Gossi Goblin,
Gossi Goblin, "Hierarchy"
Gossi Goblin,Gossi Goblin, "Hierarchy"
Over de oorlog die komt|
Over de oorlog die komt Ze zeggen dat hij al bezig is, kijk maar naar de prijzen in de supermarkt, halverwege de maand komt de bodem van onze portemonnee in zicht en als men niet het duurste koopt, mag men zich ook nog eens vuilzakken aanschaffen om het weg te kunnen gooien want ze hangen overal, de camera's. De Eerste Wereldoorlog werd in gang gezet op 28 juli 1914 in Sarajevo (Bosnië): een Servische nationalist vermoordde daar een prins uit Oostenrijk-Hongarije, dat onmiddellijk de oorlog aan het thuisland van de moordenaar verklaarde waarna Rusland Servië bijsprong terwijl Duitsland Oostenrijk ging helpen tegen Rusland en tegen zijn eeuwige rivaal, Frankrijk. Duitsland rukte op naar Frankrijk langs over het neutrale België, wat werd afgekeurd door Groot-Brittanië, dat zich derhalve tegen Duitsland keerde. Na amper enkele weken stond op die manier heel Europa in brand. De oorlog, met het belangrijkste front in de Westhoek, zou vier jaar duren en miljoenen slachtoffers eisen. De Tweede Wereldoorlog was in feite een voortzetting van de Eerste: W.O.I werd verloren door Duitsland dat nadien aan de winnende partijen (het V.K., Frankrijk en de V.S.) hoge schulden moest betalen, wat de Duitsers kwaad bloed zette. Terwijl in Rusland in 1918 de autoritaire USSR opdook, in 1922 Italië onder de fascist Mussolini kwam en in 1926 een militaire dictatuur oprees in Japan (dat in 1937 China binnenviel), kwamen in 1932 met de verkiezing van Hitler in Duitsland de nazi's aan de macht. Hitler, die nog had 'meegevochten' in W.O.I, beloofde de wraak waarom de schuldenlast schreeuwde: hij zou Duitsland weer groot maken. De huidige MAGA-beweging in de V.S. blijkt op een gelijkaardige leest geschoeid. Incluis de expansiedrang van Trump die aast op Canada en op delen van Midden-Amerika zoals Hitler toentertijd delen van Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije innam en in 1939 ook Polen binnenviel, aan wie Frankrijk en Groot-Brittannië bescherming hadden beloofd en het spel zat op de wagen. Oorlogen worden gewelddadig in gang gezet door nationalisten met expansiedrang en die worden verkozen door een gefrustreerd volk met wraakgevoelens dat net zoals in het voetbal kampioen wil spelen. Dictators starten een oorlogseconomie en financieren de bewapening met het plunderen van bezette gebieden: Hitler schiep werk met zijn wapenindustrie betaald door onder meer de plundering van eigendommen van opgepakte joden aan wie massaal dwangarbeid werd opgelegd waarna ze werden vergast. Onder allerlei voorwendsels pluimen sinds oudsher het Westen en nu vooral de V.S. de halve wereld door kolonisatie en om die reden ook werd de Oekraïne tot een oorlogsfront herschapen en moeten de dictaturen van de neokoloniale politiek worden hersteld en uitgebreid. Europa, allang gewend geraakt aan zijn kolonies, wordt nu op zijn beurt gekoloniseerd onder slokop Trump. Grof en laf geweld verschuilt zich onder de welluidende dekmantels van christianisatie en beschaving en de fortuinen buitgemaakt door brute moord en brand worden prompt toegeschreven aan zogenaamde wetenschappelijke vooruitgang en technologische hoogstandjes die vooral bestaan uit hun in Hollywood gefabriceerde, leugenachtige verpakking. En zijn het niet de hebzucht en de megalomanie die aan de touwtjes trekken, dan dirigeert de angst alle beslissingen: potentaten belagen volkeren zoals straatboefjes dat met winkelstraten doen: geld in ruil voor bescherming, waarbij bescherming alleen maar kan betekenen dat men niet zal aangevallen worden door degenen aan wie men spontaan geslagen met den bibber zijn hele hebben en houden overmaakt. Als het daarbij bleef, dan brachten wij het er misschien nog levend vanaf maar zo rooskleurig draait de wereldbol niet: kolonies worden niet alleen gepluimd, ook hun bevolking wordt ingelijfd en op de (loon)slavernij en de onbetaalbare belasting volgt een gewisse trektocht naar het oorlogsfront. De uitgestrekte begraafplaatsen uit de twee voorgaande wereldoorlogen liggen vol met gesneuvelden uit Afrika en uit Azië, kolonialen die niet eens wisten welke belangen zij met hun leven gingen dienen aan het front en in de oorlog die nu ook kolonie Europa aanspreekt, zal het niet anders zijn. (J.B., 23 augustus 2026) |
Over In Praise of Failure van Costica Bradatan (Aflevering 1)

|
Over In Praise of Failure van Costica Bradatan (Aflevering 1) Costica Bradatans Lof van de mislukking betitelt een tegenstelling en die paradox manifesteert zich andermaal waar dit boek zelf van dit toonaangevende zwaargewicht in de hedendaagse filosofie zijn succes aan het thema van de mislukking dankt - Les extrêmes se touchent. Het falen omgeeft ons in concentrische cirkels die Bradatan van buiten naar binnen verkent. Profetisch klinkt de zin: “Het falen van dingen raakt ons maar hun volmaaktheid doet dat ook en die kan ons ontmenselijken.”1 Simone Weil wordt het voorbeeld van de in de wereld onaangepaste, zij doorleeft de radicale nederigheid. Mahatma Gandhi zit in de ring van het politieke falen. E. M. Cioran zocht het sociale falen op: hij zag inactiviteit als het enige gepaste antwoord op de zinloosheid van het bestaan. Tenslotte is er het biologische falen door het ondenkbare van onze sterfelijkheid.2 Seneca, met in zijn voetsporen Mishima, zoeken alsnog te falen in schoonheid. Mislukking krijgt per definitie geen navolging en laat ons verweesd achter maar dat is volgens de auteur het beste vertrekpunt voor een louterende reis naar 'zelfrealisatie' omdat het ons zuivert van de hoogmoed en nederig maakt, ontvankelijk. De reis naar binnen is de allermoeilijkste maar slangengif is tegelijk een medicijn.3 (Wordt vervolgd) (J.B., 21 augustus 2026) 1“The failure of things affects us, and so does their flawlessness, which can dehumanize us.” 2“To think of death is “to think the unthinkable,” says Vladimir Jankélévitch.” 3“that which can destroy you can also cure you. The serpent’s venom is both poison and medicine.”
