Theo van Rysselberghe 1862 - 1926 Belgische impressionistisch schilder

Théo van Rysselberghe 1862 - 1926 was een Belgische impressionistisch schilder

Théo van Rysselberghe werd geboren in een Franssprekend Gents bourgeoisgezin, hoewel, zijn vader wordt in 1862 vermeld als "schrijnwerker". Hij kreeg zijn eerste artistieke vorming aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten onder Théodore-Joseph Canneel. In 1879 stapte hij over naar de Brusselse Academie voor Schone Kunsten onder de leiding van Jean-François Portaels. Deze schilder, die vele maanden in Marokko had doorgebracht, had met zijn Noord-Afrikaanse schilderijen een zekere oriëntalistische mode geschapen voor een cliënteel dat belust was op het exotische. De impact van deze werken zou de jonge Van Rysselberghe sterk beïnvloeden. Tussen 1882 en 1888 maakte hij drie reizen naar Marokko, met een totaal verblijf aldaar van een anderhalf jaar.
Hij was nauwelijks 18 jaar oud toen hij met twee portretten deelnam aan zijn eerste tentoonstelling : het driejaarlijkse Salon van Gent. Kort daarna schilderde hij zijn "Zelfportret met pijp" (1880), geschilderd in vrij sombere kleuren, in de stijl van de toenmalige Belgische realistische traditie. Zijn "Kind in een open plek in het bos" (1880) en de marines "Zeilboten op een rivier" (1880) en "Schepen in de haven" (1881) wijken reeds af van deze stijl en vormen een schuchtere poging in de richting van het impressionisme. Vlug daarop zou hij zijn eigen realistische stijl, die aanleunt tegen het impressionisme, ontwikkelen. Hij ging in 1881 wonen in Brussel en in hetzelfde jaar nam hij voor het eerst deel aan het Salon van Brussel.

Na 2 reizen naar Marokko waar hij succes boekte met oriëntalistische werken, stapte Van Rysselberghe toch over naar een nieuwe stijl waarbij hij zijn eigen interpretatie gaf van zijn model in gedempte kleuren met gebruik van verschillende paarse of zwarte gradaties, die afwisselen met lichte kleuren. Hiervan getuigen zijn schilderijen "Jeanne and Marguerite Schlobach" (1884), "Octave Maus" (1885), "Camille Van Mons" (1886), "Marguerite Van Mons" (1886) (dat men best eens vergelijkt met het "Portret van Gabrielle Braun" (1886) van Fernand Khnopff).
Hij zag de inzendingen van de impressionisten Claude Monet en Auguste Renoir op de tentoonstelling van Les XX in 1886. Hij was diep onder de indruk van deze nieuwe picturale benadering. Hij begon ook met deze techniek te experimenteren. Dit kan men duidelijk zien in "Vrouw met Japans album" (1886). Deze invloed van de impressionisten speelt nog meer in de schilderijen "Madame Edmond Picard in haar loge" (1887) en "Mevrouw Oscar Ghysbrecht" (1886-1887) (geschilderd met een palet van heldere kleuren). Hij schilderde in 1887 aan de Belgische kust ook nog enkele impressionistische marines "Het Zwin bij hoogtij" (1887) en "Uitvarende vissersboten" (1887).

Zijn bekend portret, in blauwe en gouden kleuren, van "Alice Sèthe" (1888) zou een keerpunt worden in zijn leven. Ditmaal had hij uitsluitend gewerkt met puntjes. Alice Sèthe zou later huwen met de beeldhouwer Paul Dubois. Haar zuster, Maria Sèthe, was eveneens een model van Théo van Rysselberghe : "Portret van Maria Sèthe aan het harmonium", tentoongesteld in 1891 op het Salon des Artistes Indépendants in Parijs. Maria Sèthe zou later huwen met de art-nouveau architect Henry Van de Velde.
Naast al deze portretten, schilderde hij in deze periode ook veel landschappen en marines : "De Schelde, stroomopwaarts van Antwerpen" (1892), "De haven van Sète" (1892), "Sète, vissersboten" (1892), "Kust van het Kanaal" (1892), "Duinen in Cadzand" (1893), "De regenboog" (1894), "Buitenhuisjes in de duinen" (1894).
In 1895 had hij een opdracht gekregen van de "Compagnie des Wagons-lits" om een aantal posters te ontwerpen met grote internationale treinreizen. Hij spoorde hiervoor naar Athene, Constantinopel, Hongarije, Roemenië en Sint-Petersburg. Een bekende poster uit die tijd is "Royal Palace Hotel, Oostende" (1899).

