Voor m'n poëzie kan je terecht bij Pp. Naam van het Weblog: Ik kan niet schrijven zoals jij leest ...
22-12-2006
En het woord werd lente...
En het woord werd lente...
Zal ik hem even openslaan, dacht ik. Zoals Franciscus van Assisië de Bijbel. Om te lezen wat God hem wilde vertellen.
En ik dacht, ach, met De Coninck wordt het altijd wat lente in m'n hoofd. Ik deed het dus. En je gelooft me niet. Op pagina 317 van zijn Verzameld Werk, las ik bovenaan:
Met niets. Lente. Bijen. De letter z is ontsnapt. Grassprietje tussen mijn tanden is niet van mij, liedje ook niet, handen in zakken wel.
Dàt wilde m'n god mij zeggen vanmorgen. En het lentelicht scheen al een beetje in m'n duister winterhoofd.
Gelukkig is er nog de gazet. De grens tussen hun tweeën. Als de ochtend op tafel ligt. Een non-transitzone.
De woorden blijven bedrukt op papier. Ze hoeven geen tong te verlaten. Koffie kabbelt tussen hen in. Monden vol verhalen. Maar zonder klanken blijven ze stil.
Kil kijkt de dag door het raam. Speurt naar ontsnappingsroutes voor elkaar. Winter wikkelt zich rond hun dagen. Nog even en de dood komt hen halen.
Bijna als een boer deel ik mijn ochtend in. In percelen. Letters zaaigoed over velden papier. Woorden tussen de voren van de tijd. Ik lijd onder de druk van seizoenen. Uren van respijt.
In mijn handen ligt het 'Knack'-overzicht Boek 06. Soepel als een Brabantse glooiïng. Schrijvers, dertigers, nog puberaal en overmoedig. Roekeloze eigenwaan getemperd door kritiek. Heiligen nog voor ze zalig werden verklaard.
Ze rusten in de luwte van m'n handen. Ik kijk ze in de ogen. Zie de zinnen van hun dromen. Hun hautaine honger. De expansiedrang van hun gedachten. De bekendheid van getallen. Oplage vertaald in lezers. Bang voor criminele recensies. Blokkering van subsidies.
Armoede op zolderkamers, dat is voor dode dichters. Die het leven verteerden in hun verzen. Thans is hun ego uitgebreider dan de zee die ze bevaren. Hun horizon geborneerd door de omtrek van hun hals. De weidsheid van wijsheid, versleten en vergeten.
Zij werken dwangmatig aan de band. Voor de zekerheid van hun literair bestaan. Een villa in Portugal. Nullen op de bank. O God, van dichters en schrijvers, wees hen genadig. Laat Cupido hun Muze verleiden.
Misschien zal je mij wel gek verklaren. Maar dat mag. Je moet je niet schuldig voelen.
Zoals elke dag plooi ik de ochtend open met lectuur. Ongeveer een uur. Een ochtendwandeling door het hoofd van een schrijver. Buiten nog donker. Binnen helder.
Vanmorgen dacht ik dit.
Een boek is een gevangenis. De schrijver sluit er woorden in op. Een lezer kan ze bezoeken. Misschien even bevrijden. In een roekeloze ontsnappingspoging. Hij wordt zo medeplichtig.
Vanochtend wandelde ik langs bermen. Midden een veld van klaprozen. Ze waren nochtans zwijgzaam stil.
De schrijver had ze bekeken en geplukt. Meer nog hij had ze gezaaid en geoogst. Zij dankten hun bestaan aan enkele zinnen. Ik voelde me een klaproos.
Trek me niet uit de grond, lezer. Want ik verwelk meteen in de vaas van je handen. Laat me staan en lees me. Pluk me met je ogen. Want daar wil ik wonen.
Hij geurt naar jeugd. De wierook van weemoed. Hij tekent tranen in m'n ogen. Dopt zijn pen in tederheid en veegt ze af aan de ochtend.
Hoe hij mijn hoofd vult. Vandaag mengt met vroeger. Het licht laat lachen. Het donker verduistermaant. Dat kan hij allemaal. In m'n hoofd.
