Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

Archief

De Pride verkondigt helemaal geen ideologie

De Pride verkondigt helemaal geen ideologie

Sinds drieëntwintig jaar kunnen in België homo's huwen en sinds twintig jaar zijn er gelijke adoptierechten; er zijn eveneens wetten tegen haatmisdrijven en discriminatie. Op die manier garandeert ons land gelijkheid voor homo's alsook bescherming tegen discriminatie.

Het doen naleven van wetten die waken over het leven en het welzijn van alle burgers blijkt echter geen sinecure: een aanzienlijk segment van de bevolking acht zich meer dan de rest, wat blijkt uit het feit dat de betrokkenen zich deze wetten niet ter harte nemen. Dat was ook het geval toen (in België in 1831) de slavernij werd afgeschaft, toen hier te lande op de dag van de onnozele kinderen in 1944 met het Sociaal Pact de arbeiders sociale rechten afdwongen en toen amper een halve eeuw geleden de vrouwenbewegingen gelijke rechten veroverden: om puur egoïstische redenen waren steeds een aantal mensen het hier niet mee eens.

Rechten zijn één zaak maar hun naleving is nog een andere en zo ging de slavernij ook na 1831 hardnekkig door, met dwangarbeid en genocides in de kolonies en in het neokoloniale tijdperk dat nog steeds aan de gang is, met zelfs een oproep tot terugkeer naar het kolonialisme bij de huidige reactionaire regering in de V.S. en slavernij is ook troef in de zogenaamde vierde wereld. Ook het Sociaal Pact wordt door de huidige regering uitgehold, onder meer middels de zogenaamde 'pensioenroof'1 en vrouwenrechten bestaan amper in de praktijk.

Maar die uitholling van rechten brengt onheil. Wat maakt dat campagnes ter zake altijd welkom zijn, zoals bijvoorbeeld ook campagnes tegen rijden onder invloed, bedoeld om mensen op de vingers te tikken die denken dat zij voor zichzelf alsnog een uitzondering mogen maken.

Die campagnes zijn allerminst ideologisch gekleurd en zo ook verkondigen de jaarlijkse optochten van de LGBTQ+-gemeenschap die in verschillende steden plaatsvinden allerminst een ideologie, zoals extreemrechts het blijft voorliegen in partijen die flirten met een volstrekte wetteloosheid en waarvan de optochten echter wél ideologisch gekleurd zijn. En hetzelfde geldt voor de godsdiensten, ook voor de erkende, waarvan de subsidiëring terecht ter discussie staat waar zij een visie verkondigen die strijdt met de wet.

Het Vaticaan is een dictatuur maar het bestaan van een pausschap heeft wel het voordeel voor beleidsmakers dat het katholieke geloof uit één mond kan spreken, ofschoon innerlijke verdeeldheid in de kerk de regel is, afgezien nog van de vele schisma's en de ontelbare religies die zich erop beroepen christelijk te zijn. Dat geldt des te meer voor de islam met vooreerst de onderling oorlogende soennitische en sjiitische tak en ook geldt dat voor het jodendom met in beider gevallen het geheel ontbreken van een door een centrale spreekbuis te verwoorden gemeenschappelijk standpunt, wat staten ertoe noopt om ook vanwege die religies een executieve te eisen.

Theocratieën zijn middeleeuws en in het Westen bestaan ze dan ook niet langer, behalve sinds de herinvoering van de middeleeuwen in 1929 met de oprichting van de achterlijke stadstaat Vaticaanstad waar de paus in feite keizer is; hij is namelijk de vorst van een (wereld)kerk maar ook van de genoemde (dwerg)staat en daar bezit deze westerse dictator de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht en dit dankzij de moorddadige fascist Benito Mussolini, voorloper en evenknie van Adolf Hitler. Maar verder behoort het tijdperk van de theocratieën tot het verleden zoals ook het koloniale tijdperk dat doet... wat wil zeggen dat, vergelijkbaar met het neokolonialisme, ook nu nog de scheiding van kerk en staat jammer genoeg vooral een theoretische aangelegenheid is.

In de praktijk zijn sinds oudsher de beide machten twee handen op één buik en de kerk infiltreert het leven van de burgers nog steeds op die plekken waar de staat niet bij kan komen, ofschoon het kerkwerk nu voor een groot deel door hightech kan vervangen worden, en zo bijvoorbeeld stroomt de info die potentaten eertijds verzamelden via de biecht, nu binnen middels alomtegenwoordige microfoons en camera's die ons van onze natuurlijke territoria beroven en via de groots opgezette privacyroof op het internet dat in wezen een schaduwwereld is waar men naartoe gelokt wordt zodat de echte grond waar wij ooit woonden en leefden, kan worden ingepalmd.

Politieke beslissingen zijn aldus nog altijd ideologisch gekleurd en dat is geen goede zaak voor de mensenrechten want religieuze invloeden resulteren in beslissingen die niet op de rede gebaseerd zijn maar op een absurde en machtsbestendigende dogmatiek: die gaat helemaal niet uit van democratische principes of van de gelijkheid tussen de geslachten en de volkeren: zij heeft het over de onderdanigheid van de vrouw aan de man, over 'uitverkoren volkeren' of over een 'ene heilige katholieke en apostolische' groep binnen (of beter: terzijde van) de gemeenschap. Absurd, want zonder redelijk verdedigbare gronden en daarom ook vooral werkzaam in zekere krochten van de maatschappij die onder de radar blijven doch vaak grote invloed hebben.

De wetten die de rechten van alle burgers garanderen staan aldus aan verschillende kanten onder druk en hun handhaving vereist blijvend manifestaties vanwege de burgers die deze wetten stemden. Recht en vrijheid zijn immers nooit voor immer verworven goederen: het superlichaam van de maatschappij dient in stand gehouden te worden door blijvende actie, zoals dat het geval is met onze eigen lichamen en met al onze instrumenten: die vereisten voeding, lering, bijscholing, onderhoud en herstel.

(J.B., 9 augustus 2026)

1Cf. Kim De Witte, De grote pensioenroof. En het plan om ons pensioen terug te winnen, Epo, Antwerpen 2018. Cf.: https://epo.be/shop/de-grote-pensioenroof/

 

Solvejg’s Lied

Solvejg’s Lied

“Maar kom toch binnen, juffrouw”, zei hij, en hij maakte het brede gebaar dat edellieden vroeger plachten te maken als ze iemand lieten voorgaan met de woorden: “Après vous, madame”. Hij wees in de richting van iets dat er uitzag als een donker gangetje.

Hij was een kleine, magere maar brede en grijzende man en aan zijn vermoeide ogen was te zien dat zij hem kennelijk uit zijn dutje had gehaald, wat meteen verklaarde waarom zij zo lang had moeten wachten vooraleer werd opengedaan, nadat zij verschillende keren had aangeklopt op het deurtje in het kleine, alleenstaande huisje.

Zij had gevreesd dat ze nu de hele, lange uitleg zou moeten doen over hoe zij, een nog piepjonge vrouw, heel alleen in deze uithoek van het land terecht gekomen was, terwijl het al donkerde en pijpenstelen regende, maar zij werd al gauw gerustgesteld te zien dat de mensen hier zwijgzaam waren en niet naar uitleg vroegen als die niet spontaan gegeven werd.

Het was geen gangetje dat zij vervolgens aarzelend betrad, maar een kleine huiskamer, met daarin, in een halve duisternis die enkel werd verlicht door de vlammen van een kachel, een hele resem stille mensen.

Terwijl de wat gekromd lopende man haar tegen de rug verder duwde in de richting van de kachel, gingen allen spontaan opstaan als wilden zij haar op deze zeer eerbiedige wijze groeten.

