Reisverslagen

01-08-1997
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ZEVENDAAGSE NAAR DE KASTELEN VAN DE LOIRE 1997 deel 2
Klik op de afbeelding om de link te volgen







kasteel van Blois






01-08-1997 om 00:00 geschreven door David Maes


>> Reageer (0)
02-08-1996
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.NOORD-FRANKRIJK 1996 deel 1

REIS NOORD-FRANKRIJK

VAN 2 TOT 8 AUGUSTUS 1996

1ste dag - 2 augustus 1996

Kilometerstand: 32.573

We vertrekken vanuit Oostduinkerke om 08.05 u. We rijden via Koksijde, De Panne, het nieuw rond punt te Adinkerke naar Ghyvelde. Na 16 km bereiken we de Belgisch-Franse grens. Nog steeds is de autosnelweg E40 niet afgewerkt. Het stukje tussen Adinkerke en Ghyvelde ontbreekt nog (afwerking voorzien voor 1997). In Ghyvelde nemen we de autosnelweg richting Boulogne. We verlaten de autosnelweg te Couderkerque-Branche en rijden via Bergues (Sint-Winoksbergen), Quadypre, Bissezeele en Erckelsbrugge naar Sint-Omer. In Sint-Omer nemen we de N43 richting Bethune. Ongeveer 15 km voor Bethune stoppen we even. Om 10.30 u bereiken we Bethune na 125 km gereden te hebben. We kijken even rond in het centrum (de St.-Vaastkerk en het Belfort) en kopen ondertussen belegde sandwichen om deze middag te verorberen (17FF). Wat me opvalt is dat de campanile van het belfort voorzien is van vier roephoorns (om de stadsberichten uit te roepen?). Om 11 u vertrekken we en zoeken in de wijk Quinty de Sint-Elooikapel, de zetel van de “Charitables”, een broederschap gesticht in 1888, door twee smeden, die tot doel had de pestdoden te begraven. Daar er even buiten Bethune een dorpje ligt met de naam Quinchy is het even opletten geblazen om geen vergissing te begaan. De Sint-Elooikapel ligt op de uitvalsweg van Bethune naar Lens. De kapel zelf is gesloten. We lopen even door het ernaast liggend park. Vervolgens keren we een 100-tal meter op onze stappen terug om in een Aldi enkele blikken frisdrank te kopen(13FF).

Omdat we veel te vroeg zouden aankomen in ons hotel in de buurt van Arras veranderen we onze reisweg. Eerst nemen we de D937 richting Arras en nemen in Noeux-les-Mines de D65 naar Hersin en vervolgens de D57. Net voor Cambligneul nemen we de D341 tot Mont-Saint-Eloi. Op onze kaart staat een uitzichtpunt aangegeven in dit dorpje. We verlaten de D341 en rijden naar het dorpscentrum van Mont-Saint-Eloi. Een eerste grote verrassing. Het dorpsplein is een groot mooi aangelegd grasveld waarop een tweetal picknick banken met tafels staan. Vanaf hier heeft men een prachtig uitzicht over een vallei. Langs de andere kant staat de ruïne - enkel de voorgevel met twee torens bestaan nog - van de gewezen abdij van Mont-Saint-Eloi. Het is 12.20 u bij onze aankomst en hebben 155 km gereden. Het dorpsplein nodigt ons uit om er de picknick te gebruiken. We blijven er tot 13.10 u

We vervolgen onze weg via de D49 naar Mont-Neuville-St.-Vaast en vervolgens naar Vimy. Reeds onderweg zie we in de verte het reusachtig monument, opgericht ter ere van de Canadese gesneuvelden in WO.I. We komen er aan om 13.30 u en bezoeken eerst de gerestaureerde loopgraven en vervolgens het monument zelf. We hebben 163 km gereden en blijven er tot 14.15 u. Een prentkaart kost 2,5 FF.

Omdat we nog wat tijd kunnen spenderen rijden we naar Notre-Dame de Lorette waar op de wegenkaart eveneens een uitzichtpunt staat aangegeven. Op het hoogste punt ligt een Frans oorlogskerkhof uit W.O. I. Eerst bekijken we de kapel en vervolgens bezoeken we de toren die de vorm heeft van een vuurtoren. We blijven er van 15 u tot 15.40 u. Op de benedenverdieping zijn een groot aantal lijkkisten opgebaard waarin telkens een onbekende soldaat ligt die afkomstig is van de Franse slagvelden tijdens W.O. I. Het bezoek aan de toren en het museum kost 2 x 5 FF. “Museum” is echter een groot woord voor de viertal kijkkasten waarin enkele relicten te zien zijn. De beklimming van de toren geeft een mooi uitzicht op de omgeving. We besluiten na afloop iets te gaan drinken in een café in de onmiddellijke buurt van het kerkhof. Het ongezellig interieur doet echter eerder denken aan een fabriekskantine dan aan een café-restaurant.

Vervolgens zoeken we stilaan het hotel Formule 1 van Tilloy-les-Mofflaines op, dat we zonder problemen vinden. We komen er aan om 16.20 u en moeten dus nog tot 17 u wachten om binnen te kunnen en een verfrissende douche te nemen. Formule 1-hotels verwijzen meestal naar een restaurant in de buurt. Hier duidt men een Courte-Paille-restaurant aan, gelegen langsheen de autosnelweg A 1 richting Douai. Voor de gasten van Formule 1 wordt er een speciaal menu aangeboden tegen gunsttarief (59 FFpp). Samen met twee porto’s en twee koffies kost dit etentje ons 168 FF. In de “buurt”, naar onze maatstaven, is het restaurant wel niet gelegen want we moet een goede 10 km rijden om het te bereiken.

Vooraleer terug te keren naar ons hotel rijden we nog even naar de dorpskern van Tilloy-les-Mofflaines. Recht tegenover de kerk bevindt er zich een kasteeltje omgeven door een mooi park. Voor het kasteel ligt een prachtig aangelegd bloemenperk. De datum van vandaag wordt er gevormd door planten (in bakken gekweekt - iedere dag wordt de datum aangepast).

Om 20.15 u zijn we terug in het hotel. Het weer was zonnig, niet te warm of te koud. We hebben vandaag 230 km gereden.

2de dag - 3 augustus 1996

Vandaag staat een stadsbezoek aan Arras op het programma. Omstreeks 8 u vertrekken we richting stad, op amper 10 minuten rijden gelegen. In Frankrijk is het nog volop verlofperiode. De meeste steden ontwaken pas om 10 u in de ochtend. Op een grote laan vinden we gemakkelijk een parkeerplaats in de buurt van de Grand Place. Het is zaterdag en marktdag. De marktkramers nemen een deel in van de Grand Place alsook de Place des Heros, het pleintje achter het stadhuis en het belfort en de straten die deze pleinen verbinden. We kuieren wat rond op de twee grote pleinen (Place des Heros en Grand Place) met hun typische huizen in Vlaamse stijl en voorzien van palissaden. De Place des Heros vinden we een stuk gezelliger dan de veel grotere Grand Place. Voor het stadhuis speelt een Pools orkestje er duchtig op los. Eerst bezoeken we de kathedraal. Het is even na 10 u wanneer we het stadhuis binnenstappen voor een bezoek aan de onderaardse gangen die de stad rijk is. We moeten echter wachten op de gidsenbeurt van 11 u. Ondertussen bekijken we het Historama (diabeelden voorzien van een klankband - op CD en in het Nederlands). Het Historama geeft een goede eerste indruk over de geschiedenis van Atrecht (=Arras), voorheen een Vlaamse stad. Na het Historama en nog enkele minuten wachten, bezoeken we de onderaardse gangen (ook boves genoemd). Met een bestendige temperatuur, zowel ‘s zomers als ‘s winters, van 11 graden boden de gangen tijdens diverse periodes onderdak aan de inwoners van Arras of aan legereenheden (b.v. tijdens W.O. I). Sommige delen van de gangen worden nu als privekelder gebruikt. Op het einde van de rondgang vertelt de jonge vrouwelijke gids het verhaal dat er vroeger een gang zou geweest zijn die liep naar de kilometers verder geleden abdij van Mont-Saint-Eloi. Blijkbaar heeft ze gezien dat ik wat ongelovig met het hoofd schud want ze voegt er snel aan toe dat het hier vermoedelijk om een legende gaat. Verhalen over onderaardse gangen komen bijna in alle steden voor maar kunnen zelden bewezen worden. We betalen 62 FF voor het bezoek aan de gangen en het historama en 36 FF voor een prentkaart en een boekje postzegels.

Na het bezoek aan de gangen, het is ondertussen middag geworden, zoeken we een geschikte gelegenheid op om een belegde sandwich te eten (73 FF voor 3 sandwichen en 2 cola’s). Op de markt kopen we wat fruit (11 FF) en in een winkel blikjes frisdrank (25 FF) die ik naar de koelbox breng die in de auto staat.

In de namiddag, terwijl Lea wat winkels aandoet, bezoek ik de gewezen Sint-Vaastabdij, nu archeologisch museum en museum voor schone kunsten (15 FF).

Na onze afspraak om 15.30 u aan het stadhuis nemen we de auto en rijden naar de stadsrand om een kijkje te nemen aan de citadel. De citadel zelf is slechts op zondag te bezoeken maar een bordje wijst de weg naar de “Muur der Gefusilleerden”. Deze is achter de citadel gelegen. Hier werden tijdens W.O. II heel wat weerstanders terechtgesteld. Vooraleer naar het hotel te rijden drinken we nog iets in het café-restaurant naast het station.(24 FF)

Om 17 u rijden we naar het hotel om, na ons wat verfrist te hebben, terug naar de stad te rijden. Achter het stadhuis van Arras hadden we een geschikte gelegenheid gevonden om een stevig maal te gebruiken: de O.K.-pub. Het eten valt er best mee maar het is niet in verhouding met wat we betaalden (333 FF)

In de loop van de dag hadden we in de buurt van het stadhuis en de kerken verschillende huwelijken gezien. Het lijkt in Arras de gewoonte te zijn, als er een trouwstoet wegrijdt van het stadhuis of de kerk, alle auto’s van de karavaan aan het claxonneren gaan. Na de kerkdienst worden er knallers of voetzoekers afgestoken.

Wanneer we terug in ons hotel aankomen valt het mij op dat er weinig wagens op de parking staan. ‘s Anderendaags wordt het ons duidelijk dat een groot deel van het hotel was afgehuurd door de deelnemers aan een trouwpartij. ‘s Morgens staat de parking bomvol. De meeste wagen zijn versierd met witte linten.

3de dag - 4 augustus 1996

We vertrekken vanuit het hotel om 8 u. We nemen de D939 naar Cambrai (Kamerijk). Op de weg naar Cambrai krijgen we af te rekenen met mist. We bezoeken de stad van 8.40 u tot 9.15 u. We hebben 35 km afgelegd. De St.-Gerykerk (St.-Goriks en St. Aubertuskerk) kunnen we niet in wegens de aan gang zijnde dienst. Ik neem enkele foto’s van het belfort en van de gewezen Jezuïetenkapel. In de buurt van de kathedraal van Cambrai is er rommelmarkt. In de kathedraal vallen ons vooral de mooie grauwschilderingen (grisailles) in de transepten op.

Vervolgens gaat het via de N44 naar St-Quentin (St-Kwintens) waar we halthouden van 10.15 u tot 11.00 u. We hebben 80 km gereden. Het centrum van de stad valt op door zijn mooi marktplein en nette voetgangerszone. Na enig zoeken vinden we een bakkerijtje en kopen er 3 belegde sandwichen en 2 eclairs voor 64 FF. Aan de rand van de stad tanken we een eerste maal (154 FF voor 25,50 l aan 6,09 FF/l)

Vervolgens nemen we de N44 tot La Fère alwaar we de D13 willen nemen richting St.-Gobain. Na even zoeken, we waren blijkbaar het juiste kruispunt voorbij gereden, vinden we toch de juiste weg. Enkele kilometers verderop duiken we het prachtig bos van St.-Gobain binnen. Minutenlang rijden we over een bijna verlaten schaduwrijke weg. In St.-Gobain volgen we verder de D13 tot Septvaux. Daar staat de gewezen abdij van Premontrè reeds aangeduid (via de D14). Enkele kilometers voor de abdij gebruiken we onze picknick. We zijn nog steeds in het bos van St.-Gobain. We hebben 112 km gereden en pauzeren van 12 u tot 12.25 u.

Pater Janssens van de abdij van Averbode had me verteld dat een bezoek aan de gewezen abdij van Premontrè eerder een teleurstelling zal zijn. Onze verwachtingen zijn dan ook niet al te hoog gespannen. Hoe meer we de abdij naderen, des te meer we ervan overtuigd geraken dat smaken kunnen verschillen. De prachtige omgeving en de indrukwekkende gebouwen vallen bij ons best in de smaak. De abdij is gelegen in een dal. De heuvels er omheen zijn bebost. Eerst rijden we langsheen de ellenlange abdijmuur en vervolgens, in het dorpscentrum, via de mooi aangelegde oprijlaan naar de omheiningspoort. Onderweg lezen we op een bord dat de bezoekers zich voor inlichtingen kunnen wenden tot de conciërge. Achter het poortgebouw ligt een bloemrijk park afgeboord door drie kolossale gebouwen. Ik vraag aan de conciërge of we in het park eens mogen rondwandelen, waarop hij mij prompt 2 sleutels in de hand duwt. De ene sleutel is voor het openen van de kapel gelegen in het hoofdgebouw. De tweede sleutel dient om het linker gebouw te openen om er de prachtige smeedijzeren trap met wapenschild te bewonderen.

