VALLEI VAN DE SINT-ANNABEEK. / NATUURPUNT BORGLOON. / BORGLOON-JESSEREN. 19/04/2013.
VALLEI VAN DE SINT-ANNABEEK.
NATUURPUNT BORGLOON.
BORGLOON-JESSEREN.
Vandaag wandelen we vanuit Borgloon naar Kerniel over de voormalige spoorweg naar Jesseren en gaan even wandelen in het natuurgebied Sint-Annabeekvallei.
De Sint-Annabeek ontspringt ten oosten van Borgloon en mondt uit in de waardevolle Mombeek. Deze verbinding tussen het natuurgebied Zammelen en het natuurgebied Sint-Annabeekvallei vormt een kleinschalig maar zeer waardevol gebied. Op de oevers van de beek ontwikkelt zich een mooi bos met in het voorjaar een bloemenpracht van bosanemoon, slanke sleutelbloem, gevlekte aronskelk.
Ook op de natte delen zijn verschillende kleurrijke bloemen te vinden zoals de echte koekoeksbloem en geel van de dotterbloem. We wandelen door de vallei en genieten van de verschillende kleurrijke bloemen en zo gaan we over het fietspad naar de vijver. Hier groene kikkers en alpensalamander spijtig we hebben vandaag geen gezien is zeker voor de volgende keer we wandelen verder en gaan via de voormalige spoorwegzate terug naar Kerniel en dan terug naar Borgloon.
38E MARCHE DE LA VESDRE. / PORTE OUVERTE PRAYON. / TROOZ. 14/04/2013.
38E MARCHE DE LA VALLEE DE LA VESDRE.
PORTE OUVERTE PRAYON.
TROOZ.
Trooz een gemeente gelegen aan de Vesder. We vertrekken in het centrum en wandelen een stukje langs de Vesder.
Een bijzondere garage vinden we hier met een verzameling 2PK citroën. Verschillende modellen staan er tentoongesteld. We komen aan het station van Trooz met een prachtig herstelde station en ervoor “Place du 11 novembre” met het monument voor de gesneuvelde. Wat verder over de brug met onder ons de Vesder. Nu wandelen we Rue Fenderie in naar het kasteel van de Fenderie. De plaats van de oude molen (op de monumentenlijst) is getuige van meer dan 500 jaar van het harde leven in de vallei. Het is een gebouw uit de 17e eeuw. Het is een goed behouden voorbeeld van de herleving van de Maaslandse architectuur. Is de getuige van hoe vroeger de kracht van water gebruikt werd langs de Vesder, om stalen staven omvormde in baren, grondstof voor de nagelsmederijen. Na de controle wandelen we verder een eindje langs de rivier.
Nu langs het kerkje en weer verder. Nog even komt de Fonderie in beeld en dan weer verder. We wandelen verder door het prachtige landschap. Het golvend landschap is gewoon prachtig. We komen aan “La Lonhienne” op de “promenade rys de Mosbeux” steeds weer prachtige panorama’s en zichten over het landschap met in de verte een mijnterril. Nu wandelen we Pery binnen. Hier een prachtige herenhoeve in een mooi park. Verder door het bos en verder zien we een mooi kasteeltje liggen wel mooi.
Zo komen we in Prayon, hier dalen we het bos in en de hellingen zijn begroeid met Daslook nog enkele dagen en ze staan volop in bloei. Nu weer een eind langs de Vesder, hier duidelijke sporen van de Bever. Nog een eindje en we komen terug aan ons vertrek een prachtige wandeling.
17E MARCHE DE LA TOUFFAYE. / LES MARCHEURS DE LA ZOLETTE. / HARNONCOURT-TORGNY 13/04/2013.
17E MARCHE DE LA TOUFFAYE.
LES MARCHEURS DE LA ZOLETTE.
HARNONCOURT-TORGNY.
Op het eind van het Ancien Régime werd Harnoncourt een gemeente, waartoe ook het dorp Lamorteau behoorde. In 1823 werden in Luxemburg grote gemeentelijke herindelingen doorgevoerd en veel kleine gemeenten werden bijeengevoegd. Buurgemeente Torgny werd opgeheven en bij Harnoncourt gevoegd. De nieuwe gemeente kreeg de naam van het tussenliggend dorp, Lamorteau.
Nadat al in 1853 Torgny weer was afgesplitst, werd in 1906 ook Harnoncourt afgesplitst van Larmorteau en een zelfstandige gemeente. Het dorp ligt in het dal van de Ton. Dat we hier dicht bij Frankrijk zijn zie aan de gebouwen die de stijl hebben van de Franse Ardennen. Wel prachtige huizen in de goud bruin gele stenen. We vertrekken in het centrum van het dorpje met zijn vele oude huizen wat heel mooi is. We draaien reu du chateau in maar krijgen geen kasteel te zien, maar wel prachtige vergezichten over het heuvel landschap. Groene weilanden met op de top van de heuvel bossen.
Door de mooie natuur tot voor ons het grote cellulosefabriek ligt. Cellulose wordt gebruik voor het maken van papier, textiel en watten en nog wat andere toepassingen. Het is een groot fabriek te midden van de bossen. Dan wandelen we de bossen in, ondanks het weer wat tegen zit valt het allemaal toch wel mee en kunnen we genieten van de prachtige natuur die stilaan begint te ontwaken. De sleutelbloemen staan reeds mooi in bloei en is mooi om te zien hoeveel hier nog staan. Stilaan begint het op te klaren een flauw zonnetje komt tevoorschijn, wat alles nog mooier maakt. We klimmen een eind op door het bos en komen zo aan de plek “Petit Chenoi” op 305 meter hoogte.
De bosanemonen staan ook in bloei en tapijten van witte bloemen vergezellen ons op onze tocht. Gewoon prachtig, we dalen nu weer een heel eind door het bos. Tot we voor ons Harnoncourt zien liggen, verder dalen we af naar het dorp. Nog een afdaling naar het dorp waardoor we een mooi panorama hebben op het dorp en in de verte het cellulose fabriek. Nog even door de straten van het dorpje en we zijn terug aan ons vertrek.
We hebben nog wat tijd over en we zijn hier zo dicht bij TORGNY een van de mooiste dorpjes van Wallonië.
Een bevoorrecht microklimaat, een zacht glooiend landschap en het patina van de gevels en Romeinse dakpannen.
Wij zijn hier in aangekomen in het hart van de “Belgische Provence”. Torgny, een klein zuidelijk Lotharings dorp, leunend tegen een heuvelwand, wordt door het omringende Ardens massief beschermd tegen de noordoostenwind. Door het daaruit volgende zachte klimaat kan er nog steeds wijnbouw plaats vinden, zoals in de 3 wijngaarden “Le Poirier du Loop” “Les Fouchéres en L’epinette”. Als we langs de hellende weg richting Chiers wandelen kunnen we het geklasseerde erfgoed bewonderen, midden in het dorp “de wasplaats” en de “Ferme Rose” en de kapel zijn prachtige voorbeelden van de bijzondere waarde van het erfgoed.
Maar het schitterend landschap dat ver over de Belgische grens rijkt een heel eind Frankrijk in zijn bijzonder mooi om te bewonderen. Ook het natuurreservaat Raymond Mayné is bijzonder. Wij genieten van de omgeving en het mooie dorpje. Mooie beelden blijven ons bij. Zeker komen we hier nog terug om deze prachtige omgeving te verkennen en een stukje van Frankrijk te verkennen.
IN DE SPOREN VAN DE ROMEINEN / REGIONAAL LANDSCHAP HASPENGOUW EN VOEREN. / HELSHOVEN. 11/04/2013.
IN DE SPOREN VAN DE ROMEINEN.
REGIONAAL LANDSCHAP HASPENGOUW EN VOEREN.
HELSHOVEN.
Door de aanwezigheid van vruchtbare grond was de regio in de geschiedenis permanent bewoont. Voor de grootste impact op het landschap echter, zijn de Romeinenverantwoordelijk. Romeinse grafheuvels of tumuli en het ingenieuze wegennet van heirbanen zijn in onze omgeving het enige wat vandaag nog goed zichtbaar is n het landschap. Het tracé van de Romeinse Weg Tongeren-Tienen is tussen Bommershoven en Tongeren nog goed bewaard gebleven. Het mooiste stukje van dit tracé kruist de Greenspot Mettekoven.
Wij vertrekken met onze tocht aan de kapel van Helshoven. De Romeinen gaven aan het gehucht Helshoven de naam Hellingenfort. Fort betekent doorwaadbare plaats of wad. Hels verwijst naar helling, kuil of diepte. Bij de aanleg van de Romeinse Kassei werd het wad aangelegd door de Romeinen. Op deze plaats richtte men in de dertiende eeuw een kapel en gasthuis op en zo werd Helshoven een belangrijke stopplaats voor pelgrims op hun bedevaart. Bidden kun je er nog altijd maar het gasthuis is verdwenen evenals de kluis, er staat nog een grafsteen van de laatste kluizenaar. De kapel is zeker een bezoekje waard en is bijna altijd open. De huidige kapel dateert van de zestiende eeuw. We wandelen nu de Romeinse kassei op richting Mettekoven.
We komen langs de weide met wilde narcissen, en wat verder op de wandeling komen we nog voorbij een stukje bos waar ze ook staan, de wilde narcis is zeldzaam en hopelijk blijven de wandelaars ervan af en plukken ze de bloemen niet. Plekjes waar wilde narcissen voorkomen in Haspengouw zijn om te koesteren. Wij wandelen door de plantages en komen zo aan het monument van Tjenne de heks en wat verder staat Tjenneboom.
Een stukje geschiedenis: Het was aan deze boom dat er in de duistere middeleeuwen "heksen" werden verbrand. De naam "Tjenne" zou afkomstig zijn van een vrouw die in het midden der 17de eeuw hier verbrand werd. Voor 1900 werd hij echter "Jenne" uitgesproken en de naam zou afgeleid zijn van Johanna of Anna Michiels, die hier levend verbrand zou zijn als slot van een twee jaar durend proces tegen deze "heks" uit Mettekoven.
De doodstraf werd uitgesproken aan de voet van een reuzelinde, een honderdtal meter beneden de top, aan het kruispunt van de Romeinse weg en de weg Mettekoven-Hoepertingen, ook een boom die een honderdtal jaar geleden verdwenen is. Aldus werd "Jenne" hier "den veure" (door het vuur) terechtgesteld.
Aan Tjenneboom heeft men een reusachtig uitzicht over het mooie golvende Haspengouw en bij helder weer kan men een groot aantal kerktorens uit de omgeving aanschouwen. De Tjenneboom stond gedurende eeuwen op het punt waar de gemeenten Mettekoven, Hoepertingen, Gotem en Voort een vierlandenpunt vormden. Hij stond op het hoogste punt van de omgeving (92m), hij beheerste er dan ook groots en majestueus het ganse landschap. Het was een reusachtige kanandaboom die door elkeen in de verre omtrek gekend was en tot 10km in de ronde als baken dienst deed voor de voege reizigers. Zijn omtrek mat 5,6 m en in één van zijn spleten konden makkelijk vier personen plaatsnemen. Het takkengestel was zeer ontwikkeld en had een doorsnede van rond de 16 meter. Bij regenweer vonden runderen en schapen er een schuilplaats. In 1888-1889, gedurende een heftige orkaan, werd er een stuk van zijn stam afgerukt en een twintigtal jaren later heeft de boom er het bijltje bij neergelegd en werd hij omgehakt. In 1970 werd op initiatief van de heer S. Vandevelde door de heer Vrancken, burgemeester van Gotem, een nieuwe boom geplant. Nu hebben we op het platform een prachtig zicht op de omgeving. Wij draaien hier rechtsaf van de Romeinse Kassei en vervolgen onze weg naar Mettekoven.
Mettekoven ligt in de vallei van de Herk, een bijrivier van de Demer, in vochtig Haspengouw, maar reeds dichtbij de grens van het droge Haspengouw. Het gebied is niet zeer heuvelachtig en de grond is nog zeer waterhoudend. Daarom ook is het dorp omringd door populieren, die veel water opslorpen, en door fruitbomen. De nabijheid van het droge Haspengouw is zichtbaar aan de uitgestrekte weiden zonder afsluitingen. De naam Mettekoven komt van "Martini Curtis" d.w.z. " hoeve van Maarten". Reeds in 1135 werd in de documenten melding gemaakt van de benamming "Mettekoven", die meer beantwoordde aan het dialect dan "Martenshoef", en die direct aan de oorsprong ligt van de huidig benaming. Twee punten in het dorp verdienen speciaal onze aandacht. Het eerste is het centrum van het dorp en zijn kerk. Het andere bevindt zich aan een uithoek van Mettekoven. Daar staan, niet ver uit elkaar, drie heerlijke Haspengouwse hoeven met hun machtige inrijpoort en vierkant binnenhof.
Dit soort hoeven heet "cense wallonne" en is karakteristisch voor Haspengouw,Brabant en Henegouwen. Alle gebouwen zijn rond een binnenhof geschaard, waarrond de hele landbouwbedrijvigheid zich afspeelt. De buitenmuren zijn blind, behalve de opening van de grote inrijpoort. De gebouwen verschillen van grootte naargelang hun bestemming. De schuren en stallen zijn in de lengte gebouwd; het hoofdgebouw is hoger dan de andere en het karrenhuis, waar thans tractoren en werktuigen worden ondergebracht, alsook de varkensstallen, zijn heel wat kleiner. Mettekoven is een welvarend dorp in de Herkvallei. Temidden van bomen staat de stevige, kraaknette kerk. Een dorp waar het de moeite waard is even halt te houden om de prachtige gesloten hoeven van het Haspengouwse type te bekijken en te genieten van de rust die het dorp uitstraalt.
Een rustpauze in het Martenshof is zeker een aanrader. Wij wandelen nu het dorp uit en het natuurgebied in dat ons door velden, boomgaarden en plantages terug naar Helshoven brengt. Een prachtige wandeling die ons het mooie van Haspengouw laat zien.
Vandaag een wandeling in Wellen. Met de Bokkenrijders. De Wellenaars kregen de spotnaam “Bokkenrijders”. Zij kregen deze naam omdat het epicentrum van deze beweging in Wellen lag. In Belgisch-Limburg, in de 18de eeuw dat nog steeds het graafschap Loon heette was deze bende vooral actief in de Kempen en in het Maasland.
Het Haspengouwse Wellen kreeg met deze benaming eerder een onfris imago van Bokkenrijder opgezadeld. Het verleden heeft er zo zijn redenen voor en hieruit blijkt dat de Bokkenrijders heus nog niet de slechtsten waren. De Bokkenrijders “zweefden” ’s nachts op bokken door de lucht. Het is een vertrouwde voorstelling uit het volksgeloof bij de Germaanse volkeren waarbij demonen in een dierlijke gedaante in een storm door de lucht raasden. In het christendom werden deze demonen assistenten van de duivel genoemd. In Wellen werden de vonnissen (1774-1776) van de 27 ter dood veroordeelde Bokkenrijders uit Wellen voltrokken op twee plaatsen. Ofwel in Munsterbilzen, ofwel in de Bonderkuil te Wellen. Negentien slachtoffers werden gewurgd aan een paal of staak, vijf personen werden levend verbrand, twee geradbraakt en één onthoofd. Achteraf werden de levenloze lichamen verbrand. Gelukkig zijn de “Bokkenrijders” vandaag vredelievender.
We starten onze wandeling in Wellen met een bezoek aan de Sint-Jan-de-Doperkerk, is een stilistisch merkwaardige en beschermde plattelandskerk. Het is een Romaans-gotische kerk. De toren, het middenschip en de dwarsbeuk zijn opgetrokken in een Romaanse stijl en dateren uit de 12de eeuw. Dit kerkje bleef echter niet bespaard van verwoesting en werd in 1490 door de manschappen van “Jehannot de bastaard” in brand gestoken. Enkel de robuuste toren bleef overeind. De wederopbouw gebeurde in de toen modieuze hoog-gotische stijl. Om de “capaciteit” te vergroten werden de zijbeuken in 1930 in neogotische stijl verlengd.
Jammer genoeg heeft zowel het interieur als de buitenarchitectuur hun oorspronkelijke symmetrie verloren door de opeenvolgende verbouwingen. De Romaanse kerktoren had naast een religieuze betekenis ook minstens een even belangrijke militaire functie. De toren werd gebruikt als schuilplaats waar de plaatselijke bevolking kon onderduiken bij gevaar. De muren zijn 1.8 meter dik en hebben kleine spleetvormige muuropeningen. De gevels zijn opgetrokken uit natuursteen van diverse aard en grootte: vooral silex, maar ook zandsteen, kalksteen, kwartsiet,… Deze bouwstenen zijn afkomstig uit de 4544 meter lange omwalling die in de eerst helft van de tweede eeuw na Christus rond de toenmalige wereldstad Tongeren aangelegd werd. De overige buitengevels zijn grotendeels uit gelige mergelzandsteen opgetrokken. We kijken even binnen. Dan vertrekken we met onze wandeling door Wellen. Door het dorp en dan de velden in en wat later komen we aan de Mot van de Houtstraat. De mot is een kunstmatige opgeworpen heuvel die diende als verschansingen tegen de vijand (15de eeuw). Vaak bevond zich bovenop een mot een houten palissade en/of was het omgeven door water. Wellen heeft nog drie motten. De eerste bevindt is zich in “Pietershoven”, een stuk land gelegen in de driehoek Zonneveld-Appeystraat-Herstalstraat, doch hier doet enkel een vijver terugdenken aan wat vroeger is geweest. Van de tweede mot vindt men enkel nog een drassig stuk beemd terug dat gelegen is aan de Papekele, dit situeert zich aan het begin van de Langenakkerstraat en de Houtstraat, vlakbij de Winterbeek. De mot in de Houtstraat is de best bewaarde en is gelegen op het eigendom van de hoeve van Mathieu Marckelbach. We wandelen er langs en draaien dan Broekbeemd in. Het natuurgebied De Broekbeemd ligt in de vallei van de Herk, tussen de dorpskom van Wellen en de deelgemeente Herten. Het is een gebied dat ca. 18 ha meet en is omrand door de Dorpstraat, de Broekstraat, de Smissebroekstraat, de Hertenstraat en de Molenstraat. De Broekbeemd onderscheidt zich van de meeste andere natuurreservaten door zijn openbare toegankelijkheid. Maar vanwaar de naam Broekbeemd? “Broek” is een toponiem, dat typeert een van nature moerassig gebied. De climaxvegetatie bestaat uit een dichte struweelgemeenschap of een elzenwilgenbos. Het woord “beemd” is een gecultiveerd broekland en duid dus op de agrarisch valorisatie van extreem vochtige gronden. Een broek evolueerde naar een beemd door de aanleg van greppels en sloten waardoor de bodem tot op een zeker diepte ontwaterd werd.
Na het binnenhalen van het hooi in juni mocht het vee de beemden verder begrazen en bemesten en dit tot in het najaar wanneer de bodem te drassig werd. Zeer typerend aan de Broekbeemd zijn natuurlijk de Schotse Hooglanders. Het meest ideale beheer van verruigde beekdalen bestaat uit regelmatig maaien. Het gebruik van zware machines was uit den boze want deze zouden de bodemstructuur verstoren. Men ging daarom op zoek naar een goedkoper alternatief, de Schotse Hooglanders dus. Zij verorberen in de lente gras en kruiden (riet, zuring, kleefkruid, …) en in de herfst eten de Schotse gasten werkelijk alles, zelfs netels. Ook een voordeel is dat ze bikkelhard zijn en ’s winters buiten kunnen overleven. Door paden die voorzien zijn met planken kun je ook doorheen de vochtige zones wandelen. En komen we uit aan de watermolen. Het huidig molenhuis dateert uit 1775 en is samen met het 20ste eeuwse woonhuis onder één zadeldak verenigd. Alhoewel reeds sinds 1973 buiten werking is de molen nog steeds maalvaardig en maakt ze deel uit van het Vlaams industrieel erfgoed. Technisch gezien is de Wellenmolen een graanwatermolen van het onderslagtype met een molenrad van 5 meter doorsnede. Bij één omwenteling (ca. 6 seconden bij normaal debiet) van het molenwiel draait de molensteen twaalf keer rond. De Wellenmolen is uitgerust met twee koppels stenen. Zo komen we terug aan ons vertrek. Een mooie en aangename wandeling in onze buurt gemeente.