincenzo, een badplaats. Kunnen zien wat de combinatie van grauwe wolken  en een onrustige zee betekent, is wel de moeite en de omweg waard. 

De zon verschijnt weer in al haar glorie. Met mijn mes snijd ik de plastiek rond mijn lijf weg en laat de Landense vuilzak achter in een vuilbak. Ik trek mijn droge koerstrui en windjak terug aan, droog mijn natte voeten goed af en steek deze in nette witte kousjes. In een restaurant met zicht op zee ga ik rusten en eten, want het is bijna dertien uur geworden. Mista van gebakken zeedieren, salade en tomaten, brood,  3/4  liter bier, en dat kost me 26.000 lires. Ik moet een dubbele coperto betalen omdat ik heb gebladerd in de krant die daar op een tafeltje lag.

Ik kan langs de kust niet verder en moet terug naar de SS1. Een kwartier later vind ik wel een leuke weg langs pijnbossen en duinen. Wolkjes komen weer boven mijn hoofd, doch de wind blaast die naar het binnenland alvorens zij beginnen te regenen. Mijn fietstocht loopt verder langs een lijnrechte kustweg langs dennenbossen, boomgaarden en tuinen. Ik bereik Piombino, een havenstad met veel industrie. De boot naar het eiland Elba  vertrekt van uit deze haven. Met vleugelboten en andere soorten boten is het te Piombino mogelijk tegen betaalbare prijzen diverse tochten op zee te maken. Ik flaneer door Piombino, bezoek het aquarium waar ik kan kijken naar vissen, schelpen, kreeften en krabben. In het gouden boek van dat museum schrijf ik na goede inspiratie een prachtige zin. Het zicht op de zee van op de versterkte muren is bijzonder mooi, wegens de bootjes, de zeevogels  en de eilanden in de verte. Heel mooi  ook is te Piombino het kerkhof. De dierbare overledenen , zowel zij die stierven in hun bed als zij die in het zeewater verdronken,  liggen er in witte marmeren graven. Veel bezoekers. Veel bloemen. Op dat kerkhof  wordt voortdurend gebeden voor de geliefden die niet meer tussen de levenden zijn. Iets van de antieke aard van de Etrusken , een volk dat hier eens heeft geleefd, is nog steeds aanwezig te Piombino.

Ik ben op een landtong gereden die ver in zee steekt  en dat was een omweg. Ik moet nu verder langs Crotone  waar de lucht stinkt door de fabrieken. Maar de wind blaast goed in mijn rug. Met deze bondgenoot houd ik lange tijd gemakkelijk een snelheid van  32km/u. Weldra kom ik aan te Follonica. Is dit de plaats waar ik zal overnachten ? Fietsen is nu gemakkelijk. Ik blijf dus maar in het zadel wachtend op dat kleine hotel waar ik zal stoppen. Er zijn vele campings. Omdat mijn materiaal zo goed werd samengeperst in mijn fietstassen aan de start van deze dag, heb ik geen goesting om alles terug uit te pakken en vuil te maken. Met een sterk tempo geraak ik verder. Ik kom in onbewoonde gebieden, bossen, heide, hellingen. De wind komt uit een andere richting. Omdat ik gedurende meerdere uren niets heb gegeten en ook maar weinig heb gedronken, val ik volledig stil. Ik heb geen eten en geen drinken meer. Hoe dom toch !  Ik heb veel gezien te Piombino en te Follonica, maar ik vergat te gaan winkelen. De avond valt reeds en dat gebeurt snel. Ik kan alleen wat rusten en grote happen Toscaanse lucht naar binnen brengen. Ik geniet van de geuren die de wind van in de bossen en van op zee meebrengt.
 
Daar zo blijven staan is geen oplossing. Ik had tijdens mijn rustpauze mijn traingsbloes aangetrokken om niet af te koelen maar in de volgende helling krijg ik het door die kledij benauwd. Ik stop en plooi mijn bloes zorgvuldig op tussen de rekkers achteraan. Zo sta ik stil in de duisternis met rechts van mij langs de steenweg  varens, onkruid en struiken. Ik zoek ook de lamp die ik op mijn voorhoofd zal dragen, en die dan met mijn fietslampen me de donkerte zal laten overwinnen. Ik laat mijn hartslag wat zakken  en snuif nog wat meer boslucht op.

In de heerlijke Toscaanse avond  ben ik plots in levensgevaar. Een autorijder op een duivels tuig, misschien een Lamborghini  of een opgepepte oldtimer uit de tijd van Stirling Moss, komt tegen minstens 140km/u de helling opgevlogen, scheurend door de nacht. Omdat ik daar sta in een bocht schijnen zijn grote lichten op de bomen van het bos en niet op mij. De sportieve doodrijder vliegt naar me toe. In een reactie om te overleven gooi ik mijn fiets van de weg af en zelf duik ik als een kikvors tussen de varens van de wegkant. Door deze plotse actie ben ik nog niet dood. Oef ...  we kunnen verder fietsen door de inktzwarte omgeving.  Het vervolg is beter. Ik kom aan een tunnel. Ik zie wegwijzers die me uitleggen dat een bewoond gebied nadert.  Met opgewarmde halogeenlampen  in de bergaf  heb ik veel licht op mijn fiets. Ik zie in de avond  weldra tuinen en woningen. Ik rijd met moeizame pedaalstoot door Riva del Sole en Castiglione della Peschiera, waar ik prachtige hotels met vijf sterren tegenkom.   In Centro met drie sterren is alles bezet maar ik word naar een adres gestuurd waar ik zal mogen overnachten. In  " Pension  Souvenir " vind ik inderdaad een kamer met ontbijt en mag  ik mijn fiets plaatsen in de tuin. Zodra ik op de kamer kom neem ik een warme douche met veel shampoing want op deze dag kreeg ik veel regen en vuil op mijn oud  lijf. In adamskostuum blaas ik daarna een half uurke uit, platte rust op het dubbelbed met lichtblauwe lakens van " Souvenir".  Zeer tevreden omdat ik  vandaag 135 km heb afgelegd en veilig de rit eindigde. 

Het prachtig verlichte Castiglione della Peschiera by night  is klaar om mij te ontvangen. Wat een schilderachtige plaats !  Na een evaluatie van de nabije restaurants stap ik binnen in het visrestaurant dat mij werd aanbevolen door de gastvrouw van mijn pension. Ik telefoneer naar huis om uit te leggen dat ik een andere route volg.  Op het thuisfront wordt met grote precisie genoteerd waar ik op die avond ben. De plaatselijke specialiteit wordt mijn keuze. Cacciuto met witte wijn. Dit is een plat completo, een uitgebreide vissoep.


380854-8904b7fda85c2902510e5083bda1ed09.jpg

380854-5a2c9e582a4d92662fb2a5c33b153441.jpg

380854-9bfedc5fb037f4c6f6cb59c38c65f798.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Papoum om 00:00 Reageer op dit bericht

De Tour 1929 van Maurice Dewaele .

Enkele deelnemers uit 1929  en de fiets waarmee de Flandrien Dewaele had gewonnen.

377974-c0b1c505e55ef03246fe699f2b549480.jpg

377974-927fc2f57e5b42f63fd50fac68143d25.jpg

377974-191baaf21fd3dcafe2472eab2479010f.jpeg

377974-d3407ec57b3acb2d888e6517940b8a18.jpg


De 23ste Ronde van Frankrijk werd in 1929 betwist van 30 juni tot 28 juli, een periode van vier weken die liep over vijf zondagen. Er stonden 22 ritten op het programma waaronder een half dozijn bergritten en drie ploegentijdritten. Zes ritten waren langer dan 300 km. De Ronde volgde in omgekeerde richting van de klok de kusten en de grenzen van de zeshoek Frankrijk. Er waren zeven rustdagen voorzien. De renners moesten in totaal 5.286 km afleggen. Zij waren met 155 en dat is veel want pas 53 jaren later zouden er in 1982 meer zijn  (169).  Deze deelnemers kwamen uit Frankrijk, België, Italië, Spanje, Zwitserland  en Luxemburg. De Tour 1929 zou de laatste zijn waarin de invloed van de deelnemende merkenploegen te groot was. Twee soorten deelnemers speelden mee : de azen (53)  en  de touristen-wegrenners (102). Zij stonden als individuelen samen op één lijst ingeschreven. Noch ploegmakkers, noch volgwagens mochten hulp bieden. De Azen  vertegenwoordigden    merken van fietsen en van banden. Dat waren  toen  Alcyon Dunlop, La Française Dunlop, Alleluia Wolber,  Fontan Wolber,  Dilecta Wolber, Lucifer Hutchinson, La Rafale Hutchinson, De Dion Bouton Wolber, JB Louvet Wolber. De 5.286 km van die Tour de France dienden toen nog om te bewijzen welke fietsen en welke banden de besten waren. De renners waren minder belangrijk dan de naam van hun fiets en van hun band. Als zij wonnen was het omdat zij op de beste band en met de beste fiets hadden gereden (= de keuze van de kampioen die ook U moet maken.).  In de drie ploegentijdritten in de tweede helft van die Ronde, vertrokken renners samen die op éénzelfde fietsmerk reden, of die uit éénzelfde regio kwamen. Te Bayonne kwam de eerste rustdag. Reeds 1/3 van de deelnemers had opgegeven na acht ritten.Topfavorieten aan de start waren Nicolas Frantz en Lucien Buysse,  maar gekomen te Bordeaux leek het duidelijk dat Nicolas Frantz, vooral de Fransen André Leducq en Victor Fontan zou moeten vrezen omdat de oude flandrien Buysse al reeds 100 minuten had verspeeld. De mogelijkheden van Dewaele, Demuysere, en Pancera werden op dat ogenblik eigenlijk fel onderschat.

