Een gelaat van zand
|
Een gelaat van zand Een groep van artsen wensen nu dat alle burgers een verklaring ondertekenen waarop zij invullen of zij zich al dan niet laten vaccineren en indien niet waarom dan, waarbij zij kunnen kiezen uit een tiental opgesomde redenen.1 Uiteraard loopt een dergelijk initiatief van bij de aanvang mank aangezien wij intussen leven in de wereld van de vrije markt. Als u, mijnheer, mevrouw, een fabriekje hebt waarin u, om maar iets te zeggen, confituur van aardbeien produceert, en u wenst dat alle burgers van het land een papier invullen met betrekking tot uw product waarop zij verklaren of zij al dan niet uw confituur zullen eten en indien niet waarom dan niet, waarbij zij dan kunnen kiezen uit een tiental opgesomde redenen (1. Ik lust geen aardbeien; 2. Ik krijg huiduitslag van aardbeien; 3. Ik teel mijn eigen aardbeien en maak zelf aardbeienconfituur, …) dan zal men u gewis en terecht aanwrijven aan grootheidswaanzin te lijden. Immers, de wil om de hele consumerende bevolking van dit land te kunnen dwingen om stelling in te nemen tegenover een eigen marktproduct, kan inderdaad niet anders dan als waanzin worden weggezet: mocht iedereen dit eisen, dan was het leven miljarden keren te kort om de navenante paperassen in orde te krijgen en er waren veel te weinig bomen om het papier daarvoor te kunnen leveren. Weliswaar worden dit soort van verantwoordingen vaak van het volk geëist, meer bepaald in post-dictatoriale perioden. In dictaturen immers worden ideeën alsook andere producten aan het volk opgedrongen en worden weigeraars veroordeeld tot onder meer verbanning, gevangenisstraf of ter dood veroordeling. Zwakt de dictatuur af, dan stelt men iedereen voor een keuze waarbij men wel meent te mogen eisen van de weigeraars van het product in kwestie dat zij openbaar en dus op een kwetsbare wijze - voor een rechter ofwel publiekelijk - hun keuze verantwoorden. Zo is bijvoorbeeld de kerk erin geslaagd om quasi iedereen in de gechristianiseerde of door haar onderworpen werelddelen te dwingen tot stellingname tegenover haar deviezen: wie volgden, hoefden verder niets te doen maar twijfelaars en ongelovigen zagen zich genoodzaakt om desnoods dikke boeken te schrijven onder titels in de trant van: “Waarom ik niet (meer) geloof”. En nu de kerk alhier heeft afgedaan, zijn in hetzelfde bedje ziek (met de plaag van de hoogheidswaanzin) de opvolgers van de klerikale dictators, zijnde de politici alsook steeds vaker de medici en alle andere wetenschapslui (weliswaar met uitzondering van de wiskundigen wiens bedrijvigheid in wezen een spel is). Ligt de dictatuur in een wat verder verleden, dan voelt niemand zich uiteraard nog verplicht om stelling in te nemen tegenover ongeacht welke uitlating vanwege ongeacht wie omdat het zich verantwoorden pas een plicht kan zijn van onderdanen jegens oversten of van mensen die verplichtingen hebben tegenover anderen aan wie zij zekere dingen verplicht zijn. En hier ziet men alras het probleem opduiken van de objectieve ethiek met de discussie rond de deviezen van Immanuel Kant als mogelijk model, een kwestie die niet in één adem van de hand gedaan kan worden. Welke plichten hebben mensen tegenover medemensen in het tijdperk dat volgt op de hegemonie van de religie(s)? Velen en niet in het minst de aanvoerders van de betrokken machten zullen nu aanvoeren dat het algemeen belang op het spel staat waar van wetenschappen sprake is maar dat argument verschilt in geen enkel opzicht meer van wat destijds de kerk aanvoerde ter handhaving van haar positie: het is voor uw eigen welzijn dat wij u tot gehoorzaamheid willen kunnen dwingen, zo verzekerden ons de vaders van het heilige en onfeilbare instituut waarvan Dostojevski in zijn fabel van De Grootinquisiteur de ware aard aan het licht bracht en in dezelfde lijn wordt nu geschermd met het algemeen goed van onder meer de volksgezondheid, het algemeen welzijn en de welvaart als argumenten om gehoorzaamheid aan de nieuwe instellingen te kunnen afdwingen. Het mag duidelijk zijn dat, nu de vrije markt gezorgd heeft voor de privatisering van zowat alles, incluis de opvoeding, de gezondheid en de wetenschappen, geen enkele van al deze tenslotte te consumeren zaken ook maar iets nog verplichten kan, aangezien het koopwaar is dat zich positioneert tegenover cliënten die nog steeds zelf beslissen wat ze met hun geld gaan doen, tenzij een politieke overheid zich het recht toe-eigent om die klus af te handelen in hun plaats, zoals dat het geval is met de aankoop van vaccins maar ook met betrekking tot de financiering van de openbare omroep, de onderwijsinstellingen, de landsverdediging en nog zoveel andere zaken waarvan de noodzakelijkheidskwestie in steeds nauwere schoentjes komt te staan. Moeten wij ons leven gaan riskeren aan een front waar wordt gevochten om principes die men heeft alleen maar omdat men hetzij aan deze hetzij aan gene zijde van dat front geboren is? Is het correct dat de belastingen die de overheid aan iedereen oplegt, geïnvesteerd worden in de promotie van culturele richtlijnen waarmee per definitie niet iedereen het eens kan zijn? Is het geen aanfluiting van de fundamentele mensenrechten wanneer ons spreekrecht en onze keuzevrijheid gelijkgesteld worden met het recht, of veeleer nog met de plicht om de eigen mening in te passen in vooraf bekokstoofde antwoorden in de vorm van multiplechoice-antwoorden? Mag de bijzonder misleidende vooringenomenheid waarbij voor waar wordt aangenomen dat de kwestie van de gezondheid gelijklopend is met die van de volksgezondheid dan niet aan kritiek worden onderworpen? Om het bij een voorbeeld met betrekking tot het laatstgenoemde te houden, kan hier verwezen worden naar het jammerlijke historische onverstand dat zich nu dreigt te herhalen en waarmee Adolf Hitler de volksgezondheid meende te ondersteunen door massaal de zieken om te brengen. De theologie heeft weliswaar haar tijd gehad maar nu zij in een groot deel van de wereld zo niet wereldwijd werd vervangen door het gedrocht van de economie van de vrije markt, staan onderwijs, gezondheid, politiek en noem ze maar op, alle mogelijke openbare sectoren, onverbiddelijk onder de niets en niemand meer ontziende heerschappij van Mammon: het goede is wat de economie doet draaien, ook als dat gebeurt ten koste van de welvaart van quasi alle enkelingen die haar torsen en in wiens dienst zij zou moeten staan zoals elk nuttig werktuig, en deze spijtige middeldoelomkering kentekent derhalve niet alleen alle dingen maar tevens alle mensen. Het tijdperk van de golem heerst: de onmens die allen onderworpen heeft en het niet kan laten om ijverig door te gaan met het doordrijven van zijn waanzin totdat hij allen zal verpletterd hebben. De Franse filosoof Michel Foucault besloot in 1966 De woorden en de dingen met de uitspraak dat weldra de mens dreigt te verdwijnen zoals een gelaat van zand aan de oever van de zee. (J.B., 22 februari 2024) |