Hier te Premontrè stichtte Norbertus van Gennep (de latere Sint Norbertus) zijn eerste abdij en orde: de Orde van Prèmontrè, ook Norbertijnen of Witheren (wegens hun witte ongeverfde pij) genoemd. De Norbertijnerorde breidde zich razendsnel uit. Tientallen abdijen rezen uit de grond, zowel in Frankrijk als in de Nederlanden (Vlaanderen en Nederland). Tot op de dag van vandaag kent de orde succes. In tegenstelling tot de andere kloosters of abdijen treden nu nog regelmatig jongeren in in een of andere Norbertijnerabdij. Enkele abdijen konden zich echter na de Franse Revolutie niet meer herstellen (o.a. Drongen)

Ons valt op dat de wapenschilden op de gebouwen nagenoeg onherkenbaar zijn, hetzij door de tand des tijds aangevreten, hetzij opzettelijk vernield door de revolutionairen. In de kapel kunnen we een brandglasraam ontdekken waarop St.-Norbertus is afgebeeld. In het zijgebouw bewonderen we de smeedijzeren trapleuning, op de eerste verdieping voorzien van het wapenschild van de abt die het gebouw liet optrekken. Voor de rest herinnert hier nog weinig aan de Norbertijnse tijd. Nu wordt de gewezen abdij gebruikt als psychiatrische instelling, wat we vlug merken wanneer we even langs de laan wandelen achter het hoofdgebouw. Hier zijn er door tralies afgesloten binnenkoertjes waarbinnen de geesteszieken kunnen verblijven bij goed weer. Onze indruk is dat het hier om vrij zware geesteszieken gaat.

Na het nemen van enkele foto’s en nadat we de sleutels terug hebben gebracht bij de conciërge, samen met een hartelijke bedanking, vervolgen we onze weg. Via de D552 gaat het naar Suzy en Cessières. Vandaar rijden we via de D7 naar Laon.

Laon bestaat uit een moderne benedenstad en een historische bovenstad. We rijden met de wagen naar de bovenstad en vinden een parkeerplaatsje op het plein voor het stadhuis. Voor een bezoek aan de kathedraal moeten we nog even wachten en dat doen we onder het drinken van een frisdrank (28 FF) op een terras net voor de kathedraal. Een prentkaart kost ons 5 FF. Na de kathedraal bezocht te hebben zijn we van plan een ritje te maken met het kabeltreintje, de Poma 2000. Dit rijdt op zondag van 15 u tot 18 u (tijdens de week ook in de voormiddag) tussen de bovenstad en het station in de benedenstad. We zien een leeg treintje naar boven komen, blijkbaar om de baan te testen, en dit nog voor we de kathedraal bezochten. Bij onze terugkomst aan het stationnetje, ruim na 15 u, is dit nog steeds gesloten en liggen de kabels stil. Vermoedelijk had men te kampen met een defect en heeft men, zonder enig bericht uit te hangen aan de deur, het zaakje gesloten. Terwijl Lea de winkels bekijkt, die grotendeels gesloten zijn (zondag en vakantieperiode), loop ik nog eens naar de zuidkant van de stad om er de Tempelierskapel (zonder bezoek aan het museum) te bekijken. In de kapel is een man druk doende met een wichelroede. In een dik notaboek maakt hij aantekeningen van zijn bevindingen. Wat hij aan het zoeken is, weet ik niet (doden of waterputten?), maar hij doet heel gewichtig.

Terug aan de wagen doen we de even verderop gelegen abdijkerk van St.-Martin aan. Bij het buitenkomen is het ongeveer 16 u en tijd om op zoek te gaan naar ons hotel te Reims - Tinqueux. Voor een keer zetten we onze principes opzij om zo weinig als mogelijk autosnelwegen te gebruiken. In de buurt van Laon duiken de we A26/E17 op (na het nemen van een biljet - betaalde autosnelweg). Wij hebben de ganse snelweg tussen Laon en Reims nagenoeg voor ons alleen. Net voor we Reims bereiken betalen we 19 FF. De rest is onbetaalde autosnelweg (meestal in de buurt van de steden). We nemen de afrit Reims - Tinqueux en amper enkele 100 meters verder bereiken we het hotel Formule 1. Het is 16.45 u en hebben vandaag 225 km gereden. Ook vandaag was het mooi weer, op het hoogtepunt van de dag iets naar de warme kant (ca 27 graden), doch niet te heet.

Na een verfrissende douche trek ik op verkenning voor het avondeten. Achter ons hotel liggen een Ibishotel en een Novotel. Ik ga mijn licht opsteken in Le Restaurant van Ibis, maar dit is op zondag gesloten. Ook stel ik vast dat men het bufetsysteem van vroeger (wat uitstekend was) niet meer volgt. De receptionist van Ibis verwijst me naar het restaurant van Novotel. Die avond kost ons etentje ons 308 FF (alles inbegrepen). Het eten is goed maar we krijgen de indruk dat men er ons zo vlug als mogelijk buiten wil. Ons voorgerecht is nog niet goed binnengewerkt of de kelner staat er reeds met het hoofdgerecht. Een negatief punt voor een naam als het Novotel.

Niettegenstaande onze kamer langs de zonnekant ligt kunnen we deze voldoende laten afkoelen om van een goede nachtrust te kunnen genieten. De avonden en de nachten zijn vrij fris.

4de dag - 5 augustus 1996

De dag begint om 6 u. Nog voor het ontbijt ontmoet ik op de parking van het hotel een Bruggeling. Uit het gesprek met hem verneem ik dat hij op terugweg is vanuit Zuid-Frankrijk. Hij is nog op zoek naar een geschikte uitstap tijdens de terugreis. Ik raad hem het bos van St.-Gobain aan maar met het simpel kaartje dat hij bij zich heeft heb ik weinig hoop dat hij de juiste weg zal vinden. Tijdens het ontbijt hoor ik een koppel, dat ook aan het ontbijten is, Gents praten. Mijn opmerking “dat het te horen is dat de Gentse Feesten voorbij zijn” en “dat de Gentenaars nu op reis gaan” lokt naast een gulle lach ook de opmerking uit: “dat nog niet alle geld verteerd is”.

Om 8 u vertrekken we naar Reims voor een stadsbezoek. Het is nog geen 10 km rijden naar het centrum. Wanneer ik in de buurt van het hotel aan een kruispunt wat aan het twijfelen ben om de juiste weg te kiezen, stopt een koppel vriendelijke Fransen naast mij en vragen mij waar ik naar toe wil. Als ik hen duidelijk maak dat ik naar het centrum wil zeggen zij dat ik hen maar moet volgen. Eens in de buurt bedank ik hen met een handbeweging. Tijdens deze 7-daagse is het de enige keer dat we zo’n hoffelijke Fransen tegenkomen. De andere verkiezen liever de claxon te gebruiken als men twijfelt.

In de buurt van de kathedraal rijden we voor alle zekerheid een betaalparking binnen. Eerst bezoeken we de kathedraal. Mooi van architectuur maar weinig meubilair en beelden (wat me later duidelijk zal worden waarom). Na de kathedraal trekt Lea het winkelcentrum in en bezoek ik het museum in het Palais du Tau, gelegen naast de kathedraal. Het is het gewezen bisschoppelijk paleis. In het museum zijn de beelden ondergebracht afkomstig van de kathedraal. Ik sta in bewondering hoe men die hier heeft kunnen binnenbrengen. Sommige zijn naar schatting 3 a 4 meter hoog. Naast enkele zalen met prachtige wandtapijten zijn er ook de gewaden gedragen ter gelegenheid van de kroning van een Franse koning en de gouden kerkvaten en juwelen (waaronder een prachtige kroon), gemaakt ter dier gelegenheid, te bewonderen (bezoek: 28 FF).

Tussen het bezoek aan de kathedraal en het museum stelde ik vast dat ik het dekseltje van de lens van mijn fotocamera verloren ben. Het is nog stil in de stad en ik weet nog precies welke weg we gevolgd zijn. Na even zoeken vind ik het dekseltje terug.

Rond de middag vinden we een gelegenheid om enkele belegde sandwichen met frisdrank te gebruiken (70 FF). Vervolgens besluiten we Reims te verlaten en Epernay te gaan bezoeken. Vooraf kopen we wat fruit en frisdrank om mee te nemen (18 FF). De parking kost ons 20 FF - wat teveel is voor het aangegeven tarief.

Vooraleer de stad te verlaten - om 12.45 u - rijden we nog langs de basiliek van de gewezen abdij van St.-Remi. Deze is pas open om 14 u en we besluiten hierop niet te wachten.

In de loop van de voormiddag had ik in de toeristische dienst aan de kathedraal navraag gedaan waar zich de wijk “La Maison Blanche” bevindt. Deze is gelegen aan de rand van de stad in de richting van Epernay, het kan niet beter passen. Wanneer we één van de richtingsborden “Maison Blanche” zien, verlaten we de hoofdweg en rijden de bewuste wijk in. Deze bestaat hoofdzakelijk uit appartementsgebouwen. Aan de eerste de beste vraag ik de weg naar “La Chaise au Plafond”. Ik heb het blijkbaar aan een verkeerde gevraagd want het blijkt hier om een wat achterlijke jongeling te gaan die het niet hoort donderen in Keulen maar in Reims. Even verder rijden we op een soort van boulevard met lage uniforme oude huizen. Een oudere dame wijst me de weg naar “La Chaise au Plafond”. Terug naar de hoofdweg, richting Epernay, die we net hadden verlaten. Aan een rond punt staan we plots voor het bewuste etablissement. Nu is het een café met winkel (kranten, fotofilms, prentkaarten). We stappen binnen en vinden in het cafégedeelte de stoel in het plafond. Het gans huis werd gerestaureerd met uitzondering van dat ene stukje zoldering. Tijdens een bombardement in W.O. I (op 12 september 1914) vloog een stoel tegen het plafond en bleef daar hangen. In de winkel koop ik nog een nieuwe fotofilm en enkele prentkaarten (waar onder één met “La Chaise au Plafond” op) (50,50 FF).

Via de N51 gaat het richting Epernay maar ongeveer halfweg tussen Reims en Epernay slaan we linksaf om de aangeduide toeristische route te volgen. Het mooi weggetje loopt langs de wijngaarden van de Champagne. Onderweg zijn er een drietal stopplaatsen die een prachtig uitzicht geven op de vallei en Epernay.

In Epernay eten we aan het ronde plein, met monument ter ere van de weerstanders, een ijs (78 FF). Daar we graag een Champagnekelder willen bezoeken wippen we de toeristische dienst binnen en aan de hand van de daar liggende folders vinden we zo’n kelder in de buurt. Naast het politiebureau bevindt zich de kelder van Achille Princier. Een bezoek kost 20 FF/pp. In de kelders heerst een bestendige temperatuur van 11 graden. 1 miljoen flessen Champagne worden er bewaard. Ieder jaar worden er 300.000 flessen geproduceerd. Bij het begin van het bezoek krijgen we een videofilm te zien met Nederlandse commentaar. Naast een koppel jonge Nederlanders zijn we de enige bezoekers. Na de rondleiding krijgen we een glaasje Champagne te drinken - inbegrepen in de prijs maar net genoeg om even te proeven. Tijdens het proeven worden ons in de toonzaal diverse soorten Champagne aangeprezen. De Hollanders geven de indruk geïnteresseerd te zijn want ze stellen heel wat vragen. Maar het zal wel zijn gelijk alle Nederlanders: veel vragen stellen en weinig kopen.

Na het bezoek aan de Champagnekelders wordt het tijd om ons hotel te Reims - Tinqueux op te zoeken. We nemen terug de toeristische route en komen in ons hotel aan om 16.50 u. We hebben die dag 83 km gereden.

Langs de overzijde van de hoofdweg die voor ons hotel loopt, te bereiken via een viaduct, vinden we een Italiaans restaurantje, palend aan een bowling. Nadat ik de kelner erop gewezen had dat hij ons te weinig had aangerekend, betalen we 222 FF.

Het is een zwoele avond die voor wat problemen zorgt bij het verfrissen van de kamer. Enkele dreigende wolken willen maar geen verfrissende regen laten vallen. Pas in de late nacht, omstreeks 5 u, valt een bui.

5de dag - 6 augustus 1996

De dag vangt aan om 06.15 u. Omstreeks 5 u heeft het wat geregend. Nu is het bewolkt. Om 7.45 u vertrekken we richting Soisson via de N31/E46. We bereiken de stad om 8.45 u en na 58 km gereden te hebben. Om de ruïne van Saint Jean de Vigne te bezoeken is het nog te vroeg. Een bord aan de ingang duidt aan dat de kapittelzaal om veiligheidsredenen gesloten is. We zien dan maar af van een bezoek. Wel bezoeken we de kathedraal. Hier vallen ons de afgeronde uiteinden van de transepten op.

Terwijl Lea op zoek gaat naar belegde sandwichen en frisdrank (35 FF + 18 FF), loop ik tot aan de gewezen abdij Saint Leger en het museum. De kerk en het museum zijn gesloten (dinsdag, algemene sluitingsdag in Frankrijk voor musea).

Om 10.15 u vertrekken we richting Noyon. Even buiten Soisson nemen we de N31/E46 tot Mercin en nemen dan de D6 via Tartiers, Vezaponin en Blerancourt. Vanaf daar volgen we de D934 richting Noyon.

In Noyon is het net marktdag en een ware heksenketel. Toch vinden we niet ver van de kathedraal een parkeerplaats. We hebben 104 km gereden en het is 11.15 u. Een bezoek aan de kathedraal loont de moeite. Inzake meubilair is het de mooiste die we gezien hebben tijdens deze 7-daagse. Hier lezen we dat Jan Calvijn, de grondlegger van het Calvinisme, in 1509 in Noyon geboren is. 2 prentkaarten kosten ons 5 FF.