Dinsdag 9 juli om 0u 01. Uit Bayonne vertrekken na een rustdag 102 dapperen voor de rit van 365 km naar Luchon.  Lucien Buysse toont nog eens zijn talent als klimmer en komt eerste boven op de Aubisque. Wat later  in de Tourmalet heeft hij bandbreuk  en nadien moet hij wachten op de Charles Pélissier van zijn sportbestuurder. " Den Kleenen" wordt kwaad. Plots doet hij iets vreemds. Aan een afrit rijdt hij naar Lourdes en daar neemt hij de trein naar huis. Zijn kameraden Van Slembrouck, Verdyck, en Van de Casteele, volgen dit voorbeeld. Die vier renners worden daarom de volgende dag  ontslagen door de bazen van Lucifer. De regionaal Victor Fontan uit Nay bij Pau toont zich. Dit is een klimmer die reeds koersen in Spanje had gewonnen maar die laat besefte dat hij ook een kans maakt in de Tour, ook zonder sterke ploeg. Met  Cardona, teammate aan wie hij de ritzege schenkt, komt hij na 16 uren en 32 minuten koers over de meet. Hij neemt de gele trui. " Pour vaincre Fontan déploie autant de muscle que d'intelligence et de volonté".  Tijdens de rustdag van woensdag 10 juli 1929 is Victor Fontan de beroemste man tussen de Landes en Wallonië.

Donderdag 11 juli. Met 89 overlevenden wordt gestart om 4 u 00. In het licht van de lampen van enkele Hotchkiss auto's worden de eerste km afgelegd in de duisternis. Aan een brug in het dorpje Cazaux rijdt de geletruidrager in een gat in het wegdek.  Zijn fiets is kapot na  9 km koers. Zoals het reglement dat voorschrijft moet hij zijn tweewieler zelf hermaken. Fontan klopt op deuren van huizen op zoek naar een oplossing. Hij krijgt van een supporter die voor dag en dauw is opgestaan een oude  herenfiets.  Zijn koersfiets dragend op de schouder, fietst hij 6km verder. Hij geraakt zo tot aan een garage die de hele nacht open was gebleven. Fontan herstelt er zijn fiets. Hij zet al huilend van woede en verdriet de achtervolging in. Op de Portet d' Aspet komt hij 36 minuten na de kopgroep voorbij. Na 151 km  koers om 7u45' stopt hij uitgeput en ontgoocheld te Aulos sur Aston. Supporters stonden met honderdduizenden op hem te wachten op weg naar Perpignan maar zij hebben de gele trui niet meer gezien op die dag.  Heel het Franse volk geloofde reeds dat deze prachtige renner de Tour zou winnen. Via de radio verspreidden  TSF-sportreporters Alex Virot en  Jean Antoine de emotie van dit gebeuren. De radio was op die dag de grote winnaar .

Terwijl ook de nog Jean Aerts, rijdend op dezelfde fiets als Fontan , met een gebroken vinger na valpartij de strijd staakt , zorgen de flandriens dat het een mooie 11 juli wordt. Demuysere, Delannoy en Dewaele bereiken Perpignan met grote voorsprong. Bonduel, Van Rysselberghe, Vervaecke, eindigen ook in de top20 van de tweede Pyreneeënrit over 323 km . Plots weet iedereen terug dat Dewaele tweede en derde is geweest in 1927 én 1928.  Hij draagt de gele trui met 14 minuten voorsprong  op Demuysere en 22 minuten op Pancera , een onvermoeibare Italiaan die al eens tweede finishte in de Giro .

Maurice Dewaele was een taai renner. Bijgenaamd  " De metronoom" kon hij zijn tegenstrevers verslaan en neutraliseren door sterk temporijden. Hij was lid van merkploeg  Alcyon.  Bijna niemand kon, mocht, of wou nog iets ondernemen om hem uit de gele trui te rijden. Technische pech bracht hem nooit in paniek noch op grote achterstand.  Met 300 gr suiker en veel water  kon hij toch nog glimlachen en presteren toen hij zo ziek was als een hond en zelfs was flauwgevallen. Tijdens de  ' départs séparés'  van de laatste week hielpen ploegtijdrijders Rebry en Vervaecke hem nog om iedereen op vele minuten meer achterstand te rijden. Dewaele veroverde dan ook de 10.000 zware Franse franken van toen die door sponsors Ovomaltine, Banania, Poulain, en kettingen Brampton werd gegeven.  L'Ami Bini , een nieuwe hooggeschoolde  sportjournalist, vergeleek Maurice Dewaele  met een fles Bourgogne. Hij beterde met de jaren  en het was in juli 1929  dat wij hem mochten drinken. Voor wie nooit van l'ami Bini  heeft gehoord wil ik hier toevoegen  dat dit Jacques Goddet was, toen de toekomstige opvolger van Henri Desgrange.

Zoals iedere editie van de Tour de France was deze van 1929,  thans  tachtig jaren geleden, een prachtig zomerfeuileton. Nu al te ver in de tijd , schijnt dit een vergeten Tour te worden. Het was een Tour  waarin  en waarna vernieuwing kwam. Vanaf de Ronde van 1930  kwamen er landenploegen, een publicitaire karavaan, andere renners  en andere figuren achter die renners, andere reglementen, enz  ...      Vive le Tour  !

UITSLAG TOUR 1929:

1. Maurice DEWAELE (Alcyon)  -  2. Giuseppe PANCERA  ( La Rafale) op 44'23"-  3. Joseph DEMUYSERE (Lucifer) op 57'10" - 4. Salvador CARDONA (Fontan) op 57'46" - 5. Nicolaas FRANTZ (Alcyon) op 58'
verder nog   ...  6. Louis DELANNOY  -  8. Julien VERVAECKE  -  10. Gaston REBRY  - 11. André LEDUCQ  - 13.  Désiré LOUESSE ...  die in 1929 werden gesponsord door Alcyon .  Te Parijs eindigden 60 renners.


Hoe vind je dit bericht? 5 stemmen
Geschreven door Papoum om 00:00 Reageer op dit bericht

Rome 1996 - Toen ik mijn fiets tegen de toren plaatste.

In de vroege namiddag zijn de schaduwrijke straten van het oude Pisa leeg tot na de siësta. Ik rol in de stilte verder op soepele banden tot ik kom aan een door onkruid en struiken overwoekerde muur. Daar zie ik dat meer en meer mensen stappen naar dezelfde richting, zwermen toeristen van alle soort, ook Japanners gereed om ieder vogeltje dat voorbij vliegt vast te leggen op Kodakpapier. Wat verder zie ik die beroemde scheve toren van Pisa staan. Hij is eigenlijk veel kleiner dan ik altijd had gedacht, maar 55,86 m  hoog. Bekeken van op een afstand van 155 m geeft dat geen felle indruk. Ik luister naar een gids die veel vertelt over de toren. Het is me vlug duidelijk dat ik sta voor een uniek geheel dat Campo dei Miracoli wordt genoemd en waar naast de Torre Pendente, ook de Duomo,  de doopkapel, en het Camposanto, belangrijk zijn. Ik wil mijn fiets tegen de kerk plaatsen maar, misschien omdat er niet Bianchi-Campagnolo op staat, word ik één minuut later al weggejaagd door een ijverige politieman. Nergens kan ik mijn fiets veilig opbergen of aan iets vastkabelen.Tussen tweeduizend in alle richtingen bewegende mensen, nabij een toren die wie weet wel zou kunnen omvallen, en nabij die hoogkerkelijke muren van Pisa voel ik me niet op mijn gemak en niet erg welkom. Met mijn maag vol slecht geknabbelde zeevruchten verloopt mijn spijsvertering ondertussen ook niet zo vlot. De bezoekers, die voortdurend door touringcars worden aangevoerd, overweldigen me. Ongewild word ik door de massa tussen de winkeltjes geduwd waar ik zie dat op de ansichtkaarten alles van Campo dei Miracoli mooier en indrukwekkender is op foto dan  in de werkelijkheid. Ik loop verder en benader zo dicht mogelijk de wereldberoemde toren. Ik plaats mijn fiets tegen stenen die reeds eigenlijk tot de voet van de toren behoren. Achter enkele planken en overschotten van bouwmaterialen doe ik vlug mijn kleine behoefte, maar bij mijn terugkeer aan mijn fiets,  zie ik dat twee politiemannen met de armen op de rug in mijn richtig komen. Ik wip op mijn zadel en met klein verzet verlaat ik de toeristische grote mirakelmarkt van Pisa. Vermits die politiemannen het niet op een loopje zetten om me te pakken  -want fietsen is daar verboden - moet ik ook niet op groot verzet wegspurten.