Er was een oudere vrouw die uit een grote, rieten zetel oprees en haar met beiden handen tegelijk de hand drukte terwijl ze haar vriendelijk toelachte en zei: “Maar u bent helemaal nat, juffrouw: ga vlug zitten bij het vuur, kom…”, en zij schoof een stoel tot bij de kachel en hield haar bij een van haar bovenarmen zo lang vast totdat zij neerzat op de stoel, waarna de vrouw haar natte kleren met zorgzame bewegingen wat in de plooi trok, zodat zij door het vuur konden worden gedroogd zonder het gevaar te lopen verhit te geraken en te ontbranden.

Uit een andere kamerhoek rees nu een kleine jongen op toen de vrouw, die wellicht de moeder was van dit gezin, hem beval om de kom met soep te halen en die op het vuur te zetten. “Want u zult honger hebben, is het niet, juffrouw?”, richtte ze zich dan weer tot het meisje, en ze lachte haar weer vriendelijk toe, zoals ze eerst had gedaan, en ze nam nogmaals, met de beide handen, de handen van het meisje vast en kneep er in, als om haar daarvan te verzekeren dat zij hier in goede handen was en niets hoefde te vrezen.

“Misschien wilt u uw schoenen uittrekken?”, stelde de vrouw vervolgens voor: “uw voetjes zullen wel nat zijn nu, het is echt geen weer om een hond door te jagen: kom, wil jij hier eventjes helpen?”, zo klonk het zachte bevel dat zij richtte naar een andere hoek van de kamer. En daar dook als het ware uit het niets een jongeman op die bedeesd naderde.

Het vuur van de kachel wierp flarden van licht en schaduw op zijn kalm gelaat en zijn wilde haardos was een reusachtig doch geruststellend silhouet tegen de achterliggende kamermuren.

Hij kwam naar haar toe, haast zonder haar aan te kijken, knielde voor haar neer en begon rustig de veters van haar schoenen los te maken, trok de schoenen de ene na de andere traag en voorzichtig van over haar voeten, en stroopte vervolgens haar natte sokken uit, welke hij aan zijn moeder gaf, die ze op een ijzeren richel bij de kachel te drogen hing. De schoenen plaatste zij voor de kachel.

Intussen had de grijzende man het deurtje van de kachel opengemaakt en hij ging er met een pook in en zij hoorde ook hoe hij, achter haar rug in de weer, nog enkele stukken droog hout wierp in de vlammen.

Het openen van het kacheldeurtje had tot gevolg dat er meer licht in de kamer viel en zo zag zij hoe, tegenover haar en met de ruggen geleund tegen de muur, een rij kinderen neerzaten op kussens die op de vloer lagen uitgespreid. Geen van hen had sokken aan en het leek wel of de vele blote teentjes dansten op het ritme van de vlammen die nu fel oplaaiden.

De kleine jongen van zopas kwam langs een achterdeurtje weer de kamer binnen met, voor hem uit geheven, een grote en kennelijk zware, ijzeren kom.

De moeder ging opstaan, nam de kom van hem over en zette die op de kachel neer. Na amper enkele ogenblikken kon men de rijke geur ontwaren van kruidige soep die de hele kamer vulde met een stil en hartig verlangen.

Toen de vrouw opnieuw voorbij kwam, nam ze de handen van de juffrouw andermaal met haar beide handen vast, en ze zei met een zekere verrukking in haar stem: “Ho, maar kijk eens! Je krijgt het al warm! Wacht tot je soep zal gegeten hebben! Je zal dat gure weer snel helemaal vergeten zijn!” En zij ging weer plaatsnemen naast haar, in haar rieten zetel, en deed dan teken naar weer een andere kamerhoek.

Een tot op dat ogenblik geheel onzichtbaar gebleven gedaante verrees als uit het niets, en toen die ging opstaan, leek het wel alsof het plafond moest wijken – zo groot toonde de verschijning. Het licht van de vlammen uit de kachel viel op iets dat geleek op een breed, zwart kleed, maar zij bereikten het gezicht van de gestalte niet, zodat zij niet zien kon wie het was die daar nu was opgestaan.

Zij voelde plotseling de hand van de moeder, die aan haar rechter zijde zat, rusten op haar schouder, en zij wendde zich tot haar, die immer glimlachte. Ze zei:

“Nu moet je goed luisteren, kindje: Solvejg kan heel goed zingen, en terwijl we wachten op de soep, zal zij een lied voor je zingen! Hoor maar!”, en de moeder wees haar aan, zij draaide wat onwennig het gelaat in de richting van de onzichtbare vrouw die, zoals zij vermoedde, een reuzin moest zijn, en ze hoorde gespannen toe.

Maar het was niet het geluid van een stem dat nu de kamer vulde: het getokkel van snaren weerklonk doorheen de warme ruimte, en zij zag nu dat de jongen die haar had geholpen met het uittrekken van haar schoenen, vanuit zijn donkere hoek de harp bespeelde. Pas nadat enkele akkoorden waren aangeslagen, weerklonk vanuit het reusachtige lichaam van de nog steeds onzichtbare vrouw een stem, zo fijn als zij nog nooit in haar hele leven had gehoord. En toen zij was beginnen zingen, leek het haar dat ze het lied van ergens kende, als kwam het vanuit een ver en eeuwig verleden. En zij zong:

Der Winter mag scheiden, der Frühlung vergehn,

der Sommer mag verwelken, das Jahr verwehn,

du kehrest mir zurücke, gewiss, du wirst mein,

ich hab es versprochen, ich harre treulich dein.

Ah!...

Gott helfe dir, wenn du die Sonne noch siehst.

Gott segne dich, wenn du zu Füssen ihm kniest.

Ich werde deiner harren, bis du mir nah,

und harrest du dort oben, so treffen wir uns da !

Ah !...

[De winter en de zomer gaan voorbij,

de zomer verwelkt, het jaar vergaat,

maar jij keert wel bij mij terug, eens zal je weer de mijne zijn,

ik heb immers beloofd dat ik je trouw blijf,

Ach!...

Moge God je helpen, als je de zon nog ziet.

moge God je zegenen, als je aan zijn voeten knielt.

Ik zal op je wachten tot je terug bij me bent.

En wacht jij ginder boven, dan zien we elkaar daar wel weer!

Ach!...]

Zoals zij was verrezen, zo ook zeeg zij na het verstillen van het lied weer in haar duistere kamerhoek neer, de reuzin die Solvejg heette. Zij was de enige van het gezin van wie de juffrouw nu de naam kende. Zij verenigde zich weer met de duisternis, en toen de klanken helemaal weggetrokken waren, werd een licht snikken hoorbaar: Solvejg weende zachtjes, en ook de moeder in haar rieten zetel weende nu, en de vader en, aangestoken door het gesnik, begonnen nu ook de hele rij kinderen met de blote voetjes heel zachtjes te wenen, en ook de jongen die haar geholpen had met het uittrekken van haar schoenen, weende. En toen zij hoorde hoe het gezamenlijke geween werd begeleid door het steeds harder tikkelen van de regen tegen de zwarte ruiten van de nacht, kon ook zij zich niet langer meer inhouden: zij dacht aan de verloofde van de zwarte vrouw, die niet wist of hij nog wel in leven was, en die naar hem zou blijven wachten, wellicht tot in de dood, en zij bedacht hoe intriest dit was, en zo begon ook zij nu met hen allen mee te wenen.

Het borrelen van de kokende soep op het vuur was als een teken dat de tijd van geween voorbij was nu, en de jongen deelde aarden potten uit en lepels, en de vrouw roerde met een pollepel in de kom, terwijl zij met de rug van een hand de tranen van haar wangen veegde. Eerst werd de juffrouw bediend, en weer lachte de moeder haar vriendelijk toe terwijl zij haar een pot gaf met dampende soep. Dan volgden al de kinderen, de vader, de ongelukkige Solvejg, en de jongen die zo helder de harp had bespeeld. Allen kregen zij van moeder een aarden pot vol met dampende soep die heerlijk geurde, en de vader sprak een kort dankgebed uit, allen maakten zij een kruisteken, en begonnen met hun lepels in hun kommetje te roeren en te eten.

