De leer van Augustinus - Aflevering 6.
|
De leer van Augustinus Aflevering 6. Tussen 412 en 426 schreef Augustinus zijn De civitate Dei (Over de staat van God) ter weerlegging van beschuldigingen door ketters die de kerk de schuld gaven voor de verwoesting van Rome door Alarik en om de geloofstwijfel weg te nemen. Hij wil de crisis n.a.v. Eusebios' 'imperiale theologie' oplossen door aan de staat elke religieuze betekenis te onttrekken.1 Dit alles omvattende werk wordt vaak vergeleken met Plato's Politeia. De gewijde geschiedenis (m.b.t. 'civitas Dei', de inwendige mens en de liefde voor God) wordt van de seculiere (m.b.t. de 'civitas terrena', de uitwendige mens en de eigenliefde) onderscheiden (die niet duivels is maar neutraal). Augustinus' politieke theorie betreft de 'civitas terrena'. Met de komst van Christus is de eindtijd ingezet, het 'laatste uur' voor de Wederkomst. Augustinus' politieke leer is bijzonder inconsistent. De Ordo Pacis (de wereldse vrede) is de politieke ordening. De gelovigen gebruiken het aardse zoals één die in den vreemde vertoeft2 en de orde van de wereld is derhalve relatief waardevol; Augustinus bejegent die tweeslachtig: met minachting én respect. Hij bekijkt de wereld vanuit de zondeval. De mens is van nature sociaal en geneigd om een gemeenschap te vormen maar door de zondigheid ontstaat tweedracht en is politieke ordening of politiek tout court noodzakelijk voor het lijfbehoud (en door de goddelijke voorzienigheid voorhanden). De wetten zijn noodzakelijk maar ze zijn een Ersatz van de 'lex aeterna', de 'eeuwige wet'. Maar Augustinus denkt dat de republiek nooit bestaan heeft omdat recht niet gerealiseerd kan worden op aarde. Vandaar: “(Wanneer die rechtvaardigheid derhalve weggenomen is), wat zijn koninkrijken anders dan grote roversbenden? Want ook roversbenden zelf, wat zijn ze anders dan kleine koninkrijken?”3 Dan verzacht Augustinus zijn eis inzake rechtvaardigheid en spreekt hij over gemeenschappelijke aardse belangen: “(God heeft aan de mensen geschonken:) de dingen die geschikt zijn voor dat aardse leven, te weten de tijdelijke vrede (pax temporalis) - naar de beperkte maat van het sterfelijke leven -, een vrede die bestaat in gezondheid, lijfsbehoud en gemeenschap (societas) met zijn soortgenoten, en alles wat noodzakelijk is om die vrede te bestendigen of te herwinnen.”4 Die vrede volgt uit de orde ('ordo pacis') of 'de kalmte van de orde' ('tranquillitas ordinis') en betreft zowat alles: de rust van het lichaam, de ziel, het huishouden, de burgers, de wereld ('pax terrena'). En dan komt de aap uit de mouw. Wat hier nog volgt moge een waarschuwing zijn aan het adres van wie geloven dat de nieuwe paus, die immers een Augustijn is, een pacifist zal zijn of een vechter tegen onrecht en voor vernieuwing. Want waar het evangelie het heeft over het aanbieden van de andere wang en over het beminnen van zijn vijanden, blijken die christelijke geboden nu plotseling verwereldlijkt. Wegens de noodzaak van de politieke orde, vindt Augustinus dat het rijk militair moet verdedigd worden: “(...) wanneer [Bonifatius] mede onder invloed van Augustinus' prediking het zwaard 'aan de haak' wil hangen, en monnik worden, probeert Augustinus hem van dat voornemen af te brengen: zoals er christenen moeten zijn die door hun gebed de 'onzichtbare vijanden' moeten afweren, zo moeten er ook zijn die door hun wapens de 'onzichtbare barbaren' bestrijden; ook hùn taak is verdienstelijk in Gods ogen.”5 Het gaat erom conservatief te zijn: “het behoud van de bestaande orde te verdedigen”6 (“ordehandhaving”7) En waar wij de slavernij als een schending zien van de mensenrechten, spreekt Augustinus ook hier ondubbelzinnig een heel andere taal. Bij hem zal de slavernij, die een straf is ingevolge de erfzonde, evenals bij Paulus, goedgepraat worden. “Slaven (…) die zich trachten te onttrekken aan hun wreedaardige meesters, d.w.z. op de vlucht slaan, worden door [Augustinus] uitdrukkelijk als 'pessimi servi', 'allerslechtste slaven', gebrandmerkt”: justitie moet over hen recht spreken want ze zijn zondaars en dus schuldig terwijl de bestaande orde er is ter remediëring van die zondigheid...8 (J.B., 19 mei 2025) 1Herman De Ley, o.c., pp. 198-202. 2Herman De Ley, o.c., pag. 220. 3Herman De Ley, o.c., pag. 218. 4Herman De Ley, o.c., pp. 218-219, verwijzend naar De civitate Dei, XIX.13.2. 5Herman De Ley, o.c., pag. 224. Het gaat hier om Augustinus' brief (ep. 189) aan Bonifatius die de barbaren bestrijdt. 6Herman De Ley, o.c., pag. 224. 7Herman De Ley, o.c., pag. 226. 8Herman De Ley, o.c., pag. 226. |












