Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

Archief

"Overbevolking" (J.B., Verhalen 2006-2009)

Overbevolking

De wereld kampt met een overbevolking aan mensen en die wasemen allemaal samen zoveel hitte en gassen uit dat de poolkappen ervan afsmelten, ten gevolge waarvan de ijsberen aldaar verdrinken en binnenkort de zeespiegel met vele meters zal stijgen zodat bijvoorbeeld de Brusselaars niet langer tot in Oostende zullen moeten rijden om pootje te gaan baden, want het strand zal in Brugge liggen of zelfs in Aalst. De teller staat momenteel op een kleine zeven miljard - dat is het zevenvoudige van tweehonderd jaar geleden - en dagelijks komen er zo'n tweehonderdduizend soortgenoten bij. Demografen schuwen de benaming 'overbevolking' niet en zij hebben het ook vaker over een naderende catastrofe.

Nochtans geldt tegelijkertijd dat elke dode er een teveel is, en men stelt werkelijk alles in het werk om zelfs het leven van een honderdjarige in comateuze toestand nog één enkele dag te rekken. Dat laatste lijkt een tegenstrijdigheid maar het is er geen, het is slechts een paradox - een schijnbare tegenstelling. Zij die er een echte tegenstelling in zien, ontbreken iets in hun hoofd of in hun hart, zoveel is duidelijk, en we kennen nog het voorbeeld uit de Tweede Wereldoorlog van de uitroeiingskampen - want dat was pas een catastrofe.

Nochtans blijven er blijkbaar mensen geboren worden bij wie het ontbreekt aan die elementaire morele zin die ons door de band weerhoudt van moord en genocide, en het gebeurt zelfs dat zij openlijk hun mening gaan verdedigen. Daartoe brengen ze dan het liefste cijfers te berde: kille getallen, zoals het getal zeven miljard, dat aanduidt dat de wereld van mensen overbevolkt is, en dan suggereren zij heel eenvoudig dat het kleiner maken van dat getal een goede zaak is in alle opzichten; het bestrijdt immers de catastrofen die ingevolge het grote getal onvermijdelijk onze aardbol zullen aandoen.

Logica en logica is twee. Ooit hoorde ik een niet onbekende professor van op zijn preekgestoelte in de universiteit debiteren dat het verschaffen van voedsel aan arme Afrikanen slechts kan zorgen voor een verveelvoudiging van hun aantal, en dat het daarom beter ware indien men bij het horen van de noodkreten, gewoon de andere kant opkeek. Dat ware beter, zegde hij, want dat zou het aantal noodlijdenden flink reduceren, binnen de perken houden en misschien wel uitroeien. Ook de uitroeiingskampen van Adolf Hitler hadden de edele bedoeling om allerlei ziekten, ongemakken en andere onvolmaaktheden die alvast tot dan toe bij het leven hoorden, uit te roeien.

Er is inderdaad iets zéér grondig mis met mensen die zo denken. Zij pleiten dan ook voor achteruitgang in plaats van voor vooruitgang, want is het niet zo dat het toenemende aantal van onze zieken en bejaarden gelijke tred houdt met de grote vorderingen van de medische wetenschap? Worden de afstanden niet groter naarmate de mogelijkheden toenemen om ze te overbruggen? Wordt het analfabetisme niet een ernstiger kwaal in de mate dat meer mensen kunnen lezen en schrijven? En tenslotte: zouden er niet veel minder mensen sterven indien er ook veel minder werden geboren?

Niet zo heel lang geleden kwam ik door toeval in een hospitaal terecht en wie daar ooit gelegen heeft, die weet ook dat daar de dagen en de nachten zo lang kunnen zijn dat het wel lijkt alsof de tijd stilstaat. Gelukkig deelde ik de kamer met een uiterst onderhoudende figuur, een wetenschapper zo te horen, die ik er aanvankelijk van verdacht dat hij daar met geen andere bedoeling kon zijn dan om een flink stuk van zijn tong te laten snijden, want hij hield met ratelen maar niet op. Edoch, toen de tijd begon te wegen zoals hij dat in hospitalen kan doen, bleek dit ongemak alras in een grote zegen te verkeren en eigenlijk moet ik zeggen dat mijn verblijf in de kliniek in feite veel te kort was, want zeer waarschijnlijk heb ik slechts een fractie van het ganse - bizarre én boeiende - verhaal gehoord.

- Over de uitroeiingskampen van Hitler hebt ge zeer zeker al gehoord, zo begon mijn kamergenoot, nadat ik hem alleen maar teneinde de stilte te breken had gezegd dat ik mij in een rolbed in dat enorme gebouw net voelde zoals iemand die naar de gaskamer moet - een bijzonder ongelukkige uitspraak, zo realiseerde ik mij helaas te laat.

- Jazeker, over de shoa had ik al gehoord...

- En is het u nooit opgevallen, zo ging hij door, dat de mensen die daar werkzaam waren, in die kampen, helemaal geen moeite bleken te hebben met het uitvoeren van hun dagelijks werk?

- Daar heb ik ooit wel eens bij stilgestaan, zo moest ik bekennen, maar wij waren er niet bij, en het zal wel geen sinecure wezen om zich de concrete situatie voor de geest te halen zoals ze werkelijk was. Ja, soms betrap ik mezelf er op dat ik ergens dacht dat er in die tijd nog geen kleuren waren... alleen omdat wij er slechts beelden in zwart-wit van hebben...

- Tja, zegde hij, daar zegt ge wat: het menselijke inlevingsvermogen is relatief groot maar tegelijk bijzonder beperkt. En men kan er ook alle kanten mee uit, zo stelde hij me voor een raadsel.

- Alle kanten? - zo drong ik aan.

En toen was het dat hij over die paradox begon, die mij niet onbekend was: volgens de professor die ik net citeerde, getuigde het bieden van voedselhulp aan arme Afrikanen van een tekort aan empathie, aangezien het gevolg daarvan een toename van het aantal hongerlijders was, terwijl ik altijd had gedacht en overigens nog steeds blijf denken dat het niet betaamt om mensen die om brood bedelen, een steen te geven. Men doodt toch geen mensen die de middelbare leeftijd achter de rug hebben om hen de lasten van de oude dag te besparen? Men kan een hond afmaken, of een paard, omdat het afziet terwijl geen beterschap in het verschiet is en het ook niet langer dienstig zijn kan; maar een mens? Is het dan sinds de rage van de diervriendelijkheid dat men dat ook met mensen doen mag - hen afmaken van zodra ze lijden?