|
God of de duivel|
God of de duivel Is het dan niet de mist die ons dichter bij de waarheid brengt, die ons iets laat zien van wat wij wilden weten terwijl het licht van de dag het altijd aan ons oog onttrekken zal, gewapend als het is met zijn dans van strakke lijnen en van helle kleuren? De regelmaat, het scherpe en het duidelijke: zij hebben nimmer datgene getoond dat wij altijd zo ernstig zochten, als wij er weer eens aan dachten, als wij er door bekoord werden, als het in onze gepeinzens opkwam en niet wegging vooraleer wij tenminste hadden beloofd er eens naar om te zullen kijken. Waarom stellen de meesten onder ons het uit totdat de duisternis en de mist van de oude dag en zijn onduidelijkheid, zijn absolute vaagheid en zijn volstrekt gebrék aan orde hem ertoe dwingen om in die draaikolk te kijken, in die duizelingwekkende en ook echoënde put die dingen nazegt en zelf zeggen zal die wij altijd al wilden horen, weten en bevatten, doch waarvan wij de betekenis hebben verduisterd omdat wij ook weer altijd meenden dat de tijd van het moeten kennen van die ijle waarheid nog lang niet gekomen was? Wat de dag niet weten wil, komt spoken als het licht verduistert en als donkerdere wolken zelfs de lantarens van de maan versmachten en haar fluwelen gloed die soms de krekels zingen doet. Immers, het vage van het donker weet de bijna blinde kijker te verleiden tot het zélf tekenen van de vormen die hij in het duister zoekt, dat aarzelt voor ze die aan hem aldus te zien geeft. Hoe vernuftig omzeilt alzo het geheim zijn zelfverraad terwijl het zich tegelijk dan toch ontdoen kan van de absolute eenzaamheid, en een ander geheim ontspringt als er ineens een sluitende overeenkomst blijkt te bestaan tussen wat verborgen bleef en wat men al zoekende zelf meende te zien terwijl men het eigenlijk helemaal niét zag. Men geloofde dat men een deur zag opengaan en dat men aldus achter die deur kon kijken, terwijl in werkelijkheid die deur gesloten bleef, maar wat men geloofde te zien in de door de duisternis in de hand gewerkte begoocheling van zijn zinnen, bleek wonderwel overeen te komen met wat ook wérkelijk achter die deur te vinden was. Ik vraag u: wie dan stelde deze overeenkomst vast? En ik zal u dwingen het antwoord op deze vraag te geven, want ik weet dat gij het kent en dat, als gij niét gedwongen werd, gij het voor uzelf zoudt houden tot het einde van de tijden. Mist - de mist die door de sleutelgaten klautert en zich in de huiskamers warmen komt, in de verhalen over arme mensen van Charles Dickens - in de mist die in de tocht van kille, donkere kamers danst, en die ook in de graven rondwaart, waar het stinkt, in die mist is het dat wat bijna leeft, bijna tot leven komt, als tenminste dezen die dit observeren, van zeer goede wille zijn, en bereid om te gaan kijken waar niets te zien is, en te blijven kijken totdat zij geloven iets te zien - een enkel ogenblik is lang genoeg. De duisternis die in een volle maannacht op die plekken in de hemel waart die heel ver af liggen van de maan, zo ver dat zij nog donker zijn en eigenlijk onverlicht - in die duisternis zijn al sinds het begin der tijden bewegingen aan de gang die niets anders zijn dan inspanningen van het donker om de omtrekken te vormen van wat zich tonen wil aan al wat zien kan. Niet de omtrekken van een godheid of een andere entiteit - was het slechts dàt, dan zou 't zo lang niet duren - neen: het zijn de omtrekken van dat geheel onaflijnbare, die zij willen trekken, en ze doen een beroep op al wie in de nacht geschouwd heeft sinds de vroegste tijden, om te getuigen van wat zich bijna heeft getoond, en enkelen van die toeschouwers beweren geheel naar waarheid dat zij geloven heel even iets gezien te hebben dat geleek op wat zij geloofden dat aan hen getoond zou worden als zij alleen maar bereidwillig schouwden. Eén van hen beweert zelfs dat hij gedurende een fractie van een moment zichzelf zag. De mist en de duisternis, maar ook en vooral de angst is vervuld met datgene wat men tegelijk vermijden wil te vinden terwijl men het dan toch blijft zoeken, omdat er niets anders is gebleken dat het zoeken waard is, dan datgene wat men, indien men met zoeken ophield, "het onvindbare" zou kunnen heten. De angst vooral bergt dit in zich, omdat de angst een spanning is van krachten die elkaar niet willen terwijl zij tevens zonder elkaar niet kunnen zijn. In de angst vindt dat wat zoekt het gezochte terwijl het tegelijk vermijden wil door het gezochte ooit te zullen worden gevonden, en daarom is de angst het ontlopen van datgene wat men zoekt, precies omdat men het zoekt met de bedoeling het te kunnen ontlopen. De angstige wil vinden zonder gevonden te worden, hij wil toekijken van op een plaats die ongezien wil blijven, hij wil de dingen zien zonder zelf onder hen te zijn, en daarom ook is "de angstige" misschien wel de best benaderende benaming die men geven kan aan datgene dat sinds het begin gezocht wordt zonder dat men het zal vinden: alleen de duisternis onderneemt vruchteloos blijvende pogingen om zijn omtrekken te vormen die naderhand van niets anders gemaakt blijken te zijn dan van inbeelding en ook van angst. Dat wat zoekt en niet gevonden worden wil, is dan per definitie dat wat heerst over al het andere, want wat alles zien wil en zich tegelijk aan 't zicht onttrekt, wil het al beheersen - dat wat zoekt en niet gevonden worden wil, is dat wat heerst: het is bij uitstek god. God is de entiteit die toekijkt terwijl hij zelf niet gezien wil, mag en zal worden, maar er bestaan meer entiteiten die toekijken en die altijd ongezien blijven terwijl ze hun invloed wel doen gelden, zoals bij uitstek deze welke de naam van "engelbewaarder" dragen. Engelbewaarders kijken toe uit zorg en zij dragen dan ook de zorg over de aan hen toegewezen personen. Een engelbewaarder garandeert vanzelfsprekend niet dat diegene voor wie hij zorg moet dragen, nooit getroffen zal worden door enig onheil: als de persoon waarvoor een engelbewaarder zorg draagt, een ogenblik verstrooid is, dan is het de engelbewaarder die hem in dat ogenblik van verstrooiing tegemoet zal komen met een hint of met daadwerkelijke hulp. Edoch, ook de engelbewaarder van deze persoon kan zich een ogenblik lang aan verstrooidheid bezondigen. Gebeurt dat, dan heeft