Gevaren van extreemrechts (2)
|
Gevaren van extreemrechts (2) Extreemrechts maar ook andere vormen van vlucht uit de werkelijkheid zoals het religieus fundamentalisme en de overgave aan verslavingen steken de kop op van zodra het leven tegenvalt, zoals bijvoorbeeld in tijden van economische achteruitgang. Als tekorten dreigen, wordt het territoriaal instinct gewekt omdat overleven ook een zaak is van fysiek territorium, jachtgebied, landbouwgebied. Voedselschaarste wakkert territorialiteitsgevoelens aan en het gemeenschappelijk bezit moet inboeten ten koste van het privaatbezit, de concurrentie wordt op de spits gedreven met de bedoeling dat er meer 'afvallers' zijn, wat uiteraard uiteindelijk ook aanleiding geeft tot fysieke strijd, incluis de fysieke uitschakeling van de zwakkeren. Principieel lijkt er geen enkel bezwaar denkbaar tegen de wil van mensen om sterker te worden, in het bijzonder wanneer schaarste en verzwakking dreigen maar waar deze wil zich omzet in daden, zoals dat bijvoorbeeld het geval is met de aanwending van de geneeskunde en nu bij uitstek de eugenetica, verschuift zich het probleem in de richting van de vraag naar het al dan niet geoorloofd zijn van de middelen waarmee dat resultaat wordt beoogd. De zorg voor de zwakkeren is een bijzonder lastige en tijdrovende activiteit die haar kracht haalt bij de sterkeren: het zich beijveren in de studie van de geneeskunde en de inzet voor de zieken, lijken ten koste te gaan van de sterkte van de maatschappij omdat die zorg veel tijd en energie vergt vanwege de sterken die zichzelf aldus lijken te verzwakken omdat zij er hun beste krachten aan wijden. Edoch, dat te geloven, leidt tot catastrofen zoals deze die ons allen bekend zijn van het nazi-regime in Duitsland, waar men geloofde dat men de gezondheid van het volk als zodanig ten koste kon laten gaan van die van de enkelingen. Het verwijderen van alle rotte appelen uit de mand lijkt de mand weliswaar gezonder te maken in die zin dat men dan minder rotte appelen overhoudt maar wie deze logica doortrekken, zullen op den duur helemaal géén appelen meer overhouden omdat aldus de appelen in de mand zichzelf helemaal kapot concurreren zoals ook bedrijven doen in de wedren naar monopolievorming. Evenals geluk is gezondheid uiteindelijk een kwestie van (sociale) vergelijking en na de veldslag tussen de gezonde mensen en de zieken, met als 'Endlösung' de 'Gnadentod' voor de zieken, zal zich de concurrentie verplaatsen en onder de sterkeren zal een andere veldslag ontstaan, namelijk die tussen de allersterksten en de minder sterken en op die manier wordt een trend in gang gezet die principieel niet zal eindigen totdat één finale 'winnaar' overschiet die alle anderen zal verslagen hebben. De maatschappij zal dan uiteraard niet langer een samenleving zijn welke zich in stand houdt dankzij samenwerking doch een dictatuur waarin alle elementen geslachtofferd werden aan één grote slokop - tenminste indien dan nog sprake kon zijn van een maatschappij. Zo verkondigde ten tijde van de catastrofale aardverschuiving in Haïti alhier een “ethicus” dat men nu maar eens werk moest maken van de sterilisatie van de armen, wat er meteen zou voor zorgen, zo meende de geleerde, dat er aldus alleen nog rijken zouden overschieten. Het gegeven dat mensen hun hoge levensstandaard vooral te danken hebben aan de slavernij in allerlei vormen waarbij, concreet berekend, voor elke westerling zowat veertig werkenden in de derde en de vierde wereld moeten opdraaien, leek de uitvinder van de reddende maatregel helemaal te ontgaan. De welvaart is een eindige koek en vandaar eten wie te veel hebben, het stuk op van degenen die honger lijden, toch? Maar vooral is het pertinent onjuist dat de inzet voor de zwakkeren de sterken minder sterk zou maken: het tegendeel is het geval. Een samenleving die zich niet verkijkt op de sterkte van de groep doch die zich het lot behartigt van de zwakkeren, versterkt zichzelf zodoende middels de inspanningen die haar sterkeren leveren en waardoor zij nog sterker worden dan voorheen. In de genezing van haar zieken, ontwikkelt zij de wetenschap van de geneeskunde en in het onderrichten van haar onwetenden, ontwikkelt zij een krachtige pedagogie; in het van voedsel voorzien van haar hongerigen, leert zij de vruchtbaarheid van de akkers en van de veestapel te maximaliseren, kortom: middels de hulp aan anderen helpt zij op de best mogelijke manier zichzelf. Maar als het koesteren van de zwakkeren, de vreemdelingen en alle andere groepen die nood hebben aan vormen van bijstand een maatschappij niet verzwakt maar daarentegen sterker maakt, dan vormt inclusie de sleutel tot succes. En deze leefregel wordt dan ook sinds oudsher toegepast door de opperste elite, zeg maar de vorsten: zij rekruteren het gezamenlijke volk, aan de verstandigen en de helden kennen zij eretekens toe, de werkenden voorzien zij van spijs, onderdak en kledij en op ogenblikken dat zijzelf aan het feesten gaan, vergeten zij zelfs de criminelen niet en schenken zij aan de gevangenen gratie. Indien het volk al was het slechts een heel klein stukje van de sluwheid van zijn vorsten bezat, dan was inclusie even vanzelfsprekend als respect, mensenrechten en gastvrijheid, alleen gaat het vandaag met de genoemde waarden niet opperbest omdat economische stagnatie het populisme wind in de zeilen geeft en het kortetermijndenken en het kortzichtige egoïsme aanmoedigt. (Wordt vervolgd) (J.B., 30 november 2023) |