- Het gaat niet om de eerste betrokkene alleen, verklaarde hij toen ineens: als iemand met een terminale kanker in een bed aan allerlei snoeren vast hangt, dan heeft de vraag of hij of zij in leven dient te worden gehouden, ook op vele anderen betrekking: hier wordt immers tevens beslist over het leven van mensen die duizenden kilometer hier vandaan verblijven, en zelfs over dat van mensen die nog helemaal niet geboren zijn. Om het heel cru te stellen: Gij weet toch ook wel dat voor de prijs van één enkele euro een Afrikaans kind een volle dag kan leven en desnoods een ganse week? Een honderdjarige in coma die een week lang in dit hospitaal aan allerlei darmpjes hangt, kost algauw het duizendvoudige of nog veel meer. Het Afrikaanse kind hoeft enkel de periode van de misoogst te overbruggen; de comapatiënt daarentegen heeft geen enkel vooruitzicht meer, hij zal nooit meer beseffen dat hij leeft, of dat hij daarmee ophoudt.

Ik gaf de man gelijk en ik geloof ook nog steeds dat hij gelijk heeft, maar toen trok hij zijn redenering door, en dat zinde mij op den duur niet meer, ofschoon hij heel consequent leek te redeneren. Naarmate zijn 'toespraak' - zo zal ik het maar noemen ofschoon ik zijn enige toehoorder was - zich voltrok, leek het alsof de werkelijkheid zelf van gedaante veranderde. Het was zonder meer huiveringwekkend en nog steeds weet ik niet wat ik er uiteindelijk moet van denken. Was hij een geleerde, zoals hij zelf beweerde, die door de slag van zijn ongeval zijn tong voorbij praatte zonder dat hij zich daarvan ten volle bewust was? Voorwaar, als hij zo doorging en dit zou ontdekt worden, dan ging er beslist een stuk van af!

- Er zijn teveel mensen, zegde hij, en hij zegde dat met een zekere berusting, want er was niets aan te doen: mensen hebben seks, ze trouwen of ze doen dat niet; vrouwen willen kinderen, kopen kinderen, voeden die op... En er is ook nog voedsel genoeg voor iedereen, voegde hij daar aan toe: er zijn nog geen tekorten, wat men er ook van zegt; er wordt nog steeds veel meer voedsel vernietigd dan er tekorten zijn...

- Men laat het zijn gang gaan? Vroeg ik. En toen liet hij me schrikken:

- Ja, dat is wat gij denkt, trouwens samen met vele, vele anderen.

- Wat bedoelt gij? Drong ik aan.

- Zijt gij dan zo naïef om te geloven dat ge alles aan de weet komt van hetgeen gebeurt? Kom nu!

Ik wist allang dat burgers voor de aap gehouden worden, en ik wist dat samen met vele van mijn medeburgers: in principe kan elkeen die niet loopt te slapen, vaststellen dat bijvoorbeeld ten tijde van de ramp in Tsjernobyl, amper een kwart eeuw geleden, alle Belgen werden belogen door de minister, die dacht dat ze met haar leugens de kalmte handhaafde onder de bevolking. De weerman deed op het einde van zijn leven nog snel de bekentenis dat zijn weerbericht, met daarin de boodschap dat een radio-actieve wolk tot in Schotland de schapen van hun poten deed vallen, op commando van onze politici geschrapt werd en vervangen door een onschuldig praatje voor de vaak. Ik wist ook dat het ganse Zuid-Amerikaanse continent decennia lang onvruchtbaar werd gemaakt middels additieven in de dagelijkse voeding welke mensen kopen in supermarkten. Ik had ook weet van de gevangenenkampen in het Rusland van de Sovjets, en van censuur en oorlogspropaganda zowat alom ter wereld. Maar van wat mijn toevallige kamergenoot mij nu kwam te vertellen, had ik nog nooit gehoord; ik had daarover zelfs niet durven dromen.

- Er zijn gewoon veel te veel mensen, zegde hij, en dus moet daar hoe dan ook een deel van dood. Een niet gemakkelijk te nemen besluit voor bewindslieden, maar er is nu eenmaal geen enkel alternatief. Of gelooft gij dan dat men mensen er kan toe brengen om zich te beheersen, zeg maar om hun schone dagen in slotkloosters te gaan slijten, mannen en vrouwen onderling gescheiden? Of om zich onvruchtbaar te laten maken, al weze het op kosten van de staat?

- Daar valt niet mee te lachen, vriend! Zo berispte hij me nu ineens: ten tijde van de tweede wereldoorlog gebeurde dit. Ik kan u documenten tonen uit die tijd: brieven met voorstellen aan de Führer en aan zijn trawanten; brieven van grote geleerden, doktoren, mensen die de eed van Hypocrates hadden afgelegd. Kent gij trouwens niet die brief van Albert Einstein aan de Amerikaanse president, waarin hij die informeert over die krachtige bom die hij had uitgevonden, en die men niet nagelaten heeft te droppen op Hiroshima en op Nagasaki ofschoon de strijd toen al beslecht leek? Welnu, in precies dezelfde stijl schreven Duitse geleerden brieven aan hún Führer, waarin ze methoden voorstelden om de overtollige bevolking van Duitsland op een zachte manier, of althans geheel ongemerkt, uit te roeien. De gaskamers waren één van die voorstellen, maar er waren ook de bestralingsstoelen, hebt gij daarvan ooit gehoord?

- Het staat gedetailleerd beschreven in die documenten, mijn allerbeste vriend: de te ontmannen burger wordt geïnviteerd voor een gesprek met een overheidsbeambte, die hem een plaats aanwijst waar hij kan gaan zitten om een aantal formulieren in te vullen. Het karweitje kost zo'n twintig minuten tijd en gedurende die poos worden de genitaliën van onze niets vermoedende burger van onderuit bestraald met röntgenstralen, een dosis die zijn leven spaart doch die hem voorgoed onvruchtbaar maken zal. Een techniek die weliswaar tijdrovend was en weinig efficiënt, maar in die zin waren er dan ook talloze voorstellen, uitvindingen en experimenten. U kunt het raden: proeven in het belang van de ganse natie!