Hoe zo'n man mijn hersenen bemant. Ze ontleedt tot in de laatste kronkel. Soms ontbloot hij gedachten die ik geklasseerd had. In de vergetelheid. Het niet meer willen weten.
Ach, Dewulf, ik hoop hem nooit te zien. Te horen. Hij zou zichzelf onttronen. Alleen zijn woorden, wil ik. De magie van m'n eigen dromen. Die hij laat wonen. Op papier.
De ochtend is zó donker dat ik hem niet kan lezen. Ik kijk naar de stilte van het licht. Bijna een gedicht.
Ik luister dan maar naar de lectuur van de regen. Haar geratel op het dak. Het getjilp van de goten. Hun gulzige slikken. En het gemor van het geborrel.
Deze dame is vastberaden verdwaald. Zij schrijft zich nat op lakens van land en van water. Ze tikt op verschrikte ruiten. Wuift met de wolken en huilt met de wind.
Ze lacht om later. Het klinkt als geklater. Haar vingers vangen m'n oren. Als een schelp de zee.
Wacht, roep ik haar. Ik ga mee. Tevergeefs. Ze is een nomade.
Zopas stond ik aan de afwas. Met Pascale Platel. Dat kwam goed uit. Want hij was opgestapeld en twee dagen oud. Wel afgespoeld met een kwistige dretsj voor het slapen gaan.
Geen tijd gehad. Ach, die vrouwen in m'n leven. Dochter, ex en geliefde, ze bezetten m'n tijd. Melk de dag, schreef Timmermans. Mijn grootvader deed dat met de duiven.
Mijn dochter zit in Amsterdam. Bij haar grootste weldoener. Maar Pascale staat naast mij. Dat helpt. Hoewel zoals ik dat verwachtte, ze snatert wat af. Ik doe het dan maar zelf.
Maar ik zink zo diep weg in haar stem dat ik vergeet. De tijd en de afwas. Bijna zou ik 'm afspoelen met tranen van ontroering.
Ho, stop even, Pascale. Ben ik nu ne vent of een ... trut. Verdomme, wat kan die vrouw me pakken. Ah, vrouwen, dedju. En radio, een andere zwakke plek.
Alaska. Zondagavond. Radio 1. Van zes tot zeven. Maar op de internetradio ook aan de afwas. That's life!
Pascale gaat terug in de tijd. Naar haar warm nest. Een huis volgestouwd met vijf kinderen. En een pa en een ma. Zeven gelukkige mensen. Een huis als een L. Van Platel. Van haar vader. Architect.
En liedjes. Van toen. Verdomme, Pascale, je maakt me klein. Ik geraak niet meer aan de afwasbak. Haar moeder, mijn moeder... allemaal dezelfde moeders.
En de liedjes van toen. Pascale, hou me vast. Ik verdrink in je weemoed.
Buiten schijnt de zon. Op de vloer liggen broodkruimels. Het stof lacht groen op de kast. En de was ligt wirwar in de mand.
Pascale is vertrokken. Ik ga haar achterna. That's life!
Hoe gewillig ze zich laat openen. Door mijn handen. Ik voel haar huid. Glad gestreken. Ze geeft zich prijs.
Meer nog. Ze neemt bezit van mij. Overvalt me met haar zwart bedrukte kanten. Langoureuse lingerie van letters. Ze ontbloot haar woorden.
Ik bloos. Ben een jongen. Oud verloren. Verslingerd aan haar boorden. Van weidse verten. Vertelde dromen. Ze plant zich op mijn schoot.
Ik draai haar om. En om. Bekijk haar. Kolom na kolom. Betast haar. Van noord naar zuid. Van oost naar west. Ik lees ze uit.
Uitgelezen
Voortaan, steekt een lieve buurvrouw, "Uitgelezen" de literaire bijlage van De Morgen, in m'n brievenbus. Gisteren zondag vond ik ze en werd zo blij als een kind. Woensdag komt een ander.
Als een pneumatische boor hamert zij op de toetsen. Zij drilt de noten. Ze kraken in m'n oren.