Olive Green brengt me naar Piazza dei Cavalieri en Piazzo Dante. Deze zijn leeg en verlaten maar dat zal niet voor lang meer zijn want binnen een week zullen de studenten de buurt bevolken en zal een nieuw schooljaar beginnen. Aan de Ponte Solferino stop ik om wat te bedaren, en omdat daar een karretje staat met ijskreem. Ik fiets even tot aan het gothische kerkje Santa Maria della Spina, waar lang geleden een relikwie van onschatbare waarde werd bewaard, namelijk een stekel uit de doornenkroon van Jezus Christus. Met zijn rustgevende waterstroming vloeit de Arno in die omgeving reeds eeuwig voorbij. Hem .zal ik tijdens het komend uur volgen en dat is een gedachte die mijn moed verbetert.

In de XIde en XIIde eeuw werden te Pisa de beste zeilboten gebouwd. Met deze boten konden de kooplui veel vervoeren maar zeker ook sneller varen dan de Moorse zeerovers die aan het loeren waren om een slag te slaan, zoals koopwaren stelen, en vrouwen en kinderen ontvoeren voor losgeld of voor de slavenmarkten. Gedurende tweehonderd jaren waren de Pisani grote vakmannen. Uit hun scheepswerven kwamen de Ferrari's en de Alfa Romeo's van de zeilboten, terwijl elders boerenkarren en Lada's werden gemaakt. De zeevaarders van Pisa waren de meesters van de zee. Zij werden weinig gestoord door de Viking's die andere jachtvelden hadden. Van hun zeereizen brachten zij rijkdom, kennis en kunst mee. Die gingen zij halen in gebieden waar de Islam bloeide. Pisa was een machtige stad eeuwen later dan Rome en Ravenna, maar wel vroeger dan Venetië, Florence, Genua, Milaan, Bologna. Zo hebben vele Italiaanse steden een verwarde en ingewikkelde geschiedenis, met hoogten en laagten, met grootheid en rijkdom gevolgd door verval en stilte. 

De regio Toscane heeft drie belangrijke troeven om iedereen te lokken en aangenaam bezig te houden. Ten eerste is er de kunst en de sfeer in de oude steden, ten tweede zijn er de heuvels, bergen, bossen, wijngaarden, rijke natuur, en ten derde zijn er de kusten en de zee.

Toen ik mijn fiets tegen de toren plaatste is hij nog niet omgevallen. Veel later dan op die zondagnamiddag zou ik te weten komen dat de toren van Pisa  44 cm terug rechter werd getrokken door een tegengewicht van 870 ton lood. Deze openbare werken tot renovatie hadden de som van 28.000.000 euros gekost. De toren van Pisa werd op die manier een beetje minder scheef, wat zijn kansen voor de toekomst verbetert. Maar, het is ondertussen ook wel waar geworden dat de toren van de Sint Walfridiskerk van Bentum in Friesland nu  zes centimeters schever is dan die van Pisa. Vermits ik Wilfried heet  kan ik daar mee leven.  Want al bij al was het met droeve blik dat ik  het te drukke Centro Storico verliet. Mijn neus begint wijd open te gaan in de zeelucht die me tegemoet komt en me gelukkig stemt. Na een tiental km fietsen, sta ik weldra voor de wijdse horizon van de Tyrreense Zee. Ik reed Tirreno-Adriatico niet,  maar wel Adriatico-Tirreno. Ik feliciteer mezelf  want ik reed tussen de zeeën bijna zo goed als  Roger Devlaeminck.

Met zicht op " la grande bleue" en met mijn voeten op proper zand geniet ik intens van de prachtige ogenblikken die me zijn gegund. Ik vraag me af welke zin het heeft om na Marina di Pisa terug naar het binnenland te trekken, zoals mijn programmablad was opgesteld, om mezelf terug af te peigeren op mijn zware fiets. San Gimignano, Siena, Perugia, Assisi, Spoleto, Rieti, zijn allemaal mooie plaatsen, maar om er te geraken zal ik moeten zweten. De oude Italiaanse steden zijn prachtig, maar zou ik toch maar niet de zeeweg volgen om meer te genieten en om op een ontspannen manier gemakkelijker Rome te bereiken. Ik wil niet rekenen, maar ik weet dat ik zeker vijf dagen langer heb gereden dan verwacht. Maar dat mag me niet duwen tot overdreven sportieve inspanningen om nu per dag méér kilometers af te leggen hetgeen  zou mogelijk zijn door mijn fel verbeterde lichaamsconditie. Als vroegtijdig gepensioneerde evenwel  moet ik leren genieten en plezier hebben zonder enige prestatiedrang, en zonder nog te willen bewijzen dat ik misschien niet meer kan rijden zoals een campionissimo  maar toch nog als een gregario. Sint Franciscus en de Heilige Clara zullen mij vergeven als ik niet bij hen op bezoek ga. Flexibiliteit is van deze tijd. Als ik wil, kan en mag ik mijn route wijzigen. Ik ben zelfstandig en mijn eigen meester, alléén op weg zonder tochtgenoten.

17.00 u. Laat op zondagnamiddag aan de Toscaanse kust. Einde van september. Plots begint er een windstorm, de golven worden talrijker en wilder. Weldra volgen donder en bliksem. Vele strandtoeristen en ikzelf vluchten in alle haast naar een milkbar. Alle hemelsluizen gaan open en de regen als een waterval spuit over Marina di Pisa. Ik heb maar een kleine tafel bemachtigd , maar ik zit toch droog en ik kan mijn fiets in het oog blijven houden. Die steekt goed bedekt onder de tent die ik te Fiesole kreeg. Om te mogen blijven schuilen in de milkbar, die ondertussen zo vol is als een fles Martini, bestel ik een bananasplit en nadien ook nog een tas koffie.

Golven op zee. Alléén aan de natte kust. Mentale verzwakking. Plots valt mijn beslissing. Ik fiets niet naar Assisi, maar ik zal langs de kust proberen Rome te bereiken. Zo kom ik dan opnieuw op de route van André en Simone,  die ik had gevolgd langs Maas en Moezel. Die weg is belangrijk en bekend als de  VIA AURELIA ANTIQUA. Het is de heirbaan die sedert Romulus zo druk werd gebruikt door de legioensoldaten, handelslui, reizigers, huurlingen, artiesten , troubadours, girorenners, zigeuners, bruine paters, maffiosi, straatmadelieven, te voet, te paard of op wielen. Deze belangrijke oude verkeersader loopt van Marseille naar Rome.

Na dit onweder rijd ik op natte wegen naar Livorno. Ik wil nog vele kilometers afleggen. Rond Livorno is weinig te zien, maar er is daar mogelijkheid om naar Sardinië te varen. Dat bekoort me. Een jaar eerder was ik zo van Roscoff in Bretagne overgestoken naar Cork in Ierland. Toen veranderde een fietstocht die saai werd  in een onvergetelijk avontuur. Maar dat zal nu niet gebeuren want mijn weg naar Rome is nu duidelijk afgelijnd en heet Via Aurelia Antiqua.  Beter kan niet. Aan de Cassa di Risparmio di Livorno probeer ik te bancontacten, maar dat automaat staat op het einde van de weekend droog. In de volgende woonwijk van Livorno krijg ik van de Banco di Roma  wel goede lires. Ik meen dat Banco di Roma me een teken geeft dat ik moet naar Roma fietsen en niet naar Sardegna varen. Met stevig tempo ga ik vooruit, maar ik krijg weer regen op mijn lijf. Ik wil niet schuilen. Het is bijna donker door de zwarte regenwolken. De wagens zijn gevaarlijk. Het is nog maar  19.15 u maar ik moet met mijn lichten rijden voor meer veiligheid en door wettelijke verplichtig. Ik sukkel nog verder door de nattigheid.