En plotseling leek het de jonge gaste alsof het de verloofde van Solvejg zelf was die hier in de persoon van hen allen te eten werd gegeven, opdat hij zou herstellen van zijn zware tocht, en kracht zou opdoen voor de terugreis en voor het behouden weerzien waarop zij allen blijvend wachtten. En het drong plotseling tot de juffrouw door dat, op de een of andere manier, ook zij in het lot van Solvejg deelde, en dat de wereld daarbuiten, die nu afkoelde in de koude regen, het begaf onder het gewicht van de tranen die opwelden uit de ogen van de verlatenen en de wachtenden die ooit aan elkander trouw hadden gezworen tot in de dood, en die vast van plan waren om die trouw ook mee te nemen in het graf als een hereniging in dit leven uit zou blijven. Zij dronk de warme soep van de moeder terwijl daarbuiten koude regen tegen de aarde viel, en de hele aarde huilde om zoveel ongeluk en verdrongen verlangen. En zij dacht aan de vele oorlogen die over de aarde woedden, en aan de ontelbare jonge soldaten die sneuvelden, ver weg van thuis, en aan het beeld van Vladslo moest zij denken, aan het treurende ouderpaar, aan de massagraven waarin levenloze lichamen lagen onder een laag kalk, en waar het nu op regende; aan de nooit verzadigde oorlogen dacht ze, en aan de volharding waarmee mensen die bleven voeren, terwijl winters en zomers en jaren voorbijgingen van onverdroten wachten; zij dacht aan het kloppen aan de deur van vermeend onbekenden, aan het opendoen en de ontvangst, aan de zorg en aan het leed en aan het lied van Solvejg dat ten hemel schreit sinds er mensen bestaan: verwanten en vermeend vreemden, ongelukkigen en vermeend gelukkigen. En terwijl zij de soep dronk, en de warmte ervan ook haar bloed verwarmde en haar hart, hervond zij de kracht om op te staan.

Zij dankte de moeder, de vader en de kinderen, en ook de jongen die haar nu hielp met het aantrekken van haar droge sokken en haar warme schoenen. En zij begaf zich nu ook naar de donkerste kamerhoek, om daar de ongelukkige voor het weggaan te groeten, toen opeens een schijnsel van de laatste maan door het raam viel, en een glans wierp op het tot op dat ogenblik onzichtbaar gebleven gelaat van de vrouw met het reusachtige verdriet – de vrouw die er nu plots heel klein uitzag, met een mager gezichtje, een mond welhaast zonder tanden, diepe oogkassen onder de schaduw van een zwarte kap, en ingevallen wangen. En zij drukte met de beide handen de vingerstokjes van de handen van Solvejg, die niet koud aanvoelden, maar warm, en die op hun beurt haar handen vastgrepen, hechter nog dan de moeder dat telkenmale bij haar had gedaan, als wilde zij haar op die bijzonder innige manier bezweren voor een kwaad waarvan zij tot op dit eigenste moment het bestaan nooit had vermoed; alsof ze haar wilde zegenen met een kracht waarom zij – o, noodlot – zelf nog smeken zou, als de tijd van verlatenheid en verdriet ook voor haar zou aanbreken. Want het kwaad dat hier had toegeslagen en waarvan ook zij nu, met hen, de bittere vruchten heel eventjes had geproefd, was – zoals zij nu begreep – het kwaad van de wereld zelf – een kwaad waartegen geen kruid is gewassen, behalve dan het lied dat zij zopas had gehoord, en de bitter-warme soep waarvan zij net gegeten had.

De grijzende man opende voor haar de deur terwijl allen waren opgestaan, en met eenzelfde gebaar als dat waarmee hij haar erin had gelaten, nodigde hij haar nu uit om in de andere richting doorheen het deurgat te gaan, en zij voelde het nu aan alsof zij niet naar buiten ging, maar naar binnen, in de wereld. Er was immers geen ‘buiten’ meer na deze enkele maar wonderlijke stonden, en na dit lied; het was alsof de kamer die zij nu verliet, zich uitstrekte over de ganse aarde. En het was klaar geworden, een ochtendzon klom achter de bossen ten hemel, en toen zij nog een laatste keer omkeek naar de plaats van het huis waar zij zonet te gast geweest was, zag ze daar alleen een bron opwellen uit de aarde – een bron die het leven gaf aan een helder stroompje dat haar langs de nieuwe weg die zij was opgegaan, begeleidde als een trouwe gezel. En het water klaterde zoals het tokkelen van een harp, en in die muziek weerklonk het lied van Solvejg.

Ik heb de juffrouw pas jaren later leren kennen. Wij zijn gelukkig getrouwd, zij het zonder kinderen, en ik ben als het ware haar manager en haar butler geworden, want zij reist nu de wereld rond met dit lied van Edvard Grieg op de verzen van Henrik Ibsen. Intussen, want de tijd staat niet stil, is zij zeventig geworden – ikzelf ben een ietsje jonger – maar aan ophouden denkt zij nog lang niet. Dagelijks brengt zij nog uren door in haar vertrekken, met het oefenen van haar stem, het herhalen van de frasen, het beluisteren en het uitproberen van steeds weer andere interpretaties. Zij leidt ook jonge stemmen op, brengt hen technieken bij, maakt oefeningen en repeteert, traint, herhaalt. Op die manier tracht zij, met hen, steeds dieper door te dringen tot in het hart zelf van het lied waarvan zij mij bezworen heeft dat ze het eens heeft horen zingen door de dood zelf, die tegelijk de bron van alle leven zou zijn. Het zijn geheimen waar ik met mijn beperkte verstand niet bij kan, en haar te kunnen blijven dienen is het enige wat ik ooit verlangd heb in dit leven – dankbaarheid vervult mijn hart dat ik dit al zolang heb mogen doen, zo goed en zo kwaad als het mij lukte.

Ik kan niet zeggen dat ik gelovig ben, maar als ik terugkijk op dit leven, en op dat van haar, die ik bemin – tenminste in zoverre ik in staat ben om haar veel diepere ziel te peilen – dan komt het mij voor alsof er in ons midden, haast onopgemerkt doch onmiskenbaar, een heel aparte soort van mensen leven – waartoe zij beslist behoort – mensen wiens leven wordt geleid door zielen van een hogere orde, en men neemt het mij niet kwalijk dat ik het woord ‘engelen’ hier laat vallen. De algehele en zozeer bezielde toewijding aan iets dat toch geheel onzichtbaar is en blijft, het dagelijkse offeren van het “heetste hartebloed” waarvan de dichters, zoals Adema van Scheltema, zeggen dat zonder dat “niets schoons ooit werd geboren”, het onverdroten doorgaan op een zo moeilijk pad dat zweet en vele tranen kost… Ik weet het niet, maar ik vermoed dat er een andere wereld is: een wereld, minder stoffelijk dan de wereld van de bommen, een ijle wereld misschien, waartoe de bijna onstoffelijke klanken van het schone lied de weg bereiden. Een wereld ook die, zoals ik heb menen te begrijpen, niemand op eigen houtje vinden kan. Men kan aankloppen aan een vreemde deur, en iemand moet dan opendoen en zeggen: “Maar kom toch binnen!”

