Gedichten over zin, onzin. Humor. Liefde. En nog veel meer.
WELKOM
met uw bezoek En veel lees en kijkplezier op mijn blog
Zondag 17 januari 2010
Intilligentietest
Intelligentietest voor politici.
Guy verhofstadt zit bij Jean-Luc Dehaene een pintje te drinken. Zegt Guy Verhofstadt:
"Toen jij premier waart, draaide de regering toch beter. Hoe deet ge dat?"
"Wel" zegt Dehaene. "Ge moet zien dat ge u goed omringt met slimme medewerkers."
"Hoe kunt ge weten dat ze wel slim zijn" vraagt Guy Verhofstadt.
"Door een klein raadseltje" antwoordt Dehaene en roep zijn vrouw en vraagt haar: "Celie, uw vader en uw moeder hebben een kind. Het is niet je broer en ook niet je zus. Wie is het?
Zegt Celie. "Dat is simpel, dat ben ik"
Terug op zijn kabinet denkt Verhofstadt eventjes zijn ministers te testen en roept Steve Stevaert bij zich en vraagt: "Kijk Steve, je vader en uw moeder hebben een kind. Het is niet je broer en ook niet je zus, wie is het?"
De Steven fronst zijn wenkbrauwen en denkt diep na. "Ik weet het niet zo direct, ik kom straks even terug."
Steve Stevaert gaat terug naar zijn bureel en komt onderweg Gerolf Annemans tegen.
"Zeg Gerolf, ken jij het antwoord op dit raadseltje: "Uw vader en uw moeder hebben een kind. Het is niet je broer en ook niet je zuster. Wie is het?"
"Wel dat is makkelijk" antwoordt Annamans "dat ben ik."
De Steve bedankt hem en fier als een gieter gaat onze Steve Stevaert terug naar Guy Verhofstadt en zegt hem:
"Ik weet het antwoord. Het is Gerolf Annemans"
Waarop Guy Verhofstadt paars kleurt en brult: "Neen gij idioot, het is Celie Dehaene!"
Licht gebouwd een kleine hen met rode kam en mooie witte veertjes
Zo stapt zij rond pront heel zwierig dit is nu Marjolijn bijna van porselein
De hanekam bloedrood schudt zijn veren scherpt zijn sporen er achteraan
Met veel vertoon loopt hij op hoge poten pronkt met kleuren verbaasd dat zijn handigheid op haar totaal geen indruk maakt
Ze trippelt verder weg scharrelt even en uit haar oogkant ziet zij zijn pluimenstrijkerij Driftig met korte pas de nek gestrekt de veren overeind in rituele dans
Maar de dame is wel preuts houdt haar kop schuin luistert even en doet alsof er iets te horen valt buiten zijn gesnuif en tok tok tok
Welnu mijn stoute deerne zie jij mij niet ik ben drie keer zo groot en blaas mij verder op barst van krolsheid misschien wel uitelkaar
Met kolkend lijf spreidt hij zijn vleugels geeft wat slagen danst zijn dans
Maar de juffrouw ziet aandachtig een zaadje en pikt ernaar geen oog voor hem de schaduwbokser
Zo niet te kijk gezet de vuurbal wil niet wijken Hij neemt haar met geweld zal haar leren
De storm is nu ontketend alles schudt en beeft de kleine kip verdwijnt in onstuimig begeren
Met forse stoten breekt hij los geeft haar de sporen het zindert door zijn lijf
Hij blaast en snuift smijt er alles uit een laatste kreet uit schorre keel hij kan de aftocht blazen
In alle statigheid strekt hij zijn tenen geeft wat vleugelslag en kraait zijn zegekreet de opgeblazen kerel
Nog altijd onberoerd schudt zij haar veren en strijkt haar pluimen glad
Dit zijn nu mannenstreken of hij wil of niet die canteclaer een eitje leggen kan hij niet
Uit zijn oogrand ziet hij haar doet alsof hij een graantje pikt
Ist voar kart of voar e neure, doe de grendel op de deure broek omleige, rok omoge azo bluf j' overal droge ist e pisje of zient drollen t' is int potje dan ze moeten rollen ook al i gin tied zorg da je' t papier nie der neffe smiet.
Trek je a' tlatste bladje peist ook op de volgende ze gatje ier moe je den tied nie rekken moa o je vors goat, an de chasse trekken. En ost achter t' chassen nog bluff plakkn meug je gerust de burstel pakkn zie je kleiren wel perfect voa da je were vertrekt.