de persoon die bij deze engelbewaarder hoort, nog altijd niet noodzakelijk pech. Immers, ook de engelbewaarder van die persoon heeft op zijn beurt een engelbewaarder, en die engelbewaarder-van-de-engelbewaarder zal wellicht de engelbewaarder over wie hij de zorg heeft, tijdig alarmeren... tenzij ook deze op precies hetzelfde ogenblik verstrooid is. Maar ook dat hoeft nog niet rampzalig te zijn voor de persoon in kwestie. Het is immers perfect mogelijk dat op hetzelfde ogenblik dat de persoon, zijn engelbewaarder en de engelbewaarder van deze engelbewaarder verstrooid zijn, de engelbewaarder van de engelbewaarder-van-de-engelbewaarder nog altijd waakt: deze engelbewaarder-van-de-engelbewaarder-van-de-engelbewaarder zal dan - onrechtstreeks - de persoon in kwestie bijstaan, zodat een ramp voorkomen wordt. En nu komt het. Niet alleen mensen hebben engelbewaarders, ook engelbewaarders hebben engelbewaarders, en ook deze laatsten hebben er, en zo gaat dat door... jawel, tot in het oneindige. En nu hoor ik u al zeggen: als deze rij van engelbewaarders, met aan de top een mens, oneindig lang is, hoe is het dan in godsnaam mogelijk dat die mens alsnog niet verzekerd is tegen alle onheil? Immers, een toeval kan toch nooit zo groot zijn dat al die engelbewaarders tegelijk - en ik herhaal dat hun aantal dus oneindig is - in één en hetzelfde ogenblik ten prooi zijn aan verstrooidheid!? En misschien weet u al dat dit wél het geval kan zijn, en wel om de heel eenvoudige reden dat een persoon, zijn engelbewaarder, de engelbewaarder van deze engelbewaarder en zo verder en zo voort tot in het oneindige - dat deze allen altijd op eenzelfde plaats aanwezig zijn... zodat zij dan ook altijd allemaal door eenzelfde verstrooiende factor van de wijs kunnen worden gebracht. U weet wat ik bedoel: een persoon staat op de hoek van de straat, hij wil de straat oversteken maar hij is verstrooid, wat wil zeggen dat hij het voertuig dat van links komt aanrijden, niet ziet omdat hij wordt afgeleid door iets dat zich ter rechter zijde van de straat bevindt, iets dat niet alleen zijn aandacht naar zich toe trekt en hardnekkig vasthoudt en niet lossen wil, maar ook de aandacht van zijn engelbewaarder, de aandacht van de engelbewaarder van zijn engelbewaarder, de aandacht van de engelbewaarder van deze laatste, enzoverder enzovoort. Het is dus iets dat de aandacht van de oneindig lange stoet van entiteiten - waarbij de ene wordt geacht voor de andere zorg te dragen - op zich vestigt, boeit en niet meer loslaat, zodat geen enkele entiteit uit deze eindeloos lange stoet zich nog van zijn taak kwijt. U weet zeer zeker dat er op straat soms zo'n zaken te zien zijn waaraan mens noch engelbewaarder kan weerstaan: gebiologeerd kijken ze dan allemaal dezelfde richting uit, zijn ze verstrooid, ze zien het voertuig van links niet naderen - en de bestuurder van dat voertuig ziet hen evenmin omdat ook zijn aandacht door hetzelfde opgeslorpt wordt - en dan gebeurt dat wat men voor onmogelijk hield: niet alleen de persoon in kwestie is verstrooid, maar ook zijn engelbewaarder, én de engelbewaarder van zijn engelbewaarder, en ook diéns engelbewaarder, en ga zo maar door tot in het oneindige: geen van allen - ook al is hun rij oneindig lang - geen van allen kon weerstaan aan de verleiding om te kijken omdat het de verleiding zelf was die daar op dat moment ter rechter zijde voorbij trok, op dat fatale moment dat tegelijk alle ogen uiteindelijk blind maakte voor het gevaar... De verleiding zelf - daar is het woord gevallen dat reeds van bij het begin in het vage van een mistige duisternis op de loer lag: is zij het niet die zich nimmer toont en wiens verborgenheid verleidt omdat wij weten willen wat wij niet weten kunnen? Is zij het niet die aan het zwart nachtelijke en aan het wit mistige een kleur geeft die eigenlijk niet de hunne is, doch slechts de kleur van het eigen bloed van wie toekijken en zich verleiden laten? Wat dan is het wat ons van de wijs brengt? Wat is het dat ons blind maakt door ons te doen kijken? Wat zorgt ervoor dat onze aandacht geheel verdwijnt en wij verstrooid worden - soms fataal verstrooid - terwijl het onze aandacht nochtans geheel aanscherpt? Het bestaat, daarover zijn we het allang eens, maar wat is het dan? Gelooft gij ook niet dat wij hiermee precies dit bedoelen dat sinds de oudste tijden de naam van de duivel draagt? (J.B., 17.11.2008)
|
De lucide droom (artikel) & Een lucide droom (verhaal)
|
De lucide droom
Onder een 'lucide droom' verstaat men: een droom wiens dromer zich bewust is van het feit dat hij in bed ligt, slaapt en droomt. Alle woordenboeken vertellen met plezier dat de benaming 'lucide droom' afkomstig is van de Nederlandse psychiater, schrijver, significus en ook spiritist, Frederik van Eeden, die leefde van 1860 tot 1932. In een van zijn lucide dromen zou deze zijn zoon Paul hebben ontmoet, kort nadat die, overeenkomstig een eigen voorspelling uit zijn kindertijd, op zijn vierentwintigste stierf aan tuberculose. Er is sindsdien al aardig wat geschreven én geëxperimenteerd rond de lucide droom, en ook veel vroeger al kwam het wat bizarre fenomeen ter sprake, bijvoorbeeld in de brieven van Aurelius Augustinus, geboren in de vierde eeuw. Edoch, een aantal zaken omtrent lucide dromen blijven toegedekt met een waas van geheimzinnigheid. Het vreemde inzake lucide dromen is dat het besef van de onechtheid van zijn ervaringen, de dromer helemaal niet wakker doet schieten. Het is immers de te verwachten reactie van een gezond persoon, dat hij zich onmiddellijk afwendt van een zaak waarvan hij in de mot krijgt dat ze bedrieglijk is. Tenzij het natuurlijk gaat om zelf gezocht 'bedrog', in dit geval 'amusement' geheten. In dat opzicht zou de lucide droom dan ook veel gemeen hebben met de dagdroom, waarin men zich immers nestelt teneinde voor een korte periode alvast de illusie te hebben dat men aan de soms bijzonder kille realiteit ontkomt. De lucide droom verschilt grondig van de dagdroom, ofschoon in beide gevallen de dromer beseft dat zijn ervaringen 'onecht' zijn. In het geval van de dagdroom, zoekt wie wakker is via verlangende gedachten een schijnwereld op te wekken, of althans een wereld waarin hij het aangename accentueert en het onaardige probeert te verdoezelen. Dit