***

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 



2715398-b4644480bba8ae3ab8e8afed289ac7c6.jpg


Demonen

Demonen

Wie geloven dat demonen alleen bestaan in sprookjes, bekijken de wereld door een gekleurde bril. Het is een feit dat religies de waarnemingen die wij doen, in specifieke contexten positioneren om aldus hun betekenissen te verengen tot zaken waarbij zij garen kunnen spinnen maar dat geldt evenzeer voor ideologieën, zoals de materialistische er een is: op dit ogenblik heerst zij over de wereld en zij kleurt onze kijk, bijvoorbeeld door ons te verbieden om over demonen ook maar te reppen want demonen passen helemaal niet in het plaatje van de Rede, wat dat ook moge zijn.

Tegelijk is het een feit dat het kwaad de duisternis nodig heeft om zich te kunnen manifesteren: wat het licht niet mag zien, behoort tot het onverdedigbare of het boze en lijkt dan ook regelrecht in strijd met al wat redelijk is omdat wie Rede zegt, het over de openbaarheid heeft, die immers sowieso als getuige wordt betrokken in het proces van rechtspraak over waarheden en leugens. Edoch, een bijzonder hardnekkige inconsistentie vreet aan deze hele weliswaar blinkende zaak en wel zoals de welbekende worm vreet aan het hart der aarde. De rede immers promoot de macht aan de massa, wat democratie heet, en over die macht wordt beslist in de duisternissen van de stemhokjes.

Het kwaad heeft de duisternis nodig maar omgekeerd trekken duisternissen ook demonen aan en hier worden helemaal geen monstertjes bedoeld zoals op de doeken van de Nederlander Jeroen Bosch (1450-1516) of op de fresco's van diens tijdgenoot, de Toscaan Luca Signorelli (1450-1523): het zijn de monsters verborgen in ons hart die op een plek waar nimmer een ander komen kan om toe te kijken, hun slag slaan, geheel ongegeneerd want zonder getuigen en derhalve totaal onbestrafbaar. In het stembokje van onze democratieën klauteren de boze geesten, gefrustreerd na een opsluiting van dikwijls vele jaren, uit de verborgen kamers van het hart via de schouder naar de arm en naar de hand waarmee zij het iconische rode potlood besturen dat met één enkele trek het doodvonnis tekent van de opgebruikte gastarbeiders, de tijd- en geld verslindende anders-validen, de ongewenste kinderen, de ouderlingen die zich niet meer verdedigen kunnen en wiens fortuin heimelijk wordt begeerd, de vrijgevochten vrouwen en de homo's die een doorn zijn in het oog van de macho's en hun trawanten: de weke maar even lepe clerus.

De cijfers liegen er niet om: in het stemhokje waar niemand het kan zien, legt de hypocriete burger zijn masker af en toont hij aan zichzelf zijn ware gelaat waaruit alleen maar haat spreekt - haat die alsnog in de duisternis vertoeft maar die nu hoopt, in geheim overleg met de legioenen aan demonen in de even talrijke stemhokjes in het hele land, dat die nu eindelijk een gezicht zal krijgen.

Op dat voor boosaardigen bevrijdende moment dat echter voor hun slachtoffers het begin inluidt van een gewis en onverkwikkelijk einde, wacht een popcorn knabbelende massa voor de beeldbuis terwijl de stemmen worden geteld. Als het legioen van demonen die de haat vertegenwoordigen groot genoeg is, wordt de demon zelf verkozen, de magie van de stemming heeft het fantoom immers getransformeerd in een tastbare gestalte met het gezicht van degene die hem opgeroepen heeft in de harten van alle hypocrieten en op die manier wordt voor de duivel zelf in onze wereld de rode loper uitgerold.

En daar verschijnt het gedrocht in vol ornaat: afzichtelijk maar verplicht te bestempelen als cool en sympathiek; dwaas maar alsnog dingend naar een of andere Nobelprijs; lelijk maar zichzelf om van de snoepen achtend, azend op de vereeuwiging van de eigen afschuw in een reusachtig standbeeld van vierentwintig karaats goud.

Eenmaal uit zijn kerker bevrijd, maakt de demon zijn passen in een openbaarheid die de duisternis waaruit hij stamt, met zich meedraagt in de vorm van wartaal en van toverspreuken. Ver zoek is dan de Rede waarop democraten een beroep doen voor het aan de macht brengen van hun legioenen. “Wir haben es nicht gewußt”, zo zullen ze dan later stamelen, in een poging om zich vrij te pleiten van schuld aan genocide. “Wat zullen ze welsprekend zijn”, zo schrijft op 24 februari 1945 het nieuwsbulletin voor Noord Noord-Holland in Vrij Nederland: “maar de millioenen onschuldig vermoorden uit alle landen van Europa zullen altijd nog duidelijker spreken; een taal, die beter verstaan en eerder geloofd zal worden.”1

(J.B., 7 augustus 2026)

1Vrij Nederland: Nieuwsbulletin voor Noord Noord-Holland, Het Herrenvolk begint al te likken, 24 februari 1945. Cf.: https://www.delpher.nl/nl/kranten/view?coll=ddd&identifier=ddd:010447722:mpeg21:a0003


 

Les extrêmes se touchent

"Les extrêmes se touchent"1

Wanneer politieke partijen hun leden uitnodigen om de 'Pride' te gaan vervoegen, die rond het thema 'Fearless' wordt gebouwd, spreken ze hen persoonlijk aan: “We hebben je nodig!”

3366979-e300e8dccc9535e2a146997ae1ff5317.jpg

Die aanpak lijkt wel geschoeid op de leest van het religieuze proselitisme: godsdiensten werven actief nieuwe leden met slogans zoals: “God needs you!” - in dit geval met een verwijzing naar Jeremia 1:4-10, waar men kan lezen hoe Jahweh zich richt tot de profeet persoonlijk met de mare dat hij voorbestemd is om Hem te dienen en wanneer Jeremia tegenstribbelt en aanvoert dat hij te jong is en niet spreken kan, wordt hij aangemaand tot gehoorzaamheid: onbevreesd moet hij uitrukken en vernietigen.2

3366979-9dfa3bdf2ddc139c9d2d625aa52ce136.jpg

“Heb geen vrees!”, aldus klonk ook het devies van de Russisch-Orthodoxe patriarch Kirill van Moskou aan de rekruten bij Poetins inval in de Oekraïne, een oorlog die inmiddels al ruim een kwart miljoen gesneuvelde Russische soldaten heeft opgeleverd en in totaal al meer dan twee miljoen slachtoffers.

“We hebben je nodig!”: aldus zet een land zijn onderdanen ertoe aan om in (nakende) oorlogstijd in het leger te gaan dienen en aan het front te vechten en berucht zijn de affiches met daarop de verpersoonlijking van de staat die zijn burgers recht in de ogen kijkt en aanwijst: “Your country needs you!”/ “I want you for U.S. Army”/ “Join the fight, enlist today!” En inzake de Belgische rekrutering bij de Special Forces Group klinkt het: “Who dares, wins”.3

3366979-34daa6d0d54f1046a12e054eb62db646.jpg

3366979-e8e2c6a24c4aac8335ac5b48ae9a3f6b.jpg

3366979-0e0ee5a12c2b78d31382a424c5c54200.jpg

3366979-0e1847d8fc31c519eaf907bc76117d55.jpg

Dat met die uitnodiging 'to dare', tot durf, fearlessness of, in wat andere bewoordingen, roekeloosheid, op de genodigden druk wordt uitgeoefend, hoeft geen betoog want alle leden van de betrokken partij worden aangesproken en zo spreken zij ook elkander aan: “Jij gaat toch ook!?” en het voegwoordelijk bijwoord 'toch' onthult de aansporing in wat eruit ziet als een onschuldige vraag, die dan betekent: “Je gaat ons toch niet teleurstellen!?”; “Je laat ons toch niet in de steek!?”; “Beloof ons dat we op je kunnen rekenen!”; “Jij gaat ons toch niet verraden!?”; “Jij bent toch geen lafaard!?” Of hoe krijgsheren hun wagen laten trekken door het tweespan van de schaamte en de schande.