Wegens de drukte besluiten we niet langer in Noyon te blijven dan noodzakelijk. Om 12 u vetrekken we richting Roye. Aan de rand van Noyon tanken we 24,27 l voor 152 FF aan 6,26 FF/l. We nemen de D934 en even buiten Noyon verlaten we de grote weg om een geschikt plaatsje te zoeken voor de picknick. We pauzeren van 12.10 u tot 12.30 u. Daarna gaat het terug via de D934 naar Roye waar we de N17 nemen richting Peronne. Even voor Peronne slaan we linksaf via de D1 tot Bray-sur-Somme. Vanaf hier tot in Amiens volgen we de Somme. In Bray-sur-Somme nemen we de D329 en wat verderop de D71. In Mericourt-sur-Somme stoppen we even voor een ijsje - het worden er voor elk zelfs twee(22,5 + 13 FF). Het is dan 14 u. In Gailly steken we terug de Somme over naar Gailly-Laurette en via de D42e gaat het naar Vaux-sur-Somme om tenslotte uit te komen in Corbie. Daar keren we even terug om op de D1 het uitzichtpunt te bereiken. Omdat het nog wat vroeg is om ons hotel op te zoeken, doorkruisen we de streek in de buurt van Corbie. Ondertussen krijgen we een ferme regenvlaag te verwerken. In Daours nemen we uiteindelijk de D1 richting Amiens en dan de ringweg naar Glisy(Boves). Ter hoogte van het rond punt (met de E44/N29) vinden we het Formule 1-hotel. Het is dan 16 u en we hebben 237 km gereden.

Naast het Formule 1-hotel bevindt er zich een hotel Première Classe en een Campanilehotel. We overleggen even en besluiten onze kans te wagen in het hotel Première Classe. Om 17 u blijkt dat er nog plaats is en we boeken voor 2 nachten. Een nacht in dit hotel kost 155 FF. In de kamer is er een module met daarin toilet en douche. De douche is wel wat naar de enge kant, maar het gaat. Iedere kamer heeft een buitendeur die uitgeeft op een overloop. De verdiepingen zijn te bereiken via een betonnen trap. Tijdens de nacht is het er een stuk rustiger dan in de Formule 1-hotels (geen over en weer geloop in de gangen). Ik heb het vermoeden dat bij warm weer men de kamer beter kan verfrissen wegens de deur die men kan openzetten. Voor de rest gelijkt alles een beetje op de Formule 1-hotels. Een ontbijt kost er 22FF/pp (tegen 24 FF/pp in F. 1), eenvoudig doch ruim voldoende. Wij logeren op de 2de verdieping en hebben een mooi uitzicht op de omgeving. De zon schijnt terug volop tegen de avond.

Het hotel Campanile, gelegen op hetzelfde terrein, heeft een restaurant. Het menu van 120 FF/pp is meer dan overdadig (aperitief, voorgerechtenbuffet naar hartelust en ruime keuze, een opgediend hoofdgerecht, een halve liter water op een andere drank, een dessertbuffet naar hartelust en met een ruime keuze, en tot slot een koffie - alles in de prijs inbegrepen). Een goedkoper menu, waarbij het hoofdgerecht wegvalt, zou ook al volstaan.

6de dag - 7 augustus 1996

We staan op om 6.15 u. Het is regenachtig maar droog. De nacht was fris. Na het ontbijt vertrekken we om 8.05 u naar Amiens, amper 7 km verderop. Aankomst om 8.30 u. We parkeren aan de Somme, ter hoogte van de wijk St.-Leu, niet ver van de kathedraal. Op de deur van de kathedraal staat vermeld dat hij opengaat om 8.30 u. Maar de deur blijft dicht. We verkennen even de stad en bij onze terugkomst, om 9.20 u, zien we nog net dat de deuren geopend worden, dus bijna een uur te laat (Leven als God in Frankrijk noemt men dit). De kathedraal is prachtig, zij het dat de voorgevel momenteel gerestaureerd wordt waardoor een deel van de voorgevel verscholen zit achter stellingen. Een deel van de vloer der middenbeuk is aangelegd in de vorm van een labyrint (cfr. de vloer van het Schepenhuis van de Keure in het Gentse stadhuis). We kopen in het winkeltje naast de kathedraal 3 prentkaarten voor 9 FF. De schatkamer blijkt niet te bezichtigen te zijn. In de buurt van de kathedraal ligt de wijk St.-Leu met zijn oude huizen met meestal houten gevels. Heel typisch en gezellig om er door te wandelen. Doorheen de wijk loop de Somme (of een arm ervan). Bij het doorwandelen van de wijk bemerken we hier en daar een voordeur die openstaat. Hieruit blijkt dat armoede hier nog troef is. De mooie St.-Leuwijk voor de toeristen is voor de inwoners waarschijnlijk minder poëtisch en aantrekkelijk. Een soort Gents Patershol van voor 50 jaar. Wie weet staat ook St.-Leu dezelfde toekomst te wachten als het Patershol. Een deel ervan wordt nu reeds ingenomen door restaurants.

Bij onze eerste verkenning hadden we al een gepaste gelegenheid opgemerkt waar men sandwichen kan eten. Rond de middag keren we er terug en onze lunch kost ons 63 FF. In een winkel kopen we wat frisdrank (12 FF) en twee stukken vlaai (12 FF).

Omdat we wat moegelopen zijn, genieten we in de auto van een half uurtje platte rust. Tegen 14 u aan, wij zijn nog een 5-tal minuten te vroeg, brengen we een bezoek aan de Hortillonnages, gelegen 50 meter voorbij de brug over de Somme. Het is een moerasachtig gebied dat eeuwen geleden werd gesaneerd om op de eilandjes groenten te telen. Het is ca 300 ha groot en er zijn nu 1200 eigenaars waaronder nu nog slechts een 7-tal die professioneel groeten kweken. Een tochtje met een barquette duurt een goede 45 minuten en kost 28 FF/pp. Nu worden de Hortillonnages meestal gebruikt voor weekendverblijf of door hobbytuiniers. Er is geen elektriciteit aanwezig zodat men er niet kan wonen. Een vereniging schrijft er jaarlijks een wedstrijd uit voor de mooiste bloementuin. Enkele jaren geleden wou men op de Hortillonnages een winkelcentrum bouwen. “Les amis de l’Hortillonnages” hebben dit weten te voorkomen.

Omstreeks 17.15 u zijn we terug in het hotel en hebben slechts 15 km gereden die dag. Voor het avondeten geen probleem, het restaurant van Campanile heeft ons gisteren goed bevallen en dus is de keuze niet moeilijk. Het enig probleem dat zich stelt is om het menu van 120 FF/pp naar binnen te krijgen.

7de dag - 8 augustus 1996

Het is reeds 6.40 u wanneer ik wakker wordt, dus 10 minuten later dan voorzien. Na het ontbijt vetrekken we om 8.10 u. We besluiten de N25 te nemen richting Doullens om een kijkje te gaan nemen in de grotten van Naours. Om 8.30 u zijn we ter plaatse. We zijn blijkbaar te de eersten. In de toegangsprijs is ook een bezoek aan het park en enkele attracties inbegrepen. Het park en de grotten zijn pas open om 9 u maar we nemen dit met een flinke korrel zout naar we de laatste dagen ervaren hebben. Omdat ons enkel de grotten interesseren en de toegangsprijs wat aan de hoge kant is voor deze attractie alleen, besluiten we door te rijden. Op het eerste zicht loont het geheel wel de moeite als men over minstens een halve dag beschikt.

Via Waignies, Haverna en Vignacourt bereiken we, na over de Somme te zijn gereden, Picquigny. Op het hoogste punt van het dorpje staat een kasteelruïne met binnen de omheining de St.Jan de Doper en St.Maartenskerk (11de en 13de eeuw). Op het kerkhof zou volgens een oude publicatie een klokketoren staan uit de 14de eeuw. Deze is echter niet terug te vinden.

In een bakkerijtje, onderweg, kopen we enkele croissants (8 FF). We vervolgen onze weg via de D3 en stoppen aan de gewezen abdij Du Gard. Wat verder staat op onze kaart een uitzichtpunt aangegeven. Daar stoppen we om onze croissants op te eten (10.20u - tussen Hangest-sur-Somme en Conde-Folie). Te Conde-Folie steken we terug de Somme over naar Etoile en daar linksaf via de D112 naar Long en Cocquerel tot Pont-Remy. Vanaf nu volgen we de D901 tot Abbeville.

Bij onze aankomst in deze stad is het 11.30 u en hebben we 80 km gereden. Het is er zeer druk. In een weinig aantrekkelijke croissanterie gebruiken we enkele belegde sandwichen en frisdrank (50 FF). Abbeville valt ons voor de tweede keer sterk tegen. Op de hoofdzakelijk blokkendozenarchitectuur is men reeds na 5 minuten uitgekeken. De kathedraal valt op midden in die betonnen kubussen. Wanneer ik een indruk wil opdoen van het interieur van de kathedraal wordt deze net gesloten (het is 12 u).

Om 12.30 u verlaten we de stad. Eerst rijden we een stukje in de richting van Le Treport om in Cambron de D3 te nemen naar St.-Valery-sur-Somme, alwaar we aankomen om 13 u.

St.-Valery is gelegen aan de monding van de Somme die daar een baai vormt. Net zoals in de buurt van de Mont-Saint-Michel weiden hier ook “pré-salé”-schapen (zoute weiden). De oude stad is op een heuvel gelegen en heeft nog zijn middeleeuwse muren en stadspoorten. Vanop het hoogste punt heeft men een mooi uitzicht op de baai. Op dit ogenblik is het eb. Via een trap dalen we af naar het strand en in een cafétaria, aan de voet van de heuvel, eten we een ijs (30 FF). De meesten beginnen hier pas aan hun middageten.

Om 14.05 u nemen we de auto en rijden naar het uiterste punt van de baai - de vuurtoren Le Hourdel, en vervolgens via de kustweg D102, gelegen in de duinen, bereiken we Cayeux-sur-Mer.

Vanaf nu begint onze terugweg. We hebben 125 km gereden en het is 14.40 u. We rijden via de D3, richting St.-Valery-sur-Somme, de D940 tot Nolette-sur-Mer, de D111 tot Nouvin en de N1 richting Boulogne. Vanaf Boulogne volgen we de autosnelweg naar de Frans-Belgische grens te Ghyvelde, met slechts een korte sanitaire stop op de eerste parking voorbij Boulogne. We bereiken uiteindelijk Oostduinkerke om 17.20 u en na 323 km. Een tankbeurt te Oostduinkerke van 36 l kost 1232 BEF (34,30 F/l).

De kilometerteller staat op 33.713

Nabeschouwing

Het weer zat goed mee. Aangename temperaturen, praktisch geen regen, overwegend zonnig.

In totaal hebben we 1140 km afgelegd op meestal mooie en rustige wegen.
Verbruik aan benzine: totaal 87 liter = gemiddeld 7,5 l/100 km.
De wegsignalisatie in Frankrijk is uitstekend - verloren rijden is er nagenoeg onmogelijk.

02-08-1996 om 00:00 geschreven door David Maes


>> Reageer (0)
01-08-1996
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.NOORD-FRANKRIJK 1996 deel 2
Klik op de afbeelding om de link te volgen







gewezen abdij van Prémontré

01-08-1996 om 00:00 geschreven door David Maes


>> Reageer (0)
03-08-1995
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.NORMANDIË 1995 deel 1

REIS NAAR NORMANDIE 

VAN 3 TOT 8 AUGUSTUS 1995

1ste dag - donderdag 3 augustus.

Het is 5.30 u wanneer we de garage te Oostduinkerke buitenrijden. De kilometerteller staat op 12.880. Langs de gewone wegen, via Koksijde en De Panne-Adinkerke, overschrijden we de Franse grens. Even verder kunnen we in Ghyvelde de autosnelweg A 16 oprijden. Nog steeds is het deeltje tussen Veurne en de Belgisch-Franse grens niet afgewerkt. Boulogne, 102 km ver, bereiken we om 6.30u. Op het einde van de autosnelweg wordt de richting Abbeville goed aangegeven zodat we de ontwakende stad Boulogne moeiteloos kunnen voorbij rijden.

Abbeville bereiken we om 8.05 u en na 189 km gereden te hebben. Het is onze bedoeling hier uit te kijken naar de kiosk waarin bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog een groep, van Duitse sympathieën verdachte Belgen, werd opgesloten. Daaronder was onder andere de leider van het Verdinaso (Vereniging van Dietse nationaalsocialisten) Joris Van Severen. Door het bevel van een dronken Franse officier werd een grote groep, zonder enige vorm van proces, afgemaakt. Minstens drie onder hen hadden helemaal niets te maken met een of andere Duitse gezindheid. Later werden deze drie onschuldigen, waaronder een in Gent geboren vrouw, begraven op het Belgisch militair kerkhof in De Panne, onder een uniform militair zerkje... De kiosk kunnen we echter niet onmiddellijk vinden, zelfs niet na een aantal straten doorkruist te hebben. In een oude gids vonden we dat Joris Van Severen zou begraven liggen op het kerkhof van Abbeville. Daar we de kiosk niet kunnen vinden laten we ook de speurtocht naar het kerkhof achterwege. Na nog bij een bakker enkele verse croissants gekocht te hebben zetten we onze tocht verder.