gebeurt dikwijls reeds in het denken als zodanig, dat immers goed in staat is om werelden te creëren die beantwoorden aan de wensen van hun schepper, zonder rekening hoeven te houden met bijvoorbeeld de natuurwetten. Gedachten dienen niet voor zelfbedrog maar somtijds zijn aardige gedachten gewoon bevorderlijk voor de gezondheid en begaan zijn met z'n gezondheid is iets heel anders dan zichzelf in 't ootje nemen. Tenslotte worden alle dingen met gedachten aangekleed, en zonder deze kunnen zij gewoon geen kant op en bestààn zij niet. Alles wat is, dient immers een naam te hebben; over al het bestaande moet kunnen worden gepraat, geschreven en ook nagedacht; geen bestaande zaak presteert het om niet de overdenking van al was het maar een mus te zijn. En gedachten kleden de dingen aan maar ook uit; ze smukken ze op, ofwel halen ze die door het slijk. Gedachten zorgen voor de perceptie en zij hebben macht, zij maken dat dezelfde diepvriesmaaltijd die in de frituur twee euro kost, in het driesterrenrestaurant in 't centrum van de stad makkelijk geprijsd kan worden aan het honderdvoudige van dat bedrag. Het lapje grond hier aan de gracht dat geen cent waard is, is met geen miljard dollar te betalen als deze gracht de Hudson heet. Een krabbel met potlood op papier getekend door een heel braaf kind, is waardeloos - dezelfde krabbel waar de naam van Picasso onder prijkt, kunnen slechts een handvol aardbewoners zich veroorloven. De lof verandert zoals koning Midas de dingen bij eenvoudige aanraking in goud, en de vloek doodt ze genadeloos. Die Gedanken sind frei, zo zongen de joden in Auschwitz, maar de gedachten zelf kunnen ook bevrijden ofwel aan ketenen verankeren. Concrete dingen en gedachten - dromen - hangen onderling altijd even onverbrekelijk samen als de twee componenten die sinds het opstellen van de kwantumtheorie in de oermaterie zelf worden erkend: enerzijds is er het louter stoffelijke, het 'deeltje', anderzijds de 'golf', de 'lading' of de 'geest' van het deeltje, wat eigenlijk nog het best vertaalbaar is als zijn 'invloed'... perfect vergelijkbaar met de invloed van een belastinginspecteur, zoals de wiskundige, René Coppitters het ons leert:1 de kans dat hij komt, zorgt dat ook als hij niét opdaagt, de belastingplichtige zich aan de spelregels onderwerpt. De inspecteur oefent druk uit, ook als hij afwezig is, gewoonweg omdat men niet wéét of hij zal komen. Op dezelfde manier beïnvloedt ook wat helemaal niét bestaat ons handelen en ons leven, van zodra wij slechts de mogelijkheid van dat bestaan gaan overwegen. Woorden kunnen waarschuwen maar de keerzijde van die medaille maakt dat zij ook angst inboezemen voor spoken. Alle dingen hebben namen; soms zijn die namen verwaarloosbaar, soms ook hebben de dingen zelf nauwelijks vlees aan hun botten terwijl hun namen alle andere zaken in het gelid verplichten te marcheren. Het ontbreken van de ene component, zorgt als het ware voor een compensatie door de andere; de stof en de geest lijken elkaar aan te vullen en aldus het geheel in evenwicht te houden. Wie niet sterk is, moet slim zijn, zo wordt sinds mensenheugenis gezegd: het niet bestaande moet het tekort aan het bestaande compenseren - als dat geen magie is! In de lucide droom beseft de dromer dat zijn droom een droom is en dat wat hij droomt, helemaal niet bestaat in de wereld waarin hij in een bed ligt met gesloten ogen, slaapt en snurkt. Als in zijn lucide droom een operazangeres tot Frederik zegt dat zij vandaag jarig is, dan kan Frederik, eenmaal ontwaakt, haar woorden letterlijk herhalen - "Heden ben ik jarig" - omdat hij ze ook gehoord heeft in zijn droom. De vraag kon dan uiteraard rijzen wat die woorden dan in feite waren, aangezien zij nooit hoorbaar uitgesproken werden en bijgevolg ook nooit met oren konden worden gehoord. Konden zij iets anders zijn dan zijn eigen woorden, onuitgesproken en slechts gedacht - woorden die het stadium van het uitgesproken en het gehoord worden hebben overgeslagen? In de familie van de auteur dezes doet het verhaal de ronde dat een betovergrootvader - toentertijd de enige geletterde dorpeling - door zijn buurvrouw werd verzocht om haar een brief voor te lezen die zij ontvangen had. Hij toonde zich direct bereid, maar de vrouw verzocht hem eerst uitdrukkelijk om tijdens het voorlezen de oren met zijn vingers dicht te stoppen: zij wilde vermijden dat ook hij van de inhoud van de brief kennis nam. Uiteraard weten wij inmiddels dat mensen in staat zijn tot stillezen en dat het geschreven woord ons even duidelijk kan zijn als wat luidop gezegd wordt, maar dat die waarheid onbekend was aan wie geen notie van het lezen hadden, is niet verwonderlijk. De anekdote dateert uit de eeuw waarin Frederik van Eeden werd geboren, die het begrip 'lucide droom' in voege bracht; misschien was het toen inderdaad voor de meesten nog geheel onduidelijk of onuitgesproken gedachten mogelijk waren en of zij wel recht hadden op bestaan. Het is immers pas middels een moeizaam en langdurig cultureel proces, dat de welhaast dierlijke, fysieke schreeuw tot gesproken woord geworden is, het gesproken woord tot schrift, en wat neergeschreven werd, tot geheel onstoffelijke gedachte en zelfs tot ideologie, tot stroming en tot levende geest, welhaast gespeend van elke materie. Wat in de lucide droom gezegd wordt, geschreven, gehoord en gelezen, wordt noch gezegd noch geschreven noch gehoord noch gelezen, terwijl men het zich wel herinneren kan alsof het werd gezegd, geschreven, gehoord of gelezen, en zulks is slechts mogelijk als de spreker of de schrijver dezelfde is als de toehoorder of de lezer... tenzij die twee op een andere wijze met elkander in verbinding staan dan middels de stoffelijke wereld waarin de gedachten van de ene tot gesproken of geschreven woorden worden, en de gesproken of geschreven woorden dan weer tot de gedachten van de andere. Voor mijn part is het duidelijk dat zonder de wereld van de stof die 'mededeling' geheel onmogelijk blijft, tenzij uiteindelijk de spreker of de schrijver en de toehoorder of de lezer, één en hetzelfde wezen zijn, wat moet uitmonden in een solipsistisch universum. Met andere woorden: als blijken mocht dat mensen via dromen met elkander in verbinding kunnen staan, dan kunnen wij er donder op zeggen dat de solipsist het bij het rechte eind heeft: de wereld met alles en allen daarin vervat, is dan een spook vanjewelste, de eventuele godheid al dan niet incluis. Wie zal het zeggen!2 (J.B., 26 november 2009) Een lucide droom Hij stond op, waste en schoor zich, ontbeet, besloot zijn ochtendritueel met een laatste kop koffie en toen hij die leeggedronken had, zei hij tot zijn vrouw, die recht tegenover hem aan de ronde tafel zat: - Bertha, nu ga ik het doen! - Wat gaat ge doen? vroeg ze, al ongerust. - Ik heb vannacht gedroomd, zei hij, en weer over hetzelfde als gisteren... - Toch niet over die leurder met zijn zwarte kapmantel? vroeg ze half lachend. - Jawel, hij was er weer! Maar deze keer krijg ik hem te pakken! zei hij vastberaden. Ze lachte, ruimde de tafel af en mompelde dan nog iets waar hij niets meer van verstond, maar hij deed geen moeite om haar te vragen het te willen herhalen, hij zat al volop met zijn gedachten bij zijn plan. Men zegt dat dromen bedrog zijn, maar soms zijn diegenen die in onze dromen opduiken bijzonder hardnekkig: ze keren terug, soms vele nachten na elkaar, jaren aan een stuk. Ze bestaan niet in de wereld van de wakkeren, ze wonen nergens, ze lijken nooit geboren te zijn, maar eenmaal men slaapt en droomt, zijn ze daar weer: unieke personen met een eigen naam en een geschiedenis, een karakter, eigenaardigheden, kortom: ze hebben alles wat iemand heeft die ook écht bestaat; er is geen reden om aan hun bestaan te gaan twijfelen. Alleen is het de vraag waar ze dan zijn als men wakker is. Soms dacht hij dat de leurder met de zwarte kapmantel iemand was die evenals hijzelf sliep op het ogenblik dat hij hem in zijn droom terugzag. Als de leurder wakker werd, dan verdween hij uit zijn droom. Werd hijzelf wakker, dan verdween hij uit de droom van de leurder. Sliepen ze beide, dan konden ze elkaar in elkaars droom ontwaren. Dat was tenminste wat hij soms dacht, maar zekerheid over hoe de vork hier aan de steel zat, had hij uiteraard helemaal niet. Die morgen echter leek hij veel vaster besloten dan op andere keren om zijn plan ook uit te voeren. Of de kapmantel echt bestond of niet, wist hij niet, maar hij bestond beslist in zijn droom. Hij had het plan opgevat om de kapmantel uit zijn droom in de wakkere wereld naar binnen te halen. Zijn vrouw zakte op haar stoel neer toen hij haar dit plan vertelde en zij dacht: ik heb het altijd gevreesd maar nu wordt hij écht gek! - En hoe gaat ge dat dan doen? vroeg ze, toen ze eindelijk wat bekomen was. Ze wist immers dat zij hem onmogelijk zijn plannen uit het hoofd kon praten. In zijn jonge jaren had hij ooit de Eiffeltoren willen beklimmen, en hij had het ook gedaan. Hij had gepland om het kanaal over te zwemmen, en hij deed het ook. Twaalf stielen had hij aldus beoefend... totdat hij ze helemaal onder de knie had. En zijn Bertha, zij had hem altijd in alles gesteund. - Gij moet een nachtje wakker blijven, zei hij: als ik van hem droom, zal ik teken doen, ik zal knipperen met mijn ogen. En dan moet gij roepen: Blazen, Kamiel! - Blazen!? - Hij zit vanbinnen in mij, als ik droom, verstaat ge? En hij moet eruit. Hij zit in de psyche: dat is een Grieks woord en het betekent zowel 'adem' als 'geest', verstaat ge? Als ik hard blaas op het ogenblik dat ik hem zie, dan zal ik hem er wellicht kunnen uitblazen. Maar ik moet dat doen terwijl ik nog van hem aan 't dromen ben. Daarom moet ge wakker blijven, Bertha: ik zal knipperen als het ogenblik gekomen is en als ik u van in mijn droom hoor roepen dat ik moet blazen, dan kan ik het doen zonder wakker te worden, verstaat ge? - Ja maar, pruttelde Bertha tegen: wat moet ik dan aanvangen met die zwarte kapmantel, hier in de slaapkamer? Zou ik u niet beter direct wekken? - Neen, neen, zei hij: als ik stop met dromen, is hij beslist weer weg! Dat begrijpt ge nu toch wel! We gaan het in stapjes doen: de eerste keer probeer ik hem uit te blazen, dat is toch zeker al heel wat, als het lukt, vindt ge niet? En ge hoeft niet bang te zijn: spreek met hem, stel hem vragen, vraag wie hij is, hoe hij heet en waar hij woont en zo, zodat we weten hoe écht hij is, en mocht er gevaar dreigen, dan maakt ge mij gewoon wakker. Dat is toch niet teveel gevraagd? - En wat zijt ge dan verder nog van plan? vroeg ze, vooruitziend als ze was. - Stapje voor stapje, zei hij: we mogen niets overhaasten. Ziet ge het zitten? - 't Is goed, zei ze, zonder er verder nog over door te bomen. *** Die avond hield ze haar kleren aan en ging ze bovenop het bed liggen met het nachtlampje aan om te kunnen zien wanneer hij met zijn ogen knipperde. Toen hij in slaap gevallen was, begon hij vrijwel onmiddellijk te snurken en dat duurde tot zeker drie uur in de ochtend. Dan hield het snurken op, maar knipperen met zijn ogen deed hij nog steeds niet. Tegen de morgen was Bertha doodop, maar nog steeds had haar Kamiel niet geknipperd. Toen het bijna klaar begon te worden, zag ze een kleine beweging. Blij omdat ze geloofde dat dit spelletje weldra een eind zou nemen en dat ze dan wat zou kunnen slapen, keek ze aandachtig toe. Heel lichtjes knipperde hij met de oogleden, echter zonder dat zijn ogen open gingen, en dat mochten ze ook niet doen want als hij wakker werd, zou het mislukken. Ze twijfelde nog, maar toen ze hem nu weer heel duidelijk zag knipperen, riep ze, half fluisterend om hem niet te wekken, maar luid genoeg zodat hij het kon horen: - Blazen, Kamiel! Blazen! Blazen! Ze zag hoe haar echtgenoot diep inademde... en uitademde. Neen, dat was niet blazen, wat hij deed; het was gewoon uitademen, en zo kon er niks gebeuren uiteraard. En weer riep ze, dicht bij zijn oor: - Hard blazen, nu, Kamiel; heel hard blazen, jongen! Vooruit, Kamiel, laat eens zien wat ge kunt! Hij ademde weer diep in, diep uit... weer diep in, heel diep deze keer... en dan tuitte hij zijn lippen, zijn kaken kwamen bol te staan, ze keek haar slapende echtgenoot in bed zo aan met verwonderde ogen... en toen blies hij... éénmaal, andermaal... een derde keer... - Blazen, jongen! riep zij: ge kunt het! Hard blazen, toe! En hij blies harder en harder, en toen ineens zag zij iets als een bleke bel zich vormen aan zijn getuite lippen, zoals men dat soms ziet bij kinderen met kauwgom in de mond. Dit echter was geen kauwgom: wat zich