Ik begin te verzwakken, maar gelukkig kom ik aan te Antignano, een kleine badstad. Door de regen is er geen mens op straat. Weldra ontdek ik een pension waar nog plaats is. Op de kamer duik ik onder de warme douche. Met droge kleren aan zit ik een uurtje later aan tafel. Het moment is gekomen om het goede einde van mijn vijfde week op weg naar Rome te vieren, en met klasse af te sluiten. Het wordt een goed avondmaal. De vrouw des huizes mag voor mij beslissen wat ik zal eten. Er komen zes schotels op tafel, niet in één keer , maar in de gepaste volgorde. Gemengde zeevruchten, lasagne, entrecôte, frieten, kaas, brood. Schitterend einde van deze natte zondag. Op mijn tafel staat een fles Rosso di Montalcino 1988 genummerd 530499. Zou die niet te duur zijn  ?
De dienster weet het ook niet. Zij neemt de fles en gaat aan de bazin vragen voor hoeveel ik die mag ledigen. Het zal  15.000 lires kosten. Normaal kost zo'n fles toch meer. Maar ik meen te begrijpen dat de bazin medelijden met mij had toen zij me in haar pension zag binnenkomen als een oude natte hond. Zij gunt me een premie voor schone strijdlust en bruine gespierde benen. In het aantrekkelijk restaurant hef ik mijn glas op als dank voor de mooie dagen die voorbij zijn en voor nog betere dagen die hopelijk zullen komen.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Papoum om 00:00 2 reacties Reageer op dit bericht

Rome 1996 - De Ronde van Lucca .

Met een wereldfietser uit Australië had ik in de jeugdherberg de kamer moeten delen.  Hij was dwars door België gefietst, hield een goede herinnering over aan Mons waar hij veel bier had gedronken. Bij de fietsstalling maak ik kennis met een koppel fietsers mooi uitgerust op Koga Miyata's. Zij willen nog wat genieten te Montecatini Terme tot de Fietsbus hen terug naar Nederland brengt. Tijdens het ontbijt komen Duitsers mij gezelschap houden. Zij zagen me al in de regen van Fiesole,  nabij Parco Pinocchio, en nu was het de derde keer, een reden om wat te praten. Man en vrouw vinden mij een rare figuur met mijn rode pothelm en zware fiets. Zij reizen gewoon met de auto. Hun route is bijna identiek aan de mijne. Na Toscane zullen zij Rome bezichtigen.  

Na deze ontmoetingen met telkens een korte babbel, wil ik op deze voormiddag enige punten afwerken in de mooie stad Lucca. Ik wil beginnen met een bezoek aan het  Sanctoario Santa Gemma omdat ik een buurvrouw heb die de voornaam Gemma draagt. Voor haar zal ik in dat heiligdom een kaars aansteken. In de kerk van de Passionisten  te Lucca wordt die heilige Gemma vereerd. Het is een kerk waarvan de bouw was begonnen in de tijd van de fascisten (1935) . Door de oorlog en armoede die volgde, vielen de werken stil tot 1965. Pas toen kon het kerkgebouw worden voltooid. De heilige Gemma had te Lucca geleefd en mirakels gedaan. Ik ledig mijn geldbeugel in een offerblok en raap documentatie op over deze  heilige om te geven aan de Gemma van onze straat.

De ruimte van het kerkschip is leeg. Wanneer ik terug wil buiten gaan , waardoor het schurend scharnierke van de kerkdeur fel kreunt, spring daar plots in de halve duisternis een meisje recht. Zij lag daar stiekem op een kerkbank te slapen. Het is waarschijnlijk een zwerfster,  een jonge zigeunerin. Zij is daar om te bedelen aan de kerkdeur en vraagt me wanneer de H.Mis zal beginnen. Vermits dat in grote letters op de muur staat kan zij niet lezen. Ik probeer haar uit te leggen dat zij jong en ook mooi is. Zij kan zeker wat anders doen in het leven dan bedelen. Ik stop haar 5.000 lires in de hand om op dit vroege uur iets te gaan eten in het centrum van de stad. Zij glimlacht en loopt weg in de richting die ik haar met mijn vinger aanduid.

Zo heb ik mijn goede zondagse daad reeds gedaan. Ik rijd dan naar de stadswallen, een dijk van bijna 10 m hoogte die zonder onderbreking gedurende 4,5 km helemaal  rond de stadskern  loopt. Boven op die dijk ligt een uniek circuit voor fietsers, wandelaars, joggers, kinderkoetsen, rolplanken. Ontelbare bomen zuiveren er de lucht en brengen er schaduw. In de verte nabij de Toscaanse hemel zijn bergen te zien. Dichterbij zijn grasvelden, stenen muren van de versterkingen, grachten en kanalen om het aanvallers moeilijk te maken. Binnen deze geweldige verheven kring liggen tuinen en oude huizen met prachtige daken, alsook torens en kerken.

Reeds duizend jaren geleden zo wordt vermeld in  'the Canterbury Tales ' kwamen de pelgrims die op weg naar Rome waren graag langs Lucca, omdat het een stad was met goede gastvrijheid, eerlijke mensen, lekkere spijs en drank. De pelgrims rustten te Lucca drie dagen om hun pijnlijke voeten te herstellen en hun algemene gezondheid te verbeteren.

Lucca was in oudere tijden de hoofdstad van het rijk der Longobarden, onbevreesde kerels die het zelfs aandurfden Karel De Grote te bekampen. Ook Cesar had van de stad Lucca gehouden. Hij verbleef  daar lang in de Romeinse kolonie waar hij met Pompeius en Crassus besprekingen hield tot vorming van het Eerste Triumviraat. Minder bekend maar veel belangrijker voor de regio was de lokale held Castruccio Castracani die in 1314  zorgde voor de onafhankelijkheid van de stad Lucca.  Die heeft geduurd tot in 1847.  Gelegen tussen  Florence en Pisa was Lucca rijk door haar handel in zijde. Deze achtergronden leggen uit waarom de mannen en de vrouwen van Lucca  - zowel die van vroeger als die van vandaag - trots, voorkomend, en tevreden zijn.

In de heerlijke jonge zonnestralen fiets ik langzaam over de passeggiat delle mura urbane di Lucca tot wanneer ik begin te zien dat ik terug dezelfde mensen, bomen, daken, honden, vuilbakken, ontmoet van een tijdje eerder, hetgeen betekent dat ik één compleet rondje rond Lucca heb afgelegd. De tijd is gekomen om binnen te dringen in de ovalen oppervlakte van centraal Lucca. Op de Piazza Napoleone post ik kaartjes voor het thuisfront, en natuurlijk eentje  met de heilige Gemma voor mijn toffe buurvrouw. Ik bel eens naar huis om te zeggen aan mijn hond Luca dat papa op dat ogenblik zich te Lucca bevindt en heel braaf is.

Als volgend punt op mijn programma komt een zoektocht naar maestro Giacomo Puccini, geboren te Lucca in 1858  en gestorven te Brussel in 1924.  Ik vind vlug het pleintje waar die beroemdheid zijn jeugd had doorgebracht, en waar de wortels lagen van  ' La Bohème' , ' Madame Butterfly' , " La Tosca" . Een levensgroot bronzen beeld van Puccini zit er op een bank.  Uit het open venster waar hij eens had gewoond komt zijn muziek en het bestuift de oren van bezoekers en fans die er flaneren. Ik ga bij de bakker een koek kopen terwijl Olive Green geparkeerd staat tegen de bronzen knie van de maestro.

Nu moet ik van mijn hart een steen maken, want ik zal uit Lucca moeten wegrijden. Eerst volg ik nog een groep autobustoeristen met een Hollandse gids die uitgebreide informatie geeft over Puccini. Terug je eigen taal te horen na vele dagen  maakt me vrolijk. Twee oudere goedgeklede dames volgen mij en ik hoor dit :  ' Ik droomde zo lang van met de fiets Toscane verkennen. Maar mijn man wilde dat nooit.  ...' . Zij weet niet dat ik haar woorden van nu begrijp en ook haar verlangen van vroeger.  Misschien is zij ondertussen wel gescheiden of weduwe, en zo geraakte zij eindelijk toch tot bij Puccini. De groep beweegt zich naar een parking  waar meerdere toeristische bussen wachten. Het is ook mijn richting.  Pijlen wijzen van daar naar Pisa. Dat wordt mijn volgend doel.