Voa da je vors goat nie vergetn je nanden in te zeipen dus o je peist op al die wenschen zie junder propere menschen
De zeilen strijken binnen varen en meren aan de wal van boord gaan en kijken naar het licht het rode licht de bar die open staat voor lieden die vergeten willen en in armen rusten van meiden terwijl ze tasten naar hun ziel het hoopje mens dat overblijft en dorstig is naar liefde hoewel hij betalen moet voor het soelaas bij drank en vrouwen tevreden met wat het is oplapwerk het hart heeft grote noden een beetje troost vandoen wat kleine liefde een beetje vrouwenmelk
De averij hersteld het rode lichtje groen geworden getroost gesterkt de buidel lichter varen maar.
Een zoon vraagt aan zijn vader: Pap, wat is eigenlijk politiek. Wel jongen, dat is heel eenvoudig. Kijk, ik breng het geld thuis, dus ben ik het KAPITALISME. Je moeder beheert het geld, dus zij is de REGERING. Opa ziet er op toe dat alles ordelijk verloopt, hij is de OVERHEID Het dienstmeisje is de ARBEIDERSKLASSE. Wij hebben allen maar één doel voor ogen, namelijk jou welzijn. Daarom ben jij het VOLK. Je kleine broertje die nog in de luiers zit, is de TOEKOMST.
De zoon denkt na en vraagt of hij er een nachtje mag over slapen.
's Nachts wordt hij wakker omdat zijn kleine broertje in zijn luier heeft gedaan en vreselijk schreeuwt. Omdat hij niet goed weet wat hij moet doen gaat hij naar de slaapkamer van zijn ouders. Daar ligt alleen zijn moeder en die slaapt zo vast dat hij haar niet wakker krijgt. Daarom gaat hij naar de slaapkamer van het dienstmeisje waar hij ziet dat zijn vader bij haar in bed ligt, en ze met heel vreemde dingen bezig zijn. Hij ziet dat Opa door het raam toekijkt. Ze zijn allemaal zo druk bezig dat niemand merkt dat hij voor het bed staat. Daarom besluit de jongen onverrichtezaken terug te gaan slapen.
De volgende ochtend vraagt de vader aan zijn zoon of hij met eigen woorden kan uitleggen wat politiek is. Ja zegt de zoon: Het KAPITALISME misbruikt de ARBEIDERSKLASSE terwijl de overheid toekijkt en de REGERING slaapt. Het VOLK wordt volkomen genegeerd en toekomst ligt in de STRONT.
Een man gaat met de nachttrein naar de wintersport. In de slaapcoupé komt hij tot ontdekking dat hij de ruimte moet delen met een vrouw.
Ze stellen zich aan elkaar voor en komen tot een akkoord. De vrouw gaat boven slapen de man onder. Ze gaan in bed liggen, maar na een kwartier vraagt de vrouw:
"Buurman, slaapt ge al"?
"Nee", zegt de man. "Ik heb het nogal koud", zegt de vrouw, "wilt u misschien het raamje dicht doen.
"Natuurlijk", zegt de man. Hij stap uit bed, doet het raampje dicht en gaat weer liggen.
Na een kwartier roept de vrouw: "Buurman slaapt ge al"?
"Nee" zegt de man.
"Het wordt nogal benauwd", zegt de vrouw, "wilt u misschien het raampje weer open doen"?
"Oke" zegt de man. Hij stapt uit bed, doet het raampje open en gaat weer liggen.
Na een kwartier roep de vrouw: "Buurman, slaapt u al"?
"Nee", zegt de man.
"Het begint nu toch weer koud te worden", zegt de vrouw, "maar ik heb gezien dat daar in het kastje een deken ligt. Wilt u die misschien voor mij pakken"?
"We zouden natuurlijk ook kunnen doen alsof we getrouwd zijn", zegt de man".
"O, zou u dat willen"? vraagt de vrouw.
"Ja hoor", zegt de man.
"Nou, dat lijkt me ook wel fijn", zegt de vrouw.
"Mooi" zegt de man. "Kom uit je nest, pak zelf dat deken, kruip weer in je nest, houd je bakkes en laat me slapen.
1 Kwam uit het zuiden de schooier aangegaan zijn mars over schouder met spelden en wat naalden getaand gezicht zigeunerhoed en lompen alsom kleren
2 Uit het noorden kwam de edelman met zwier gekleed en pluimenhoed aristo kop met sik en knevel en welgedane lach
3 De pastoor kwam uit oost van waar de wijzen kwamen brevier omklemd soutaan tot op de bodem een vroom gezicht de zaligheid erop te lezen
4 De boer kwam uit de avond de klompen uit de laarzen aan een mand met zuivel met glimmend hoofd paars gelakt de oren naar de winter
5 Ze kwamen alle wegen elkander tegen de vierslag waar ze stond de schone hoer in werkkledij met deur en ramen
6 Daar knielden zij en keken op naar het kalf van hun begeren de brave vrouw streek hun kruinen de broeken stonden strak
7 De boer bood haar zijn boter aan de edelman zijn ridderzwaard de pastoor prees de hemel de schooier gaf een speldeprik
8 Ze pelden haar de kleren af en hielpen toen elkander zo stonden allen naakt in zand ze zoogde hen zoals op schoot ze reeds leerden
9 Zo stuwden ze rondom haar voor en achter grepen acht handen naar de waar soms ook naar elkaar
10 Op dit brandend uur het lijf aan lijf gevecht ze had acht borsten nodig de nobelman de pastoor de schooier en de boer allen op hun toer
11 Ze bleven hijgend liggen met zijn allen aan de kant zakten in de slootberm dronken uit de hand de hoer besmeurd bezeerd
12 Toen trokken zij elkanders kleren aan en zijn hun weg gegaan de boer die pastoor werd de schooier edelman de nobele als boer de pastoor leuderman allen eender als naakte man
13 Zo stond daar nog heel blank en mooi de hoer en telde uit haar giften veel minder dan de gaven maar ze had de hemel over
Een vrouw is eieren aan het bakken als haar man thuis komt.
Hij loopt de keuken in en. Begint meteen te roepen.
PAS OP !!! MEER BOTER !!! STOP!! STOP!! DRAAI ZE OM !! BOTER !! ZACHTER !! ZACHTER !! MEER BOTER !! ZIE JE DAT DAN NIET ?? ZE GAAN AANBRANDEN !! PAS TOCH OP !! DRAAI ZE OM !! SCHIET OP !! HAAST JE !! DRAAI ZE NU OM !! STOP !! STOP !! PAS OP !! TE VEEL BOTER !! HET GAAT SPATTEN !! ZET UIT !! ZET UIT !! PAS OP !! JE GAAT JE VERBRANDEN !! ZACHTER!! ZACHTER !! HOLA? HOLA TE VEEL BOTER !! EN TE WEINIG ZOUT !! OHHH TE WEINIG ZOUT!!
De vrouw is compleet overstuur en gilt:
Waarom roep je zo? wat is er aan de hand ? De man draait zich om en zegt heel kalm, terwijl hij de keuken verlaat:
Gewoon om je duidelijk te maken hoe het aanvoelt als je naast mij zit in de auto.
De moppen scheren toppen en ieder grijnst van oor tot oor vrouwen hebben geen oren
De zon is gul een hete dag de drank reist naar binnen Felle mannen ondereen net voor ouder worden
Paus paters nonnen het onttuchthuis alles wordt besproken brevieren doen ze niet De buiken schudden van de lach rook stijgt uit sigaartjes Het meisje vult de glazen glipt heelhuids weg
DRINKEBROERS
De stemmen worden luider Dries Piet Karel Jan en Isidoor zo kennen ze elkaar al altijd speelgenoten goedlachs de een de andere uitgekleed om wat hij deed of wilde
Ze staan nu op een rij wankel voor het porselein geen einde aan de plas gaan even door de knieën Laveren naar huis waar moeder wacht een beetje boos een beetje spot een beetje spijt
Wat baten bloemen perken het tuinpad als niemand loopt en kijkt Geniet van schoonheid rust en stilte
Als ik alleen in de vijver staar waar vissen glijden en denk aan leegheid van mijn hof aan plaats te over
Ik ben blind en reukloos en hoor de vogels niet Wat baten mij rozen als ik niet opkijk slechts het gras zie
Niet delen kan niet reiken kan Mijn ziel op perk ligt mijn geest in bomen hangt mijn hart onder bladen ligt mijn wensen niet vervuld mijn vragen niet gehoord
Als jij mijn pad afloopt naar mij toekomt en ik je glimlach zie zal ik ontluiken en bloem zijn naast een bloem een vogel in de vlucht