Nu gaat het richting Le Tréport, meer bepaald het voorstadje Eu. Bij onze aankomst aldaar is het 9 u en hebben we 225 km achter de rug. Voor een bezoek aan het kasteel moeten we wachten, tot 10 u. Ondertussen brengen we een bezoek aan de, in de onmiddellijke omgeving gelegen, collegiale Notre-Dame en Saint-Laurentkerk. Na even in de kerk te hebben rondgekeken opent een kerkbediende bereidwillig de deur van de crypte. Deze onderaardse ruimte bevat tien praalgraven van leden van de familie d’Artois. Op de grafzerk van Helene de Melun wordt onze aandacht getrokken door volgende tekst: CY GIST NOBLE ET PUISSANTE DAME MADAME HELENE DE MELEUN FILLE DE HAULT ET PUISSANT SEIGNEUR MESSIRE JEHAN DE MELEUN CHEVALIER ET DE MADAME JEHANNE D’ABBEVILLE SEIGNEUR ET DAME D’ANTRAING D’EPINOY VICONTE DE GAND ET CONNESTABLE DE FLANDRE EN SON VIVANT FAME DE HAULT ET PUISSANT PRINCE MONSEIGr CHARLES D’ ARTOIS CONTE DE EU ET PAIR DE FRANCE LAQUELLE TRESPASSA LE XX JUILLET L’AN DE GRACE MIL CCCC ET LXXII PRIEZ POUR SON AME. Helene de Melun was de 2de echtgenote van Charles d’Artois. We kopen een gidsje waarin de teksten van de grafzerken zijn opgenomen.

Om 10 uur bezoeken we het kasteel van Louis-Philippe (te Eu). De rondgang is vrij beperkt, waarschijnlijk door de aan gang zijnde restauratiewerken. Het is duidelijk te zien dat deze werken geen overbodige luxe zijn. Een aantal kamers van het kasteel zijn ingericht in de stijl van medio 19de eeuw. De meeste kamers en gangen waren toen reeds voorzien van een centrale verwarming, een buisvormig toestel van ongeveer 1,5 m hoog en een diameter van ongeveer 20 cm, waarin een spiraal voor de afgifte van de warmte zorgt. De toegangsprijs voor het kasteel bedraagt 20 FF per persoon.

Ons bezoek aan Eu eindigt om 10.30 u. Tot nu toe is de temperatuur nog te harden. Bij een sanitaire stop tussen Abbeville en Eu voelde het zelfs nog vrij fris aan. Pas na de middag stijgt de thermometer tot boven de 30 graden.

We nemen de D925 naar Dieppe maar wijken daar af van onze vooropgestelde route. We volgen nog een tijdje de kust via de D75 en stoppen voor een middagpauze in het badstadje Quiberville. Daar eten we een bakje friet met een worstje (1 kleine friet en 1 grote met 1 worstje = 60 FF). We hebben op dat ogenblik 287 km afgelegd.

Om 12.25 u zetten we onze weg verder tot in Veules-les-Roses en nemen daar de D142 naar Yerville. Vervolgens gaat het via de N29/E44 naar Yvetot alwaar we de ringweg nemen en vervolgens de D131 en D490 richting Pont de Brotonne. Net voor de brug slaan we links af naar Saint-Wandrille.

Omstreeks 14.30 u komen we aan in het dorpje en brengen een bezoek aan het Benedictijnerklooster. Er zijn gidsenbeurten voorzien om 15 en 16 uur. Eerst bekijken we de plaatsen die vrij toegankelijk zijn: de ruïne van de oude kerk (gedeeltelijk afgebroken tijdens de Franse Revolutie), de klokken die in een klokkenstoel hangen in het park en de nieuwe kerk. Deze laatste heeft geen versieringen. De traditie van de Benedictijnen het wil zo. De muren zijn gedeeltelijk opgetrokken in silexsteen (vuursteen) zoals die in het zuiden van Engeland veelvuldig voorkomt. Ook hieruit blijkt nog eens dat Engeland ooit eens één was met het continent. Vooral het zuiden van het eiland vertoont veel gelijkenis met Normandië (o.a. de bouwstijl zoals de vakwerkhuizen).

Terwijl we aan het wachten zijn op de gidsenbeurt van 15 uur vormt een Duitse scoutsgroep een kring, samen met een pater Benedictijn, en zingen zacht enkele liederen onder begeleiding van de gitaar.

We betalen 20 FF per persoon voor de gidsenbeurt. Achteraf voelen we ons een beetje in de maling genomen daar we hoofdzakelijk de vrij te bezoeken delen van de abdij aandoen. Het enige toemaatje dat we krijgen is het bezoek aan de kruisgang alwaar we slechts door één van de vier gangen mogen wandelen. De rest van de abdij krijgen we niet te zien. Onze gids is een bejaarde pater, corpulent en het haar kort geknipt tot op de millimeter. Na iedere twee zinnen lacht hij met zijn eigen grappen zonder dat deze bij zijn toehoorders een glimlach kunnen ontlokken. Zijn zwart habijt heeft minstens zijn eerste communie achter de rug. De onderste delen van de mouwen werden reeds vervangen maar ook de vernieuwde delen rafelen reeds uit. Iets wat mij nog niet was opgevallen, en waarop Lea mijn aandacht vestigde, waren de grote voeten van de pater. Na enig schatwerk komen we tot het besluit dat de man een maat 47 of 48 moet hebben.

Daar de abdij van Saint-Wandrille in een vallei ligt, is het hier praktisch windstil, wat meebrengt dat de warmte bijna ondraaglijk wordt. Onze dagteller wijst 354 km aan.

We verlaten Saint-Wandrille om 16.20 u. Even later bereiken we de Pont de Brotonne. Het is nu de derde van de drie Seinebruggen, gezien vanuit de zee, na de Pont de Normandie en de Pont de Tancarville. We betalen voor het gebruik van de brug 10 FF. Via de D313, die daar door het Forêt de Brotonne loopt, komen we aan de autosnelweg A13 (Parijs-Caen). Het gebruik hiervan kost ons 7 FF. Enkele kilometer verder nemen we de afrit “Rouen-Ouest - Rouen Centre”. Op de weg tussen de afrit en het stadscentrum vinden we in St.-Etienne-du-Rouvray het Elf-benzinestation waarachter het hotel Formule 1 ligt. Eerst tanken we 29 liter benzine en betalen 162 FF. Wanneer we het hotel binnenkomen is het 17.10 u.

De gerant van het hotel is een Afrikaan. Daar we vooraf gereserveerd hebben is het inboeken vlug geklaard. We betalen de drie dagen die we hier zullen verblijven vooraf (140 FF x 3 + 3 x 2 ontbijten aan 22 FF = 552 FF) Terwijl de gerant op het antwoord wacht van de computer verlopen er enkele minuten. Om de tijd te doden leest hij enkele verzen uit een gekopieerd boekje van de Koran. We krijgen het nummer van onze kamer en het codenummer om de deur van het hotel en onze kamer te openen(getal van 6 cijfers). Het systeem van de Formule 1 hotels is gebaseerd op enkele simpele regels: goedkoop, proper, eenvoudig en uniform. Een uitstekende formule voor trekkers die te oud zijn om nog in een tentje te slapen. De kamers zijn overal steeds op dezelfde wijze ingericht: een dubbel bed met lakenzak (de twee lakens zijn aan elkaar genaaid), een bedsprei, boven het dubbel bed een enkel bed - bereikbaar met een laddertje, in de ene hoek een driehoekig tafeltje - vastgehecht aan de muur, in de andere hoek een lavabo - eveneens driehoekig - met grote spiegels, een Tv-toestel en één stoel. Dit systeem heeft het voordeel wanneer men b.v. van het ene hotel Formule 1 naar het andere gaat, men zich niet meer moet aanpassen aan de kamer. De toiletten ende douches zijn gemeenschappelijk. In principe hebben de deuren van de gang een bepaald kleur (geel, rood, enz.). De gele gang gebruikt normaal de toiletten en de douches met een gele deur, enz. Wanneer deze echter bezet zijn maakt men gebruik van de installaties met een andere kleur. Terzake ondervonden we nooit enig probleem. Na het gebruik van de toiletten en de douches worden deze volledig gereinigd met warm water en desinfecterend middel. Het enige probleem dat zich hier kan voordoen is op warme dagen. Dan kan het na het reinigen wel een beetje te warm zijn in de cabines.

Na een verfrissende douche, geen overbodige luxe in temperaturen van boven de 30 graden, rijden we richting Rouen-centrum. Zonder problemen geraken we aan de Seine. Rouen bestaat uit twee delen: de nieuwe stad - ten zuiden van de Seine, en de oude stad - ten noorden ervan. We rijden over de 1ste Seinebrug, de meest westelijk gelegen, die uitkomt aan de “Chaussee des Belges en slaan rechts af. We volgen de Seine enkele honderden meters en parkeren ons op een van de grote parkings langs de straat, even voorbij de derde brug. Van daaruit moeten we amper vijf minuten wandelen vooraleer we in het oude stadsdeel zijn. Het is onze bedoeling hier een goed restaurant te zoeken voor een stevige maaltijd. Zoeken is echter een groot woord. Na een tiental minuten besluiten we in een straat even voorbij de kathedraal binnen te stappen bij “Chez la mere Michel”, een Italiaans restaurant. Meteen een voltreffer. De eetzaal op de eerste verdieping is smaakvol ingericht en wat meer is: luchtgekoeld! Het personeel is uitermate vriendelijk en wanneer ik de kelner vertel dat ik hier en daar wat problemen heb met de taal, vergoelijkt hij met: “Wanneer ik in Uw land zou komen, zou ik heel wat meer taalproblemen hebben.” Naast het restaurant op de eerste verdieping is er op het gelijkvloers een thee- en ijssalon en in de kelder een pizzeria. Het eten smaakt er zo voortreffelijk dat we besluiten de drie volgende avonden hier terug te keren. Na het eten beslissen we onmiddellijk naar het hotel terug te keren daar het een lange en vermoeiende dag was. Onderweg kopen we nog in een winkeltje wat fruit (10 FF).

Het hotel Formule 1 in St.-Etienne-du-Rouvray is één van de weinige hotels van de keten die een afsluitbare parking heeft. Hiervoor dient 10 FF. per nacht betaald te worden. Gezien de stedelijke omgeving maken we hiervan graag gebruik. Het nadeel is dat tussen 22 u en 6 u niemand meer in zijn voertuig kan daar de gerant, die alleen over de sleutel beschikt, dan niet aanwezig is. Wat de aanwezigheid van de gerant betreft, die is beschikbaar tussen 7.30 u en 10 u en tussen 17 u en 22 u. Buiten deze uren kan men gebruik maken van zijn kredietkaart en de automaat aan de toegangsdeur van het hotel (voor zover er nog kamers beschikbaar zijn).

De warmte zorgt wel wat voor problemen om de kamer voldoende af te koelen. Uiteindelijk vinden we er een systeem op. Daar onze kamer op het einde van de gang ligt zetten we onze deur op een kier doormiddel van de anti-inbraakhaakje waarmee deze is uitgerust. Samen met de volledig geopende venster kunnen we voor voldoende afkoeling zorgen zodat bij het slapengaan de temperatuur, weliswaar nog warm, maar aanvaardbaar is.

Onze eerste dag eindigt omstreeks 22.30 u na eerst nog even het thuisfront te hebben opgebeld en na een afstand van 420 km te hebben afgelegd.

2de dag - vrijdag 4 augustus.

Na een relatief goede nachtrust, gelet op de omstandigheden (de warmte en de ongewone omgeving) worden we omstreeks 6.30 u wakker. Het gebruikelijke ochtendritueel: scheren, douchen, bezoek aan het toilet gevolgd door het ontbijt. Dit laatste is eenvoudig doch er is voldoende en bijvragen mag (2-tal piccolo’s, eierbrood, confituur, boter, fruitsap, keuze uit koffie, thee, chocolademelk)

Omstreeks 8.30 u verlaten we het hotel richting Rouen en dit voor een volle dag stadsbezoek. Het is nog vrij warm, de nacht bracht weinig of geen afkoeling. Onze bagage blijft op de kamer achter.

Amper na tien minuten rijden zijn we op dezelfde parking van de vorige avond, dicht bij de Pont Boieldieu. Er is plaats te over.

Via het bekende “Gros-Horloge”, een soort belfort zonder toren, bereiken we de Place du Vieux-Marché. Een gezellig plein waarop in het midden een moderne kerk staat ter ere van Jeanne d’Arc en een overdekte markt. Daar het museum Jeanne d’Arc, aan dit pleintje gelegen, pas opent om 10 uur, blijven we nog even het plein bewonderen. De toegang tot het museum kost 22 FF pp. Doormiddel van wassen beelden worden hier een aantal taferelen uitgebeeld die het levensverhaal van Jeanne d’Arc weergeven. Ieder tafereel is voorzien van een klankband met uitleg. Men kan kiezen uit Frans, Engels, Duits en Italiaans. Van de Nederlands sprekende buren uit het noorden heeft men hier blijkbaar nooit gehoord. In het begin van de rondgang zien we een toonkast met daarin een aantal afgietsels van zegels van tijdgenoten van Jeanne d’Arc. Eén ervan hoort toe aan Hugues de Lannoy en stamt uit 1425. Mogelijk is dit een verwante van Gilbert de Lannoy, heer van Drongen in de 14de eeuw.

Bij het buitenkomen van het museum slaat het dorstgevoel toe en zoeken we op het plein een geschikte gelegenheid. Bij het bekijken van de prijslijsten valt het ons op dat er ook hier (zoals in Parijs) twee verschillende prijzen geafficheerd zijn nl. een prijs voor de tooghangers (de goedkoopste) en een prijs voor diegenen die in de gelagzaal en op het terras gaan zitten. Twee bitter-lemmons kosten ons 29 FF, dit is ongeveer 90 BEF het stuk!