Ik kon het al raden waar hij op aan stuurde: vandaag gaat het er niet anders aan toe dan in die tijd, en de meesten onder ons weten ook niet dat het gebeurt, zoals ze het ook toen niet wisten. En hier te lande gaat het er net zo aan toe als elders: bestaat er trouwens één goede reden waarom men zou geloven dat pakweg Chinezen kwaadaardiger wezens zouden zijn dan Belgen? Alleen willen de mensen het niet weten, zij willen immers bedrogen worden.

- Uiteraard plukt men de mensen niet van de straat, ging hij tenslotte door; men zegt niet: meneer X of Y, kom maar mee, zoals elke derde voorbijganger die wij hier toevallig tellen... Kom dus maar mee, want één derde van alle mensen moet geliquideerd worden in het algemeen belang, maak zelf maar de proef op de som, dan zult ge zien dat als we helemaal niks ondernemen, wij ons straks in verschillende lagen zullen moeten opstellen om allemaal op de aarde te kunnen staan... Neen, uiteraard doet men dat niet!

- En wat doet men dan wél? Zo vroeg ik hem, want het kon toch helemaal geen makkie zijn om een methode te verzinnen teneinde een derde van alle burgers ongemerkt om zeep te kunnen helpen...

Hij lachte een hele tijd aan een stuk door, zijn lachen werd tenslotte een zuchten, en ik moest hem als het ware herinneren aan mijn vraag want hij leek ver weg te zijn met zijn gedachten.

- Ach, zei hij: de mens is een kuddedier! Een écht kuddedier, bedoel ik! Ongelooflijk hoe mak...

- Vertel het me dan! Zo drong ik aan, al ongeduldig.

- Ach, herhaalde hij: het is zo simpel en tegelijk zo eng... Wat doet gij als ze u zeggen, van hogerhand uiteraard, dat ge eens per jaar onder de scanner moet... bijvoorbeeld voor het opsporen van testikelkanker, of prostaat? Dat doet ge dan toch, niet? Ge twijfelt er toch zeker niet aan dat het voor uw eigen bestwil is dat men u dat vraagt? En zoudt ge achterdochtig worden als ge tenslotte niet verplicht wordt om u door te laten lichten? Neen toch? Ha, men zou het werkelijk nooit geloven, nietwaar! Over al te grote leugens denkt men immers direct dat ze onmogelijk zijn!

- En dan? Zo drong ik weer aan, terwijl hij nog spraakzaam was, want het was mij nu ineens een zaak van grote haast geworden, het was immers niet zeker dat hij praatziek zou blijven totdat hij mij alles had verteld, en nu wilde ik het ook wel weten, nu was mijn nieuwsgierigheid gewekt en ook mijn bezorgdheid uiteraard.

- Als ge opgeroepen wordt, dan gaat ge onder de scanner, zo ging hij door, en als men u hebben wil, dan heeft men u!

- Wees wat duidelijker, berispte ik hem.

- Als men u hebben wil, zei hij, dan vertelt men u dat gij kanker hebt, zo simpel is het. Of gaat gij twijfelen aan de diagnose?

- Ik kan altijd een tweede mening vragen elders, antwoordde ik snel, ervan overtuigd dat hij zomaar wat bazelde.

- Tja, dat kunt gij inderdaad doen, zei hij. Maar als gij te horen krijgt dat ge kanker hebt, dan is uw doodvonnis wel allang getekend! Of denkt gij misschien dat men u gaat doodvonnissen zonder dat gij in de ganse sector, en dat is internationaal, mijn beste, geregistreerd staat als ter dood veroordeeld? Zo dom kan men toch niet zijn, nietwaar?

- Maar bedoelt gij dan echt... dat gij gelooft dat één van elke drie mensen vermoord wordt!?

- Geloven doe ik helemaal niets, zei hij kordaat: ik zeg slechts wat ik wéét, mijn vriend. En wat ik weet, is dat één op de drie wordt uitgekozen om ter dood te worden veroordeeld. Eén op de drie krijgt te horen dat hij of zij kanker heeft, en ondanks het grote ongeloof op dat moment, gaat reeds na enkele dagen, soms zijn dat slechts minuten, tot de laatste man geloven dat het ook waar is wat de dokters zeggen.

- Vervolgens krijgen de kankerpatiënten te horen - afhankelijk van het soort kanker waaraan ze zogezegd lijden - dat zij nog een zekere kans hebben op genezing. Soms is dat een kans van vijftig of zelfs van negentig percent, soms een waterkansje van niet veel meer dan nul ten honderd. Genezen kan dan mits een welbepaalde therapie, en dat is dan meestal chemo of bestraling.

- Bij chemo laat men uw bloedvaten rechtstreeks vollopen met celdodend vergif, bij bestraling straalt men de cellen kapot, wat eigenlijk op precies hetzelfde neerkomt. Bij sommige mensen plant men zelfs een stukje radio-actieve materie onderhuids in. Men sterft dan dezelfde dood als de slachtoffers van de rampen in Hiroshima, Nagasaki of Tsjernobyl. Of men gaat ten onder aan vergiftiging of verstikking, terwijl men eigenlijk gelooft dat men geneesmiddelen krijgt toegediend...

- Dat kunt ge niet menen! Zo maakte ik me tenslotte kwaad.

- Waarom zijt ge hier? Vroeg hij ineens.

- Dat zijn uw zaken niet, antwoordde ik.

- Kanker?

Ik weet niet hoe hij het aan de weet gekomen was. Ik was opgenomen na een hersenscan die een tumor in beeld had gebracht, welke bestraald moest worden, want anders had ik helemaal geen genezingskansen meer. Door de tumor hallucineerde ik en kreeg ik welhaast dagelijks te kampen met verschrikkelijke angsten en met allerlei waandenkbeelden. Zo ging ik onder meer geloven dat de gestelde diagnose vals was, en slechts een voorwendsel van het 'sanhedrin' of hoe men het ook noemen wil, om mij net zo lang te kunnen bestralen totdat ik onder de zoden lag. Is de overbevolking immers niet het probleem bij uitstek vandaag de dag?

