Capriolen.

Vanmorgen was de wereld weer een beetje wit. Koning winter liet weten dat zijn rijk toch nog niet helemaal voorbij was. Het gras voor en achter het huis had die glinsterende witheid, die schittert als edelstenen in de opkomende zon en die zo mooi is, zolang je maar niet de weg op moet met de auto. Ik heb echter tot voor enkele jaren, winter en zomer steeds door gemoeten, want het excuus: ik ben bang op de weg bij deze gladheid, werd door geen baas aanvaard en met het openbaar vervoer geraakte ik dus nergens en al heelmaal niet op mijn werk. Het waren nochtans maar 13 kilometer en toch werd die korte afstand een bijna onoverkomelijke hindernis in de wintermaanden. Wij wonen niet in de stad of in de kern van een dorp, maar in de vroegere velden. Het is er mooi en rustig maar de wegen worden nauwelijks of niet bestrooid bij gladijs en dat kan voor de nodige kapriolen zorgen.
Het was een winterse morgen en alles was nog donker en ijskoud. Ik had al eens een oog op de weg geworpen en in het licht van de lantaarn aan de overzijde van de straat, glinsterde die onheilspellend. Tegen beter weten in hoopte ik op beterschap tegen de tijd, dat ik moest vertrekken. Dat bleek dus een lelijke misrekening. M. had de garageuitrit, die schuin ophoog liep, bestrooid met zand vooraleer hij vertrok en het uitrijden gaf dus geen problemen. Wij hadden in die tijd nog geen automatische poort en toen ik de wagen had uitgereden, stapte ik uit en daalde voorzichtig, voetje voor voetje naar beneden om de poort te sluiten. Ik geraakte zonde ongelukken terug in de wagen en reed voorzichtig achteruit en draaide de straat op. Toen ik voorzichtig gas gaf om vooruit te rijden schoof dat gevaarte onder mij gewoon naar de verkeerde zijde van de straat en daar zat ik in een auto die geen grip kreeg op de weg en aan de verkeerde kant tot stilstand kwam. Met geen mogelijkheid kon ik het vehikel terug op de weg krijgen. De wielen draaiden in het ijle en ik besefte dat dit gewoon levensgevaarlijk was en ik echt de straat niet uit zou komen. Ik zette de motor stil, trok mijn sleutel uit het contact en grabbelde mijn tas van bijrijderplaats. Ik zou gewoon de wagen afsluiten en terug naar binnen gaan en dan mijn baas bellen, dat ik niet de straat uit geraakte.
Ik zwaaide mijn benen uit de wagen en wilde rechtstaan, maar dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan! Mijn voeten schoven onder mij uit en ik kon mij in laatse instantie aan de deur vastgrijpen, terwijl mijn onderdanen bleven slibberen! Lieve deugd, daar stond ik mooi te houden! Ik kon niet eens van plaats, laat staan terug naar de voordeur lopen! De wagen was voor ons gazon tot stilstand gekomen maar dat stukje weg tussen de auto en het gazon kreeg ik niet overbrugd. De enige mogelijkheid was, mij op mijn knieën laten vallen en zo naar het gras kruipen. Dan rechtstaan en zo naar de voordeur lopen. Alhoewel, dat stukje van het gazon naar de voordeur, dat helemaal herschapen was in een beijzeld stuk klinkers, zag ik ook niet te overbruggen zonder een flinke valpartij. Daar stond ik dan en wist van geen hout pijlen maken. Ik kon daar toch echt niet de hele morgen blijven staan, dus zou ik terug in de auto moeten gaan zitten en maar wachten tot de straat terug berijdbaar was.
Plots ging het venster van onze buren open en mijn buurman riep: Wacht maar ik kom eraan! Blijkbaar had hij mijn wanhopige en potsierlijke pogingen in de gaten gekregen. Ik zag niet zo goed in, hoe hij wel kon lopen op deze straat en ik niet maar daar kreeg ik zo het bewijs van. Daar kwam hij al aangeschuifeld. Hij had niet beter gevonden dan een paar noorse sokken over zijn schoenen te trekken en zo kwam hij mij ter hulp. Hij bood mij galant zijn arm en op die manier slibberde ik, mij stevig aan hem vastklampend naar de deur. Toen ik eindelijk terug binnen was, belde ik mijn baas om hem de situatie uit te leggen en hij was akkkoord dat ik zou gaan werken, zodra de toestand dat toeliet.
Ik moet zeggen dat ik tijdens mijn kapriolen op de weg in en uit de auto, totaal niets gemerkt had van de schoonheid van de beijzelde wereld.
©



















3 reacties op dit bericht
..
In mijn jonge jaren werkte ik in de stad en kon de tram nemen, maar toen ik (net het tegenovergestelde van u ) op de buiten tussen de koeien ging werken was ik al meer dan mondig genoeg om bij zo'n weer mijn baas op te bellen om te zeggen dat ik mijn leven niet op spel ging zetten bij zo'n weer.
Eén keer heb ik het ooit geprobeerd en mijn auto is toen ook achterwaarts een tunnel ingeslipt. Ik heb een half uur naast de kant van de weg moeten staan om te bekomen.
Gelukkig kwam er niemand van de andere kant de tunnen ingereden.
Zoals Ludovicus zegt: gelukkig dat uw buurman zo galant was en vindingrijk!
Fijn weekend nog, groetjes,
Het gevolg van Koning winter.
Koning winter heeft mooie maar ook minder welgevallige kanten.
Soms lopen mensen mank
over het maagdelijk blank.
Zonder oog voor glanzende schoonheid, beide handen in wanten.
Lieve groeten, Uilenspiegel.
..
een pel van een centimeter ijs bedekt waren. Als het toen zo was, was er ook geen uitkomen aan. Ben ooit met sneeuwkettingen rond de wielen moeten gaan werken naar de haven. Resultaat, één band kapot. Gelukkig had je een goede buurman die je weer op de been hielp.