En wie loopt het hardst????

Elke laatste donderdag van de maand kom ik samen met vriendinnen uit mijn lagere schooltijd. We vertellen over vanalles en nog wat en drinken een koffietje of wijntje en telkens weer is dat een aangename namiddag, die we geen van allen willen missen. Bij de laatste bijeenkomst kwam het gesprek op een of andere manier op de smokkeltijd in onze jeugdjaren. Wij woonden vlak bij de Maas, die de grens vormde met Nederland en via een veerboot trokken de inwoners regelmatig naar de overkant om daar zaken te kopen, die hier duurder waren. Dat waren o.a. lederen schoenen, boter, stof om kostuums te maken en dergelijke meer. Er was echter een verbod op de vrije invoer van deze goederen. De aankoop moest aangegeven "gedeclareerd" worden in het kantoor van de douane en er moesten invoerrechten op betaald worden. Natuurlijk deden de mensen, die voor eigen gebruik inkochten, dat niet, want dan was hun profijt gewoon afgedragen aan de staat en iedereen, die weet, hoe een Belg in mekaar steekt, weet ook dat hij altijd zal proberen deze dingen te omzeilen.
Vrouwen droegen brede jassen, met daaronder nog bredere rokken, die aan de binnenzijde voorzien waren van grote zakken, waarin allerlei smokkelwaar werd gestopt.
Een vriendin vertelde het verhaal van haar man M. en zijn belevenis met de douane.
M. en J. zouden hun plechtige communie gaan doen en natuurlijk hoorde daarbij een mooi nieuw kostuum. Stof hiervoor was echter erg duur, dus er werd besloten, dat ze samen met hun moeder de grens zouden oversteken en in Nederland kostuumstof zouden kopen. Er werden voor beide jongens mooie stoffen gekozen en die stof werd rond hun lichaam gedraaid. Ze droegen op dat ogenblik allebei een pofbroek, die in die jaren mode was. Dus dat viel allemaal tamelijk ruim en daar kon wel een en ander onder verborgen worden. Toen ze terugkwamen aan de grens werden ze door de Nederlandse douane tegengehouden en moesten ze mee naar het kantoortje. Of ze iets aan te geven hadden? Neen , schudde de moeder, J. en M. De douanier keek M. doordingend aan en vroeg of dat de waarheid was.
M., een klein donker en pezig manneke, had het duidelijk niet begrepen op de man, kreeg onder de doordringende blikken plotseling een schrik te pakken, bedacht zich niet en zette het op een lopen.
Maar dat was zonder de waard gerekend. De man zette prompt de achtervolging in. M. rende wat hij rennen kon en boog iets verder een straatje in naar een boerderij, waar ze wel eens kwamen. Hij rende rond de mesthoop, die midden op het erf voor het huis lag, en bleef maar rondjes draaien. Zijn achtervolger gaf het echter niet op en volgde hem hijgend en proestend. Dit bracht dus geen zoden aan de dijk en dus besloot M. maar terug te rennen naar het douanekantoor, waar de collega van zijn achtervolger ondertussen de mooie stoffen wikkel van zijn broer op het spoor was gekomen en deze had aangeslagen.
Buiten adem arriveerde M. terug in het bureeltje, prompt gevolgd door de andere douanier. Hij kreeg een donderende uitbrander, die hij met gebogen hoofd stond aan te horen.
Toen de tirade was afgelopen, mochten ze alle drie vertrekken. Bij hun thuiskomst draaide zijn moeder voorzichtig de kostuumstof van zijn lichaam. Van alteratie had zijn achtervolger totaal vergeten hem ook te fouilleren.
©





