Anna Boch 1848 - 1936 was een Belgisch impressionistisch schilder

Anna Boch 1848 - 1936 was een Belgisch impressionistisch schilder
Klik op de foto om een filmpje van haar overige werken te bekijken
Anna Boch werd geboren als oudste dochter van Victor Boch en Anne-Marie-Lucie Boch in de rijke industriële familie Villeroy & Boch, actief in de faïence en keramische industrie in La Louvière, die ook beiden uitstekende tekenaars waren. Zij was het oudste kind van het gezin. Ze genoot haar opvoeding voor een gedeelte in het internaat in Bergen, later in Keulen.

Toen haar moeder in 1871 stierf in Zwitserland, ging het gezin wonen in Brussel. Hier maakte Anna kennis met een aantal schilders. Ze kreeg haar eerste schilderlessen van Pierre-Louis Kuhnen (1812-1877) (een schilder gespecialiseerd in het romantisch landschap en leraar aan de academie van Brussel) en, na enige onenigheid omwille van zijn verouderde stijl, vanaf 1874 van Euphrosine Beernaert. Ze werd nadien in 1876 door Isidore Verheyden (en ook door Michel van Alphen) geïnitieerd in het plein-airisme in de omgeving van het Zoniënwoud. Zij bleven gedurende tien jaar samenwerken. Zij schilderde in 1884 Isidore Verheyden in zijn atelier terwijl hij van haar een portret maakte al schilderend op het strand nabij de duinen (privé-collectie). Onder zijn invloed werd haar kleurenpalet lichter en begon ze met krachtiger toetsen te schilderen. Hij wekte bij haar een ware liefde voor de natuur en dit weerspiegelde zich in haar landschappen. Hierdoor wordt Anna Boch gerekend tot de zg. tweede generatie van de School van Tervuren.
Anna Boch, vaak in gezelschap van haar broer Eugène, bezocht in deze jaren (1875-1880), net als Isidore Verheyden, verschillende malen de Limburgse Kempen (Genk).
Anna Boch kreeg later ook lessen van Théodore Baron.
Ze debuteerde op het Salon van Brussel in 1880 en hield haar eerste persoonlijke tentoonstelling in de "Cercle artistique et littéraire" in 1884. Ze toonde een doek op het Salon van Parijs in 1885.

Het was echter vooral Theo Van Rysselberghe die haar vanaf 1888 in dit midden sterk beïnvloedde. Hij was in de ban van het licht en hij bracht zijn enthousiasme op haar over om dit impressionistisch licht weer te geven op doek. Onder zijn invloed beoefende ze gedurende korte tijd het pointillisme, dat uit Frankrijk kwam overgewaaid. Haar kleurenpalet werd nog helderder en haar penseelstreken krachtiger. In deze impressionistische fase was ze, zoals Van Rysselberghe, uitermate geboeid door de steeds wisselende aspecten van lichtinval en de weerkaatsing op de zee. In 1893 bezocht zij haar vriend Van Rysselberghe in zijn gehuurde villa Duivekot te Knokke en had er geanimeerde gesprekken met andere kunstenaars. Ze schilderde in olieverf of waterwerf de schilderachtige plekjes in de omgeving en ging zelf verder naar Brugge en Walcheren.
Maar uiteindelijk vond ze dat de techniek van het divisionisme haar belemmerde in de vrije en spontane beweging van haar penseelstreken en verliet ze deze kunstrichting. Van Rysselberghe maakte van haar in 1889 een neo-impressionistisch portret (Museum of Fine Arts, Springfield, Massachussetts, USA). Hoewel Anna Boch zich wat op de achtergrond hield in deze kunstkring, was dit toch voor haar een springplank om bekender te worden in België en in het buitenland.
Toen Les XX uit elkaar gingen in 1893, sloot Anna Boch zich aan bij de nieuwe kunstkring "La Libre Esthétique", ook opgericht door Octave Maus. Deze vereniging zou blijven bestaan tot 1914.
Na de eeuwwisseling sloot ze zich ook aan bij de post-impressionistische kunstkring Vie et Lumière (Brussel 1904-1914) waar ze in contact kwam met Emile Claus, Adrien-Joseph Heymans en er opnieuw enkele van haar vrienden van Les XX ontmoette, zoals James Ensor. Rond die tijd had ze haar zeer persoonlijke stijl gevonden. Ze combineerde een realistische weergave met lichte penseelstreken, waardoor haar doeken neigen naar het impressionisme.