Maar heldhaftigheid en roekeloosheid liggen heel dicht bij elkaar en hetzelfde geldt blijkbaar voor gemeenschapszin en kuddegeest die, paradoxaal genoeg, in juxtapositie misschien wel staan voor elkanders contrapunt, respectievelijk de met gemeenschapszin verbonden verantwoordelijkheid tegenover de onverantwoordelijkheid van de kuddegeest.

Zoals de Hellenen betoogden, ligt de deugd in het midden tussen twee ondeugden en zo houdt de moed het midden tussen de lafheid en de roekeloosheid of de overmoed en zo ook lijkt de gemeenschapszin zich te situeren tussen de kuddegeest en het individualisme - of moet men hier spreken over asociaal gedrag?

De oproep “We hebben je nodig!” is persoonlijk doch richt zich tegelijk tot velen en hij betekent dat men nodig wordt geacht voor een of andere strijd en dus voor een krijgsmacht of een leger, dat zichzelf sowieso altijd zal bestempelen als 'des heils'. Maar hij is hoe dan ook polariserend, hij zet een vijand in de kijker tegen welke geageerd moet worden en in het geval van de Pride wordt die vijand voorgesteld als 'de haat'.

Edoch, haat is een gemoedstoestand en emoties kunnen geen vijanden zijn: omdat haat gericht is tegen personen, gaat hij ook van personen uit en dat zijn de haatdragenden. Maar zijn de haatdragenden dan niet de slaaf van hun gemoedstoestand, onvrij derhalve en nimmer handelend in de hoedanigheid van een (redelijk) persoon? Handelen zij dan niet zoals de dieren die de bewegingen van hun driften volgen?

In het geval van de Pride heeft men het heel abstract over 'de haat' omdat men het schuwt om de haatdragenden bij naam te noemen. Zij kunnen niet worden getypeerd als zekere religieuze groepen omdat religies niet eendrachtig zijn inzake de geloofsleer: naast heilige geschriften zijn er immers nog interpretaties en deze vormen een hele brede waaier met in hun zog telkenmale andersgelovigen. Ook kunnen zij niet worden getypeerd als extreemrechtse groepen omdat ook hier de eendracht zoek is. De 'haat' die hier geviseerd wordt, is een vijand zonder gezicht, een boze geest, een demon.

Zo is de Pride een optocht tegen demonen en hij wordt gehouden rond het thema 'Fearless' omdat demonen angst aanjagen. Want over kwade machten is bekend dat zij mensen kunnen bezitten en dat zijn dan bezetenen, in de betekenis van lui die een duivel van hun vrijheid heeft beroofd. Maar uitgerekend de bezetenen diaboliseren zekere medemensen; zij demoniseren hen of stellen hen als duivels voor en zo creëren ze een vijand teneinde op die manier een reden te hebben om jacht op hen te kunnen maken, om hen monddood te kunnen maken en om hen tenslotte ook effectief te kunnen vermoorden. Ongeacht wie kan worden bezeten door de demon van de haat en toeslaan waar en wanneer niemand het verwacht, om lukraak slachtoffers te maken onder degenen die hij eerst gediaboliseerd heeft. En op die manier legt hij al wie hij viseert, aan banden.

Als de wereld des duivels is, zijn alle mensen vrijwel zonder uitzondering wel van iets bezeten: iedereen heeft zijn demon of demonen en de mensen groeperen zich rond hun specifieke diabolen die, zoals men kan vermoeden, een onderlinge strijd voeren om de hegemonie.

Er is de demon van de afgunst, Leviathan, het machtsmonster dat in de visie van Thomas Hobbes de staat vertegenwoordigt. Leviathan is uiteraard verwant aan de demon van de hebzucht, Mammon, die hen verzamelt die zich het liefst ophouden in de wereld van de centen en de banken, de beurzen, de tollenaren, de schuldeisers, de deurwaarders, de boetes en de opcentiemen. Verwant met de hebzucht is de vraatzucht met demon Beëlzebub, en weer verwant met deze laatste is Asmodeus, de demon van de lust en de onkuisheid: zijn naam stamt van Aëshma-daëva, de demon van de woede in de Avesta, het heilige boek van het zoroastrisme, de religie van de oude Perzen met hun door Friedrich Nietzsche ook in het Westen bekend geworden profeet Zarathoestra. In de Bijbel heet deze demon Amon en de Boeddhisten geloven dat woede alleen met aandacht en vriendelijkheid in toom kan worden gehouden. Belfagor is de demon van de luiheid. En tot spijt van wie het benijdt: boven alle zonden staat de hoogmoed met als demon Lucifer, gekenmerkt door eigenwaan en trots, of: pride.

Trots, in het Engels pride, van het Latijnse parare of klaarmaken is verwant met parade, pronkzuchtige optocht, en is niet voor niets de katholieke hoofdzonde: het is de zonde van Lucifer die de Almachtige naar de kroon steekt. De machthebbers in het Westen, die in hun feitelijke theocratieën hun recht op heerschappij verdedigen middels de katholieke theologie, belichamen de pronkzucht maar bij hun onderdanen propageren zij, middels het tot staatsgodsdienst verklaarde christendom, de nederigheid welke centraal staat in de slavenmoraal, die de hoger genoemde wijsgeer in zijn Jenseits von Gut und Böse (1886) en in zijn Zur Genealogie der Moral (1887) heeft verklaard als reactionair ressentiment: slaven beamen hun lot louter uit overlevingsdrang, als een overlevingsstrategie; wat voor de heren zwakheden zijn, bestempelen zij prompt als deugden en andersom laken zij de pronkzucht van hun meesters.

Pas op het ogenblik dat de onderdrukten de schellen van de ogen vallen, trachten zij hun geperverteerde waardenstelsel weer recht te trekken: zij willen niet langer nederig zijn en dienen doch trots worden, zoals hun overheersers van weleer. Volgens de katholieke kerkleer die menig dictator in het zadel houdt - met op kop de paus van Rome - zijn zij uiteraard rebellen aangevoerd door de demon Lucifer, de demon van de Pride, maar in hun eigen nieuwe filosofie van zelfbevrijding ontmaskeren de onderdrukten op eigen kracht die zogenaamde theologie als de ketening der slavernij doorheen een geschiedenis van tweeduizend jaar. De historische waarheden met betrekking tot de machtigen der aarde en hun machtsmisbruik zijn immers aan het licht gekomen en steeds krachtiger verheft zich dat licht aan de horizon als de nieuwe hoop der onderdrukten: het is het licht van de Rede, die weerstand biedt aan de verlammende magie waarvan 'tovenaars', zoals godsdienst- en nog andere waanzinnigen mogen heten, zich nog steeds bedienen om baas te spelen over andermans bestaan.

Anderen onder de duim houden doet men door hen te definiëren in een mens- en wereldbeeld waarin zij schuldig zijn en moeten boeten. Van zodra zij in hun schuld geloven, willen mensen zich daarvan ontdoen en snakken zij naar straf en boete teneinde zich van die vermeende schuld te kunnen bevrijden omdat geen mens de aanhoudende verwijten van een ander kan verduren, en zodoende zijn zij gelijk een vogel voor de kat. De verwerping van het repressieve mens- en wereldbeeld dat ons van kindsbeen af werd ingelepeld samen met de pap, heeft af te rekenen met een enorme weerstand die van magische makelij is, net zoals het schuldbesef en het besef van zonde: het vergt een overwinning van de aangeprate schaamte maar nog veel meer van de angst voor diabolische represailles. Die manifesteren zich middels door demonen bezetenen die hun aanslagen legitimeren door hun slachtoffers te situeren bij de volgelingen van een of andere demon in hun perverse theologie, filosofie of politieke theorie.

De trots die in de Pride aan bod komt, betreft vooreerst een weigering om nog langer mee te draaien in een millennia oud verhaal dat de eigen repressie beaamt vanuit de angst voor het verlies van het fysieke leven. Die weigering van de voortzetting van de slavernij heeft immers af te rekenen met de gekende moordlust van de machthebbers die in die rebellie hun eeuwenoude voorrechten zien sneuvelen en dat is dan ook de reden waarom zij niet zullen nalaten om toe te slaan van zodra zij dat straffeloos kunnen doen, wat wil zeggen: in de openbaarheid. Dat lukt hen nog zolang zij hun openbare misdaden alsnog weten te verbergen, wat nu gebeurt middels hun laatste maar taaie strohalm: de tactiek van de zelfmoordaanslagen.

Met dat doel worden gewis mensen gebruikt die onder een verschrikkelijke druk worden gezet: als zij na jarenlange hersenspoelingen alsnog zouden weigeren om op commando een aanslag uit te voeren, worden hun geliefden omgebracht. Overleven zij de aanslag, dan zullen zij blijven zwijgen want zij vallen hoe dan ook in handen van hun opdrachtgevers... die lustig mee marcheren in de optocht.

(J.B., 5 augustus 2026)

1Louis-Sébastien Mercier, Tableau de Paris, deel 4 (1782), de titel van Chapitre CCCXLVIII.

2Jeremia 1:4-10: “Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:/ 5 Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u den volken tot een profeet gesteld./ 6 Toen zeide ik: Ach, Heere HEERE! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong./ 7 Maar de HEERE zeide tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarhenen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken./ 8 Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt de HEERE./ 9 En de HEERE stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en de HEERE zeide tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond./ 10 Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten.'” Cf.: https://www.statenvertaling.net/bijbel/jere/1.html


























Het leugenachtig karakter van de industrialiseringsfilosofie (Vervolg 1)

Het leugenachtig karakter van de industrialiseringsfilosofie (Vervolg 1)

Euvels veroorzaakt door industrialisering bestrijden met nog meer industrialisering is een tactiek welke geschoeid is op de leest van de leugenaar die immers euvels veroorzaakt door leugens zal bestrijden met nog meer leugens.

De massaproductie van airconditioningsmachines ter bestrijding van de gevolgen van de klimaatramp is lang geen onschuldige activiteit daar deze de verwerpelijke gang van zaken normaliseert en bagatelliseert. De productie van lapmiddelen tegen de rampen volgend uit de miskenning van de milieuproblematiek die inherent is aan kapitalistische systemen houdt immers de aanvaarding in van het door immoraliteit veroorzaakte kwaad en derhalve een aanvaarding van deze immoraliteit zelf.

De industrialisering is een doodlopend straatje wegens de eindigheid van de grondstoffen, de energie en de tijd, die door dat almaar doordravend proces wordt miskend en dat is dweilen met de kraan open, het is een zoveelste illustratie van een toenemende contraproductiviteit.

Bovendien wordt op die manier een fikse rem gezet op het anderszins en grondig corrigeren van de omgang met de milieuproblematiek maar een wel bijzonder alom opduikend bijverschijnsel van de gelaakte handelwijze is dat zij de kloof tussen rijk en arm steeds groter maakt: ze werkt polariserend en is derhalve ook alles behalve bevorderlijk voor de vrede. Dit bijverschijnsel is misschien wel het meest laakbare van alle mogelijke gevolgen van het genoemde tekort aan ethisch bewustzijn terwijl het tevens het minst zichtbare is. Waar eertijds (in een pre-industrieel tijdperk) rijk en arm de vrije beschikking hadden over zuivere ademlucht, heeft de industrie ervoor gezorgd dat zuivere lucht nu kan worden ingezet als een krachtig chantagemiddel: de lucht werd vervuild door een industrie waarvan de baten aan de rijken ten goede komen maar de armen ontvangen geen compensaties voor het feit dat zij nu niet meer kunnen ademen: zij dienen daarentegen terug te kopen wat hen werd ontnomen, meer bepaald door de aanschaf van systemen om het vuil uit de lucht te zuiveren. Rijkelui hebben hiermee uiteraard geen problemen maar de armen worden genoopt om dit kwaad dan maar te verduren en het levensnoodzakelijke op te geven. Vergelijk het met de handel in dure vaccins waarmee de mensen de gezondheid waarvan zij beroofd werden, kunnen terugkopen (...als zij het geld daartoe hebben) of de dure voertuigen waarmee men (...andermaal, als men het geld daartoe heeft) de afstanden kan overbruggen die een samenleving onder koning auto heeft geschapen.

Merk op dat het hier niet meer gaat om het kwaad van de zogenaamde schijnbehoeften die door de reclame worden aangepraat maar die men kan missen en die men mits het nodige inzicht ook vrijelijk kan vermijden: het huidige kwaad onderscheidt zich bijzonder scherp van de handel in onnodige pseudoproducten in de decennia volgend op de Tweede Wereldoorlog doordat het dit keer gaat om levensnoodzakelijke middelen. De trend om alles wat initieel gratis was, om te zetten in marktproducten waarvoor tol geheven wordt, is tekenend voor een wereld waarin alles tot zijn marktwaarde werd herleid, inclusief de lucht die wij nodig hebben om in leven te blijven en het hele milieu. Alles is te koop en het leven zelf komt via deze leugenachtige omwegen in het bezit van rijken.

(J.B., 4 augustus 2026)


 

Het leugenachtig karakter van de industrialiseringsfilosofie

 

Het leugenachtig karakter van de industrialiseringsfilosofie

IJveraars voor het behoud van het goede leefmilieu hebben sinds meer dan dertig jaar gewaarschuwd voor de gevolgen van de verregaande industrialisering: zij werden niet gehoord omdat zij tevens pacifisten zijn in een wereld van geweld en nu moeten we de eerste en reeds niet minieme gevolgen ondergaan met vooral warmterecords, hittegolven en wereldbranden - en in het zog daarvan kunnen wij overstromingen verwachten tegelijk met droogte, honger en nog meer oorlogen. Productie en consumptie à la bonheur maar het afval belandt wel telkens onder de mat, het werd nooit meegerekend in het plaatje dat enkel oog heeft gehad voor winst. Met winstbejag is weliswaar principieel helemaal niets mis maar wel met vermeende winst, zoals men de winst noemt die geboekt wordt op de korte termijn alsook deze die de eigen zak betreft: in die twee gevallen wordt schade toegebracht aan het algemeen belang - algemeen zowel met betrekking tot in principe alle mensen als met betrekking tot de vooralsnog niet levenden, die echter wel in de toekomst reeds bestaan.

Winstbejag kan verblinden en is in dat geval hardnekkig, zodat men weigert om terug te keren, iets wat verstandige mensen doen op het ogenblik dat zij ontdekken een verkeerde weg te zijn ingeslagen. Zij houden halt, draaien zich om, keren terug naar het punt waar zij zich van weg hebben vergist en zoeken daar dan uit welke de goede richting is. Maar wie verblind zijn, doen dat niet: zij volharden in de foute weg en zetten prompt hun doolgang voort, ook als zij onderweg worden gehinderd door grote ongelukken. De weg die zij dan zijn opgegaan is vergelijkbaar met deze van de bouwlieden van de toren van Babel: zij blijven maar grondstof aanbrengen voor het nog hoger maken van hun toren die de hemelen naar de kroon steekt maar zo zien zij niet dat hun arbeid helemaal geen vruchten kan afwerpen omdat al hetgeen zij aanvoeren, onderweg moet worden opgebruikt voor herstellingswerkzaamheden. De toren wordt helemaal niet meer hoger, hij is veranderd in een val die de middelen en de energie van een heel volk opslorpt zonder er nog wat voor terug te geven en op die manier leidt hij niet langer naar de hemel maar wordt hij het symbool van de weg naar de hel - die plek waar men alle hoop moet laten varen.

Leugenaars zullen nooit bekennen dat zij liegen en dat wordt gegarandeerd door de leugenaarsparadox: als zij zeggen dat zij liegen, spreken zij de waarheid en liegen zij alsnog en als zij zeggen de waarheid te spreken, liegen zij. Verblind door de filosofie van de niets ontziende industrialisering, gehoorzamen op dezelfde manier haar handlangers aan de immer gevaarlijke gek die de troon van de satan bekleedt: in plaats van ze strenger te maken, schaffen zij prompt de milieuwetten af en maken zij reclame voor godbetert nog meer industrialisering, nu in de productie en de consumptie op reusachtige schaal van de instrumenten voor zogenaamde airconditioning.

(J.B., 3 augustus 2026)


 

Augustinus in augustus (Vervolg1)

 

Augustinus in augustus (Vervolg1)

In een fysicalistische wereld die de metafysica schuwt, is het even wennen aan de idee dat het Zijn voorafgaat aan het Niet-Zijn of dus aan zijn Afwezigheid en toch is dat heel vanzelfsprekend: het is zo vanzelfsprekend dat het Leibniz verweesd achterliet in een verbazing welke hij verwoord heeft in het geroemde raadsel: “Waarom is er niet veeleer Niets dan Iets?”

Dat het fysicalisme ons op het verbeende been zet, kan alleen nog in twijfel worden getrokken door wie van de hele zaak geen kaas gegeten hebben en we gaan ons betoog van weleer hier dan ook niet meer herhalen.1 Maar de gedachte dat alles op de een of andere manier geconstrueerd werd en derhalve niet alleen tot in zijn kleinste onderdeeltjes kan ontleed worden maar dan ook opnieuw kan worden gereconstrueerd, blijft degenen verblinden die niet zozeer op zoek zijn de waarheid maar wel naar macht, hier in de vorm van de goddelijke almacht die zij benijden in de schepper.

Edoch, een schepper is er niet, zoals reeds Augustinus heeft betoogd, kennelijk zonder ook goed te beseffen wat zijn onderrichting inhield: het feit dat wij achter de wereld een maker zoeken, heeft zoals de door de katholieke kerk heilig verklaarde man aantoonde, alles te maken met projectie: wij, architecten van een eigen wereld, projecteren wat we doen op een wezen dat het heelal als zodanig geconstrueerd zou hebben. Merk op dat ook de creatio ex nihilo, de schepping uit het niets, dankzij het betoog van de heilige in het water valt en daarmee ook de vastgeroeste veronderstelling dat aan de grondslag van alles een schepper zou liggen, iemand die dat allemaal gemaakt heeft - uit het niets. Maar zoals hoger betoogd, gaat er aan het bestaande helemaal geen Niets vooraf en zijn noch een schepping van iets uit niets, noch een schepper nodig - om te verklaren, nota bene, wat niet om een verklaring vraagt.

(Wordt misschien vervolgd)

(J.B., 3 augustus 2026)

1Cf.: Jan Bauwens, Trans-atheïsme. De metafysica van het Lam, Serskamp 2003. Voor de integrale tekst, zie de volgende PDF: https://blogimages.bloggen.be/transatheism/attach/564.pdf ofwel: https://blogimages.seniorennet.be/tisallemaiet/attach/168587.pdf en voor de meest recente uitgave (2018 (2003)), zie: https://www.boekenbestellen.nl/boek/trans-atheisme-de-metafysica-van-het-lam/10436 .

 

Augustinus in augustus

 

Augustinus in augustus

De realiteit van het Niet-Bestaan' wordt afgeleid uit de realiteit van het Bestaan zoals de realiteit van het A-Theïsme' wordt afgeleid uit de realiteit van het Theïsme' maar zoals het A-Theïsme zijn bestaan dankt aan het bestaan van het Theïsme, zo ook dankt het Niet-Bestaan zijn bestaan aan de realiteit van het Bestaan.

De bovenstaande zin kan cryptisch lijken maar de inhoud ervan is simpel: de dingen gaan vooraf aan hun negatie, er kan pas sprake zijn van een Afwezigheid indien er eerst een Aanwezigheid was, het is bijgevolg een vergissing om ook over ons Bestaan te gaan denken dat het een constructie zou zijn bovenop het Niet-Bestaan.

In nog wat andere bewoordingen: het is een vergissing om te denken dat de initiële toestand der dingen de Dood is, of eerder nog: hun Afwezigheid, en dat een Aanwezigheid iets is dat er bovenop geplaatst wordt. Wie deze kwestie rustig overdenken, zullen alras tot de conclusie komen dat de initiële toestand het Zijn is, of het Leven, en pas daar waar het Zijn of het Leven ontbreken, is er een Tekort (een Niet-Zijn).

Het hele concept van het Niets is in hetzelfde bedje ziek als dat van het Construeren, over hetwelke reeds in de vierde eeuw Augustinus van Hippo schreef. Wij geloven dat de wereld een Maaksel is, zei hij, maar dat wij dat geloven komt hierdoor, dat wij zelf architecten zijn, of makers, die van zodra ze iets zien dat op een gebouw gelijkt, spontaan gaan denken aan een maker. Augustinus verklaarde dit om aan te geven dat de schepping geen maaksel is: een maaksel behoeft grondstof terwijl het geschapene de grondstof zelf is; wat geschapen is, is derhalve uit het niets 'gemaakt'. Dixit Augustinus.

Maar Augustinus ging niet ver genoeg met zijn correctie want wat hij zegde over de oorsprong van de wereld, geldt uiteraard ook voor de wereld zelf en voor het Zijn of het Leven als zodanig. Wel lichtte hij een tipje van de sluier op in zijn ethiek, waar hij ontdekte dat het kwaad niet op zichzelf bestaat doch slechts een afwezigheid kan zijn, een afwezigheid of een tekort aan een zeker goed. En ziehier dan een uitbreiding van Augustinus zijn betoog.

Het Zijn komt niet uit het Niet-Zijn voort en het is ook geen bouwsel bovenop het Niet-Zijn, het is daarentegen de gegeven toestand van de dingen. Dat wij ons de hoger beschreven, verkeerde voorstelling maken, vindt zijn oorsprong hierin dat wij, van zodra we iets zien, we verkeerdelijk gaan geloven dat dit iets - door iemand - in het niets geplaatst werd. Het is echter niet door iemand geplaatst, wij denken dat alleen maar omdat wijzelf iets in een lege ruimte kunnen plaatsen. En het is ook niet in het niets geplaatst, omdat Iets altijd aan Niets voorafgaat, aangezien Niets alleen Afwezigheid kan betekenen.

(Wordt misschien vervolgd)

(J.B., 3 augustus 2026)

De innerlijke mens en de pens

 

De innerlijke mens en de pens

Op de keper beschouwd moeten al wie om welke reden dan ook naar de marge van de samenleving worden gewerkt, wel heel veel missen maar anderzijds blijven zij wel gespaard van de vracht aan illusies waaronder wie er warmpjes geloven in te zitten, helemaal bedolven worden. Het comfort erbij te horen is weliswaar allerminst illusoir omdat het te maken heeft met zelfbehoud, ontwikkelingskansen, welvaart en geluk maar er zit ook een vals gevoel aan vast dat menigeen op het verkeerde been zet en dat heeft alles te maken met het voorwaardelijkheidskarakter van dit deelgenootschap.