J.B., 6 september 2009 (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

De vaalt onder de radar (vervolg 3)

 

De vaalt onder de radar (vervolg 3)

De vaalt onder de radar of het vuil onder de mat: het komt daar terecht met een veeg van de bezem als de verantwoordelijke voor het netjes houden van het huis, de tijd mist of de zin om zijn taak naar behoren te vervullen. Het vuil moet de vuilnisbak in en via die weg zal het dan voorgoed verdwijnen maar als het onder de mat belandt, is het niet weg, het is alleen onttrokken aan het oog. En dat lot delen eveneens de praktijken en de theorieën die men niet zomaar kan doen verdwijnen ofschoon zij toch niet deugen, bijvoorbeeld omdat zij de haat aanwakkeren van meerderheden die aan minderheden het leven misgunnen daar zij van mening zijn dat de sterkeren de baas mogen spelen over de zwakkeren.

De overtuiging dat de sterkere rechten heeft over de zwakkere zit diep en in de roman Het recht van de sterkste van Cyriel Buysse, waar de sterkere een man is en de zwakkere een vrouw, toont de auteur hoe dit onrecht zoals wij dat nu zien, ook door de zwakkere wordt beaamd ofschoon die daarvan het slachtoffer is: de vrouw is dermate onderworpen aan de man dat zij omwille van die onderwerping de man gaat eren. De roman dateert van 1893 maar in zijn zes jaar eerder verschenen Zur Genealogie der Moral. Eine Streitschrift bewijst de wijsgeer Friedrich Nietzsche hoe het zich onderwerpen of akkoord verklaren met de verdrukker, die in het genoemde werk het christendom is, slechts wordt voorgewend om de eigenlijke drijfveer toe te dekken, namelijk de overlevingsdrang.

Het eerbetoon dat de sterkere te beurt valt (vanwege uiteraard de zwakkeren), volgt immers niet uit zijn excellentie of uit zijn beminnelijkheid maar is het voorwendsel dat door de zwakkere wordt beraamd vanuit diens drang tot zelfbehoud. De sterkere wil dat uiteraard niet weten omdat de kennis van het feit dat men door anderen gevreesd wordt, gepaard gaat met een zelfbeeld dat niemand wensen kan: de idee dat het eerbetoon dat iemand te beurt valt, geen gevolg is van bewondering en van vriendschappelijke gevoelens voor die persoon maar daarentegen een toneel dat vrees en afschuw voor de betrokkene moet verbergen, kan niet anders dan een psychologische foltering zijn.

En bij uitstek dat moet aan de ogen van het publiek worden onttrokken: de lofbetuigingen aan de overheersers zijn gespeeld maar te allen prijze moeten zij spontaan lijken: uit alles moet blijken dat de heersers niet worden gevreesd doch bemind en wat het volk echt denkt, moet verborgen blijven. Die Gedanken sind frei, de belijdenissen daarentegen liggen aan de ketting: zij zijn hypocriet maar die hypocrisie volstaat om het de overheersers naar hun zin te maken, het komt er voor hen op aan dat zij het gevoel krijgen door elkeen bemind te worden omwille van hun macht (waarin sympathisanten dan misschien zullen mogen delen) en in dat opzicht zijn zij vergelijkbaar met de bezoekers van prostitutiehuizen die betalen voor voorgewende, tijdelijke en derhalve voorwaardelijke liefde - die om die reden bezwaarlijk nog liefde kan heten: het is koopwaar.

Zo ook kopen machthebbers de illusie van lof, bewondering en vriendschap maar zij doen dat niet zozeer door te betalen of dus door met geschenken uit te pakken, zij doen het door te dreigen met straffen voor wie hen hun zin misgunnen. In die leugen leven dictators en het is dan ook hun straf dat zij naast de waarheid leven en derhalve naast de werkelijkheid: op het ogenblik dat het volk de kans schoon ziet, zal het niet nalaten zijn verdrukkers om te brengen en dat gebeurde in 1989 met Nicolae Ceaușescu van Roemenië en zijn vrouw Elena, hoofd van de Roemeense spionagedienst die er moest over waken dat er geen vuiltje onder de mat vandaan kwam en dat is het lot van menig tiran. Op grotere schaal gebeurde het bij uitstek ten tijde van de Franse Revolutie met de hele santenboetiek van de adel en de clerus: het vuil onder de mat is niet weg en op een keer kan het ook niet langer verborgen blijven.

Nu is de afkeuring door het volk van de praktijken van haar verdrukkers een zaak die heel terecht onder de mat vandaan komt maar onder de mat schuilen niet alleen terechte wensen en verwensingen: legio zijn daar eveneens de meest beestachtige verzuchtingen en de waanzinnigste overtuigingen. De uitbraak daarvan geeft carte blanche aan de duivel zelf en is bij machte om een beschaving in een mum van tijd in een ware wildernis te transformeren. Bekend is zoals hoger al gezegd het aan de macht komen van Adolf Hitler maar vandaag dreigt een nog groter kwaad gezien het kaliber van de middelen welke misdadigers ter beschikking staan eenmaal zij het heft in handen krijgen.

Wat zich op het huidige wereldforum in het volle licht afspeelt, zijn leugens: zij bedienen zich van argumenten welke de eigenlijke drijfveren moeten verkappen en moeten helpen onder de radar te houden. Eenzelfde verhaal gaat zowel bij ons als bij het bijzondere fabricaat dat 'onze vijand' wordt genoemd: wij worden bedreigd en wij moeten ons bewapenen voor het te laat is, zo luidt het: er is reeds een front waar helden sneuvelen, het is dringend en het is ernst, de speeltijd is voorbij. Er bestaan geen lofrijker daden dan deze van hen die hun leven geven voor hun naasten, zo voegen de vertegenwoordigers van God op aarde er aan toe, want dat is de prijs die zij betalen om door de macht gedoogd te worden: dat is de prijs voor hun tronen, kronen, opalen, marmeren zuilen waarop de frontons van hun paleizen rusten en het brokaat dat uit hun kleerkasten puilt.

En de macht, dat is het geld, de verstoffelijking van de hebzucht, die nooit te vullen put: de mammon benijdt het leven en zijn vruchtbaarheid en profileert zich daarom als een zichzelf vermenigvuldigend goed middels beleggingen en investeringen. Het beleggen in voedsel dat noden lenigt, rendeert maar de investering in gif dat aan verslavingen tegemoet moet komen, brengt heel wat meer op aangezien verslavingen met het geldbezit de onverzadigbaarheid delen. En de meest rendabele belegging is die in wapens: arbeid houdt iemand in leven maar moordpartijen maken hem rijk.