Ons volgend bezoek is aan de toren waar Jeanne d’Arc werd opgesloten net voor haar terechtstelling op de Place du Vieux-Marché (10 FF pp). Buiten het bezichtigen van het bouwwerk biedt de permanente tentoonstelling (foto’s en tekstborden) weinig interessants.

Van de toren naar de Abbatiale Saint-Ouen is het slechts enkele minuten wandelen. Net naast de Abbatiale is het prachtige stadhuis van Rouen gelegen. Voor beide gebouwen ligt een vrij uitgestrekt plein, mooi versierd met bloemen en het standbeeld van Napoleon. De Abbatiale van Saint-Ouen behoorde oorspronkelijk aan de Benedictijnerabdij met die naam. Binnenin krijgt men een overdonderende indruk van de hoogte van het gebouw. Het bevat nagenoeg geen versierselen zoals schilderijen en meubilair. Zelfs stoelen ontbreken er, waardoor de ruimte nog groter gaat lijken. Opvallend is de witte steen waarmee de kerk is opgetrokken. Het is een zachte steensoort uit de streek die als voornaamste probleem heeft: de verpulvering na verloop van tijd en het afscheiden van een krijtachtig poeder. Net zoals de andere religieuze gebouwen die we die dag zullen binnenlopen, biedt deze Abbatiale enige verfrissing terwijl buiten de thermometer stijgt tot boven de 30 graden.

Daar het ondertussen middag is geworden en tijd om de inwendige mens te versterken, vinden we langs de overkant van de Abbatiale een eenvoudige sandwichbar waar we rustig enkele belegde broodje met wat frisdrank kunnen verorberen.

Tot 14 uur zijn de meeste monumenten en musea gesloten. Van die gelegenheid maken we gebruik om wat te rusten op een bank in het park achter de Abbatiale en het stadhuis. De meeste banken zijn bezet met puffende mensen. In het park ontdek ik toevallig het borstbeeld van een “petit Belge” - de dichter Emiel Verhaeren (begraven te Mariekerke aan de Schelde). Een straat die uitkomt op het park draagt de naam van “rue abbe de l’Epeé”, wel geen landgenoot maar toch goed bekend te Gent als promotor van het doofstommenonderwijs.

Even voor 14 uur zetten we onze wandeling verder. Rouen telt heel wat straten die nog volledig bestaan uit typische Normandische vakwerkhuizen. Deze stijl is vooral gebruikt in “Hoog-Normandië”. Laag-Normandië kent daarentegen meer een stijl die bestaat uit robuuste natuursteengebouwen.

De kerk van Saint-Vivien bezit, in tegenstelling met de altaarschilderijen in onze kerken, een beeldengroep boven het altaar. Wanneer men achteraan in de kerk staat valt het op dat het beeldhouwwerk hel verlicht is, echter zonder dat er enige elektrische toestand aan te pas komt. Pas bij het nabij komen ontdekt men dat er boven de beeldengroep een bovenlicht zorgt voor de nodige verlichting.

De kerk van Saint-Machou is vooral bezienswaardig wegens zijn prachtig gebeeldhouwde deuren die spijtig genoeg (tijdens de Franse Revolutie) werden beschadigd (heel wat kopjes ontbreken).

We besluiten ons bezoek aan Rouen met de kathedraal van deze stad. Aan één van de torens zijn restauratiewerken aan de gang, waarschijnlijk een werk van lange adem. Het noordertransept is reeds volledig gerestaureerd met een prachtig resultaat. De kranskapellen van het koor en de crypte zijn niet vrij toegankelijk voor het publiek. Op regelmatige tijdstippen zijn er gidsenbeurten (eentalig Frans). Kostprijs 10 FF pp. In de koorgang liggen een viertal siergraven. De gids leert ons dat hier het hart van Richard Leeuwenhart begraven ligt. Hij wijst ons tevens op een glasraam uit de 13 de eeuw, het enige in Frankrijk dat door de kunstenaar gesigneerd werd.

Even voor 17 uur komen we in het hotel aan. Daar we over een codenummer beschikken kunnen ten allen tijde binnen. Na een verfrissende douche rijden we terug naar Rouen en stappen er weer binnen bij “Chez la mere Michel”. Die avond proeven we er de heerlijk frisse salades als voorgerecht, de vis-tagiatelli en het sublieme Italiaanse sorbet.

Op de terugweg naar het hotel stoppen we nog even aan het winkeltje van vorige avond en kopen er frisdranken en fruit.

Onze auto laten we achter op de betaalde parking van het hotel.

Omstreeks 22 uur gaan we slapen na eerst nog goed de kamer te hebben verlucht.

3de dag - zaterdag 5 augustus.

Naar mijn gevoel was de voorbije nacht iets frisser dan de voorgaande. Na een bezoek aan de douche en het nemen van het ontbijt vertrekken we om 7.30 u in de richting van Rouen. Op het einde van de noordelijke weg langsheen de Seine in Rouen nemen we de richting Darnetal, de E46-N31. Wanneer we in Martainville aankomen, omstreeks 8.15u, zijn we nog veel te vroeg om het kasteelmuseum te bezoeken. We besluiten de E46-N31 nog wat verder te volgen en het mooie heuvelachtige en beboste landschap te bewonderen. Net buiten het bereik van onze landkaart (Michelin nr. 231) keren we terug en stoppen we even in het dorpje La Feuillie. De toren van het kerkje heeft een buitengewone spitse naald. Een bereidwillige bewoner van het dorpje opent voor mij het eenvoudig maar dringend aan restauratie toe zijnd kerkje.

Even voor 10 uur zijn we terug aan het kasteel van Martainville. Een grote zittribune en spots verraden dat hier ‘s avond een klank- en lichtspel wordt opgevoerd.

De toegang tot het kasteelmuseum kost ons 20 FF pp. De collectie bevat Normandisch meubilair, kunst en klederdracht. Vooral de grote kantwerken hoofddeksels van de vrouwen vallen ons in de smaak. We leren er ook dat de favoriete Normandische kleuren blauw en rood zijn.

Na het interessante bezoek keren we rond 11 uur terug in de richting van Rouen en stoppen aan het kasteel van Vascoeuil. De toegangsprijs bedraagt 35 FF pp. Het betreft hier een geslaagd gerestaureerd kasteel dat nu gebruikt wordt als expositieruimte. Het bezit trouwens enkele beeldhouwwerken van Salvator Dali. Een mooie tuin vervolledigd het geheel. Wel vinden we achteraf de toegangsprijs wat overdreven.

Gezien we wat tijd over hebben, wijken we van ons vooropgesteld programma af en volgen vanaf Vascoeuil de D1, de N14 en de D2 richting Les Andelys. Onderweg, in Fleury, stoppen we om in een grootwarenhuis wat frisdrank en bij een bakker croissants en broodjes te kopen. Net buiten Fleury vinden we een schaduwrijk plekje om te eten. Niettegenstaande de frissere nacht is het nog warmer dan de twee voorgaande dagen.

In Les Andelys, in de buurt van de ruïne van het Chateau Gaillard, heeft men een prachtig uitzicht over de Seinevallei. We volgen enkele kilometer de Seine tot in Thuit en vervolgens de D126. Daar moeten we wat zoeken om de juiste richting te vinden naar Rouen wegens een wegomlegging, maar al vlug zitten we in de goede richting. Dan gaat het door Rouen via de noordelijke weg langsheen de Seine en vervolgens langs de D982 naar Saint-Martin-de-Boscherville.

In het dorpje, waar we de gewezen abdij Saint-Georges-de-Boscherville vinden, stoppen we. Een cafeetje recht tegenover de abdijkerk lokt ons om uit te blazen op het geïmproviseerd terras, amper een drietal tafels groot, in de schaduw. De thermometer wijst precies 30 graden aan (in de schaduw!).

De kerk van Saint-Georges-de-Boscherville is vrij toegankelijk. Ze is opgetrokken met spierwitte krijtsteen uit de streek. Binnen in de kerk is het dan ook bevreemdend helder, ondanks de niet al te grote ramen. Om de rest van de gewezen Benedictijnerabdij te bezoeken moeten we 25 FF pp betalen. Bij de ingang krijgen we een met de hand geschreven Nederlandstalige uitleg mee. Het meest markante is de kapittelzaal. Aan de ingang van deze bevindt er zich een drietal mooi gereconstrueerde gebeeldhouwde zuilen.

In het winkeltje naast het dorpscafé kopen we wat fruit. De uitbaatster is dezelfde van het café. Doormiddel van een deur achter de cafétoog kan ze tevens het winkeltje bedienen.

Via Rouen komen we terug aan het hotel omstreeks 17 uur. We tanken in het Elfstation aan het hotel 105 FF benzine.

‘s Avonds smullen we bij “Chez la mere Michel” een heerlijke pizza, van het soort dat enkel door een Italiaan kan klaar gemaakt worden.

Tijdens het terugrijden naar het hotel speuren we de hemel af naar verfrissende wolken. In de verte zie we wel iets hangen dat er op lijkt maar boven onze hoofden zijn het enkel lichte slierten. We twijfelen er dan ook aan of de hitteslag een einde zal nemen.

4de dag - zondag 6 augustus.

Wanneer ik omstreeks 5.30 u wakker wordt meen ik buiten een bekend, maar de laatste tijd schaars, geluid te horen. Eerst geloof ik mijn eigen oren niet maar wanneer ik mijn hand naar buiten steek voel ik het heerlijke vocht, dat men regen noemt, op mijn hand. Zonder iets te zeggen trek ik Lea uit bed en duw haar hand naar buiten. Ook bij haar lokt het een blijde reactie uit als ze de regendruppels voelt.

Vandaag verplaatsen we ons logement van Rouen naar Saint-Lo. Het weer, na een korte regenbui en een enkele donderslag, is bewolkt. Na de douche en het ontbijt is onze bagage vlug klaar en kunnen we om 7.45 u vertrekken. Onze kilometerteller wijst 13.534 aan.

Om het stukje A 13 te vermijden rijden we via Grand Quevilly, Petit Couronne en Grand Couronne, de industriezone van Rouen, naar het kasteel van Robert le Diable te Moulineaux. We besluiten het kasteel zelf niet te bezoeken (pas open om 9 u). Net voor het kasteel staat een stuk ruïne, ingericht als herinneringsmonument aan de Frans-Duitse oorlog, meer bepaald aan de slagen van Moulineaux van 30/31 oktober 1870 en 4 februari 1871.

We vervolgen onze weg via de N138-E402 naar Bionne en verder naar Bernay (63 km). Daar stoppen we even en gaan de mooie Sainte Croixkerk binnen. Alhoewel de folders hier mooie oude huizen situeren vinden we er hier op het eerste zicht weinig terug.

Verder gaat het via de N138-E402 naar Broglie, Monnal, Gacé, Nonant le Pin. Na 130 km komen we in Seés aan. We kopen wat drank en iets te eten naast een fotofilmpje (58 Fr. - 36 stuks). Daar het zondag is en er in de kerk een dienst aan de gang is, kunnen we de, op het eerste zicht, mooie en interessante kerk niet binnen.

Van Seés gaat het langs de N158 richting Argentan maar slaan af via de D924 richting Flers. Na ongeveer 18 km rechtsaf, de D909. We rijden de Suisse Normande binnen. Bijna de ganse dag rijden we over rustige, soms verlaten wegen. Hier is het nog prettig autorijden. De streek is zeer heuvelachtig met veel groen en bossen. Onze Ardennen zijn hiertegen slechts een klein broertje.

Omstreeks de middag komen we in Pont d’Ouilly aan (204 km), een pittoresk dorpje aan een snelstromende waterloop. We eten er enkele belegde Franse broden.

Onze volgende bestemming is het stadje Villedieu-les-Poêles, bekend om zijn koper. We volgen hiervoor de D512 tot Vire en vervolgens de D524 tot Villedieu. Rond het marktplein zijn er heel wat winkeltjes waar men koperen voorwerpen kan kopen. Enkele van die zaken zijn op de rand af kitscherig. Onze aandacht wordt getrokken door een uithangbord dat een bezoek aan de klokkengieterij aanprijst. Een bezoek kost 12 FF pp. Als gewezen vormer-gieter moet ik de uitleg van de gids niet aanhoren, wat mij de gelegenheid geeft hier en daar wat rond te snuisteren. Blijkbaar werd hier de afgelopen vrijdag (twee dagen voordien) nog een klok gegoten want de smeltoven en de gietstam van de klok voelen nog warm aan.

De kerk van Villedieu bezit enkele prachtige vergulde (?) ornamenten die het zien waard zijn.

De D999 brengt ons te slotte in Saint-Lo. Zonder problemen vinden we het hotel Formule 1 in de Z.A. (Zone d’Activite) La Chevalerie, achter het Ibishotel. Bij onze aankomst aan het hotel regent het een kwartiertje pijpestelen. Na de gebruikelijke administratieve geplogenheden (we betalen ineens de twee dagen) en de sanitaire handelingen gaan we in Saint-Lo op zoek naar een gepast restaurant. We doorkruisen ettelijke keren het klein verlaten provinciestadje en komen uiteindelijk tot het besluit dat hier slechts één restaurant is. Niettegenstaande ze geen concurrenten hebben, is het eten in de Auberge Normande uitstekend, tot de Pommeau Normande als aperitief toe.

Die dag was de temperatuur uitstekend, bewolkt en ongeveer tien graden frissen dan de voorgaande dagen. We hebben die dag 321 km afgelegd.