Ik heb heimwee naar Mozart. Het speelse van een felle lente. Door de muren klinkt de kilte van de winter. Hedendaags mist dikwijls warmte. Het conceptuele van een Jan Fabre. Een cloaca van Delvoye. De bravoure van een Hoet. Ze lijken mij welstellende middenstanders. Maar 'kunst' van commerçanten die ontroert? Nog niet gevonden, gezien, gehoord ...
Mijn buurvrouw speelt piano. Spelt noten. Elke ochtend, zelfs 's avonds tussen m'n lakens dreunt de exercice door haar vingers.
Vroeger liet zij 'de romantici' dromen in haar handen. Pianissimo in m'n oren. Toen luisterde ik graag naar mijn muren. Ze waren muzikaal ontroerend.
uvi
PS.
Om m'n dagboek beter te begrijpen, als toemaatje, een oud vers.
Mozart
Zij speelt haar heimwee stuk op Mozart
Eine kleine Nachtmusik van groot verdriet
maar nu en dan verlangt zij naar een minnaar zonder noten
een viriele dirigent met z'n orkest van instrumenten en hun tedere geweld
eerst wat parlando ma non troppo
als hij haar prelude speelt prevelt zij piano, pianissimo
en dan crescendo ... forte tot zij zich verliest in alle staten onder de maten van de partituur
ik hoor nu een ingeslapen interludium van wat vermoeide noten
Zij ruikt nog naar Afrika. Is mager (geworden) als Biafra. Langer dan toen ze kilo's had.
Zij liet haar volk achter. Zwart van honger. Geen ontbijt meer. Nog meer zorgen.
Ook daar worden de rijken rijker. De armen armer. Electriciteit en brood, weer duurder.
Zij loopt met een geleende jas. Sjiek als een dame. En toont fier haar Europese schoenen. Zondag gekocht op de markt van Dakar.
Afdankers hier ingezameld. Worden daar verkocht. Zij vindt dat OK. Zo kunnen de armen ook nog wat kopen.
Zaventem. Of Brussels Airport. De dag en Vlaanderen ontwaakt.
Zij ziet nu. Waar ze vroeger blind was. Wolken. Die zo snel bewegen. Kleuren. De zon die wakker wordt.
En blaren die van bomen vallen. Zij schopt ze omhoog. Wil ze een tweede maal zien tuimelen. In de tuin.
Pake krijgt een vermaning. Een wildernis, noemt ze mijn niet geometrisch stadstuintje. Richt je tot 'God de Vader', verdedig ik me. Hij is mijn Tuinier. Ik ben er ook niet zo tevreden over. Maar Hij is goedkoop. Werkt in 't zwart. Dag en nacht. Wellicht een illegale Allochtoon.
Namiddag en we trekken door de stad. Te voet. Kasseien. Waauuw. Dat zie je niet bij ons. Vroeger waren keien ongemakkelijk. Je kon er alleen je voeten op omslaan. Niet meer van deze tijd.
We volgen witte sporen. Zien jongens en meisjes kruipen. Op vier poten. Hun slavendrijvers rechtop. In witte jassen. Zij klutsen eieren op hun kop. En bestrooien hen met sneeuwwitte bloem. Gieten roomkleurige melk.over hun haren.
Wat een majestueus ontbijt. Op de grond. Voedselvandalisme.
In Senegal hebben ze vandaag nog niet gegeten. Mijn ratio en emotie komen in opstand.
Mag ik je even spreken? Zo ben ik: beleefd. De laatste student is een gewillig slachtoffer.
Kijk, mijn dochter landde deze morgen. Om vijf uur zesentwintig. Pietje Precies, ben ik.
Ruik even, ze draagt nog de geur van Afrika. Bij haar hebben ze vanmorgen niet gegeten. Zij bedelt hier voor kleren en opvoeding. Eten. Voor kinderen, de bedelaars van de straat.
En jullie ... "Ik weet dat, meneer." Hij blijft onwennig beleefd. Waarom doen jullie dat dan?
Tja, ze deden dat vroeger toch ook, en overal en ze waren niet alleen ... en ze mochten zich toch amuseren...
Ja, natuurlijk, laat die schachten maar kruipen op al hun poten. Maar kan je ze niet besmeuren met bv. waterverf of weet ik wat ...
De toekomstige elite kijkt me beduimeld in de ogen.
Hoe kan ik die jonge mensen hun plezier vergallen. Ach, troost ik hem: Jij bent nog een brave student. Veertig jaar geleden, kapten ze de bloem over de kop van zo'n zeurpieten als ik ...
Hij glimlacht zelfs niet. Blijft ernstig ongemakkelijk.
Ze nog even opwarmen die jeugd, denk ik. En het zijn pannenkoeken.
Amuseer je nog, groet ik. Ik hoop dat hij het nog kon.
Mmm... ik ga pannenkoeken bakken. Ze slaapt nog ...
O, november en z'n troosteloze dagen. Het zwiepen van de kruinen. En het zware wolkenzwerk.
Je zou er voorwaar een 'Tachtiger' * of een 'Van Nu en Strakser'* van worden. Een eeuw vol novembermaanden. En nostalgie die van de bomen druipt.
"De dagen moesten breder treuren dan de zee. Verder keek alleen het schilderij."
Maar dàt is van een 'veertiger'. Dewulf (1960).
Ik voel me een dakloze dichter. Geen bundel boven m'n hoofd. Ik schrijf woorden om me droog te houden. Dronken te drinken aan het alfabet. Un clochard de luxe.
Ik ben een alpha-man. Geboren en getogen in blauwe letters. De navelstreng rondom m'n hoofd gewikkeld. Als een leeslint.
Geen tijd om op aarde te komen. Ik zag al blauw. Toen ik het licht aan het einde van de tunnel zag. Meteen wist ik dat leven wenen was.
Helaas, heb ik geen streepjes gezet. Anders had ik geweten hoe dikwijls ik nu al 'Blauwziek' van Dewulf gelezen heb.
Notitie
In alle vroegte doodstil opgestaan om nog eens het eerste licht te zien. Wassen, oude kleren aan. Koffie en dan leven voor het open raam.
Dat is de eerste strofe van het eerste gedicht. Zopas las ik, weer maar eens, het laatste gedicht van de bundel. Dat begint zo :
Amandier en fleur, 1946
Na iedere oorlog heeft de eerste lente haast. In de bleekgroene ochtend van een vredestijd bloeit de amandelboom een droom te vroeg.
Zo ziet mijn ochtend er uit. Donker buiten, blauw van binnen.
Ik kocht gisteren 'Loerhoek'. Van Bernard Dewulf. Daarin liggen zijn columns uit De Morgen te slapen.
Ik betaal graag voor dat boek niet alleen omdat ik er graag in lees. Nee, vooral uit dankbaarheid. O, maar ook uit puur eigenbelang. Berekening, zelfs. Toegegeven.
Die man heeft mij al zovele ontroerend mooie momenten in mijn leven geschonken. Als ik wil dat hij dat kàn blijven doen, dan wil ik daar graag mijn Euro voor bijdragen. Stoeltjesgeld, ken je dat nog? Leesgeld in dit geval.
Hetzelfde doe ik met muziek. Uit respect en rede koop ik met reden de cd's van die 'zangers' die mijn leven gelukkiger maken.
Zij geven licht op donkere dagen. Ik hoef niet te wachten tot Kerstmis.
Laat ik maar eens verdwalen in m'n eigen dagboek. Het verdriet aan m'n hand. Wij samen.
Het kan nog net. De ochtend is jong en onervaren. De dag heeft 'm nog niet besmeurd. En toch...
Letters vielen door m'n handen als bladren van een ouwe boom. Het is herfst in m'n hoofd.
Moeilijke dichters zijn een gemakkelijke hap voor recensenten. Ze kunnen dan etaleren hoe literair wetenschappelijk erudiet ze zijn. Bekijken zichzelf in de spiegel van beschouwingen en glanzen van genot. Zelfingenomenheid.
Ah, lieve lezer, je volgt me niet. Logisch, ik ben onduidelijk. In de 'Poëziekrant' schrijft Anneleen de Coux een essay over de vier dichters van 'Twist met ons'.
Anneleen is een geleerde dame. Dat vertelt Google mij. En sinds ik God verloor, geloof ik in Google. Derhalve mag ik niet twijfelen aan haar "weten-schap". Maar ze strooit wel pijn over m'n lezersziel. Knabbelt aan m'n bewondering voor Dewulf.
Ik citeer: "Op het formele en talige vlak heeft deze poëzie dus weinig te bieden. De gedichten van Bernard Dewulf lijken hun kracht te moeten halen uit datgene waarnaar ze verwijzen. De liefde van een man voor zijn vrouw, zijn kinderen, zijn ouders, een (verboden) vrouw uit het verleden. Tederheid, angst en vervreemding. Dit werk biedt kleine taferelen uit een leven dat, in zijn kleinheid, groots is, zoals alle levens.¨ ... Maar zelden weet Dewulf de indruk van anekdotiek echt te overstijgen ..."
Wil JIJ, lezer, een dichter worden... schrijf dan nooit meer over de liefde voor ... cfr citaat hierboven. Je valt tussen de plooien van de wetenschap.
Gelukkig schreef ik reeds dikwijls: "Weten" is voor "wetenschappers", een dichter "vermoedt" slechts ...
De dame maakt dan ook niet te veel woorden vuil aan m'n lievelingsdichter. Happiness has no history.
En zo bleef ik achter met een afgebroken dichter in m'n hoofd. Ik koester nu zijn gedachten ...
Misschien ben ik wel een kei. In de rivier van het leven. Maar dan een zachte kei. Van het soort : peperkoek. Ik weet dat het een moeilijke combinatie is met al dat water. Maar ik vertrouw op je verbeelding, lezer.
Een rimpeling op papier. Misschien ben ik dat wel. Geen vlakke spiegel. Neen, daarin herken ik me niet.
Waarom, dit matinale filosofietje. Ach, daarnet kwam ik m'n eigen gedacht tegen. In De Standaard der Letteren. Nog maar eens en: neen, ik ontvang geen percentje.
Boekenbeurs. Meer beurs dan boek.
Ik citeer Sam De Graeve: "Kortom, ben je geïnteresseerd in boeken, dan heb je op de Boekenbeurs niks verloren. Het is een ode aan de verkoop, niet aan de verbeelding, niet aan de wonderen die zich in boeken vaak aan lezers openbaren."
Voilà, een tweede kei. Binnenkort leggen we nog een dam aan. Ik begrijp ook niet waarom men "7 Euro " durft te vragen om boeken te kunnen kopen.
Stel je voor dat je een entréebiljetje zou moeten aanschaffen om je lichaam te spijzen in een restaurant. Met of zonder sterren. Om aan het voedsel van de geest te geraken moet dat wél, blijkbaar.
Maar dan dat "Ollekebolleke". Ook in DSL. Zie lager de definitie volgens Wikipedia.
Ook hier frons ik even de oevers van m'n rimpelende vijvers. Sjonge, de techniek overheerst de schoonheid en haar ontroering. Rijmt het niet of kan je niet goed tellen, dan bestaat het niet.
Lieve lezers, je mag me tegenspreken, tegenschrijven... als dat woord zou bestaan. Maar deze nederige dienaar zal je nooit trachten te raken, aan te raken, met het tellen van z'n verzen. Hij kàn amper op z'n vingers vooruit.
Hij zal wel, bijna ongemerkt, zachtjes willen binnenraken in dat unieke plekje van jou. Dààr waar jij je gevoelens bewaart. Diep bestoft in je herinnering of dagvers op de plank van je verlangen.
En ik zal je een hand reiken om aan dat potje ontroering te raken ... maar dan moet je alleen verder ...
In het Engelse taalgebied was het ollekebolleke al sinds 1951 bekend, onder namen als Jiggery-Pokery, Higgledy-Piggledy of de Double Dactyl. De laatste naam verwijst naar de versvoet van het ollekebolleke: een dubbele