De hebzucht en de moordzucht worden weliswaar verborgen maar wat baat rijkdom als men er niet mee pronken kan? En de pronkzucht verraadt prompt haar zusters en op die wijze komt de aap uit de mouw, komt het vuil onder de mat vandaan, manifesteert zich het kwaad in de gedaante van de algehele vernietiging van de aarde met al haar bewoners. Van de ene dag op de andere kan men openlijk “Heil Hitler!” roepen, zoals dat een poos later dan weer ten strengste wordt verboden en bestraft. Men hoeft eindelijk niet langer te veinzen dat men ook vindt dat conversietherapieën mensen verminken en dat ook homo's recht op leven hebben; men kan het nu vrijelijk uitschreeuwen dat vrouwen aan mannen toebehoren, dat waarschuwingen voor milieurampen zottenpraat zijn en dat de mens de koning van de schepping is.

Aan die omkering van alle waarden laaft zich de lang opgekropte haat en als men behoort tot de geviseerden, is op de vlucht slaan alles wat men doen kan: men laat alles achter om het kostbaarste bezit van het leven er niet bij in te schieten. Toen in de jaren dertig van de vorige eeuw de nazi's aan de macht kwamen en de toekomst bijzonder onvoorspelbaar werd, namen homoseksuele intellectuelen de gifpil en vluchtten alle bemiddelde joden naar Noord-Amerika; hun huizen, goederen en geld werden ingepalmd door racisten, wat ook gebeurde met de bezittingen van wie in de gaskamers belandden en aldus schiepen zich de wreedaards 'Lebensraum'.

Hetzelfde scenario herhaalt zich doorheen de hele geschiedenis: waar het nazisme zes miljoen onschuldigen ombracht, waren dat er in de Congo onder Leopold II twee keer zoveel en ook daar moest er gejuicht worden voor de voorgewende christianisatie en de beschaving van een volk, terwijl de gruwel, door Joseph Conrad zo treffend beschreven in zijn Heart of Darkness, onder de radar bleef en vandaag opnieuw onder de radar moet verdwijnen want in 2030 bestaat ons land tweehonderd jaar en dat zal tot elke prijs worden gevierd, en wel in het jubelpark, een van de trofeeën overgehouden aan een van de bloedigste genocides uit de menselijke geschiedenis.

(J.B., 24 juli 2026)

De vaalt onder de radar (vervolg 2)

 

De vaalt onder de radar (vervolg 2)

De Romeinse godin Venus - Aphrodite bij de Hellenen - is de godin van de liefde naar wie de tweede planeet van ons zonnestelsel wordt genoemd en die verkeerdelijk een ster genoemd wordt, meer bepaald de Morgenster (die overigens dezelfde is als de Avondster) of de Lichtbrenger - Lucifer - die zowel naar de duivel (de opstandige Rede) verwijst als (in het Exsulset van de Rooms-katholieke ritus) naar Jezus, de Messias. In de vierendertigste zang van het Inferno van Dante's Comoedia bevindt Lucifer zich, onttrokken aan alle licht en warmte, in het centrum van een meer van ijs, in het binnenste van de aarde waar hij, als de personificatie van het kwaad, vreet als een worm aan het hart van de wereld: "il reo verme che fora il mondo", of: “de boze worm die de aarde perforeert.”) Ook in de Helleense onderwereld, verpersoonlijkt in de god Hades, heerst de duisternis of de nacht waarin, dan weer in de Christelijke mythologie, als een dief, de dood komt. Het donker is de afwezigheid van licht waaronder ook het licht van de kennis valt: het is de onwetendheid, die paradoxaal genoeg met de paradijselijke onschuld van de eerste mensen wordt geïdentificeerd. En de realiteit van die inconsistentie creëert een onbestaanbare wereld die echter de onze is. Het is het bestaan dat het licht heeft afgewezen en dat daarom alleen nog een tranendal kan zijn. Het aan de openbaarheid ontsnappende is het verborgene waarin het kwaad geschiedt, het is hetgeen onder de radar blijft, geheel ongezien, terwijl het er toch is en daarom ook wordt het gevoeld, en in de eerste plaats door zijn slachtoffers uiteraard.

De wet die het recht moet handhaven, verbiedt het in allerlei bewoordingen om medemensen onrecht aan te doen maar haar kracht kan nimmer groter zijn dan het vermogen van haar controle en omdat zij niet kan zien waar duisternis heerst, ontsnapt het boze aan het oog en lijden slachtoffers in stilte. Daders hoeven zich niet te verbergen zolang het kwaad dat zij berokkenen niet aan hen kan worden toegeschreven omdat het ongezien gebeurt, wat betekent: omdat het onder de radar blijft. En daar de bozen de radar besturen, hebben zij vrij spel, ook in dat deel van de wereld waar de zon schijnt en waar alles zichtbaar is voor alle ogen.

Van het kwaad dat zich onder de radar verschuilt, weten behalve de boosdoeners zelf, alleen hun slachtoffers af, die eronder lijden; alle anderen verkeren daaromtrent in het ongewisse en bovendien prefereren zij die onwetendheid boven de kennis van de waarheid om niets hoeven te doen want kennis van onrecht schept verantwoordelijkheid daarover en roept op tot ongemakkelijke actie. De joodse filosofe Hannah Arendt had via haar zich met het nazisme compromitterende leermeester die de grote wijsgeer Martin Heidegger was, kennis van de plannen van Hitler om de joden uit te roeien en aldus bevond zij zich in de bijzonder ongemakkelijke positie van degenen die het onheil zien aankomen terwijl zij de middelen missen om het te voorkomen, met uitzondering van hun profetische stem die hen sowieso in levensgevaar brengt. De Duitse medici aan wie de nazi's alom propagandafilms vertoonden met plannen voor de 'gezondmaking van het volk', zoals zij hun genocide heetten, terwijl in de couloirs van de cinemazalen hun lijfwachten met het geweer in de aanslag patrouilleerden, zwegen uit doodsangst en zij deden dat zonder een enkele uitzondering - één uitzondering zal er wellicht geweest zijn maar niemand kan eraan twijfelen dat die gewis even snel als vakkundig werd 'geneutraliseerd'. De moord op Karel Van Noppen maakt dat de held geen navolging zal krijgen omdat zijn lot voorspelbaar gewis wordt gedeeld door al wie geen gehoor wensen te bieden aan de macht van het geld en hetzelfde geldt met betrekking tot alle andere helden die men daarom kan tellen op de vingers van twee handen en van wie wij ons Patrice Lumumba herinneren, Aleksej Navalny en nog enkele anderen maar talrijk kunnen wie excelleren nimmer zijn. Deze enkele voorbeelden uit een eindeloze reeks illustreren dat de radar - en dat is een verklikker - de verklikkers zelf zal sparen in hun jacht op de prooien welke zondebokken zijn in de betekenis die René Girard aan een wreedaardige maar alom ingeburgerde praktijk heeft gegeven: de onschuldige die tot demon verklaard wordt en dan opgeofferd om aldus wars van zijn eigen wil zijn moordenaars van hun angsten en frustraties te bevrijden.