Al vlug moet ik door een wegtunnel van 950 m lang fietsen. Mijn halogeen lampen werken zoals het moet. De fietsenmaker uit Poppi had goed herstelwerk verricht. Het is niet ver tot Pisa. Weldra arriveer ik daar aan het Centraal Station. De Australiër van deze morgen  had mij de raad gegeven om te Pisa natuurlijk een pizza te gaan eten.   ' The best place in town'  zou voor dit plan  "da Nimo" geweest zijn en volgens hem was dat nabij het station. Maar die kangoeroe had zich blijkbaar van stad, van station of van restaurant vergist, want nergens ruik ik enig stukje pizza. Olive en ik kunnen het ook zonder zulke goede raad. Reeds op een volgend plein ligt een ander restaurant met terras. Het aantal mensen dat daar aan het eten is maakt mij duidelijk dat het daar ongetwijfeld goed is .

Mossels en schelpdieren, want de zee is niet ver meer, polenta, pizza della casa.
Niet slecht,  maar beter kan ook. Merkwaardig is dat alléén bij de pizza 15% dienst wordt toegevoegd en bij de rest niet. De rekenkunde van Italiaanse obers is dikwijls merkwaardig, maar met ons buikje vol zullen wij nooit klagen. Na het vereffenen van de rekening is het tijd om af te zakken naar het Centro Storico van Pisa, waar één van de wereldwonderen op me wacht.

374178-bee6d44fbe7a414c59eaa558c4be5f1b.jpg

374178-99887b7238e781a9591eaeba2ae83b96.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Papoum om 00:00 Reageer op dit bericht

De ontvoering van de Sabijnse maagden.

Het is een verhaal waarin een flinke portie sex en geweld in voorkomt, en dat was vaak een sleutel tot succes voor vele verhalen die stervelingen boeien. Het kwam tot ons uit het verre verleden, via mondelinge overlevering, geschriften, schilderijen, beeldhouwwerken, schoolboeken, liedjes, films, en internet. Omdat ook Giambologna het te Firenze bracht wil ik het hier even tussen de andere stukjes op mijn blog schuiven met eenvoudige woorden van vandaag die geen Latijn zijn.

Het gebeurde 2762 jaren geleden. Een bende allochtonen had zich op verwilderde gronden gevestigd, in moerassen waar zelfs de beesten niet graag verbleven. Na jaren zwoegen hadden zij die buurt helemaal opgeknapt en gesaneerd. Ondertussen had een man zich opgewerkt tot de leider van hun groep na veel werken, knokken en onderhandelen. Half mens en half wolf was hij en afkomstig uit die regio. Er werd verteld dat hij met zijn tweelingsbroertje als kind had gezoogd aan de tepels van een wolvin. Nadat vele muren en daken waren gebouwd en regels van inwendige orde waren opgesteld werd tijdens een bijeenkomst besloten dat zij zich  voortaan als inwoners van een onafhankelijke stad zouden gedragen, met een organisatie die baas was over eigen volk en eigen gebied. Zij besloten dat land, heuvels, lucht en water hun eigendom waren waarvoor zij zouden arbeiden en strijden tot de dood, volgens de bevelen van Romulus die tot koning werd bevorderd. De nieuwe stad werd  ROMA genoemd.

Een maand of vier na de stichting van Roma heeft Romulus beseft dat in zijn stad te weinig vrouwen waren. Bang voor ruzie in de mannengemeenschap, afkerig voor de overdreven  toevloei van zij die het oudste beroep ter wereld uitoefenden, en natuurlijk ook om iets te doen aan de bevolkingsaanwas, verzon hij een list. Hij liet het gerucht verspreiden dat de god Consus hem had gevraagd een groot feest in te richten. Iedereen werd uitgenodigd, zeker de Sabijnen die in de buurt woonden en deze god fel vereerden. Tijdens spelen, dans, spijs en drank gaf Romulus onverwachts een teken aan de Romeinse mannen. Daarop grepen die kerels een aantal  (volgens diverse verhalen minimum 30 en maximum 683 ) van de vrouwen die door de Sabijnen naar het feest waren meegebracht. Onder deze vrouwen was er slechts één gehuwd.
De geschiedschrijver Plutarchus onderlijnde dat de Romeinen dit niet hadden gedaan uit wellust, maar omdat ze zich via huwelijken wilden vermengen met het volk der Sabijnen en geen tijd wilden verliezen met overbodige romantiek en onderhandelingen met aanstaande schoonmoeders. Het heeft even geduurd voordat de vaders, ex-verloofden, broers en voogden van al die Sabijnse maagden overtuigd waren van de goede bedoelingen der Romeinen. Met die Sabijnen draaiden de verhoudingen eerst in de richting van oorlog. Toen de militaire krachtmeting in alle hevigheid zou uitbarsten, kwam de dramatische tussenkomst der Sabijnse vrouwen die ondertussen minnaars hadden ontdekt die hen kennelijk na die valse start goed waren bevallen. Zij waren al zwanger of hadden kindjes, runden nieuwe gelukkige huishoudens, en met blote borsten en opgeheven hoofd met loshangende haren  stonden zij tussen Romeinen en Sabijnen op het slagveld aan alle strijders smekend van toch geen bloed te vergieten. Zo ontstond na wijs overleg op twee verschillende heuvels een verenigd koninkrijk  en begon de groei van een toekomstige wereldmacht en van een belangrijke cultuur door  vredevolle kruising van twee sterke volkeren.

Over deze zaak kan worden nagedacht.  Het was voor het goed doel,  maar mag men zo maar jonge vrouwen ontvoeren ? Er zijn daar vele meningen over. Laten we gewoon even kijken naar kunstwerken die uitbeelden wat de Ontvoering van de Sabijnse maagden zou kunnen geweest zijn.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Papoum om 14:26 Reageer op dit bericht

Pingpong Diplomacy.

http://www.chinadaily.com.cn/china/2009-06/22/content_8309722.htm

Iedere gewone dag spelen miljoenen Chinezen pingpong en als het een speciale dag is dan wordt er ook iets speciaal gedaan met de botsende balletjes.

CELEBRATING 60th ANNIVERSARY OF PEOPLES REPUBLIC CHINA  ( 1949-2009).

Op zaterdag 20 juni 2009 zijn een 100-tal diplomaten samengekomen in het Gymnasium van Peking om een tafeltennistornooi te spelen.  Naast een tabel in enkelspel voor Heren en voor Dames, was er een competitie voor teams  en ook nog een zuivere vriendenmatch tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken van China  en een internationale selectie.  Ongeveer 100 diplomaten uit 37 landen waren aanwezig.

Ahmed Latheef van de Ambassade van de Maldiven was de organisator. Hij was zelf in 1990 nog een speler van hoog niveau, deelnemer aan de Asian Games 1990. Vorig jaar had hij op 50 dagen voor de Olympische spelen ook al een eerste tornooi ingericht. Nu was zijn tornooi veel belangrijker en haalde de hoofdlijnen van het nieuws in China. De diplomaat-inrichter  is overtuigd dat dit een enorme invloed zal hebben op de verbetering van de onderlinge relaties van de ambassades en internationale instellingen die zich te Peking bevinden. Het is belangrijk dat diplomaten tonen  en bewijzen dat zij goed weten wat pingpong is, want deze sport is zeer populair bij het grootste volk van deze wereld. De ernstige diplomaten , in korte broek en op sportpantoffels, kunnen op één dag op zo'n pingpongtornooi meer echte vrienden maken dan tijdens lange meetings en dure recepties, door gewoon wat samen te pingpongen, aan de bar een pintje te pakken, en zelfs na de sportinspanning samen op een rij een douche te nemen.  Meerdere belangrijke diplomaten , zoals de man van Australië  en Bernard Coquelin van de UNO spraken lovende woorden .  Zij willen reeds trainen voor volgend jaar om beter te worden.  De winnaars op deze Guan Ai Cup  waren de Russen want zij hebben tussen de ambtenaren van hun ambassade spelers en speelsters  die het beste kunnen omgaan met pingpongballetjes. 
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Papoum om 02:02 1 reactie Reageer op dit bericht

Rome 1996 - Chi va piano, va sano e va lontano.