Dank zij de invloed van Van Rysselberghe kan zij in 1891 en 1892 deelnamen aan de "Salon des Indépendants" te Parijs
Rond de eeuwwisseling gaat ze regelmatig op reis naar Nederland, Italië, het zuiden van Frankrijk, Spanje en Marokko. Zij ontdekte in deze landen nieuwe horizonten en vooral het licht dat zo verschillend was van het licht in eigen land. Bij deze reizen werd ze dikwijls vergezeld door haar broer, de kunstschilder Eugène Boch (1855-1941). In september en oktober 1906 reisde ze samen van Théo van Rysselberghe naar het Nederlandse Veere, waar zij verschillende gezichten op de stad schilderde. Anna Boch toonde haar werken in 1907 in een retrospectieve in de "Cercle artistique" van Brussel en, in het jaar daarop, in de Galerie Druet in Parijs.
Zij was in 1911 één der medestichters van Galerie Lyceum, een Brusselse vereniging van vrouwelijke beeldende kunstenaars. Zij was er met enkele doeken vertegenwoordigd op de openingstentoonstelling. In hetzelfde jaar werd zij verkozen tot voorzitster van de jury van de "Salon d'Art Moderne" in Charleroi
Haar later leven werd haar meest vruchtbare fase. Na de Eerste Wereldoorlog veranderde haar techniek. Ze evolueerde nu meer in de avant-gardistische richting. Door gebruik van krachtiger, meer gecontrasteerde kleuren ging ze in de richting van het fauvisme, zonder echter tot deze kortstondige beweging te behoren.
Vanaf 1923 ging haar gezondheid achteruit en moest zij voortaan zich beperken tot werk in haar atelier. Maar ze bleef deelnemen aan allerhande tentoonstellingen. Haar laatste deelname was in de "Petite Galerie ", in de Louisalaan in Brussel in 1934. Op het einde van haar leven kon zij nog uitsluitend in haar atelier werken. Hierdoor moest zij zich beperken tot portretten en stillevens met bloemen.
Als geëngageerd kunstenares was ze zeer bijdetijds op het gebied van de schilderkunst, de decoratie en de muziek. Ze kwam ze in contact met de meeste grote namen uit de kunstwereld van die tijd. Haar art nouveau-woning, versierd door Victor Horta en Maurice Denis, in de Abdijstraat (afgebroken) groeit uit tot een ontmoetingscentrum voor de intelligentsia van die tijd. Ze organiseerde er privé-concerten met o.a. Eugène Ysaïe. Ze was trouwens zelf een goede muzikante : ze speelde piano, orgel en viool. Als ware mecenas bouwde ze een verzameling schilderijen op van haar kunstvrienden, met werk van onder meer James Ensor, Paul Gauguin en Paul Signac. Ze was de enige die ooit van Vincent van Gogh tijdens zijn leven een kunstwerk heeft gekocht, namelijk De Rode Wijngaard (La vigne rouge) in 1890.

In haar werken gaat haar voorkeur uit naar landschappen, stillevens met bloemen, zonnige stranden, de Belgische kust en duinen, de kusten van Bretanje en Nederland. Zij schilderde in een periode dat er veel veranderingen in de schilderkunst doorgevoerd werden. Toch bleef ze bij lange tijd haar tamelijk klassieke eigen stijl.
Werk van haar vindt men in de musea van Bergen ('Mons'), Brussel, Charleroi, Doornik, Elsene, Gent, La Louvière, Oostende, Verviers en Springfield (Massachusets, VSA).
Retrospectieves werden georganiseerd in het Saarland-Museum in Saarbrücken (1971), het Musée Pissarro in Pontoise (1994) en in het Musée de Mariemont (2000).
Vincent van Gogh






