Onder de radar situeren zich wandaden die hun gelijke niet kennen maar alleen de daders zelf en hun slachtoffers zijn daarvan direct getuige, ofschoon op grond van de gang van zaken in de wereld, principieel iedereen wel kan vermoeden wat er aan de gang is in den duik - edoch, angst en gemakzucht doen de massa zwijgen. Het lijkt dan alsof de massa helemaal niet handelt maar de betekenis van zwijgen voor de getuigen van een genocide is medeplichtigheid aan moord, zoals schuldig verzuim ook heet.

Wie kunnen vermoeden wat zich afspeelt onder de radar, zwijgen en dat zwijgen neemt vele vormen aan, waaronder het liegen. In zijn 1984 laat George Orwell zien hoe Big Brother mensen in zijn macht heeft als hij hen leugens kan laten belijden - een activiteit welke aan iedereen bekend is die ooit in de greep van een godsdienst was. Wie zich onbekwaam weten om de waarheid te spreken of om hem ook maar te denken, zijn in handen van een vreemde macht, zij zijn onvrij en derhalve onbetrouwbaar, laf en asociaal, ook al doen zij met de massa mee alles wat van hen verlangd wordt - maar uitgerekend om die reden. Religies verlangen van hun belijders dat zij de deviezen uit hun heilige geschriften onderschrijven of beamen en zo bijvoorbeeld menen katholieken dat zij homo's moeten veroordelen en conversietherapieën aanprijzen. Dat geloof is uiteraard strijdig met de rede die ervoor zorgt dat het kwaad dat door die waanzin wordt veroorzaakt, strafbaar wordt gesteld teneinde de wrede praktijken in te kunnen dijken en om die reden liegen de gelovigen als hen gevraagd naar hun mening over mensen die deel uitmaken van de 'queue' zoals de LGBTQ+-groep nu wordt afgekort. Voorstanders van conversietherapieën telt ons land niet meer sinds het wettelijk verbod op de verminkingen die erdoor worden verkapt en hetzelfde geldt voor Nederland waar het verbod geldt sinds een goede maand. Maar dat betekent enkel dat men zich niet meer uitspreekt tegen homo's, het betekent niet dat men zijn mening heeft gewijzigd: meningen in strijd met de wet hoort men niet langer maar ze zijn er nog, ze zitten onder de radar. En men kan vermoeden dat de wangedachten die zich onder de radar schuilhouden, gelijke pas houden met het wettelijk verbod dat op de uitvoering ervan rust. Ook kan men op grond van de geschiedenis voorspellen dat bij het verslappen van de handhaving der wet, het openbarsten van de donkere kelder onder de radar, niets minder dan een burgeroorlog zal uitlokken met ongeziene moordpartijen. En die kentering komt er zonder twijfel, het is alleen een kwestie van tijd.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 24 juli 2026)

De vaalt onder de radar (vervolg 1)

 

De vaalt onder de radar (vervolg 1)

De hedendaagse logica en de taalanalyse benadrukken het contextgebonden karakter van de waarheid: een redenering kan louter 'wiskundig' gezien perfect kloppen maar geabstraheerd van de feiten herinnert zij aan het relevantieprobleem dat René Descartes beangstigde: wiskundige waarheden zijn dermate waar dat ze ook gelden in de droom maar uitgerekend om die reden, namelijk dat zij helemaal geen onderscheid blijken te maken tussen de werkelijkheid en de droom, verliezen ze elke relevantie; zij staan met andere woorden niet in betrekking tot de werkelijkheid, ze zijn alleen waar in hun eigenste ivoren torentje, hun 'spel', en op de keper beschouwd hebben ze geen enkel nut en kunnen ze alleen maar misleiden of dus, paradoxaal genoeg: liegen. De stelling dat de retorica wezenlijk de leugenaarskunst is, vindt in deze paradox zijn fundamenten.

Het hoeft geen betoog dat de zogenaamde parlementaire democratie om die reden een bijzonder misleidende bedoening is: dat zij de macht geeft aan het volk (demos), waaronder moet verstaan worden de meerderheid, is een gekend pijnpunt maar dat zij parlementair is, wat wil zeggen dat een consensus tot stand komt door bespreking (parler), zet kennelijk ook de scherpste critici op het verkeerde been. De (parlementaire) discussie wordt immers niet beslecht door de geldigheid van de aangevoerde argumenten te beoordelen volgens wetenschappelijke, wiskundige maatstaven maar godbetert door stemming, wat wil zeggen dat niet het beste argument het haalt maar wel het 'sterkste' in de zin van datgene wat gesteund wordt door de meerderheid. De besluitvorming lijkt dan gebaseerd op redelijk overleg maar in feite veegt zij alle te berde gebrachte argumenten onder de mat door uiteindelijk de beslissingen afhankelijk te maken van de wil van de meerderheid, wat inhoudt dat hier niet de rede of de menselijkheid triomfeert maar wel het recht van de sterkste, de wet van de jungle.