Affiches, pijlen, bonte volgwagens met een reserve wielen en fietsen, motorrijders, carabinieri, wijzen er op dat in de omgeving een wielerkoers zich op gang zal brengen. Ik kom weldra te weten dat het de Giro della Regione Toscana is voor Elites en Beloften. Tegen de middag koop ik proviand en aan een tafel van de christelijke jeugdbeweging ga ik zitten voor een picknick. Met zicht op een kapel , op bloemenperken en op de steenweg naar Montecatini Terme, eet ik bonen met mayonaise met wat brood. Ik drink een flesje Gatorade met citroensmaak. Deze combinatie is geen goede keuze, vooral om een maag te vullen die vorige avond gelukzalig was door de chianti. Ik blijf daar niet lang en vertrek. Doorheen het luchtige en lichtvolle landschap van Toscanië fiets ik verder met weinig overtuiging mijmerend over lieflijke madonna's die ik zag op de schilderijen te Firenze. Ook denk ik aan Bartali die op deze wegen sneller kon rijden. Verder verwens ik mezelf en ben ik kwaad op mijn eigen omdat ik mijn planning niet heb gevolgd. Twee maanden geleden had ik op papier gezet dat ik te Pistoia het Ospedale del Ceppo moest bezoeken en gaan eten in het befaamde restaurant San Jacopo. Maar ik ben vergeten te kijken op het papier dat boven op mijn stuurtas steekt omdat ik als een zombie mijn pedalen martel en met lege kop aan het vorderen ben. Spijtig, maar ik zal toch maar niet terugrijden naar Pistoia want op de weg naar Rome is er nog zoveel om te stoppen. Aan een terrasje neem ik dit alles in overweging tijdens het drinken van bier en het doorbladeren van kranten die daar voor de verbruikers liggen. Aan het tafeltje naast mij zitten mannen en een vrouw. Terwijl ik mijn neus in de kranten steek, probeer ik het Italiaans te verstaan dat zij spreken, niet uit onbeleefde nieuwsgierigheid maar om mijn taalkennis te testen. Na een tijdje besef ik dat zij eigenlijk  Portugees spreken en dat maakt duidelijk waarom ik ten onrechte denk dat mijn kennis van de taal van Dante nog altijd  laag bij het nulpunt blijft. Daarna rijd ik op mijn gemak door het kuuroord Montecatini Terme, waar alles doet denken aan Spa in de Luikse Ardennen. Maar het is toch waarschijnlijk in deze tijd wel groter, met 250 hotels in alle prijsklassen, een plaats om te ontvluchten uit de stress, te onthaasten, geestelijk en lichamelijk te verbeteren. Zal ik hier een hotelkamer zoeken  ?  

Op dat ogenblik verplicht een rood verkeerslicht me om te stoppen.  Ik maak van de gelegenheid gebruik om eens op mijn wegenkaart te zien. Het wordt groen en terug rood.  Plots stopt daar aan dat kruispunt een auto van de Belgische wielerploeg ASLK-Eddy Merckx . Eén enkele man zit achter het stuur.  Zou dat Valerio Piva zijn, die man met zijn trieste blik ?  Op de sportbladzijden van de krant die ik enkele minuten eerder overliep, stelde ik vast dat mijn landgenoten in de Toscaanse Giro niet veel presteerden en dat ene Nunzio Ripamonti er toont hoe in Toscane moet worden gekoerst. Maar regelmatig vertelde Piva wel op recepties dat het  Eddy Merckx Team zorgt voor de toekomst van onze wielersport. Als het verkeerslicht terug op groen slaat, schuift de schone wagen van de sportbestuurder van mij weg. Pech, heb ik wel, want vandaag ben ik aan het fietsen in neutrale kledij , niet in ASLK-Eddy Merckx outfit,  en niets laat vermoeden dat ook ik gesponsord ben door moeder Spaarkas, waarvoor ik ruim dertig jaar een Brabants trekpaard was. 'Vergeet toch die ASLK  !" prevel ik tegen mezelf, terwijl ik me met mijn dijen en kuiten terug op gang breng, doet de auto van die beloftenploeg dat op banden en met benzine betaald door de spaarboekjes die met getrouwheids- en aangroeipremies, voorheffing en inflatie inbegrepen, weinig intrest opbrengen.

Ik rijd verder, maar te veel zweet komt nu mijn pret bederven. Braakneigingen kondigen zich aan. Noch mijn vroeger werk op de ASLK noch mijn picknick nabij die kapel zijn verteerd,  en dat biertje op het terras ook al niet.  Ik kom aan een muurtje van een halve meter hoogte waarachter een greppel en brandnetels. Dit is ideaal om mijn fiets tegen te laten leunen en om eens te proberen of ik mezelf niet kan gezonder maken door mijn eigen lange middenvinger eens diep in mijn keelgat te duwen. De reactie volgt. Wat pijnlijk maar noodzakelijk.  Met drie grote gulpen kan ik mijn ontstelde maag ledigen. Wat een verlossing !  Ik drink daarna wat water en twee pilletjes Rennie uit mijn pharmaciedoosje doen wonderen. Nog enkele minuten en alles gaat weer prima. De teller die de boekhouding van de kilometers bijhoudt, is weer goed aan het werken en ik beweeg flink tot in Collodi, even rechts van mijn route. In een pretpark voor kinderen en autobustoerisme woont daar Pinocchio. Na een verkenningsronde en wat slenteren tussen de winkeltjes verlaat ik een uurtje later dat Pinocchioland.

Wegwijzers kondigen weldra de stad Lucca aan. Dat brengt mij in gedachten terug thuis bij mijn hondje Luca, de Welsh terriër, volwaardig lid van onze familie, en bij Lucas   - opnieuw in de verleden tijd op mijn werk - een technieker die alarmtoestellen, lichtreklames, electriciteitskasten, kwam regelen of herstellen tot op een zekere dag toen hij na hartinfarct  was doodgevallen en wij hem niet meer zagen. Die goede oude kerel genoot nooit van één enkele dag pensioen, terwijl ik in Toscane dat met vele teugen wél mag doen.

Het landschap van Toscane is hemels. Tussen de cipressen en de neerdalende olijfgaarden staat af en toen een oud huis om te wonen of soms een kerkje. Daar is het goed voor meditatie, gewetensonderzoek, even fris in de schaduw te zitten, een kaarsje te branden voor een heilige die elders al lang is vergeten. De oude stad Lucca bevalt me zeer vanaf  het eerste contact. Schitterende stadswallen duiken op. Aan een oude man op een fiets vraag ik het plaatselijke Ostello per la Gioventu. Deze man is fier om tonen dat hij goed Frans kan spreken. Hij werkte omstreeks 1950 in de Luikse fabrieken en hoort graag dat hij waarschijnlijk toen gewerkt had met mannen uit mijn dorp. Ook op de trein had hij bij ons gezeten. Die vertrok uit Gare des Guillemins. Hij verzekerde mij dat hij nooit in de Rue Varin was geweest bij de meisjes omdat hij toen niet alleen de franken spaarde maar zelfs ook die kwartjes met een gaatje in het midden. Hij piloteert me tot aan een kruispunt waar een verkeersplaat me duidelijk de weg naar de jeugdherberg toont.  Merci beaucoup, cher camarade. De man was 72 jaar, reed elke dag met zijn fiets met achteruitkijkspiegel en rood vlaggetje. Weldra bereik ik mijn doel, een kleine en propere jeugdherberg die sympathieken modern oogt door de vele ruiten en de metalen trappen.

Ik krijg nog een plaats. Ook op mijn beleefde vraag  langzaam uitgesproken in de Franse taal of ik zoals de  Italianen die mij voorafgingen ook zo'n grote schotel met insalata, eieren, kaas, tomaten, en brood  kan bekomen, antwoordt de gastheer positief. Ik zie dat die man moet zorgen voor de bar en voor de keuken en voor al de rest. Het administratieve werk is in de handen van een ietwat slaperige juffrouw, bij wie ik me haast om mijn inschrijving in orde te brengen want er komen regelmatig nieuwe kandidaten binnen voor een bed in die  jeugdherberg. Met op zak de sleutel van een kamer neem ik plaats nabij de bar en weldra geniet ik van een fles Duits bier en van mijn vegetarisch schotel met mozzarella. De barman-keukenpiet is een geweldige kerel. Binnen hetzelfde kwartier hoor ik hem Duits, Engels, Frans, Toscaans, praten met alle vlotheid van de wereld. Hij verkoopt goed aan zijn bar. Hij is flexibel, intelligent, polyvalent, en eigenlijk zou hij in de Commedia del Arte ook de clown kunnen spelen. Ook probeert hij tussendoor de juffrouw van de administratie te versieren, maar ik meen te begrijpen dat er tussen die twee toch een haartje in de boter is gevallen want zij vergeeft hem een misstap niet die hij onlangs zou gedaan hebben. Ik bestel nog bier, wil de clown er eentje betalen, maar hij zegt  dat hij op dat uur nog niets mag drinken omdat hij betaald is om hard te werken.

Terwijl ik op het einde van mijn tomaten ben gekomen, dringen twee heren uit het fiere Albion de jeugdherberg binnen. Zij hijgen en zweten, jammeren en klagen. Door slechte wegwijzers zouden zij wel vijf mijlen verkeerd zijn gelopen met hun zware rugzakken. Zij hebben een boekje waar de Ostello van Lucca op een andere plaats is gesitueerd en verwijten dat te Lucca weinig voorzieningen zijn voor wandelaars en dat niemand er weet waar de Ostello is. De clown van de bar vangt ook deze knorpotten op. Hij brengt hen tot bedaren door uit te leggen dat zij bij hem nog terecht kunnen voor bed en drank, en dat zij daarom wel gelukkig mogen zijn. Maar op de vraag van de Engelsen om zoals ik ook zo'n schotel te kunnen krijgen, straft hij hun gedrag door kordaat negatief te antwoorden. Op mijn glimlach en in de Franse taal was het   ' Si ',  en met hun lelijk gezicht en in het Engels was het ' No ' . Ik draag persoonlijk mijn lege schotel, bestek en broodkorfje terug naar de keuken waar ik mijn gastheer feliciteer voor het eten, voor zijn aanpak, en voor zijn talenkennis. Zo ben ik wellicht de voornaamste bezoeker van de Ostello geworden op die avond. De gastheer-barman  legt mij dan het volgende uit. ' Ik doe hier alles, tutti tutti  en tutti frutti ... . Ik spreek alle talen, met mijn tong, met mijn gezicht, met mijn handen, met mijn vuisten en met mijn voeten, en dat is hier in de nieuwe  Ostello van Lucca wel nodig ' .  O, zei hij nog ,' ik vergat nog mijn lippen '   ... en dan gaat hij plots de nek van het meisje op het bureel kussen. Zij reageert zwakjes, maar het is duidelijk dat deze madonna de jonge hevige baas van de Ostello van Lucca niet zal aanklagen voor ongewenste intimiteiten.

De Ostello is niet veel groter dan een gezinswoning voor wat betreft het centrale gedeelte, maar door trappen, muurtjes, afdaken, bergplaatsen, gangen, toiletten, inkomhal, plaats om iets te drinken waar enkele stoelen en tafels staan, kleine keuken maar geen eetzaal, parking , is er toch veel ruimte. Op die datum zullen er zowat zestig of  zeventig jongeren logeren  ( waarbij enkele veteranen zoals mezelf) en die nacht moet ik op een bovenste bed slapen te bereiken via een laddertje. Ik onderbreek mijn slaap tweemaal voor een bezoek aan het toilet en het verwondert mij dat ik nog veel souplesse heb om in en uit mijn hoog gelegen rustplaats te kruipen.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Papoum om 00:00 Reageer op dit bericht

Rome 1996 - Mijn dagen in Firenze (2) .

Zwervend door de mooie oude stad kom ik aan een paleis waar een tentoonstelling loopt die gewijd is aan Leonardo da Vinci. Deze 'uomo universale' werd me steeds als een belangrijk man voorgesteld. Hij was een geniale autodidact, schilder, architect, uitvinder, ingenieur, filosoof, natuurkundige, scheikundige, beeldhouwer, schrijver, componist. Na een zeer gevuld leven stierf hij in 1519. Vermits ik reeds Clos Lucé had bezocht aan de Loire in Frankrijk, vind ik dat deze tentoonstelling bezoeken een must is tijdens mijn toeristische dag te Florence. Merkwaardige toestellen vervaardigd in hout, beeldschermen, tekeningen, tonen wat Leonado en zijn tijdsgenoten vermochten. Zeer interessant is het verkleind model van de Duomo met een begrijpbare uitleg in diverse talen waarom dit zo bekende bouwwerk een technisch wonder is. Hoed af voor Filippo Brunelleschi. Ik denk aan de architect die vijf eeuwen later moest zorgen dat mijn eigen huis er kwam. Na een uur in de zalen van die tententoonstelling krijg ik plots een inzinking. Naar buiten vlucht ik ,waar de betere lucht en een grote ijskreem me weldra terug opknappen. Ik kuier verder door de straten, kijkend naar het bonte volk, naar de  winkels van Via della Vigna Nuova , naar het aanbod op de overdekte markt, naar een kunstwerk van Giambologna, en soms aan de rand van de voetgangerszone zie ik zwermen scooters.  Doodmoe ben ik wanneer ik weer dicht bij de Duomo kom en bij de bushalte waar terugkeer  naar Fiesole mogelijk is.  De stadsbus met het goede nummer 17 komt weldra aangereden en ik rep me om op te kunnen stappen met het tweede buskaartje dat ik 's morgens heb gekocht . We rijden langs kleurloze straten terug naar de voorstad.  

Ik bereik terug mijn tent in de tuin van de jeugdherberg.  Een rosse poes was er in geslaagd binnen te kruipen  omdat ik een ritssluiting van de binnentent niet volledig dicht had getrokken. Zij kon de hele dag op mijn slaapzak liggen. Ik jaag deze squattende zwerfkat weg. Tijdens de volgend uren herstel ik vier binnenbanden met zeven rustines. Een grondig nazicht van velgen en nippels is ook mijn intense bezigheid. Ik vijl, schuur, poets, en plak beschermende tape helemaal rond beide wielen in de hoop dat mijn binnenbanden minder zullen lijden door wrijving en gewicht. Twee andere fietskampeerders houden mij al die tijd in het oog.  Zij zien hoe onhandig ik wel bezig ben. Zelf rijdt het koppel op het allerkeurigste materiaal, alles van Agu, en zij menen de topklasse te zijn in het enge milieu van de camping . Met hun tweetjes hokken zij samen, eten uit kleine pannetjes, en begluren de andere kampeerders met een Mona Lisa glimlach. Natuurlijk Hollanders, maar om geen tijd te verliezen vertik ik het van een praatje te gaan maken in onze gemeenschappelijke taal, en zij kunnen aan niets van me zien dat ik een Vlaming ben. Ik heb al een plastieken Michelin bandafnemer kapot gewrongen en een metalen nietjesverwijderaar Bostick. Door die nieuwe tape is het moeilijker geworden binnen- en buitenbanden optimaal terug paraat te krijgen. Het daglicht is bijna verdwenen wanneer ik al mijn repareermateriaal terug mag opbergen in een van mijn Karrimors. Met schuimende zeep krijgen mijn handen daarna een noodzakelijke beurt. Ik stel vast dat mijn was nog niet droog is, doch ik hoop dat de lauwte en de lichte wind van die avond dit nog  zal verbeteren. Honger alarmeert me. Ik verlaat de jeugdherberg van Fiesole via de lange laan tussen de hoge bomen. Wat later stap ik het restaurant binnen  waar ik de vorige avond met Tracy & co  rode wijn was gaan drinken.  Er zijn op deze vrijdagavond veel luidruchtige Florentijnen aan tafel.  De wijn is er goed  en de naam van het eethuis klinkt ook goed  ' Le Clochard'  . Aan een tafeltje kom ik tot bezinning, geholpen door chianti, rijst met spinazie, vleesschotel van de chef, insalata,  ... wat een dag ! Ik denk aan mijn overleden vader, de ironman die tegen hoog toeristisch tempo drie weken zo kon leven om daarna terug op zijn kantoor terug te verschijnen als een vermagerde kater. Ik besef dat mijn leven waarschijnlijk nog zelden op dit niveau zal kunnen doordraven. De smaak van het oude Florence drong diep in me binnen .

Florentins 'créateurs de beauté ',  mannen en vrouwen, mensen van Firenze, elegant, levendig, beschaafd, matbruin van huidskleur, spontaan van gebaar, goed en smaakvol gekleed, met een fiere glans in de ogen, bewaarders van een groot verleden, een mooi volk, ik heb ze vandaag gezien. Maar ik zag nog niet alles, proefde nog maar een snuifje. Ik kwam tot net zo ver een pelgrim mag komen, een pelgrim die verder moet. De rijkdom van Florence is nog oneindig groot. Er is nog leven en toekomst. Het is voorzeker niet zoals Venetië, dat op de aangekondigde dood wacht, en waar het water van de kanalen zwaar en niet zo fris meer is. Maar ook te Florence was het aardse leven nooit een hemel, want rivaliteit, misdaad, hebzucht, uitingen van haat, hadden er bestaan. Maar dat alles werd uitgeveegd en vergeten. Alleen de schoonheid van de kunstwerken  is gebleven om de kijker en de voorbijganger een goed gevoel te bezorgen.
 
