Donderdag 19 februari 2009
Sardinië (deel 3)
De mannen trokken er elke morgen gezwind op uit om inkopen te doen en we genoten van veel vers fruit en groenten en zuiderse kruiden. Een van de andere vrouwen en ik waren echte zonaanbidders en van de hitte hadden we totaal geen last. Als we midden op de dag op het terras lagen liep de temperatuur hoog op. Eénmaal hebben we een thermometer naast ons gelegd maar toen de temperatuur, in volle zon wel te verstaan, opliep tot 50°C hebben we die snel naar binnen gebracht omdat we bang waren, dat het ding uit elkaar zou springen. M. vroeg me dan wel eens of mijn hersenen nog niet kookten, maar daar had ik totaal geen last van. Ik droeg zelfs geen hoedje of petje in die blakende zon. De mannen staken in de namiddag hun neus niet buiten voordat het een uur of vijf was. Ze hielden zich in huis op en luierden, speelden kaart, lazen of sliepen in afwachting van hun dagelijkse wandeling naar het strand.
En ja hoor daar waren ze dan! Allemaal in zwembroek, een handdoek om de schouders geslagen en op blote voeten liepen ze de weg af richting strand. Ik heb nooit beter de uitdrukking begrepen dan toen: dansen als een kat op een heet zinken dak. De weg was namelijk zo heet van de brandende zon, dat ze niet konden stilstaan met hun blote voeten. Er was geen sprake van langzaam naar het strand wandelen! Het was snel van voet wisselen en dat resulteerde in een soort dansachtig voortbewegen, dat behoorlijk op onze lachspieren werkte. De tweede dag hadden ze allemaal hun badslippers aan om naar zee te trekken.
Het strand was een ongekende weelde. Er was nauwelijks volk en je kon ongestoord liggen, zwemmen, wandelen in de vloedlijn of, als je daar behoefte aan had, verder slapen!
Slechts éénmaal méér in mijn leven heb ik zo'n rustig strand gezien, en dat was ergens in een uithoekje van Korfoe.
Zo was het elke dag van de week, maar in de weekends was het gedaan met de rust. De mensen uit het stadje, en waarschijnlijk van de dorpen rondom, kwamen allemaal naar het strand met de hele familie en bleven er tot de zon onderging. Eten en drinken en heel veel plezier, samen met de familie. Toen we er arriveerden rond vijf uur, werd van alle kanten geroepen en gezwaaid en eerst begrepen, wij vrouwen er niets van, maar uiteindelijk viel het kwartje: onze mannen waren door hun dagelijkse inkopen overal in het stadje bekend en iedereen riep en zwaaide. Warm en hartelijk gaven ze ons het gevoel van heel welkom te zijn.
's Avonds gingen we steeds naar hetzelfde restaurant om te dineren. Het lag vlak bij het stadspleintje en je kon er heerlijk eten tegen een schappelijke prijs. De eerste keer zaten we allemaal de menukaart te bestuderen en konden onze ogen niet geloven: zo goedkoop allemaal, dat bestond toch niet!
Inderdaad dat bestond ook niet en maar goed dat mijn man Italiaans kende, want anders zouden we nogal ogen opengetrokken hebben bij het zien van de rekening .
Boven de prijs stond iets gedrukt maar geen mens had er aandacht aan besteed, maar M. zegde ons dat de prijzen per 100 gr. vlees of vis waren. Dat hadden we nog nooit gehoord of gezien. Als je dan bijvoorbeeld vis bestelde, kwam nadien iemand met een schotel met allemaal grote, verse rauwe vissen rond en kon je aanduiden, welke je op je bord wilde. Koos je een grote was de rekening natuurlijk hoger dan wanneer je een kleiner exemplaar
uitkoos.
Maar wat hebben we daar heerlijk geëten elke avond weer opnieuw. En het meest geliefde voorgerecht was Prosciutto Crudo, rauwe ham flinterdun gesneden en met een aroma, waar je nooit genoeg van krijgt. Zo'n grote ham is dan ook later mee naar huis gegaan. Ze werd buiten gedroogd en door de invloed van de zon, de zee en de dennelucht kreeg ze een onnavolgbaar aroma dat haar tot een delicatesse maakte. Na het eten gingen we naar een klein terrasje, dat toebehoorde aan een koffiehuis-café-winkel om wat te drinken. Cappuccino was voor ons het geliefkoosde drankje want in die tijd vond je dat hier nog niet in elk zich respecterend restaurant of café. De mannen genoten van hun biertje en wij dronken dan een glaasje wijn.
Onze kleine zoon liep als een hondje achter de ober aan en hielp hem de tafels zuiver maken, asbakken legen, gebruikte glazen naar binnen brengen en afwassen. De man zegde regelmatig iets tegen hem maar natuurlijk verstond hij er geen jota van. In de winkels en cafés of restaurants sprak geen mens een andere taal dan Italiaans in die tijd en ik vroeg me wel eens af, hoe toeristen, die de taal niet spraken, zich uit de slag trokken.
De laatste dag dat we er iets dronken, gaf de ober ons zoontje een grote doos met kauwgom. Iets anders had hij niet om weg te schenken. Ik vond het ontroerend en heel erg lief.
Als we dan 's avonds laat terugkeerden naar de villa en een lange wandeling maakten, gaf dat een onbeschrijfelijk gevoel. Het nachtblauw was bezaaid met duizende sterren, groot en fonkelend en ik had het gevoel dat ik ze kon aanraken als ik mijn hand uitstak. De lucht was zwanger van zuiderse geuren en de krekels begeleidden ons met hun hoge zang, die deel uitmaakt van het zuiderse leven en er niet weg te denken is.
Als we in bed lagen, nadat ik de vensters had geopend en de blinden gesloten, luisterde ik naar dat hoge trillende geluid, dat bij dat leven hoorde en zakte gans langzaam weg in een diepe weldoende slaap.