in belvorm uit zijn mond te voorschijn stulpte, was veeleer rook, of mist. Maar die rook of mist kreeg alras een welbepaalde vorm, die ook toenam in volume naarmate Kamiel meer adem in de bel blies. Hij blies, en blies, en het leek wel alsof het een kermisballon was die hij opblies, maar een ballon was het allerminst, al zag Bertha nu heel duidelijk een vlies dat rozig was, het leek immers lichtjes dooraderd met kleine bloedvaatjes, en achter het vlies werd een melkachtige gedaante zichtbaar welke haar deed denken aan een foetus. Maar een foetus was het allerminst. De bel was nu nog groter dan een voldragen baarmoeder geworden en de melkachtige gestalte binnenin de bel, zwol nog steeds op. Kamiel ging door met blazen, ook al spoorde zij hem daar niet langer toe aan, en hij blies nu zo hard dat zij wel begon te vrezen dat hij zich op den duur nog een breuk zou blazen. Het blazen begon overigens veeleer het karakter van een braakpartij te krijgen en Kamiel moest nu zijn mond heel ver opensperren om de gestalte die zich in de bel en mét de bel een weg naar buiten baande, voldoende ruimte te verschaffen. Hij begon er van te zweten en geraakte zichtbaar in ademnood, maar hij ontwaakte niet en volbracht zijn taak met de ernst van een slapende. De bel lag naast Kamiel tussen de witte lakens in het bed, en zij was nog steeds bevestigd aan zijn mond die nog niet opgehouden had met blazen. Bertha was intussen naast het ledikant gaan staan omdat zij bevreesd was voor verrassingen en zij keek gelaten toe hoe haar plaatsje nu werd ingenomen door... ja, toen zag ze ineens de zwarte kapmantel... - Het is de kapmantel, fluisterde ze: straks springt de bel... wat moet ik nu doen? Ik mag hem niet wekken... Op dat moment scheurde het vlies dat rond de kapmantel gespannen was, en uit de bel vloeide een doorschijnend vocht, kleverig zoals speeksel, met daarin hier en daar wat bloed. De kapmantel, die in foetushouding eigenlijk opgerold gelegen had, was nu bevrijd en plooide zich helemaal open, zodat hij in zijn volle lengte de bedstee vulde waarin zij ook haar man in zijn diepste slaap verzonken zag. Uit de mond van Kamiel vloeide nog wat etter, zijn ogen waren dieper in hun kassen weggezakt, zijn gezicht zag nu krijtwit van de inspanning van het blazen en hij sliep zo vast dat het wel leek alsof hij dichter bij de dood was dan in 't leven. Zij werd door de aanblik letterlijk verstomd, luisterde gespannen toe en hoorde nu de ademhaling van de zwarte kapmantel toenemen in volume. Kamiel zijn asem daarentegen hoorde zij helemaal niet meer en het leek wel alsof zijn borstkas zich niet meer roerde. De beide lichamen lagen daar met de rug op de matras en met de gezichten naar elkaar toegekeerd: Kamiel nog steeds met de mond een weinig open. De kap van de kapmantel was naar het magere gezicht van haar echtgenoot toegedraaid, zodat zij geen glimp van het gezicht van de kapmantel op kon vangen. Het lichaam van Bertha's echtgenoot was over de ganse lengte bleker geworden, dat van de kapmantel leek zwart uit te slaan naarmate het als het ware opdroogde. De twee lichamen samen vormden een bijzondere eenheid, en zij dacht een ogenblik aan een moeder met haar kind. Als een vrouw een kind baart, haalt zij het dan niet vanuit een heel andere wereld, in deze wereld van de wakkeren naar binnen? Komt het kind niet uit een droom waarin het zich hardnekkig blijft manifesteren, terwijl het aanvankelijk iets chaotisch was, verstrooid zoals dromen verstrooid zijn, verdeeld en hoe dan ook toch opgesplitst in twéé? Het kind wordt eerst gedroomd door de beide ouders; een onwerkelijkheid, een leugen haast, rolt zich op, verpakt zichzelf, verbergt zich in zichzelf, omzwachtelt zich zoals een cocon doet en broeit, gloeit of groeit dan in de eigen warmte totdat daaruit bloedvaten en bloed ontstaan die immers voortkomen uit die zelfverhitting. Vlees wordt aldus geboren in de wereld van de wakkeren, en als de cocon openplooit gelijk een bloem zich lospelt uit haar blanke, lenige kelken, dan roept zij plotseling haar eerste schreeuw, een woord, een naam voor wie hem hoort... Had hij nu iets gezegd? De kap draaide zich met een ruk naar haar toe. Zij schrok, keek in de zwarte schaduw van de donkere holte, ontwaarde daar wat licht in welgeteld één oog, een doffe parelmoeren glinstering van tanden in een gapende holte. Gelijk een knipmes veerde hij plotseling op in bed. - Waar ben ik? vroeg hij met een hese stem, alsof hij nog niet goed wakker was. En wie zijt gij? Ik ken u immers niet! Wat doet gij hier? Wat is mij overkomen? - Rustig maar, fluisterde zij, geschrokken doch beheerst en, in een poging om de man weer in slaap te sussen en zoals alleen vrouwen dat kunnen, duwde zij hem met zachte hand weer achterover in het bed en hij sloot warempel opnieuw dat ene oog. Doch met gesloten oog ging hij met spreken door. - Het is gevaarlijk wat gij doet, waarschuwde hij: niemand heeft het recht om een ander te verschepen naar de wereld van de stervelingen, behalve de baarmoeders! Het is tegennatuurlijk wat gij nu bekokstooft met uw man, en de natuur zal zich hierom weldra wreken! - Wees maar niet bang, fluisterde Bertha haastig, en vertel mij eerst uw naam, dan kunnen wij misschien tot een vergelijk komen. Mijn man heeft zeker niet de bedoeling om u te kwellen, wees gerust. - De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen, zo siste hij en zijn stem verraadde ondubbelzinnig woede. - Zeg mij uw naam, zei ze, en zeg ook waar gij ergens woont, dan kunnen we meteen afsluiten, dat beloof ik u. - Afgesproken, zei hij na een korte stilte. - Uw naam? zo drong ze aan. - Ik heet De Ripper, zei hij: Oscar De Ripper. Ik ben geen onbekende. De naam zegde haar wel iets. - En ik woon in een cel, zo ging hij verder. Maar mijn palmares is nu dringend aan uitbreiding toe... Zij schrok, wilde haar echtgenoot wekken, doch haar stem stokte in haar keel, van de plotselinge, verlammende emotie. - Uw man slaapt nu wel héél diep, zei de kapmantel niet zonder pret: luister maar! Hoort gij dat dan niet? Het gezicht van Kamiel was naar de muur toe gewend en zij hoorde nu inderdaad een vreemd geluid. Het ontsnapte ontegenzeggelijk aan de mond van haar echtgenoot. - Het goede Nederlandse woord is doodsreutel, zo zei de kapmantel bedaard. Eén seconde te laat realiseerde zij zich wie hij was: reeds omklemde zijn ijzeren greep haar linker pols, in de holte van de kap blonk het oog als een ster, de tanden klepperden zoals 't gebit van een kater, net vooraleer hij zijn gevleugelde oogappel bespringt.3 (J.B., 18-19 december 2009) 1 Coppitters, René, Het dualistisch en complementair karakter van schepping en evolutie, 1964 (1961), Moregem, uitgeverij Universa, Wetteren, hoofdstuk 14. 2Tekst d.d. 26 november 2009. 3Tekst d.d. 18-19 december 2009. |
Apache over homorechten vandaag (Aflevering 5)

|
Apache over homorechten vandaag (Aflevering 5) Docent gendergeschiedenis Jonas Roelens schrijft over hoe lesbiennes, veroordeeld voor “de onnatuerlike zonde van zodomye” in het middeleeuwse Vlaanderen, als ze al niet op de brandstapel werden gezet voor “zaken die beter ghezwegen zijn dan ghenoemdt”, het hoofdhaar werden afgebrand, gegeseld of levenslang verbannen. Vooral vrouwen met aanzienlijke maatschappelijke posities werden geviseerd. Velen meenden echter dat vrouwen onderling geen echte seks konden hebben, zodat men hen met rust liet. 1 Julia M. Free over “De pure vreugde van vrouwenliefde” voert in een semi-fotoreportage een drietal oudere lesbische koppels ten tonele die over hun relatie vertellen.2 “Les Apaches achterna” van Mara Matthyssens verzamelt enkele verhalen over hoe queer zijn met verzet en aldus met cultuur verbonden is.3 Baldwin Van Gorp brengt negen bladzijden heuse stripjournalistiek met “Reis per spoor, en blijf wat langer.”4 “Uit de kast en in de kou” van Merel Gelders gaat over de opvangtehuizen voor verstoten LGBTQI+-jongeren in Brussel, Luik en Charleroi. Een begeleider: “De meeste jongeren hier kregen al te maken met ernstig familiaal geweld. Soms krijgen jongeren niet eens de kans om zelf aan hun familie te vertellen dat ze homoseksueel of transgender zijn. Hun ouders houden hen zeer streng in de gaten en doorzoeken soms hun telefoon. Vaak volgt dan onmiddellijk de breuk (…).” Het Brusselse opvangtehuis werd vernoemd naar Alan Turing (de Britse wiskundige die in 1952 veroordeeld werd, chemisch gecastreerd en twee jaar later vergiftigd). “Sommigen worden gezocht door familie of onder druk gezet voor een gedwongen huwelijk.” Ze hebben nood aan een veilige plek (die er zelden is) en vaak zetten ze zich in voor lotgenoten. Vrijwel alle queers krijgen te maken met psychologisch geweld, bijna de helft met fysiek geweld.5 Uit “Beestenbos is bandeloos” van Tine Hens tenslotte worden de volgende zinnen benadrukt: “Vrouwelijke hyena's begroeten elkaar door hun clitoris te tonen. De komodovaraan kan zichzelf bevruchten. Een vrouwelijke fazant kan plots een mannelijk verenkleed aannemen. Terwijl leden van de menselijke soort elkaar graag in afgelijnde genderhokjes proppen, blijkt puur heteroseksueel gedrag in de rest van de levende wereld eerder uitzondering dan regel. We leven in een queer world, maar politiek werd - en wordt - dat niet altijd geapprecieerd.” En hiermee wordt meteen de toon gezet voor enkele openbaringen over de verbazingwekkende seksuele variëteit in het dierenrijk, waarmee deze unieke bundel wordt afgesloten.6 (J.B., 19 augustus 2026) 1Apache Magazine, Winter 2025, pp. 60-63. 2O.c., Winter 2025, pp. 64-71. 3O.c., Winter 2025, pp. 72-74. 4O.c., Winter 2025, pp. 75-83. 5O.c., Winter 2025, pp. 84-89. 6O.c., Winter 2025, pp. 90-94. |
Apache over homorechten vandaag (Aflevering 4)

|
Apache over homorechten vandaag (Aflevering 4) Tine Hens beschrijft hoe in Gaza genocide wordt gepleegd middels ecocide (vergelijkbaar met het gebruik van Agent Orange in de Vietnamoorlog) - “de totale vernietiging van ecosystemen en de leefomgeving”: met fosforbommen, verarmd uranium, zware metalen e.d.m. werd Gaza “herleid tot een giftige vuilnisbelt.” Het is een 'uithongeringspolitiek'. El Mezan van de Palestijnse mensenrechtenorganisatie : “Door alles te vernietigen [waaronder de revolutionaire waterzuiveringsinstallatie], lijkt het alsof er niets was, alsof hier een volk zonder geschiedenis woonde. [“'Doe het voor de fun', moedigen militairen elkaar aan op sociale media (…) met van een afstand aangedreven robotbulldozers”] (…) Het is wat gebeurde in Noord-Amerika, waar men miljoenen bizons afslachtte omdat ze zowel voedsel als cultuur van de inheemse bewoners waren.” Maar ecocide kan niet officieel vervolgd worden door het Internationaal Strafhof en het is quasi onbewijsbaar, terwijl het blijvend is.1 “Verminkt op doktersvoorschrift” is een getuigenis van Martin Hasani die van zijn kindertijd beroofd werd met een tiental keren zgn. 'dringende' operaties - volstrekt onnodig want voor een interseksevariatie waarvoor men beschaamd was en men het kind aanpraatte dat het niet goed was zoals het was, 'abnormaal'. Op zijn vijftiende werd hij door een (later voor 'misbruik gedekt door ideologieën' opgepakte maar weer vrijgesproken) arts gemasturbeerd onder de dekmantel van een meting van de spermaproductie.2 Het lijkt wel een moderne versie van de huiver van Jehova getuigen tegenover bloedtransfusies: terwijl de regering de zorg voor transpersonen bekijkt, verspreiden reactionairen (antigenderbewegingen, radicaal rechtse, conservatieve en katholieke groepen in het zog van Trumps 'war on woke') schadelijke pseudowetenschap, zo betoogt Joke D'Heer, terwijl duidelijk is dat pediatrische genderzorg (met onder meer het gebruik van puberteitsremmers) het welzijn van jongeren verbetert. Politieke tegenkanting (vooral vanwege Vlaams Belang, N-VA en MR, met CEBAM [o.i.v. het Amerikaanse desinformerende SEGM] onder Patrick Vankrunkelsven [een politicus die zetelt in de wetenschappelijke adviesraad van Isomer]) argumenteren “in een taal die wetenschappelijk oogt” maar steunt op 'grijze literatuur' en ingegeven is door irrationele angsten waarbij ze het hebben over 'experimenten op kinderen' die zij zelf proberen om te praten maar “psychotherapie met het doel iemand om te praten valt onder conversietherapie en is verboden in België.” In een reactie op het artikel distantieerden enkele geviseerden zich angstvallig doch ongeloofwaardig van Vlaams Belang alsook van SEGM.3 (Wordt vervolgd) (J.B., 19 augustus 2026) 1Apache Magazine, Winter 2025, pp. 45-51. 2O.c., Winter 2025, pp. 52-53. 3O.c., Winter 2025, pp. 54-59.
|
Apache over homorechten vandaag (Aflevering 3)

|
Apache over homorechten vandaag (Aflevering 3) Drag is een vorm van performancekunst die op theatrale wijze genderstereotypen parodieert en ontleedt en een dragking is een vrouw die zich als man verkleedt. Anneleen Ophoff interviewt Caillou, alias 'dragking Dicklan', en Joy, die in hun performances laten zien hoe “gender slechts een sociale constructie is die we helemaal zelf gecreëerd hebben, met gedragscodes en attributen”, aldus de kunstenaars: “Die codes door middel van drag uitbeelden volstaat om die stereotypes aan de kaak te stellen en een hele zaal aan het lachen - en aan het denken - te krijgen.” De artiesten verklaren hoe het ter discussie stellen van de rollen die men in de patriarchale maatschappij krijgt toegewezen, een pijler van de samenleving doet wankelen. Het kerngezin is niet vanzelfsprekend het referentiepunt voor onze rollen, “je kan ermee lachen [wat bevrijdt] maar liefst niet teveel. Omdat de grap eigenlijk een beetje té waar is. (…) Door het patriarchaat zijn we het meer gewend om met vrouwen te spotten. (…) terwijl dragqueens helemaal geen spot drijven, zij eren juist de vrouwelijke iconen uit de populaire cultuur op een artistieke manier.” En met drag kunnen maatschappelijk belangrijke boodschappen overgebracht worden. (En ook met de schitterende poëzie van Pim Lammers die de roze bundel verlucht.)1 “Pinkwashing for Palestine” is vervolgens een analyse door Layla El-Dekmak die aanklaagt dat Israël zich weliswaar profileert als homovriendelijk maar in werkelijkheid gebeurt dat 'in apartheidsvorm'. “Ze gebruiken de campagne om zichzelf als een progressieve tegenhanger van de zogenaamde 'homofobe' Arabieren op te werpen.” Een vrouw uit Jeruzalem getuigt hoe ze aan Israëlische controleposten niet alleen als Palestijn belaagd wordt maar ook als queer persoon: zonder nationaliteit en met enkel een verblijfsvergunning is zij volledig onbeschermd tegen homofoob geweld - ook vanwege Israëli's. “Israël staat erom bekend dat ze queer Palestijnen rekruteren voor hun eigen inlichtingendienst door middel van afpersing.” Pinkwashing bestaat er o.m. in dat je je eigen Arabische identiteit moet opgeven om door de holebigemeenschap van Tel Aviv aanvaard te worden. In de Brusselse queergemeenschap werken Palestijnen en (antizionistische) Joden wél samen, ze laten elkaar niet achter, “omdat zij het meest direct dat ontbreken van solidariteit voelen.” Maar de steden weren politiek en solidariteit in hun gecommercialiseerde pride. “De genocide (…) is een symptoom van dezelfde gewelddadige systemen die we als queergemeenschap proberen te ontmantelen”, zeggen actievoerders maar zij worden hierin tegengewerkt door opiniemakers zoals Stijn Baert die bij de macht aanschurken. “Het is niet enkel feesten, of vieren”, aldus Joppe De Campeneere die zich in diversiteit verdiept, “maar het is wel vieren dat we een toekomst kunnen bouwen, samen, voor iedereen.”2 (Wordt vervolgd) (J.B., 19 augustus 2026) 1Apache Magazine, Winter 2025, pp. 32-39. 2O.c., Winter 2025, pp. 40-44. |
Illustratie bij de tekst: "Apache over homorechten vandaag (Aflevering 2)"
Illustratie bij de tekst: "Apache over homorechten vandaag (Aflevering 2)"
|
|
Apache over homorechten vandaag (Aflevering 2)

|
Apache over homorechten vandaag (Aflevering 2) Het recht van de sterkste (dat de wereldgrootmachten momenteel in het vaandel dragen) is niet iets abstract - het houdt in: uit het feit dat je iemand kan pesten, discrimineren of vermoorden volgt dat je dat ook mag doen. Dat betekenen de cijfers die Wim De Jonge te berde brengt m.b.t. 1 op 5 jongeren. Voor queer scholieren én leraars is de school een onveilige plek: “Een op de vijf jongeren vindt agressie tegen homo's gerechtvaardigd”, aldus de auteur. Vergeleken bij Rusland en Turkije is België met als politieke baanbrekers Elio Di Rupo en Petra De Sutter alvast op papier “het walhalla voor queer mensen” maar pesterijen en haatmisdrijven maken dat 11 pct. van de geviseerden aan zelfmoord denken. Jongeren getuigen dat zij bang zijn om naar school te gaan en zij vragen zich af waar zij falen, wat wil zeggen dat ze de schuld voor het euvel prompt aan zichzelf toeschrijven. Afgewezen door de maatschappij, ook na de humaniora: “Sommige hogescholen zetten de oude voornaam van trans jongeren op hun studentenkaart of op aanwezigheidslijsten. De boodschap is: je bent hier welkom maar toch niet helemaal”, aldus de onderzoeksjournalist. Rechten genieten is nog geen acceptatie en in het spoor van Rusland, Hongarije en de V.S. die tegenbewegingen steunen, tonen vergelijkende cijfers een toename van homofobie. In 2023 accepteren 18,3 pct. agressie tegen homo's (meer dan een verdubbeling tegenover vijf jaar voordien) en zij vinden “dat kinderen op school niet moeten leren om respect te hebben voor mensen die homoseksueel of lesbisch zijn”; bijna 1 op 5 willen het homohuwelijk weg en eenzelfde percentage weigeren homo-leerkrachten; ze schamen zich ook om met een vriend(in) die homo blijkt, over straat te lopen en hierbij heeft religie een hoofdrol.1 Met Frank Olbrechts heeft Apache ook oog voor transgender-poëten zoals Pim Lammers die de Zilveren Griffel won: “Na doodsbedreigingen uit rechts-katholieke hoek vanwege een verhaal dat hij schreef over seksueel misbruik moest hij in 2023 onderduiken.” Zijn (bijzonder toegankelijke) 'kinderpoëzie' blijkt allerminst gespeend van diepgang en is aandoenlijk, blijkens zijn transgenderprentenboek waar “een dierenarts vaststelt dat een lammetje vanbinnen een varken is, maar niet vanbuiten” en hij trekt zich op aan het door Willem Nijholts vertolkte vers van Annie M.G. Schmidt: “Want zo is het toch, m'n jongen/ Nooit is er een lied gezongen/ Over de verboden kus/ Van Romeo en Julius/ Want daar zijn we nog niet aan toe/ Taboe taboe”.2 (Wordt vervolgd) (J.B., 18 augustus 2026) 1Apache Magazine, Winter 2025, pp. 22-27. 2O.c., Winter 2025, pp. 28-31. |