De chianti zit goed in mijn kop en mijn geldbeurs is 53.000 lires lichter wanneer ik  Le Clochard verlaat. Verdorie, wat doen mijn voeten pijn en wat zijn mijn benen zwaar, want na zoveel fietswerk hebben zij voetwerk verleerd.  Zwijmelend strompel ik door de Florentijnse nacht tot aan mijn Alpino. Ik ben op en ik kleed me zelfs niet uit. Plof  ... ik laat me op het dons van mijn slaapzak vallen. Maar wanneer ik ook mijn hoofd neer leg, springt er op de hoogte van mijn nek iets weg dat luid en kwaad ...  miaaaaouu ... krijst. Het is weer die rosse kat. Ook tijdens deze nacht wil zij in mijn huisje slapen. Stoute kat, ga naar buiten bij de katers, of ga veldmuizen vangen in de tuinen van Fiesole, maar dit is mijn nest en niet dat van een rosharige vierpootster.  Misschien was jij in je lieve vorig leven een courtisane van plezier die eens het bed mocht delen met Lorenzo El Magnifico, maar vannacht in je gereïncarneerde toestand mag je dat niet met mij.  Ik smijt die smerige poes harteloos buiten.  In vino veritas.  In  "Le Clochard"  komt geen goedkope Fitou op tafel, maar wel echte Chianti.  Weinige hartkloppingen later is het voor mij reeds ... ron,ron,ron, ... snurk, snurk, snurf, ... maf, maf, maf.

Maar die kat komt weer, die volgende komt die kat steeds weer. Na haar nachtelijk buitenleven, amper enkele uren later is de Florentijnse katin er terug. Zij wil stiekem een plaatsje veroveren onder mijn tentzeil. Dat gaat niet want alles is nu potdicht, alle ritssluitingen zijn 100% toe, en mijn bagage blokkeert alle mogelijke ingangen. De muizeneetster kan niet binnen en wordt woedend. Met razernij springt zij aggresief enige keren pardoes op mijn tent. Dan hoor ik niets meer. Maar wat later hoor ik een geschuifel in de nacht. Ik kruip uit mijn binnentent met mijn lamp en ik kan de kop van die rosse kat zien aan de kant van de wielen van mijn fiets. Zij vond toch ergens de mogelijkheid om met kop en twee poten binnen te geraken terwijl haar lijf, staart en achterpoten nog aan de buitenkant zijn. Ik geef haar een stamp, kruip uit mijn tent, en loop haar achterna met zeer dieronvriendelijke bedoelingen. Eindelijk geeft de rosse poes het op en ergens anders zal zij gaan slapen. Een geluk dat ik nu wakker ben, want zo kan ik mijn was van de draad plukken. Het is immers zo dat er eerst wat druppeltjes vallen op dat moment van de nacht, die een vijftal minuten later worden gevolgd door hevige regens. Zoals de vorige nachten gaan de hemelsluizen open over Toscane. Alle schone tuinen , waar de appelsienen, olijven, druiven, vijgen, bloemen en planten groeien, zijn weldra kletsnat en dat is ook zo met de kat. Misschien kneep ik haar wat te ruw in het donker. Het werd toch dank zij haar dat ik de droogheid van mijn was kon bewaren. Zou zij misschien een in de tuinen van Fiesole verblijvend spook zijn uit dat erotisch Decamerone boek van Boccacio, veroordeeld en verdoemd door een paus uit vroegere tijden. Zij wilde gewoon met mij onder éénzelfde dak, in dezelfde slaapstee en zij was reeds huiselijk zorgend voor mijn was. Maar, ja, ik begrijp te weinig van vrouwen.  Ik ben een enkeling, een pelgrim, een monnik bijna. Onder welke vorm zij ook voor me verschijnen, in het werkelijke, in droge of in natte dromen, in reïncarnatievorm, vermomd als kat of als slang, ik gedraag me steeds te lomp, te hardhandig; te bedeesd of met te weinig romantiek. Maar ik troost me,  want zelfs een groot genie als Leonardo da Vinci, die soms zelfs geciteerd wordt als één van de uitvinders van de fiets, de homo universalis, begreep vrouwen niet.

Uren later. De geluiden van de ochtend maken mij wakker. Zoals vorige dag heerst er weer paniek op de camping. Als geredde drenkelingen na een zondvloed proberen de natte kampeerders hun materiaal te recuperen. Eigenlijk had ik er de beste en de hoogste plaats. Mijn tent stond onder de dichte takken van enkele bomen. Weinig regen kon mij treffen.  Het regent nog altijd een beetje. In het hoofdgebouw, een reusachtige villa, neem ik mijn identiteitskaart terug in ontvangst na betaling van 30.000 lires voor twee campingnachten. Een ticket van 2.500 lires biedt me een licht ontbijt in de eetzaal.  Daarna wandel ik terug naar de camping. Op het voetpad vind ik een mooi tweekleurig geldstuk van 500 lires. Zo'n vondst betekent dat de nieuwe dag me geluk zal brengen. Ik inspecteer nu de tent die ik vorige dag kreeg van de blonde Amerikaan en zijn lief. Het is maar goedkope kwaliteit. Ik gooi de natte grondmatjes weg en ook mijn grote plastiek die me al dienst had bewezen gaat de vuilbak in. Ik kreeg wel een goede 'toile ciré ' en die wil ik gebruiken in de toekomst. Omdat de tent met stokken, haringen, koorden, compact in een sporttas steekt, zal ik die meenemen. Dat betekent dat na wegwerpen en verlies van het een en het ander, ik nu terug een fiets heb die even zwaar is geladen als één maand geleden in de begindagen van mijn tocht. Tussen twee regenwolken in verlaat ik de tuinen van  Fiesole, maar amper tien minuutjes later moet ik fietsen in een wolkbreuk tussen de auto's op de ringlanen van Firenze. Is al dit water hemels uit de blauwe lucht van Toscane, of is dit water hels uit het inferno van Dante  ?

Het spat, drupt, giet, op de boulevards, op de daken, in de straten, en het verdwijnt in de riolen om wat later de Arno te doen opzwellen en te keer gaan als een schrikaanjagend monster. Zo kort na de start,  en pfff ... weer een platte band. Tiende bandbreuk. Ik vlucht weg uit de natte miserie  en vind een droge plaats aan de ingang van de lege kantoren van Touring Club Italia, waar geen ambtenaar op zaterdag werkt. Even bid ik en hoop ik dat tussen de stedelingen met paraplu plots als een barmhartige Samaritaan daar de Heilige Gino Bartali zal stoppen om mijn fietsband te herstellen. Maar de Florentijnse wielergod zit lekker op droge pantoffels de Gazzeta dello Sport aan het lezen, kuchend en gorgelend met San Pellegrino water, reeds zijn elfde sigaret van de dag rokend. De oorzaak van mijn zoveelste bandbreuk doet mijn weinige maar natte haren rechtstaan. Tussen binnen en buitenband was gisteravond een afgeknakt stukje metaal terechtgekomen van mijn eigen Bostick werktuigje. Dat  scherpe vuil doorboorde mijn gerepareerde binnenband zonder moeite. Hoe dom van mij ! Een binnenband moet steeds goed proper gehouden worden. Ik zit daar met natte benen en natte broek op een stenen trap. Ellende en miserie !  Mijn band is spoedig terug vol goede Florentijnse lucht. Ik schuil me tot na de regenbui. Om de tijd nuttig door te brengen kuis ik mijn stuurtas eens uit en zet er orde in. Papier, etensrestjes, plastieken zakken, dat verdomde Bostick ijzertje  en een onpropere keukenhanddoek, gooi ik in de vuilbak van Touring Club Italia.

De stadskern van Florence  - of van Firenze voor wie dit liever leest -  is omgeven door een brede moderne agglomeratie waar de auto meester is. Gedurende  15 km moet ik rijden door een krans van commercie en industrie. Nattigheid. Gevaar. Getoeter. Verkeerslichten. Wegwijzers.  Ik zoek de richting van Prato. Ik vind de richting van Prato, maar in de fietsonvriendelijke verkeersdrukte ben ik die richting al weer vlug kwijt. Ik zie dan dat ik op weg naar Pistoia ben  en dat is ook een goede richting.  Weldra fiets ik met een goed tempo op de S66 , maar omdat werken en omleidingen me het moeilijk maken deze stad te benaderen, en ook omdat mijn benen goed de pedalen rond krijgen laat ik Firenze hoe langer hoe mee achter me. Weldra nader ik Montecatini Terme.

369287-147e5f1d788f0f9d58666e5d076e4fb1.jpg

369287-5dfc61e043ceaccb03a35c64ef399e4a.jpg
Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Papoum om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Verder dan Rome loopt de weg.

↑ Terug naar de berichten