5de dag - maandag 7 augustus.

Bij het opstaan is het hevig aan het regenen. Om 7.45 u vertrekken we aan het hotel en tanken in de buurt (140 FF = 24,42 l).

We nemen de kortste weg naar de Mont-Saint-Michel die reeds van in Saint-Lo staat aangegeven. We volgen de D999 naar Villedieu-les-Poêles en vervolgens de E03-N175 naar Avranches. Eens in de buurt van deze stad wordt het verkeer een heel stuk drukker, vermoedelijk wegens de wegen die naar Saint-Malo en Rennes lopen. Enkele kilometer voorbij Avranches nemen we de D43, D75 en de D275. Reeds vanop deze weg is de Mont-Saint-Michel goed te zien. Bijna op het einde van deze weg moeten we even stoppen om een grote kudde schapen, met zwarte koppen, de weg te laten oversteken. Deze schapen grazen op de zoute weiden langsheen de baai van de Mont-Saint-Michel, waardoor het vlees een bijzondere smaak heeft.

De Mont-Saint-Michel bereiken we na 82 km om 9.10 u. Gezien het vroege uur is het er nog relatief rustig. Zonder file kunnen we de grote parking oprijden (15 FF voor 24 uren). Op de parking staan reeds tientallen mobilhomes. Waarschijnlijk hebben die hier de nacht doorgebracht. Aan de eerste poort van de Mont lopen we even langs het bureau voor toerisme en krijgen er een plannetje toegestopt. Een tekst verraad dat er om 10.10 u een Duitstalige gidsenbeurt is in de abdij. Langsheen het smalle straatje, afgezoomd met winkeltjes die uitpuilen van de prullaria, bereiken we de ingang van de abdij. Daar betalen we 36 FF pp. Men kan de abdij vrij bezoeken maar enkel met de gids (gratis) kan men alle plaatsen aandoen. We zijn amper enkele ogenblikken op het zogenaamde terras als de jonge vrouwelijke gids haar uiteenzetting begint. Van haar vernemen we dat hier nog drie Benedictijnerpaters zijn en één Benedictinessenon. Ieder jaar komen hier op de Mont-Saint-Michel 2 miljoen bezoekers. Tussen de hoogwaterlijn en de laagwaterlijn van de zee ligt een afstand van 16 km. Bij springtij vordert de zee 60 meter per minuut. Een gevaarlijke situatie dus voor strandlopers die de situatie niet kennen. Door de aanleg van een vaste oeververbinding dreigt de baai te verzanden en de Mont zijn statuut van eiland te verliezen. Er bestaan plannen om de vaste verbinding weg te breken en een brug te bouwen in de plaats. In het naar beneden komen stappen we een sandwichbar binnen om de inwendige mens te versterken. Om 12.30 verlaten we de parking. In de tegenovergestelde richting, dus naar de Mont toe, staat een kilometerslange file aan te schuiven.

Na in een plaatselijke supermarkt wat drank gekocht te hebben, rijden we via hetzelfde weggetje naar Avranches. Terwijl Lea wat winkels bekijkt in die stad, bezoek ik in het stadhuis een tentoonstelling van manuscripten afkomstig uit de abdij van de Mont-Saint-Michel. Aan de ingang krijgen de bezoekers een vergrootglas ter beschikking om nog beter de miniaturen en kapitalen te kunnen bewonderen. De dames, die met het toezicht belast zijn, vragen zelfs aan de bezoekers of ze nog “bijkomende vragen hebben”. Het bezoek kost mij 20 FF met daarin begrepen nog twee bezoeken aan o.a. de schatkamer van de Saint-Servaisbasiliek. Daar er daar op dat ogenblik een dienst bezig is, is de schatkamer gesloten.

Vanop het terras, van het prachtig met bloemen versierde park van Avranches, heeft men normaal een prachtig uitzicht op de baai en de Mont-Saint-Michel. Wegens het overtrokken en mistig weer valt het uitzicht enigszins tegen.

We verlaten de stad om 15 u. Onze dagteller wijst op dat ogenblik 110 km aan.

Daar het nog te vroeg is om nu reeds terug te keren naar ons hotel besluiten we eerst nog het badstadje Granville aan te doen (via de D973). Op onze kaart staat de Point du Roc (niet verwarren met de Pointe du Hoc) aangegeven als uitzichtpunt. Bij het binnenkomen van Granville weten we al hoe laat het is: stapvoets verkeer het ganse stadje door. Bij de Pointe du Roc kunnen we onmogelijk een parkeerplaats vinden en zien ons, niettegenstaande het mooi uitzicht, verplicht het stadje met eenzelfde sukkelgang te verlaten.

Wat het verkeer betreft. De afgelopen dagen hebben terug moeten vaststellen dat de Fransen autorijden als gekken. Vooral in en rond de steden valt dit op. Slingeren van de ene naar de andere rijstrook is er schering en inslag. Wanneer je als vreemdeling aan een kruispunt even twijfelt welke richting je gaat nemen heeft dit al vlug een toeterconcert voor gevolg. Waarom de Franse overheid kosten doet om borden met “max 50 km/uur” te plaatsen, weet ik niet, er is toch niemand die ze respecteert.

Nu gaat het richting Coutances, maar na enkele kilometer volgen we de D13 om dan in Saint-Denis-le-Gast de D38 te volgen. Nog maar eens één van die vele mooie weggetjes in Normandië.

Bij onze aankomst in het hotel te Saint-Lo hebben we 190 km afgelegd.

Gisterenavond ontdekten we dat het hotel Formule 1 reclame maakt voor het tegenover liggende restaurant “Le Restaurant” van het Ibishotel door een spijskaart uit te hangen. We besluiten het niet ver te gaan zoeken en bij ervaring weten we dat “Le Restaurant” uitstekend is. De Pommeau Normande, de halve liter roséwijn en de coupe Normande, die rijkelijk overgoten is met drank, als dessert maken dat ik wel enige moeite moet doen om de rekening te kunnen lezen.

6de dag - dinsdag 8 augustus.

Om 7.45 u vatten we de terugweg naar huis aan. Onze kilometerteller staat op 14.067.

Eerst tanken we in de buurt van het hotel 83 FF benzine (5,740 FF/liter). Onze reisweg loopt via de D972. Na een 20-tal kilometer slaan we af richting Caen langs de D13. Net zoals voor twee jaar ondervinden we enige moeilijkheden in Caen om de juiste weg te vinden richting Lisieux. De N13 brengt ons naar Vimont waar we de D47 nemen naar St.-Pierre-sur-Dives en verder de D4 richting Orlec. In Lovarit slaan we rechtsaf, de D579 volgend.

Om 10 uur bereiken we na 132 km Vimoutier, het Camembertstadje. Op het marktplein drinken we koffie in een bar. Op het plein staat een beeld van een Normandische koe en van de grondlegster van de Camembertkaas Marie Harel.

Het dorpje Camembert is in de onmiddellijke buurt gelegen (5 km) en we vereren het met een bezoek. Het is 11.15 u en hebben 140 km achter de rug. Naast nog een Belg, te zien aan de nummerplaat van een geparkeerde wagen, zijn we hier de enige bezoekers in het dorpje dat gelegen is in een prachtige omgeving. Via Vimoutiers rijden we langs de D579 richting Lisieux alwaar we de D5794 en de D579 nemen naar Honfleur. Enkele kilometer voor we aan de Seine komen zien we reeds de flikkerlichten op de pijlers van de nieuwe indrukwekkende Pont de Normandie. We betalen 32 FF om over de brug te rijden en stoppen op de parking langs de overzijde. Het is dan ongeveer 13 u. In het selfservicerestaurant gebruiken we het middagmaal. Daar Etretat voor twee jaar ons goed bevallen heeft, maken we een ommetje langs dit kuststadje. We stoppen er van 14.45 u tot 15.20. Een ijsje kost er ons niet minder dan 90 BEF. Op dat ogenblik hebben we 261 km gereden.

We vervolgen langs Yvetot, Yerville, Tôtes, Saint-Saens en Neufchatel-en-Bray. Onderweg zien we hier en daar werken aan een nieuwe autosnelweg (Rouen-Abbeville). De laatste 20 km voor Abbeville kunnen we reeds gebruik maken van de nieuwe snelweg.

Tussen Abbeville en Boulogne worden we enigszins opgehouden door een wagen met bovenop een bagagedrager met een blauw afdekzeil. De bestuurder heeft blijkbaar alle tijd en laat een kleine file auto’s achter zich. Door een toeval komt op een bepaald ogenblik voor de bewuste wagen een grote logge vrachtwagen, met daarop een werfwagen, rijden. De snelheid van de file daalt tot onder de 50 km/u en dit gedurende een 20-tal kilometer. Plots verandert de vrachtwagen van richting en zien we de slenteraar met blauw zeil vooruitschieten als een pijl uit een boog, steeds maar zijn snelheid opdrijvend. Door de afstand is het ons onmogelijk de nummerplaat te lezen maar ik heb het vermoeden dat het een Brit is. Meer nog, dat deze eerst nog wat te vroeg was om zijn ferry te halen en door het oponthoud plots in tijdnood begon te geraken. Even later kunnen we toch dicht genoeg naderen en zien dat er inderdaad een Britse nummerplaat op het voertuig steekt. Tot in Boulogne kunnen we met veel moeite de wagen volgen die daar de richting van Calais kiest.

In Boulogne stoppen we aan een McDonaldrestaurant, tevens een drive-in hamburgertent. We hebben dan 510 km gereden en het is 19.40 u.

Via de snelweg Boulogne-Belgische grens bereiken we tenslotte Oostduinkerke om 20.55 u en na 616 km gereden te hebben die dag.

Onze kilometerteller wijst 14.683 km aan, wat betekent dat we op de zes dagen in totaal 1.803 km afgelegd hebben.

Conclusie:

De eerste drie dagen waren te warm voor dit soort van reizen, de laatste daarentegen uitstekend (lichtjes regenachtig, meer wind maar gemakkelijk en goed reisweer). Al wat in de planning was opgenomen kon probleemloos uitgevoerd worden. Het rijden op de plattelandswegen van Normandië is prettig, ontspannend en afwisselen.



03-08-1995 om 17:35 geschreven door David Maes


>> Reageer (0)
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.NORMANDIË 1995 deel 2
Klik op de afbeelding om de link te volgen











Pont de Normandie

03-08-1995 om 00:00 geschreven door David Maes


>> Reageer (0)
16-08-1993
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.NORMANDIË 1993 deel 1
Klik op de afbeelding om de link te volgen



Normandië

maandag 16 augustus

tot

donderdag 19 augustus 1993

1ste dag: maandag 16 augustus 1993

We vertrekken vanuit Oostduinkerke om 06.10 u.

Kilometerstand: 87.011.

Het weer is droog en licht bewolkt, de temperatuur is uitstekend.

Daar de autosnelweg naar Boulogne op Belgisch grondgebied nog niet volledig afgewerkt is (er ontbreken nog 8 km tussen Veurne en de grens) moeten we eerst de Belgisch-Franse grens over en rijden dan even voorbij Ghyvelde de snelweg op. De snelweg is nagenoeg klaar tot in Boulogne, de laatste twee kilometer niet te na gesproken waar de laatste hand wordt gelegd aan de signalisatie en wegmarkeringen.

Om 7.25 u rijden we in Boulogne het nieuw Oceanografisch Aquarium voorbij.

Vervolgens nemen we de richting van Abbeville. Een zestal kilometer voor deze stad nemen we een eerste tankbeurt (76 FF). Het is dan 8.35 u. Daar er opzij van Abbeville een kort stukje autosnelweg loopt moeten we de stad niet binnenrijden.

Even voorbij Abbeville, op de Route National E 402, nemen we een rustpauze op één van de parkeergelegendheden. Het is dan 8.45 u en hebben dan 198 km achter de rug. Om 8.55 u gaat het richting Neufschâtel-en-Bray. Ook omheen deze stad is er een stukje autosnelweg aangelegd. We rijden in de richting van Rouen maar ter hoogte van Saint-Saens veranderen we van richting. We doen achtereenvolgens Totes, Yerville en Yvetot aan (N29). Dan gaat het richting Bolbec, maar in Valliquerville nemen we richting Fecamp (D926). Fecamp bereiken we om 11 u. We bezoeken er eerst het “Palais Benedictine”. Voor twee volwassenen en een kind betalen we 62,75 FF. Verder kopen we er een toeristische kaart van Normandië en enkele prentkaarten (24 FF). Het “Palais” is geen abdij. De abdij van de Benedictijnen werd tijdens de Franse Revolutie afgeschaft. Fecamp bezit enkel nog de abdijkerk. Het “Palais” werd gebouwd in opdracht van Alexandre Le Grand, de stichter van de Benedictinelikeurstokerij. Naast het prachtig museum bezoeken we de kelders met vaten waarin de likeur ligt te rijpen. Het laatste vullen van de vaten greep plaats in mei 1993. Het museum biedt ook een ruim overzicht van kruidensoorten waarvan de meeste gebruikt worden voor de aanmaak van de likeur. Aan de uitgang mogen we een cocktail op basis van Benedictine proeven (inbegrepen in de toegangsprijs). Men mag vrij rondlopen in het museum (geen verplicht groepsbezoek).

Na het museumbezoek bekijken we nog even de jachthaven van Fecamp en de kust. Marijke ziet voor het eerst een keienstrand en neemt een kei mee als souvenir. We verlaten Fecamp om 12.20 u

Om 13.10 u bereiken we Etretat. We hebben dan 349 km gereden. Even buiten het stadje gebruiken we op een parking ons pic-nic. Het is mooi weer, niet te warm, licht bewolkt en af en toe komt de zon er goed door. Vervolgens rijden we Etretat binnen en parkeren op een betaalde parking. Ook tijdens de volgende dagen zullen we ervaren dat op het middaguur druk naar een parkeerplaatsje gezocht wordt. Na enkele ogenblikken komt er een plaats vrij en betalen we aan de automaat 11 FF voor 4 uur. Enkele kleinigheden kosten ons 15 FF. We beklimmen de Falaise d’Aval die een prachtig uitzicht biedt op de door de zee uitgeholde rotsformaties. Blijkbaar zijn we er niet de enige Vlamingen want we horen nog het meest van al onze taal spreken. We verlaten Etretat om 15.30 u. Het wordt stilaan tijd om ons hotel op te zoeken.

We volgen de D 940 naar Le Havre, een vrij grote havenstad met heel wat industriële activiteiten (o.a. Renaultfabriek). Het lijkt raar, maar zonder het goed te weten rijden we in de goede richting naar Harfleur, een voorstadje van Le Havre – gelegen aan de zuidoostkant van de stad. Voor alle zekerheid vragen we twee keer of we op goede weg zijn, wat men ons bevestigt. Zoals veel Franse steden geeft Le Havre een bombastische indruk, reuzegrote gebouwen en brede lanen. Zonder echt zoekwerk botsen we als het ware op het Ibishotel waar we gaan overnachten. We komen er aan omstreeks 17.00 u. Die dag hebben we 387 km gereden.

Het hotel is zoals alle Ibishotels: eenvoudig, zonder veel franjes, maar proper. Daar het een passantenhotel is, is er ’s nachts nogal wat lawaai. Vooral wanneer een familie Italianen, waarschijnlijk het luidruchtigste volk van Europa, het nodig vindt om rond middernacht hun kamer te bestormen.

Na een verfrissend bad gebruiken we het avondmaal in het restaurant van het hotel. Het eten is goed zonder overdadig te zijn. We betalen 92 FF per persoon + 20 FF voor een grote fles spuitwater en 14 FF voor een kleine fles Evian (samen 310 FF).

Na het avondmaal maken we nog een kleine wandeling in het dorpje Harfleur, amper 500 meter van het hotel gelegen (van 20 u an 20.45 u). De kerk van Harfleur, in zandsteen, heeft zoals vele kerken in het noorden van Frankrijk dringend een restauratiebeurt nodig. De zandsteen is op bepaalde plaatsen sterk afgebrokkeld. Het eigenaardige van deze kerk is dat de torenspits bijna even lang is als de romp van de toren waardoor hij buiten alle verhoudingen staat ten overstaan van de rest van de kerk. Het stadje Harfleur geeft op dat ogenblik van de dag een verlaten indruk, iets dat we de volgende dagen ook nog zullen opmerken in andere provinciestadjes. Op onze wandeling komen we amper vijf mensen tegen. Het park achter het gemeentehuis geeft een verzorgde indruk.

Daar het een lange dag was gaan we om 21.30 u slapen. Het raam moet ’s nachts dicht blijven omdat het hotel in de buurt van drukke wegen ligt. Daardoor is het eigenlijk te warm in de kamer.

Het is me die avond ook opgevallen dat heel wat toeristen navraag deden bij de receptie van het hotel naar logies, maar onverricht ter zake moesten doorrijden. Het was dus best dat we ons hotel vooraf gereserveerd hadden.

2de dag: dinsdag 17 augustus 1993

Kilometerstand: 87.398.

Het ontbijtbuffet in het Ibishotel is uitstekend en ruim voldoende. Na afrekening vertrekken we om 8.30 u richting Pont de Tancarville. Het weer is uitstekend. Even voorbij Harfleur begint de autosnelweg naar de Pont de Tancarville. Het is een vrije snelweg (niet te betalen). Na 20 km komen we aan de Pont de Tancarville. Hier betalen we 11,5 FF baantaks. Het is een indrukwekkende brug. Net over de brug ligt een ruime parking waar we even halt houden en een kleine wandeling maken op een weggetje dat uitzicht biedt op de brug.

Wij vervolgen onze weg naar Beuzeville, één van de vele stadjes in Normandië die die naam dragen. Aankomst omstreeks 10 u. We hebben 44 km gereden. Toen collega Norbert Eggermont hier in 1985 voorbij kwam, woonde hier een dame , met de naam Van Overberghe, wiens vader afkomstig was uit Drongen. Het is onze bedoeling hiernaar te informeren. Toevallig moeten we iets kopen in een apotheek (wassen oordopjes omdat ’s nachts iemand van ons te veel snurkt – mea culpa). Er is een apotheek onder de kerktoren van het stadje. Meteen maken we van die gelegenheid gebruik navraag te doen naar die Drongense afstammelinge. De naam blijkt hier niet bekend te zijn. Prompt kijkt de dame die mij bestelt, om mij te helpen, in een soort gids met handelaars en inwoners. De naam Van Overberghe komt hierin niet voor maar eigenaardig genoeg wel “Van Leirsberghe”, een naam die ook in het Gentse en zeker te Drongen voorkwam. Achter de kerk is er een klein pleintje maar nergens is hier een drankgelegenheid te bespeuren. Het eigenlijke marktplein ligt zowat 50 meter verderop en op dit moment is het marktdag. Aan de hand van de beschrijving die Norbert mij gaf gaan we op zoek naar het bewuste café. Komende van de kerk, rechts om de hoek op de markt, is er een café met PMU-lokaal. drinken daar iets en doen navraag. Iedereen is hier heel behulpzaam maar ook hier kan men ons niet helpen. Volgens Norbert was het een drankgelegenheid die verzien was van goudkleurige aluminiumramen. Na het verlaten van het café ontdek ik langs de andere zijde van de markt een bar – snackbar met zo’n ramen. We besluiten echter onze speurtocht op te geven om niet al te veel tijd te verliezen (zie verder: 4de dag).

De stop te Beuzeville kost ons 27 FF.

Om 10.45 u komen we in Honfleur aan, een typisch Frans vissershavenstadje. Het havenbassin werd aangelegd op het eind van de 17de eeuw. Ik bezoek even de typische kerk. Zij is hoofdzakelijk opgetrokken in hout met twee beuken en dus ook twee hoofdaltaren. Er heerst binnen een bijzondere sfeer veroorzaakt door de weinig lichtdoorlatende ramen . De toren van de kerk staat volledig op zichzelf langs de overzijde van het pleintje en doet op die manier wat denken aan de Veurnse St.-Walburgakerk. Parkeergelegenheid is hier gemakkelijk te vinden en ook gelegenheid voor een “sanitaire aangelegenheid”. We betalen 8 FF parkeergeld en maken de plaatselijke handelaars 12 FF “rijker”. We hebben op dat ogenblik 57 km afgelegd.

We verlaten Honfleur om 12 u en rijden richting Trouville via de kustweg. In Trouville is het zeer druk (badstad en middaguur). Voor een groot friet (volgens onze normen een normale hoeveelheid) met een worst betalen we 25 FF – een vrij dure aangelegenheid – een belegd stuk stokbrood 15 FF en 10 FF voor een blikje cola.

Het stadje bezit een grote casino die aan het strand gelegen is. Het opvallendste is dat hier de zeepromenade bestaat uit een plankenvloer. Samen met Marijke bezoek ik het aquarium (30 + 20 FF). We hebben er reeds mooiere gezien.

Trouville en Deauville zijn tweelingstadjes, enkel gescheiden door een waterloop die in zee uitmondt.

Via een kustweg zetten we onze tocht verder naar Ouistreham. Dit stadje werd na 1944 bijna volledig heropgebouwd in moderne stijl. Het beeld van het stadje uit de film “De Langste Dag” is hier niet meer terug te vinden. Enkel het sas kan met enige moeite herkend worden. Na even rondgekeken te hebben vervolgen we onze weg via de kustweg tot in Courseulles, waar we richting binnenland nemen, meer bepaald Creully waarvan Crepon een deelgemeente is. Aan het kruispuntje, niet ver van Creully vragen we even de weg omdat hier enige twijfel bestaat over de juiste richting, maar een stoere bejaarde Normandiër wijst ons de goede richting aan. Ter hoogte van een klein kruispunt staat een bord die de richting Crepon aanwijst alsook een bord met de naam van ons hotel “Ferme de la Rançonnière”. [1] Een paar honderd meter verder doemt de versterkte toegangspoort van ons nachtverblijf voor twee dagen voor ons op.

We rijden via de grote poort het binnenplein op. We hebben die dag 140 km afgelegd. Het is dan 16.30 u.

De eerste aanblik van ons hotel is gewoonweg overweldigend. Het is een middeleeuwse versterkte Normandische herenboerderij uit de 13de – 15de eeuw. Boven de toegangspoort zijn nog de kantelen zichtbaar met links en rechts daarvan twee kleine torentjes voorzien van kleine schietgaten, dienstig voor de verdediging van de boerderij. De gebouwen staan in een vierkant opgesteld en omsluiten een groot binnenplein. Recht tegenover de toegangspoort is er nog een bijna even grote achterpoort. In het hoofdgebouw bevindt zich de receptie van het hotel. De kamers van dit deel zijn reusachtig groot voor onze hedendaagse begrippen. Ook aan het hoofdgebouw zijn in de gevel schietgaten voorzien voor het geval de indringers de eerste verdediging hadden kunnen binnendringen. Boven de toegangsdeur van dit gebouw prijkt nog het deels uitgesleten wapenschild in zandsteen.

Het duurt slechts vijf minuten vooraleer we onze kamersleutel in ons bezit hebben en we met het uitladen van onze bagage kunnen beginnen. Onze kamer (nr. 23) bevindt zich in het pand dat gelegen is tegenover de hoofdpoort. Het bestaat uit een gelijkvloers, een verdieping en een tweede verdieping in het dak. Onze kamer ligt onder het dak. Ook hier vallen we van de ene verwondering in de andere. Wat ons vooral opvalt is hoe mooi alles gerestaureerd werd met respect voor het verleden en toch zo functioneel. De kamer is zeer ruim en heeft drie afzonderlijke bedden. Een deel van de ruimte is afgesloten voor de badkamer. Er is een Tv-toestel aanwezig. Vooral de mooie oude kleerkast voorzien van gesneden figuren springt in het oog. Om de kamer van voldoende licht te voorzien werd een dakvenster ingebouwd. De ruimte voelt fris aan ondanks haar ligging. Het dak moet dus degelijk geïsoleerd zijn.

We besluiten nog die avond een bezoek te brengen aan het Memorial te Caen (ong. 20 km van Crepon). Het meisje in de receptie zegt ons dat er om dit Museum van de Vrede te bezoeken drie tot vier uur nodig zijn. We besluiten toch maar eens ter plaatse ons licht op te steken. We vertrekken richting Caen om 17 u. Na twintig minuten rijden zijn we ter plaatse. Het Memorial ligt aan de rand van de stad. Daar vernemen we dat voor een bezoek minstens twee a drie uur nodig is. We vinden het dan maar beter het bezoek uit te stellen tot de volgende morgen. Wel rijden we even naar het centrum van Caen met zijn oude binnenstad die omgeven is van moderne gebouwen en blijkbaar de laatste jaren een grote expansie heeft gekend. We verteren er 28 FF. Voor het volumineuze stadhuis ligt een prachtig met bloemen versierd park.

Bij onze terugkomst in ons hotel hebben we 187 km afgelegd (totale afstand die dag). Er was geen wolkje aan de lucht te bespeuren en de temperatuur lag rond de 25 graden.

Na een verfrissend bad begeven we ons naar het restaurant. Dit is gelegen op het gelijkvloers van hetzelfde gebouw waarin zich onze kamer bevindt. In een andere plaats van dit gebouw is het ontbijtrestaurant ondergebracht. Daar we hier half pension logeren hebben we recht op een menu van 88 FF: een voorgerecht (mosselen, garnalen en iets onbekends in een sausje – iets wat ons later niet goed zal bekomen, Marijke verkiest echter de soep te nemen; een hoofdgerecht (vlees met diverse groenten); kaas (van een zestal soorten proeven we een klein stukje) en een dessert (wij kiezen ijs). De kaas die we krijgen wordt in een klein winkeltje van de boerderij verkocht. Er zijn ook gevogelten, konijnen e.d.m. aldaar te koop.

Omstreeks 23.30 u gaan we slapen. Het hotel is rustig gelegen en er zijn ook geen storende geluiden van andere logés (waaronder een bus Vlamingen). Het enige licht dat ’s nachts naar binnen valt is het flitsen van de vuurtoren van Arromanches.

3de dag: woensdag 18 augustus 1993

Kilometerstand: 87588.

Om 6.30 u word ik gewekt door het luiden van de klokken van Crepon. We vertrekken vanuit het hotel om 8.45 u na een stevig ontbijt (voor elk een croissant, aangevuld met stokbrood naar hartelust).

Onderweg naar Caen tanken we voor de 3de keer op onze reis (96 FF).