Als je een westerling bent met een witte huidskleur en in een witte buurt woont zonder allerlei verstoringen, als je gezond bent en je hebt een job en ook wat geluk met het gezin, als je autootje afbetaald geraakt en je vakantie en je wordt niet aangevallen enzoverder enzovoort, valt je alras een samenhorigheidsgevoel te beurt. Samenhorigheid met meer bepaald alle anderen die eveneens op de hier opgesomde troeven kunnen bogen want het gevoel tot een gemeenschap te behoren omvat tevens de kennis van het feit dat elke gemeenschap grenzen heeft en dat men er binnen en niet buiten valt omdat men voldoet aan zekere voorwaarden die men lang niet altijd te kiezen heeft. Wie er warmpjes in zaten doch door het noodlot werden verrast, kunnen over de genoemde voorwaardelijkheid getuigenis afleggen: het volstaat dat men, zoals vandaag zovelen, zijn job verliest, dat men ernstig ziek wordt of dat men zoals iedereen die dat geluk heeft, gewoon oud wordt, om te kunnen ondervinden dat het been waarop men rust, inderdaad het verkeerde is.

Als men niet langer voldoet aan de voorwaarden die toegang geven tot de voorrechten die het gevoel van erbij te horen, teweeg brengen, kan men niet langer ontkennen hoe dit 'erbij horen' geen vanzelfsprekendheid is, geen natuurlijke toestand en ook geen recht: het is een constructie met een bijzonder voorwaardelijk en tijdelijk karakter, tevens grotendeels bepaald door de lotto van het leven. Het is weliswaar niet zo dat geld gelukkig maakt maar een tekort aan middelen kan er wel voor zorgen dat men zich ongelukkig voelt omdat men niet samen hoort met de groep die het wat beter heeft: men moet dan inzien dat het samenhorigheidsgevoel dat men tot dan toe voor een immaterieel goed hield, louter koopwaar was, precies zoals het immateriële gevoel van eigenwaarde dat het bezit van een materiële sportauto begeleidt. Geestelijken, over wie men denken zou dat zij verstervingen doen en ontberingen lijden, eten prompt hun buikje rond met een grapje waarmee echter helemaal niet te lachen valt, namelijk dat ook de innerlijke mens versterkt moet worden: zij kennen het verband tussen de geest en de maag, om nog te zwijgen over het verband tussen de geest en de drank.

Die laatst genoemde samenhorigheid mochten we al bespreken in IJzeren logica met Omsk Van Togenbirger1 en het betreft hier het verband tussen de plicht van elke priester om dagelijks de heilige mis te vieren, waarvan de consumptie van een soeplepel alcohol deel uitmaakt, met de duizelingwekkende, door de clerus bedachte theologie van de katholieke kerk. Elke verslavingsdeskundige zal immers beamen dat wie dagelijks een slok van de genoemde harddrug tot zich nemen, een gigantische kans hebben om daarvan afhankelijk te worden met als gevolg een almaar toenemende behoefte aan het hallucinogene goedje dat de kerkdienaar eerst geestrijk maakt en hem het hemelrijk openbaart om hem in het navenante delirium tremens een oponthoud te verzekeren in de hel.

Het samenhorigheidsgevoel is koopwaar, het is een comfort waarvoor men aardig moet betalen en wie het geld missen, missen ook dat comfort. Maar het is even illusoir als een sportauto of een overmaat aan drank want er is geen andere band met degenen met wie men samen hoort te horen dan deze die steunt op een vergelijkbaar bezit. Het gevoel heeft uitsluitend te maken met de kuddegeest en derhalve met de slavernij die daaraan eigen is, zoals ook de afhankelijkheid van alcohol, van opium of, om de cirkel rond te maken, van opium voor het volk.

(J.B., 2 augustus 2026)

 

“I've got you under my skin”

 

“I've got you under my skin”

We willen dat de eetwaren die wij in de supermarkt kopen, goed verpakt zijn, dat geeft ons immers het gevoel dat er niets bij kan dat ze zou kunnen besmetten, met legionella bijvoorbeeld, of gewoon met het stof van de vloer. Waar we echter niet aan denken, is dat binnen de hermetische verpakking waarvan we de inhoud naar binnen spelen, zowat alles al aanwezig is om ons ziek te maken of zelfs te doden. Het gif komt het lichaam samen met het voedsel naar binnen zoals de desinformatie meereist met de informatie, zoals allerlei ongewenste plagen ons aandoen samen met de winst die goedkope werkkrachten opleveren of simpelweg zoals de keerzijde de medaille begeleidt. Na allerlei moeizame inspanningen om gezonder te eten en vergif te weren, ontdekken we uiteindelijk dat er geen echt ontsnappen aan het euvel is en leggen we ons er uiteindelijk gemakshalve bij neer: aan alles zit een keerzij vast zoals ook de dood vastzit aan het leven.

Thuis gearriveerd met de eetwaren, ontdoen we deze van de verpakking, door de band plastics, en die verpakking gaat in de blauwe zak die opgehaald wordt en getransporteerd naar een sorteercentrum dat zowat tachtig percent daarvan recycleert. De overige twintig percent belanden (bij elke cyclus opnieuw!) uiteindelijk via restafvalverbrandingsinstallaties met een hoge schouw in de lucht of komen in de oceanen terecht. In de twee gevallen eroderen de plastics tot minuscule deeltjes, nanopartikels, die de grootte hebben van de stofdeeltjes uit rook en die zich derhalve ongeremd verspreiden in de lucht, in het water en in de grond. Ook als we gaan resideren in de Alpen waar we alleen gezonde lucht ademen en als we ons drinkwater halen uit zuivere bronnen, zijn we niet veilig want de afvaldeeltjes reizen onbelemmerd door landsgrenzen of milieuwetten met het drinkwater mee, met de ademlucht en met de bouwstenen van elke plant en van elk dier dat van het gif verzadigd wordt, ziek wordt en voortijdig sterft: de planten, de dieren en uiteraard ook de mensen die aan de top staan van de voedselpiramide.

Het vuilnis in het drinkwater ontsnapt niet alleen aan ons oog maar voor een deel ook aan de filters die het moet passeren tussen omzeggens het Albertkanaal waaruit het wordt opgepompt en het kraantje in de keuken. Het vuil waarmee de lucht verzadigd wordt, nemen wij waar als het roet dat wij weliswaar van de ruiten kunnen wegspoelen maar niet uit onze longen: een long is een met haarvaatjes dooraderd doorlaatbaar vlies met een oppervlakte van zo'n honderd vierkante meter en in de longblaasjes wordt niet alleen de zuurstof opgenomen die wij geen minutenlang kunnen missen maar ook het roet dat aan de ruiten en de meubels kleeft. Het bloed vervoert vervolgens het roet uit de longen maar ook het vuil dat via het voedsel via de maag in het lichaam komt, zonder mankeren naar elk van onze twintig biljoen lichaamscellen. De cellen nemen de voedingsstoffen op maar ook het afval waarvan wij ons geloofden te bevrijden via vuilniszakken, waswater en hoge schouwen: ver weg is het dus niet, hier onder onze huid.

Het leven is niet dom: het recycleert wat goed is en filtert weg wat het kan missen maar omdat perfectie niet bestaat, stapelen zich alsnog resten op in de vuilnisbelten van het lichaam totdat het individu eraan kapot gaat. Maar voor het zo ver is, plant het zich voort: de nieuwe exemplaren zijn weer zuiver.

Of althans tot voor kort was dit zo, of ongeveer zo, want het vuil blijkt ook de genen aan te tasten en dat zijn de plannen voor de (her)opbouw van het wezen, de blauwdrukken voor de (re)constructie van mug, mus, muis en mens, het ontwerp van de dag van morgen.

(J.B., 2 augustus 2026)

Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten