God en de oorlog
|
God en de oorlog Geconfronteerd met een wereldwijde mobilisatie van strijdkrachten waarvan men niet langer kan beweren dat dit niets te maken heeft met wat de geschiedenis kan ingaan als de Derde Wereldoorlog, kijken we terug naar de aanloop tot de Tweede Wereldoorlog en naar de aanvang daarvan, en vinden we in 1942 de publicatie van Le Mythe de Sisyphe van Albert Camus, die bij het begin van zijn essay een vers citeert van een Grieks dichter van voornamelijk lofzangen - het gaat hier om vers 60 uit de derde Pythische ode van Pindarus - die ons (2500 jaar geleden) op het hart drukt om het verlangen naar het onmogelijke, dat een verlangen is naar een zin of een redelijke grond voor het bestaan, te laten varen en tevreden te zijn met wat we alsnog hebben: “Ziel van me, streef niet naar onsterfelijk leven pak alles aan wat mogelijk en doenlijk is.”1 Want hoe ondankbaar is het niet om het geschenk van het menselijk leven af te wijzen omdat het geen absoluut en goddelijk bestaan is. Naar het absolute trachten velen die zich goden wanen in het diepst van hun gedachten, een illusie die zij zich gretig laten aansmeren met het verhaal van het mensgeworden opperwezen dat ons aldus deel zou laten hebben aan zijn goddelijkheid. Voor hen is het alles of niets en bij de ontdekking van de grondeloosheid van het leven, stappen ze eruit of, eerder nog, leven ze verder in de wetenschap dat ze er uit hadden moeten stappen indien zij consequent waren geweest. De mens is een ontevreden wezen en hij weigert te aanvaarden wat hij (slechts) is maar dan rijst de vraag of het menselijk en derhalve überhaupt mogelijk is om dat te doen: kan een mens verzaken aan de betrachting om zichzelf te overstijgen? Is het mogelijk en doenlijk, beste Pindarus, om, wars van onze aard, de waanzin op te geven en niet naar de onsterf'lijkheid te streven? Moet men zich dan verzetten tegen het verzet dat in de menselijke aard besloten ligt? En wordt verzet op die manier niet suïcidaal? Alvast Sisyphus heeft geen keuze, het is niet zijn wil dat hij tot het einde van de tijden het rotsblok tegen de berg omhoog moet rollen want het is een aan hem opgelegde straf. Sisyphus' keuze beperkt zich tot het bieden van verzet aan de goden en dat is de zonde van de hoogmoed. In zijn straf concretiseert zich dat verzet waarvan hij de onmogelijkheid voor immer moet belijden in het repetitief karakter van de hem opgelegde taakstraf. Aldus ondergaat hij in de onderwereld de absurditeit van het verzet dat hij pleegde in de bovenwereld. Een impliciete zedenles dan toch vanwege een auteur zo vaak gebruikt door humanisten die al te gretig 't loflied met de valse noten zingen van de eigen dapperheid - het lied dat uitloopt op de verzen: “Will kein Gott auf Erden sein, sind wir selber Götter”.2 De tragiek is dubbel omdat het waanzin is de waanzin op te geven als de zin zelf een kostelijke illusie is want er is geen waanzin mogelijk zonder zin: de zin is het fundament van de waanzin zoals het geloof het fundament is van het ongeloof en het goede het fundament is van het kwaad. Indien er geen goed bestond, dan was er ook geen kwaad; zonder het weerzinwekkende bestond het schone niet; indien niemand het ongeluk kende, dan had het helemaal geen zin om over geluk te spreken en zo ook bestaat de waanzin niet zonder de zin. Zo bestaat derhalve het absurde bij de gratie van zijn tegendeel: het absurde ontleent zijn betekenis aan het bestaan van zin. En niemand zou de oorlog schuwen indien men in het ongewisse bleef over het bestaan van vrede. Echter, als de vrede zo lang duurt dat men zich de oorlog niet herinneren kan, dan beseft men helemaal niet meer dat het de vrede is die ons in leven houdt: men komt gewis in de verleiding om te gaan geloven dat het leven strijd vergt, vijanden om te verslaan en helden die van moord hun broodwinning hebben gemaakt. Dat is wat populisten ons trachten te doen geloven. Alsof het aan die moordenaars was dat we voor ons leven dank verschuldigd waren. Ja, zij stellen zich aldus warempel in de plaats van God, zij die naar onsterfelijkheid streven en die om deze wanen vorm te geven, met het leven van de mensen spelen. (J.B., 24 januari 2025) 1De vertaling is van de hand van Patrick Lateur in: Patrick Lateur, Pindaros. Zegezangen, Athenaeum, Pollak & Van Gennep 1999. Zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Pindarus 2Wilhelm Müller, Fliegt der Schnee mir in's Gesicht, opgenomen in Gedichte aus den hinterlassenen Papieren eines reisenden Waldhornisten, uitgegeven door Wilhelm Müller, volume 2, Deßau 1824. en door Christian Georg Ackermann, p. 106 en in de Deutsche Blätter für Poesie, Litteratur, Kunst und Theater, uitg. door Karl Schall en Karl von Holtei, Breslau 1823, door Graß, Barth und Comp. No. XLII. 14. maart 1823, pp. 165-166. Eerste publicatie in Deutsche Blätter (see above) as no. 9 of the installment of Die Winterreise. Lieder von Wilhelm Mülle (Winterreise: Muth), slotverzen. Zie: https://www.lieder.net/lieder/get_text.html?TextId=11869 en https://www.google.com/search?client=firefox-b-d&q=Fliegt+der+Schnee+mir+in%E2%80%99s+Gesicht#wpta b=si:APYL9bty8AevUJ-WDu5rLfsC7_XKCEPqQpTCW9yfK1Js0 2e5UFav5BfiCQwbuTEpzJIbDK3pIvTyx-FoayWVw7JYirgfeH9mE78MKLzZh1UlhiiWmznSftYnVafPquHR |