Madame van Ryssellberghe en zijn dochter Elisabeth
De man aan het roer (1892)
schilderij geschonken in 1894 door van Rysselberghe aan zijn vriend Paul Signac
Théo Van Rysselberghe had de climax van zijn neo-impressionistische techniek bereikt op het einde van de jaren 1890. Langzamerhand begon hij nu het gebruik van puntjes te verlaten en weer over te gaan naar bredere uithalen in zijn portretten en landschappen : "De renbaan, Boulogne-sur-Mer" (1900) en het groepsportret "Zomermiddag" (1900), "Meisjes op het strand" (1904), "Jong meisje met strohoed" (1901) en de zeer bekende "De lezing" (1903) (met het fel contrast tussen de rode en blauwe kleuren).
Na al die jaren als talent scout voor Oscar Maus, maakte van Rysselberghe de vergissing van zijn leven : hij herkende het talent niet van de jonge Pablo Picasso (die toen in zijn Blauwe Periode was). Hij vond zijn werk "lelijk en niet interessant".
Zijn pointillistische techniek, die hij gedurende zoveel jaren gebruikt had, werd na 1903 meer ontspannen en na 1910 verliet hij deze techniek volledig. Zijn verfstreken werden langer. Hij gebruikte meer levendige kleuren en meer intense contrasten, of soms zachtere kleurtonen. Hij was een meester geworden bij het toepassen van licht en warmte in zijn schilderijen. Zijn "Olijfbomen in de buurt van Nice" (1905) herinneren ons aan de techniek gebruikt door Vincent Van Gogh. De langere uithalen in rood en zachtpaars springen in het oog in zijn werk "Baadsters onder de pijnbomen in Cavalière" (1905).
In de lente van 1904 toerde hij rond per fiets, samen met zijn vriend, de schilder Henri-Edmond Cross langs de Middellandse Zeekust tussen Hyères en Monaco, op zoek naar een geschikte plaats voor zijn nieuwe woning. Ten slotte streek hij neer in Saint-Clair, waar ook Cross sinds 1892 woonde en eveneens zijn broer, de architect Octave Van Rysselberghe. Zijn broer ontwierp in 1911 voor hem zijn nieuwe woning. Théo Van Rysselberghe trok zich nu volledig terug aan de Middellandse Zee en laat de Brusselse kunstkringen volledig los.

Op het einde van zijn leven begon hij ook te beeldhouwen, zoals de bronzen "Kop van André Gide".
Hij stierf in Saint-Clair in de Var in Zuid-Frankrijk op 14 december 1926 en werd begraven op het kerkhof van Le Lavandou, naast zijn vriend Henri-Edmond Cross. Hij had Le Lavandou meerdere malen uitgebeeld, zoals in zijn tekeningen in zwart krijt "Le Lavandou" en in Oost-Indische inkt "De hoogten van Lavandou". Het is aldus passend dat één van de grootste neo-impressionistische schilders hier begraven werd.
Veel van zijn werken behoren nog steeds tot privé-collecties en kunnen dus slechts zelden door het publiek gezien worden. Eén van deze zeldzame gelegenheden was de overzichtstentoonstelling "Théo Van Rysselberghe" in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel en later in het Gemeentemuseum van Den Haag, tussen februari en september 2006.
Zijn werk "De haven van Sète" (geschreven als Cette) werd in november 2005 op een veiling verkocht voor een recordbedrag van 2,6 miljoen euro.





