Omstreeks 9.30 u bereiken we het Memorial. De toegangsprijs bedraagt normaal 50 FF. Wij krijgen een vermindering van Travotel en betalen slechts 3 x 40 FF. Een bezoek aan dit Museum voor de Vrede is gewoonweg een “must”. Het is zeer origineel en modern opgebouwd. Er wordt gebruik gemaakt van alle denkbare middelen die het geheel zeer begrijpelijk maken voor jong en oud. Op het einde van de rondgang zijn er drie spektakels te zien (17 min., 19 min. en 20 min.). Het eerste is een filmvertoning, op groot scherm, over de landing. In feite worden er twee films gelijktijdig vertoond: links de actie van de geallieerden en rechts de actie van de Duitsers. Het resultaat is verbluffend. Het tweede spektakel is audiovisueel. Op grote draaiende panelen worden de vorderingen bij de bevrijding van Frankrijk door de Geallieerden getoond. Het derde spektakel is een film waarbij vooral de nadruk gelegd wordt op de oorlogen na 1944 (Vietnam, Afganistan, enz.) en die vooral een vredesboodschap inhoudt. Het Memorial is zeker geen museum waarbij oorlogen opgehemeld worden. Het stelt vast, stelt vragen over het hoe en waarom en de gevolgen ervan. Het is een echt “Museum voor de Vrede”, dit in tegenstelling tot de andere musea in de streek.

Om 12.05 u rijden we richting Arromanches en stoppen in Creully om enkele frisdranken te kopen in een zelfbediening (47 FF). De weg naar Arromanches loopt via Crepon en ons hotel. Daar bezoeken we het museum met de maquettes van de kunstmatige haven, aangelegd in 1944 (62 FF). Ik steun de plaatselijke stadskas met 8 FF parkeergeld en de plaatselijke middenstand met 20 FF. Bij laag water zijn de caissons in zee goed zichtbaar.

Voor we vertrekken moet ik nog geld wisselen. Volgens aanduidingen kan dit in het Bureau voor Toerisme. Dit is slechts om 14.30 u geopend – dus nog even wachten. Vijf minuten te laat gaat het bewust kantoortje open en samen met de andere kandidaat-wisselaars krijg ik te horen dat hier geen geld kan gewisseld worden maar wel in het postkantoor, vijftig meter verder op. Met zo’n zes personen gaat het dan in draf naar het postkantoor. De eerste die aan de beurt is wil travellercheques inwisselen maar wordt terug verwezen naar het eerste kantoortje. Geld wisselen kan daarentegen wel en zelfs aan nog iets gunstiger voorwaarden dan in België.

Om 14.45 u vertrekken we uit Arromanches. Via de ring van Bayeux (om de drukke kustweg te vermijden) rijden we naar Pointe du Hoc. De site van de Pointe du Hoc ligt er nog bij alsof de landing pas enkele dagen achter de rug is. Men heeft er alles gelaten zoals het was, incluis de bomkraters. Het is er vrij druk wat bezoekers betreft. Na even genoten te hebben van het uitzicht op de krijtrotsen vertrekken we om 16.10 u naar Bayeux. St.-Mere-Eglise zullen we niet bezoeken daar het anders te laat wordt.

In Bayeux komen we aan om 16.50 u. Het lijkt een vrij stille stad te zijn behalve dan in het winkelcentrum. Met 5 FF volstaat het hier om te parkeren. We kopen er wat gebak voor het versterken van de inwendige mens (13 FF). Met uitzondering van Marijke hebben we de ganse dag nog niets gegeten (enkele uren later wordt het ons duidelijk waarom we geen trek hadden). Om 17.45 u rijden we terug naar ons hotel waar we even na 18 u aankomen. De kilometerteller staat op 87.726 zodat we vandaag 138 km gereden hebben.

Terug op onze kamer laten de eerste gevolgen van het voorgerecht van vorige avond zich duidelijk manifesteren. Het toilet in de badkamer krijgt meer dan gewone belangstelling. Marijke heeft echter geen last daar ze vorige avond de soep verkoos boven het voorgerecht met mosselen. Vermoedelijk moet er iets aan de hand geweest zijn met die beestjes. Gisteren hebben we voor deze avond een reuzegrote plat zeevruchten besteld (200 FF/persoon min de 88 FF half pension). De bestelling moest minstens 12 u op voorhand opgegeven worden. De gerechten liggen gestapeld op drie verdiepingen; escargots, wulloks, scampi’s, garnaal, noordzeekrabben, gewone krabben en oesters. Waarschijnlijk is dit de eerste keer dat ik bij een restaurantbezoek een deel van het gerecht moet laten terugkeren naar de keuken. Pfft, ’t was echt te veel.

4de dag: donderdag 19 augustus 1993

Tijdens de afgelopen nacht heb ik gelukkig nog weinig last gehad van overmatig toiletbezoek, Lea daarentegen eens te meer. Bij mij hebben de pilletjes met aktieve carbon blijkbaar goed hun werk gedaan.

Na het ontbijt ga ik afrekenen (550 FF opleg voor het eten en het drinken). De bagage wordt ingeladen en om 8.45 u vertrekken we. Zopas heb ik nog vernomen dat de bazin van het hotel afkomstig is uit Brussel en sprak dus het Brussel-Vlaams dialect. Daarnaast waren er een aantal Vlaamse jobstudenten tewerkgesteld in het hotel.

Een tankbeurt kost ons 128 FF.

Via Caen en enig zoekwerk in die stad vinden we de D 562 richting Condé sur Noireau. Van daar gaat het via de D.15 richting Putange. Hier bevindt zich het zogenaamde “Suise-Normandie”, term die wel iets overdreven is daar de streek eerder doet denken aan Luxemburg. Dit weggetje (D15) volgt een prachtig parcours, de heuvels zijn parchtig. Wij zijn blijkbaar de enigen die op dit uur de streek verkennen want op gans dit stuk komen we amper enkele auto’s tegen. Nog voor Putanges slaan we af in de richting van de “Barrage de Rabodanges”, een stuwdam. Het laatste stukje moeten we te voet doen (5 minuten) tot aan de barrage. We hadden ook de weg naar de Pont d’Oully kunnen nemen, maar dit zal voor een volgende reis zijn. Na een 15-tal minuten rijden we verder via Falaise naar het bekende Lisieux en brengen een kort bezoek aan de basiliek. Die is gelegen op een helling buiten de stad. Het is een indrukwekkend gebouw met een centrale koepel (basiliekstijl). De eerste steenlegging vond plaats in 1923. Binnenin werd heel wat marmer gebruikt en mozaïek voor de plafonds. Ons bezoek aan Lisieux duurt van 12.15 u tot 13.15 u. We hebben dan die dag reeds 203 km achter de rug.

Vanaf nu vangt onze terugreis aan. We besluiten Rouen te vermijden en terug via de Pont de Tancarville te rijden. Vermelden we hier nog dat we bij ons bezoek aan Honfleur (2de dag) in de verte de nieuwe brug over de Seine zagen liggen, de Pont de Normandie, waarvan de opritten reeds klaar zijn en het hangende gedeelte nog moet gebouwd worden. Deze brug zal nog langer worden dan die van Tancarville daar de Seine op die plaats nog breder is.

De meest logische weg loopt via Pont l’Evêque en Beuzeville. Het is dus de tweede keer dat we dit stadje aandoen tijdens deze reis. Hier stoppen we terug om iets te eten. We doen dit in de bar – snackbar met de goudkleurige aluminiumramen, gelegen aan de markt. (2 x biefstuk – friet en 1 hamburger – friet = 113 FF). We maken van de gelegenheid gebruik nog maar eens navraag te doen naar die Van Overberghe. Niemand, alhoewel iedereen hier zeer behulpzaam is, schijnt deze dame te kennen. We vernemen dat de huidige uitbater pas anderhalf jaar deze zaak uitbaat. Was Mevr. Van Overberghe misschien de vorige uitbaatster? Het zal wellicht voor altijd een vraag blijven. Om 14.20 u laten we Beuzeville achter ons en rijden we richting Pont de Tancarville, waar we terug 11,5 FF dienen te betalen maar die ons heel wat omweg bespaart. We rijden over de brug om 14.40.u

Vervolgens gaat het via Bolbec, Yvetot, Yerville, Totes, St.-Saens en Neufchatel naar Abbeville. Onderweg tanken we voor de 5de keer (100 FF). Het valt op dat de benzineprijzen sterk verschillen van streek tot streek en soms van dorp tot dorp. Een andere vaststelling is de soms brutale rijstijl van de Fransen. Wanneer ze een kruispunt naderen waar ze voorrang moeten geven aan het andere verkeer doen ze dit aan een vrij hoge snelheid om dan op het laatste moment en de laatste millimeter te stoppen.

Van Abbeville gaat het dan naar Boulogne. Meestal zijn de Routes National uitstekende wegen waarop goed gevorderd kan worden. De enige snelheidsremmers zijn in dit seizoen de talrijke landbouwtractoren.

We bereiken om 18.05 u Boulogne. Het is de bedoeling hier ergens in de omgeving iets te eten maar we vinden niets geschikts. Bij onze doortocht in Boulogne zijn we nog getuige van een partijtje boks – vrije stijl – op de openbare weg tussen twee inzittenden van een personenwagen en een vrachtwagenbestuurder. Wij vermoeden dat de één de andere gehinderd had. Na enkele minuten vervolgen ze hun weg alsof er niets gebeurd is.

Net buiten Boulogne rijden we de snelweg op en doen geen moeite meer om op zoek te gaan naar eten daar we nu al onze stal beginnen ruiken. Onderweg stoppen we een 10-tal minuten om even te drinken. Op deze nieuwe autosnelweg zijn er amper enkele stopplaatsen, dan nog zonder restaurants of cafés.

Ter hoogte van Sangatte scheren we voorbij het opstapcomplex van de Chunnel. In Ghyvelde eindigt voorlopig de snelweg en het laatste stukje gaat via gewone wegen langs Adinkerke, De Panne, Koksijde.

Om 19.40 u rijden we onze garage te Oostduinkerke binnen.

Onze kilometerteller staat op 82.287.

In totaal legden we tijdens deze vier dagen 1276 km af.


[1] Rançonner: losgeld vorderen voor, brandschatten, afzetten, te veel afnemen.

16-08-1993 om 17:53 geschreven door David Maes


>> Reageer (0)
15-08-1993
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.NORMANDIË 1993 deel 2
Klik op de afbeelding om de link te volgen
















Palais des Benedictine te Fecamp

15-08-1993 om 00:00 geschreven door David Maes


>> Reageer (0)


Inhoud blog
  • NORMANDIË 1993 deel 2
  • NORMANDIË 1993 deel 1
  • NORMANDIË 1995 deel 2
  • NORMANDIË 1995 deel 1
  • NOORD-FRANKRIJK 1996 deel 2
  • NOORD-FRANKRIJK 1996 deel 1
  • ZEVENDAAGSE NAAR DE KASTELEN VAN DE LOIRE 1997 deel 2
  • ZEVENDAAGSE NAAR DE KASTELEN VAN DE LOIRE 1997 deel 1
  • BOURGONDIË 1998 deel 2
  • BOURGONDIË 1998 deel 1
  • MONSCHAU 1999 deel 2
  • MONSCHAU 1999 deel 1
  • PARIJS 2000
  • GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG 2000
  • TURKIJE 2001 deel 3
  • TURKIJE 2001 deel 2
  • TURKIJE 2001 deel 1
  • PARIJS 2001
  • DE VOGEZEN 2001 deel 2
  • DE VOGEZEN 2001 deel 1
  • KEULEN CARNAVAL 2002
  • BRETAGNE 2002 deel 3
  • BRETAGNE 2002 deel 2
  • BRETAGNE 2002 deel 1
  • OOSTENRIJK GROSSARL 2002 deel 3
  • OOSTENRIJK GROSSARL 2002 deel 2
  • OOSTENRIJK GROSSARL 2002 deel 1
  • TURKIJE 2003 deel 3
  • TURKIJE 2003 deel 2
  • TURKIJE 2003 deel 1
  • OOSTENRIJK GROSSARL 2003 deel 3
  • OOSTENRIJK GROSSARL 2003 deel 2
  • OOSTENRIJK GROSSARL 2003 deel 1
  • KRETA 2004 deel 2
  • KRETA 2004 deel 1
  • HOUFFALIZE 2004
  • OOSTENRIJK GROSSARL 2004 deel 3
  • OOSTENRIJK GROSSARL 2004 deel 2
  • OOSTENRIJK GROSSARL 2004 deel 1
  • TURKIJE 2005 deel 3
  • TURKIJE 2005 deel 2
  • TURKIJE 2005 deel 1
  • VIERDAAGSE VAN DE IJZER 2005
  • GROSSARL 2005 deel 3
  • GROSSARL 2005 deel 2
  • GROSSARL 2005 deel 1
  • Hotel Torre Artale - Trabia - Sicilië - Italië
  • Reis naar Sicilië - Italië 2006
  • De Pyreneeën
  • Lourdes en de Pyreneeën
  • Antalya Turkije 2006
  • Antalya Turkije 2006
  • Grossglockner 3798 m
  • Sankt-Martin bei Lofer - Oostenrijk
  • Kas Turkije 207
  • Kas - Turkije 2007
  • Kusadasi Turkije 2008
  • Kusadasi Turkije 2008
  • Bernau - Zwarte Woud
  • Bernau - Zwarte Woud
  • Bornholm - Denemarken
  • Tenerife 2010
  • Antalya Turkije 2011
  • Malta 2011
  • Tenerife 2012
  • Nieuw
  • Welkom op deze blog
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Archief per jaar
  • 2012
  • 2011
  • 2010
  • 2009
  • 2008
  • 2007
  • 2006
  • 2005
  • 2004
  • 2003
  • 2002
  • 2001
  • 2000
  • 1999
  • 1998
  • 1997
  • 1996
  • 1995
  • 1993
    E-mail mij

    Druk oponderstaande knop om mij te e-mailen.

    Blog als favoriet !
    Gastenboek
  • solar
  • Op bezoek geweest
  • Lieve groetjes
  • Vrolijk pasen
  • xxx

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    T -->

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!