Dat de beschreven politieke handelwijze is doorgedrongen in de wetenschappelijk geachte wereld van de universiteiten, is een ware malaise. Gekend doch helaas kennelijk veeleer begeerd dan geschuwd is de financiering van het wetenschappelijk onderzoek, en wel door allerminst op waarheid doch op winst gerichte firma's. Dit kwaad kent een wel bijzonder frappante exponent in de coïncidentie van de betrokken firma met de wetenschapper en zo bestaat het dat een universiteitsprofessor de staat verzoekt om de subsidiëring van een naar diens inzicht wetenschappelijk ware theorie, in casu het darwinisme, naar zijn zeggen: om die bij het grote publiek te kunnen promoten. Voor de slechte verstaander: wie beweren ervan overtuigd te zijn dat aan het darwinisme evenmin te tornen valt als aan de stelling van Pythagoras terwijl zij die overtuiging kracht willen bijzetten met geld, spreken zichzelf tegen daar zij zodoende de ontoereikendheid van hun argumenten erkennen.

Politici, die vaak geen kaas gegeten hebben van logica en van taalanalyse, zijn door de band opportunisten die bij gebrek aan beter met contexten gaan schuiven teneinde op die manier hun gelijk binnen te halen. Zij zorgen er wel voor dat het publiek zich blind staart op de argumenten die zij aanbrengen maar wat dan aan de aandacht onttrokken blijft, is de selectiviteit waarmee demagogen of manipulatoren opereren: zij creëren aldus geheel willekeurig de context voor hun betogen. De idee dat de feiten zijn wat ze zijn, is essentialistisch en derhalve bijzonder misleidend: feiten zitten in een context ingebed en waar zij anders worden belicht, verandert hun hele uitzicht mee.

Contexten (die de waarheid mee bepalen) hebben veelal te maken met wiskundig gezien onredelijke zaken maar de onredelijkheid bij uitstek situeert zich in het goochelen met contexten. De lezer denkt hier uiteraard spontaan aan de naam van de Amerikaanse zoekmachine 'Google' van het Californische bedrijf van de multimiljardairs Lattry Page en Sergey Brin en snapt meteen waarom de E.U. (die van het genoemde bedrijf tot heden driewerf een miljardenboete inde) nu dringend werk meent te moeten maken van een eigen, onafhankelijke ChatGPT.

Het mondiale geldspel of dus de corruptie neutraliseert het redelijke en daarmee ook al het menselijke maar haar werkzaamheden, per definitie misdaden, blijven onder de radar omdat zij de radar eigenhandig stuurt. Terwijl de rede haar kracht aan de openbaarheid ontleent want aan de voor principieel iedereen toegankelijke rechtspraak, bevindt zich alles wat met de rede in strijd is, in de duisternis waar de jungle lustig zijn gangetje blijft gaan. Niet de waarheid deelt daar de lakens uit, niet de argumenten, doch het met drogredenen en leugens verkapte spel van beestachtige instincten.

Criminelen hebben de rader in handen: met gigantische constructies van leugens houden zij de misdaden uit het licht en uit het zicht, wat de bijzonder bedrieglijke indruk geeft dat die er helemaal niet zijn. Maar men herinnert zich de situatie in het Duitsland voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog waar de moorddadige nazi-beweging onder de radar bleef met de ongeremde liquidatie van haar opponenten totdat Hitler aan de macht kwam en de realiteit achter de cognitieve dissonantietheorie van Léon Festinger ervoor zorgde dat de demon door het volk allerminst verafschuwd werd maar daarentegen onmiddellijk verafgood, hetgeen een zoveelste illustratie vormde van een waarheid uit oeroude sprookjes, waaronder het Arabische verhaal Aladin en de wonderlamp uit الف ليلة وليلة of de Vertellingen van Duizend-en-één-nacht, dat evenals nog een andere vertelling uit die bundel handelt over het onomkeerbare ontsnappen van 'de geest (van het Arabische 'djinn', via het woord 'genie') uit de fles', wat ook de titel is van een sprookje van de gebroeders Grimm en wat in de westerse natuurkunde een bekende variant heeft in de zogenaamde Tweede wet van de thermodynamica of de Wet van de entropie, de vervalwet, welke samenhangt met de onomkeerbaarheid van de tijd of met de verschrikking van het noodlot. Dat bestaat er nu meer bepaald in dat de Golem over de mensen heerst, met andere woorden dat het belangrijkste verhaal op het huidige wereldtoneel, de tragedie van de middeldoelomkering is: wij blijken gedegradeerd tot gebruiksvoorwerp van onze gebruiksvoorwerpen.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 23 juli 2026)

Nosferatu (J.B., Verhalen 2006-2009)

Nosferatu



Er is een oud houten schip dat over bijna rimpelloos water, stilletjes klokkend, in melkdichte mist, tussen koude stellingen, een verlaten haven welhaast ongezien naar binnen schuift. Het zwalpt, botst tegen de kade aan, draait vanzelf zijwaarts, botst opnieuw, leunt tegen de oever, schommelt, raakt vast in 't slijk. Daar duiken uit de buik van 't schip dat eerst verlaten leek, rappe ratten op, naarstig snuffelen zij zich een weg naar de rand van hun container, zij hebben land geroken, in lange, grijze colonnen gaan zij aan wal. Het land slaapt nog, de mensen hebben geen zorgen en hun dromen zijn quasi ondoorzichtig zoals de nevelen van deze ochtend die een vreselijk tijdperk inluidt. Nog in de stille morgen wordt het schip ontdekt, wordt de dode schipper die kennelijk zichzelf aan 't stuurwiel knevelde, losgemaakt, wordt het ruim doorzocht, wordt het logboek ingekeken, wordt ontdekt dat de ganse bemanning omkwam ingevolge de zogenaamde zwarte dood. Nosferatu, zo hebben zij hem genoemd, is hen voor geweest, hij is al ontscheept, hij heeft het continent reeds ingenomen en hij heerst zoals alleen de dood kan heersen.



Stultiferi navis, de boten der krankzinnigen, want in de middeleeuwen werden de gekken op een schip geplaatst en dan helemaal zee-inwaarts gejaagd, zogezegd naar het beloofde land maar eigenlijk om nooit meer weer te keren. Ergens worden schepen weldoordacht van duistere ladingen voorzien en 't land van golven ingestuurd, met de vaste overtuiging dat ze zullen stranden waar ze dat ook moeten doen, zoals oude paarden die vanzelf naar huis gaan wijl hun boer al op zijn karre slaapt, alsof elk van deze boten zijn lot kende en beminde, zoals men zijn bezit bemint. Naarstig worden zij geladen, deze schepen die schijnbaar hun baan al kennen sinds het begin der tijden; maar wij weten wel beter want het zijn hun banen die hen dragen, het zijn de stromingen die de schepen brengen waar ze stranden moeten, precies zoals ook de scholen vis in de zee en de zwermen vogels in de hoge luchten op hun eigen stromen drijven en aldus belanden waar die wegen van water en van lucht hen als vanzelf afleveren en waar zij thuis horen. De ganse ruimte en de tijd: zij liggen vast en alles is sinds het begin in orde, het draait zoals een speeldoos, noot na noot wordt het programma afgewerkt, het draaiboek en het drama, want alles komt uiteindelijk goed daar alles rust vindt in de dood voor immer.



Lang heeft het grote continent aldaar gelegen, wachtend op haar meester als een bruid, aanzwellend van levend bloed, dag na dag en jaar na jaar, de eeuwen gleden weg, totdat de tijden kwamen die steeds zullen blijven wederkeren. De tijd van de geboorte was nu lang voorbij, en die van de groei en daarna die van de overmoed, tenslotte deze van de ondergang. Al die tijden, zij waren voorbij, en in deze ochtend van stille waters en van mist kwam met het oude schip dat deze stroming bracht, de tijd aan wal van Nosferatu, zoals ook de tijd komt van de made als de vruchten rotten in de o, zo schone herfst der dichters. Hij wachtte totdat 't gehoorzaam schip tegen de kade leunde en zette dan voet aan wal zonder ook maar een ogenblik te aarzelen, alsof hij dit al duizend keren had gedaan. De melkwitte mist deed zijn zwarte mantel grijs uitslaan en leek zijn gestalte uit elkaar te halen in ontelbare delen: kleine, grijze en haastige vlekken die gelijk in een wirwar dooreen wriemelden. De vage vlekken zochten orde, zij vormden een colonne en kregen poten, kropen snuffelend voort, elk gevolgd door een lange, grijze staart en een muziek voortbrengend van zo hoge tonen dat zij de oren doof maakten van al wie het tafereel van te dichtbij wilde aanschouwen.



Het gebeurde allemaal in een zeer verlaten verte, want de haven lag die ochtend in de verte, het zwakke ochtendlicht waaruit de nacht voortijdig weggewassen was door melkachtige nevels, bedroog het oog verraderlijk van elkeen die wilde zien wat eigenlijk niet voor mensenogen is bestemd tenzij ze slapen, dromen en niet weten of wat op hun netvlies speelt, afkomstig is van buiten uit het licht der wereld of van binnen uit de nachten van de ziel. Die verten leken reeds na luttele minuten, of waren het slechts seconden, op te lossen in de spiegelingen van het water: het schip leek wel gezonken nu, gezien geen spoor meer achterbleef van 't statige visioen, maar toen het licht hoog in de luchten klom, wist ieder die ontwaakte dat deze dag heel anders was, dat hij gekomen was en dat hij met stille hand, zoals het een dief past in de nacht, het land voorgoed had ingenomen.



En is zij niet zacht, de hand van de dood, die de furie van de hoop verjaagt, die 't gek en overspannen doen van dove blinde meuten tot bedaren brengt, die kermissen verstillen doet en die alleen het zachte wenen duldt en het geknars van tanden? Heelt zij niet de in vuurwerk en in wild lawaai ontaarde steden van kille graniet die ooit vruchtbare akkers waren? Brengt zij niet weer tot rust die uit zichzelf gebarsten zijn en die hun oorsprong en hun moeder zijn vergeten, die zich helden, ja, goden wanen wegens een of andere beurs vol met gestolen goud? Dapper zwijgen doen zij allen als de dood voorbijtrekt, deze anders zo luidruchtige lieden, en hun gebrul verstomt, onder de aarde verbergen zij hun lijf zoals onooglijke dieren dat doen als in de verten donderslagen de aarde doen beven, als was er een golem in aantocht.



Het is Nosferatu wiens gestalte opdoemt aan de kim, een nerveus gefluister vermengt zich met de dunne winden en nauwelijks stijgt iets daarvan ten hemel. Nosferatu spreekt tussen zijn tanden, zijn stem klinkt kalm alsof hij ons de eeuwige rust kon schenken en op de keper liegt hij niet eens als hij zijn wijsheid voorlegt aan wie leven willen, hij scandeert: elk levend wezen is in zijn voortbestaan afhankelijk van ander leven omdat elkeen nu eenmaal eten moet. Wij eten elkaars vlees en ook drinken wij elkanders bloed en op die wijze nemen wij andermans levenskracht tot ons, leven wij voort, planten wij ons voort en leren wij aan onze kinderen hoe zij slechts met het bloed van anderen verder kunnen gaan. Goddelijk zijn al wie hun vlees en bloed offeren opdat anderen zouden kunnen voortbestaan, en zij verenigen zich in de Kristus die hen voordoet hoe dat allemaal moet, daar Hij de Tegenvampier is, de Anti-Nosferatu, terwijl ikzelf, die gij zo gaarne 'Nosferatu' noemt - zo loopt zijn betoog ten einde - toch niemand anders zijn kan dan de Anti-Krist?!



En antwoordt gij mij nu eens in alle eerlijkheid: passen zij niet perfect samen zoals het water en het land, de dag en de nacht, de ouders en hun kroost, ja, zoals man en vrouw: enerzijds diegenen die het bloed van anderen op mysterieuze wijze drinken en, anderzijds, zij die zich in een misschien nog groter sacrament, offeren aan die gulzige slokken?



Hij ging, zijn gestalte verzwond tegen de donkere onweerswolken, nog eenmaal zette de bliksem zelf Nosferatu in lichter laaie en dan was en bleef hij zoek; alleen in de verten hoorde men nog zijn stappen daveren en wapperde zoals een enorme donderwolk tegen de onweershemel, de nachtzwarte cape. Hij liet een land achter, vol van zijn sporen, jammerklachten stegen uit de wakke grond ten hemel en er was geknars van tanden en gekrijs en ook was er een gesmoord gehuil te horen.

(J.B., Verhalen 2006-2009)



 

Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten