Kleren maken de man
| KLEREN MAKEN DE MAN |
|
| 1 Kwam uit het zuiden de schooier aangegaan zijn mars over schouder met spelden en wat naalden getaand gezicht zigeunerhoed en lompen alsom kleren |
2 Uit het noorden kwam de edelman met zwier gekleed en pluimenhoed aristo kop met sik en knevel en welgedane lach |
| 3 De pastoor kwam uit oost van waar de wijzen kwamen brevier omklemd soutaan tot op de bodem een vroom gezicht de zaligheid erop te lezen |
4 De boer kwam uit de avond de klompen uit de laarzen aan een mand met zuivel met glimmend hoofd paars gelakt de oren naar de winter |
| 5 Ze kwamen alle wegen elkander tegen de vierslag waar ze stond de schone hoer in werkkledij met deur en ramen |
6 Daar knielden zij en keken op naar het kalf van hun begeren de brave vrouw streek hun kruinen de broeken stonden strak |
| 7 De boer bood haar zijn boter aan de edelman zijn ridderzwaard de pastoor prees de hemel de schooier gaf een speldeprik |
8 Ze pelden haar de kleren af en hielpen toen elkander zo stonden allen naakt in zand ze zoogde hen zoals op schoot ze reeds leerden |
| 9 Zo stuwden ze rondom haar voor en achter grepen acht handen naar de waar soms ook naar elkaar |
10 Op dit brandend uur het lijf aan lijf gevecht ze had acht borsten nodig de nobelman de pastoor de schooier en de boer allen op hun toer |
| 11 Ze bleven hijgend liggen met zijn allen aan de kant zakten in de slootberm dronken uit de hand de hoer besmeurd bezeerd |
12 Toen trokken zij elkanders kleren aan en zijn hun weg gegaan de boer die pastoor werd de schooier edelman de nobele als boer de pastoor leuderman allen eender als naakte man |
| 13 Zo stond daar nog heel blank en mooi de hoer en telde uit haar giften veel minder dan de gaven maar ze had de hemel over |
© Uit de poëziebundel "KOM" van Nest Martens |






