Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

Archief

De vaalt onder de radar

 

De vaalt onder de radar

Iemand zadelde mij ooit op met het cryptische gezegde dat de mensen die wij tegenkomen op straat, eigenlijk het topje van een ijsberg vormen. De puzzel loste zich pas op toen die persoon haar zin verduidelijkte met een tweede: “We zien er allemaal alleen het schoonste van.”

Neem nu de buur die vol pit heel even binnenwipt om in een mum van tijd het laatste nieuws kond te doen en dan als een hazewind weer te verdwijnen: men zou er moedeloos van worden, zo sprak mijn tante: ofschoon al jaren met pensioen, weten die lui met hun energie geen blijf, ze springen rond alsof ze nog drie maal zeven zijn en blijken van alles op de hoogte; als je hen mag geloven, stammen ze van prinsen af en zijn hun kinderen toplui teweeg in regeringskringen; hun haast verklapt dat ze overal worden verwacht en moeten woekeren met hun tijd; nog niet bekomen van de jetlag, moeten ze morgen alweer speechen op een of andere conferentie in het buitenland.

Inderdaad, dat is het topje maar de ijsberg onttrekt zich heel sluw aan het gezicht: het ogenblik dat Megafrivolia je op een schijnbaar toevallig bezoekje vergast, wordt voorafgegaan door urenlange horizontaliteit, een volle kan zwarte koffie en een handvol pijnstillers. Dan volgt nog de opsmuk van ruim dertig minuten met als toetje enkele lagen poeders en pommades om de rimpels weg te steken, een lading Parijse parfums voor onder de oksels, een flaconnetje tegen halitosis, wat kleursel en stijfsel voor de nieuw gecoiffeerde bles en de installatie van de 'eettafel' zoals een tandprothese wel eens wordt genoemd. Uiteraard is er dan ook nog de verkleedpartij met het modieuze jasje en het nagelnieuwe schoeisel dat voor de vitrine urenlang in twijfel werd aanschouwd met een hoofd als een op hol geslagen rekenmachine maar die uitrusting kan nimmer falen om de buur de ogen uit te steken en de moed in de schoenen te doen zakken, want dat is wat wordt beoogd om het Franse spreekwoord andermaal te staven: “Mal de voisin réconforte et même guérit.”

Niet overdrijven met uw beschrijvingen, zo hoort men de een, de ander berispen maar het is een feit dat de mens een wolf is voor zijn medemens en nog meer waarheid schuilt in de wetenschap dat op de beschreven wijze ontmoedigde buren, jammerlijke slachtoffers van hun eigen veralgemeningen zijn: zij gaan geloven, want dat was de bedoeling, dat de energieke indringers 24/7 functioneren zoals in buurvrouws vertoning van luttele minuten.

Ja, de mensen die wij op straat tegenkomen, zijn maar het topje van een ijsberg, we zien hen in de korte tijdspanne in de openbaarheid dat zij opgetut zijn en te been maar achter de hoge gevels van de huizen figureren zij in een heel andere cinema: zij slijten de vele uren, dagen, jaren van een allerminst koninklijk bestaan met wroeten, wassen, plassen, kermen en ook consultaties bij een resem medische experten, voor elk denkbaar orgaan wel een, om dan eens op zijn paasbest voor de dag te kunnen komen en de buur een hak te zetten.

Nu overdrijf je toch een beetje! - zo hoort men andermaal hoe de een, de ander de les spelt maar er is wel iets van aan, openbare vertoningen zijn het wat leugenachtige topje van een minder fraaie ijsberg, zij zijn een toneel vol verkleedpartijen met uit het hoofd geleerde en door specialisten opgestelde frasen en ze zijn ook bedoeld om het publiek op het verkeerde been te zetten, wetende dat het veralgemenen is, wat mensen doen: zij denken dat wat zij zien, de ijsberg zelf is maar het gaat slechts om het topje. De ijsberg zelf, het echte toneel, telt alleen kreupelen in geïmproviseerde lompen, wiens uitspraken pas rijmen en stafrijmen als het doorwinterde vloeken zijn. En ten derde male hoort men de vermaning en nu heel luid: maar je overdrijft!

Akkoord, men overdrijft. Maar wie dat niet doen, vallen ten prooi aan een veralgemening die de moed in elk paar schoenen zakken doet. Want op straat komen, is niet zomaar de deur uitgaan, tenzij men jong is maar heel lang duurt dat ook niet want alras komen de kwalen en het is geen sinecure om die weg te blijven steken. En dat moet men ook doen omdat men zijn medeburgers hoort te vrezen: zwakheden niet aan het oog onttrokken, lokken lui met bedoelingen die niet altijd even zuiver zijn, denk maar aan pickpockets die alleen maar portefeuilles zien, gsm's en geruisloos open te ritsen zakken. En erger nog dan dat zijn smaad en spot.

Geen haast en spoed want aan het betreden van de openbare weg gaan heel wat voorbereidingen vooraf en wat wij zien verschijnen, is een fractie van een veel omvangrijker gebeuren. Dat geldt voor bijvoorbeeld een artiest die zijn nummer van welgeteld vijftien minuten opvoert in een circus met een publiek van... deze dagen mag men blij zijn met vijftien man. Voordat hij het inkomgeld opstrijkt, heeft hij niet alleen vele uren moeten oefenen maar hoefde hij ook eerst nog grootgebracht te worden, ja, men kan het hier zelfs hebben over de groei van de bevruchte eicel in de baarmoeder, de dracht van negen zorgzame maanden, de noeste arbeid van de vader die moet zorgen voor de spijs, het onderdak, de kleding, de kindertijd welke voor het kind altijd een eeuwigheid lijkt van diep verwenste dressuur op schoolbanken in afstandelijke instituten waar hij een nummer is zoals elk ander. Zijn geluk culmineert in de vijftien minuten voor evenveel volk en in dat licht is het loon dat hij des avonds als hij de boel heeft opgekuist, mag tellen, een detail, al herinnert het hem telkenmale aan de bijna-overbodigheid van zijn bestaan.

De mensen in de straten maar ook de straten zelf zijn alleen maar het topje van de ijsberg: ooit waren hier niets dan moerassen, moeizame irrigatie legde beetje bij beetje enkele plekken droog zodat men kon wandelen over de dijken en vele eeuwen, ja, millennia duurde het vooraleer er was wat wij nu zien. En dan moet men het nog hebben over wat onder de straten ligt, geheel verborgen: een infrastructuur waarvan de complexiteit doet duizelen. En evenzeer onttrokken aan het oog doch noodzakelijk aanwezig zijn de instrumenten die rondcirkelen in de ruimte en die onze communicatie mogelijk maken. De mensen, de straten, de staten, de wetten, de wetenschappen, de economie en de techniek en dat dit alles zo kan blijven draaien, dat elk te onderhouden en vervangbaar onderdeel zijn plekje heeft, dat allen eerst klaargestoomd moeten worden voor hun optreden van vijftien minuten, en dat dit alles zich herhaalt, vermenigvuldigt en op de koop toe steeds omvangrijker wordt, energieker en ook slimmer, en in de pas blijft lopen als een uurwerk... Een Zwitsers uurwerk weliswaar want precisie vereist aandacht en attentie vergt veel zuurstof en dus reine lucht die men alleen inademt als men resideert in de bossen en de weiden aan de voet der Alpen.

Maar onder het vertoon van de gigantische wereldklok rust wat men met steeds meer moeite tracht te onttrekken aan het oog, een vaalt: een kerkhof als het ware voor de mensen en de dieren, als zij niet op het bord belanden, alsook voor de instrumenten die immers verslijten, het afval van de onnoemelijke maaksels en de restanten der producten van een vrije markt in vrije val. Want dat geheel gaat gisten na verloop van tijd, de plek die het kreeg toegewezen, geraakt vol en kan niet meer worden bezet door iets dat toonbaar is en mooi. Er komt een eind in zicht, voorspeld maar alsnog onverwacht zoals dat immer met ongevallen het geval is.

(J.B., 22 juli 2026)

 

Het 'bijna-leven' (J.B., Verhalen 2006-2009)

Het 'bijna-leven'

Men hoort het wel eens vaker zeggen van mensen die van die bizarre speculaties maken: indien er na dit leven - na de dood dus - nog een leven zou zijn, dan zou het voor hen die zich aldaar bevinden, uiterst moeilijk zijn om zich te realiseren dat ze eigenlijk al dood zijn.

Wie zich bewust is, wie kent en weet, die veronderstelt ook spontaan dat hij bestaat. "Je pense, donc je suis", zo zegde het de grote Franse filosoof, René Descartes: "Cogito, ergo sum", of: "Ik denk, en dus besta ik".

Descartes zei echter niét: "Je pense, donc je vis", of: "Cogito, ergo vivo", of: "Ik denk, en dus leef ik ook". Bestaan is namelijk iets heel anders dan leven.

Sommigen zeggen dat men eerst moet leven om te kunnen bestaan: volgens hen is er buiten het leven geen bestaan mogelijk. 'Dood-zijn' is volgens hen dus: helemaal niet meer zijn. Wie dood is, is eigenlijk niet dood, omdat er in de dood geen sprake meer is van een 'zijn' of een 'bestaan'. Bepaalde Oude Grieken deelden deze gedachte, en zegden daarom ook dat wij de dood nooit kunnen ontmoeten. Immers: "Zolang ik er ben, is mijn dood er niet, en van zodra mijn dood er is, ben ik er niet meer."

Zonder het leven, is er geen bestaan, zo zeggen zij, en zonder het leven is er ook geen denken, geen bewustzijn, geen besef mogelijk.

Gelovigen denken daar heel anders over.

Wie gelooft, weet dat het bestaan niet ophoudt met de dood: een met het bestaan gelijktijdig leven is geen voorwaarde voor dat bestaan en voor het bewustzijn van dat bestaan, al moet iemand wel eerst geleefd hebben - dat wel zeggen: geboren zijn, of tenminste: ontvangen zijn - teneinde te kunnen bestaan. Het leven is voor de gelovige wel een noodzakelijke voorwaarde voor althans het menselijk bestaan, maar dat leven zelf hoeft zich niet voort te zetten opdat het bestaan zelf werkelijk zou kunnen blijven. Voor de gelovige is het leven als het ware de vonk die het vuur van het bestaan in gang zet. Edoch, eenmaal brandende, heeft het vuur de vonk niet langer nodig: het onderhoudt zichzelf, het kan niet meer uitdoven of geblust worden.

In termen ontleend aan de natuurkunde, lijkt het wel alsof hier een wet gelijkend op de wet van de traagheid werkzaam is: eenmaal een bepaalde kracht heeft ingewerkt op een stilstaand voorwerp, zodat het in beweging komt, hoeven er verder geen krachten meer op dat lichaam in te werken opdat het in beweging zou blijven. Het leven nu, zou dan vergelijkbaar zijn met die kracht die de beweging schept, maar als die kracht van het toneel verdwijnt, blijft de beweging zelf bestaan. Zo ook lijkt het er heel sterk op dat, voor de gelovige, het leven 'slechts' die kracht is die iemand tot bestaan brengt: het bestaan zelf kan, eenmaal het feitelijk is, niet meer zomaar in het niets verdwijnen.

Wij kunnen ons beslist een beter beeld vormen van hoe zoiets, dat op het eerste gezicht absurd lijkt, niettemin mogelijk en zelfs noodzakelijk is, wanneer wij het terrein van de natuurkunde verlaten, en ons licht opsteken in vakgebieden die meer te maken hebben met de geest en het bewustzijn zelf. Zo bijvoorbeeld zou het volgende ons die specifieke 'onomkeerbaarheid' - want daarover gaat het eigenlijk - duidelijker kunnen maken.

Stel eens dat wij niet weten of een ons welbekende persoon hetzij nog leeft, hetzij al dood is. En stel vervolgens dat iemand op wie wij ons kunnen vertrouwen, ons komt vertellen dat deze persoon zopas gestorven is. Welnu, dan is niet alleen de dood van die persoon definitief of onomkeerbaar, maar evenzeer is dat het geval met onze kennis van dit feit. Wij hoeven het (in dit geval droeve) nieuws slechts één keer te horen opdat wij het 'voor altijd' zouden weten. De bode hoeft ons de volgende dag niet opnieuw te komen zeggen dat de persoon in kwestie is overleden, net zoals die persoon de volgende dag niet opnieuw hoeft te sterven teneinde dood te kunnen blijven: beide gebeurtenissen zijn onomkeerbaar: zowel het feit als onze kennis van dat feit. In de beide gevallen is er een soort van 'geheugen' werkzaam dat ons verbiedt om de gang van zaken nog om te keren.

Het mag nu duidelijk wezen: het 'binnentreden' (of het naar binnen 'geworpen worden') in het bestaan heeft die onomkeerbaarheid met het sterven, maar bijvoorbeeld ook met de kennis, gemeenschappelijk: het zijn gebeurtenissen die even onomkeerbaar zijn als de tijd zelf, omdat zij zich niet binnen de tijd bevinden.

En laten we hier nu ons eerste zinnetje herhalen: indien er na dit leven - na de dood dus - nog een leven zou zijn, dan zou het voor hen die zich aldaar bevinden uiterst moeilijk zijn om zich te realiseren dat ze eigenlijk al dood zijn.

Maar u kunt het zelf al zien waar deze niet ongevaarlijke gedachte ons heen brengt: ze geldt namelijk vanzelfsprekend niet alleen voor diegenen die overleden zijn; evenzeer is ze van toepassing op al diegenen die in de mening verkeren dat zij leven, of nog leven.

Hoe immers kon men zich ervan vergewissen dat het leven dat men gelooft te leiden, écht was, als het voor hetzelfde geld mogelijk ware dat men in feite al dood was, terwijl men er moeite mee had om zich dit te realiseren? Uit de komedies alom herinneren wij ons de clowns die zichzelf een kaakslag toedienen met het edele doel om zodoende een poging te ondernemen om deze knagende twijfels naar het land van de sprookjes te verwijzen, en tenslotte zekerheid te verwerven over de authenticiteit van het actuele bestaan. Het experiment in kwestie is lovenswaardig, aangezien er naast onze eigen lijfelijke pijn geen authentieker criterium denkbaar is om de waarachtigheid van de zaken des levens te gaan meten. Alleen kan hier de vraag rijzen of een simpele kaakslag in deze dan toch heel ernstige kwestie wel kan volstaan als 'bewijs'.

Om slechts één voorbeeldje te geven, herinner ik mij nu toevallig dat ik mezelf ooit een kaakslag toediende gedurende een nachtelijke droom. Ik ben daar helemaal niet van wakker geworden, zoals ik niet zonder binnenpret moest vaststellen toen ik mij daags nadien de droom herinnerde: de reden waarom de kaakslag mij niet wakker had gemaakt, lag in het simpele feit dat ik ook deze kaakslag zelf bleek gedroomd te hebben.

De vraag die vermeend levenden zich zouden kunnen stellen omtrent de echtheid van hun bestaan, is dus niet zo bizar als ze op het eerste gezicht wel kon lijken. Heel terecht kan een gelovige zich afvragen of hij eigenlijk niet allang dood is, terwijl hij er slechts moeite mee heeft om dit tot zijn besef door te laten dringen.

Het is denkbaar dat wij geloven dat wij ons in de waaktoestand bevinden, terwijl we ons daarin vergissen, zoals trouwens alle dromenden doen wanneer zij dromen. Slechts weinigen dromen terwijl zij ook beseffen dat zij dromen: al dromende wanen wij ons wakker, en indien we niet in deze waan zouden verkeren, dan zouden we ook meteen ophouden met dromen, en terstond ontwaken. Edoch...even denkbaar is het voor sommigen dat er mensen zijn - of beter: dat wij mensen zijn - die slechts geloven te leven, terwijl wij in feite allang met leven opgehouden hebben, en alleen nog (slechts) 'bestaan'.

Ik zal de laatste zijn om anderen aan te moedigen om in dit soort van labyrinten veel tijd te investeren of, erger nog: om er in verloren te lopen. Maar tegelijk moet worden opgemerkt dat de grootste geesten die het mensdom ooit heeft voortbracht, eigenlijk alle dagen (en vaak ook alle nachten) van hun ook maar eenmalige leven hebben gevuld met niets anders dan met dergelijke overdenkingen. En dat pleit dan weer voor het aan de dag leggen van enige voorzichtigheid bij mogelijke, al te naïeve veroordelingen van heel ernstige speculaties terzake.

Maar laten wij er tenslotte de statistiek nog eens bij halen, en dan kunnen wij de beschreven, aanvankelijk zeer bizar aandoende veronderstelling in nog een ander licht plaatsen. Theoretisch gezien is het namelijk niet alleen mogelijk dat wij in feite allang dood zijn, terwijl we onterecht denken dat we nog leven, maar statistisch gezien is het zelfs bijzonder waarschijnlijk dat dit inderdaad het geval is. En waarom dan? Heel eenvoudig omdat ook de overgang van leven naar dood, als die er dus is, ongetwijfeld onomkeerbaar zal zijn. Mensen die leven, kunnen sterven. Als ze nadien denken dat ze niettemin nog leven, dan kunnen ze ook denken dat ze opnieuw gaan sterven, en ook geloven dat ze effectief opnieuw sterven. Vervolgens, voor de tweede keer dood zijnde, kunnen zij geloven dat zij niettemin nog leven, en dat ze dus sterfelijk zijn en sterven. En deze geschiedenis - waarvan ik de tragiek niet met een tekeningetje hoef te illustreren - herhaalt zich vanzelfsprekend principieel eindeloos.

Ons rest, gelukkig nog, één grote hoop. U hebt het beslist zelf al geraden, beste lezer, dewelke. Of wij nu leven, ofwel allang dood zijn - in de ik weet niet hoeveelste graad - één ding is zeker: ongeacht het feit of wij leven of dood zijn, is het onmiskenbaar zo, dat wij de allereerste keer in deze cyclus écht zullen hebben moeten bestaan. Want ware dit niet het geval, dan konden wij nu noch dood zijn, noch levend. Bovendien is het zo, dat het wezenlijk geen enkel verschil uitmaakt of het bestaan dat wij leiden, hetzij echt is, hetzij gedroomd - dit in de veronderstelling dat wij hoe dan ook niet bij machte zijn om dit te achterhalen. En er zit zelfs een bijzonder hoopgevend kantje aan de hele kwestie, en ongetwijfeld zult u ook dit al in de gaten hebben gehad: met enige welwillendheid, gekruid met wat optimisme, hebben wij hier alle troeven in handen om te geloven dat er op die manier aan ons 'bestaan' (- net zoals Descartes zeg ik niet 'leven', maar wel 'bestaan') eigenlijk nooit een einde komt!

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Agressieve exclusie, genaamd 'conversietherapie'

Agressieve exclusie, genaamd 'conversietherapie'

Homo's (uit te breiden naar ook andere LGTBQIA+-personen) hebben evenmin als hetero's problemen met hun seksualiteit zoals ook zwarten en blanken geen problemen hebben met hun huidskleur maar in gemeenschappen waar zij een minderheid vormen, worden zij door sommigen wel als problematisch beschouwd, wat betekent dat niet de seksuele geaardheid of de huidskleur problematisch zijn maar wel het behoren tot een specifieke minderheid. Minderheden staan zwakker dan meerderheden en waar de brute wet van de jungle vrij spel heeft, is repressie van de zwakkeren dan ook troef. In menselijke samenlevingen waar voldoende ruimte bestaat voor de inbreng van de rede, worden mensen niet uitgesloten als zij tot een minderheid behoren, daar dit geen redelijke grond voor uitsluiting is maar een drogreden: waar uitsluiting van minderheden gebeurt, is dit een manifestatie van het recht van de sterkste of dus een teken van onmenselijkheid. Bovendien heeft het respect voor minderheden de samenleving geen windeieren gelegd omdat, zoals Spinoza het uitdrukte, het goede even voortreffelijk als zeldzaam is, wat onder meer betekent dat de besten sowieso in de minderheid zijn, en dit ingevolge de eenvoudige wiskundige realiteit van de Gausscurve.

De uitsluiting van minderheden kan onmogelijk volgen uit beslissingen genomen op grond van redelijk overleg en moet derhalve zijn oorsprong vinden in een gebrek aan redelijkheid. Dat gebrek treedt dan uiteraard op waar zekere machten de aanwending van de rede in de weg staan. En op de eerste plaats komen hier de godsdiensten in aanmerking, samen met allerlei ideologieën met redelijk onverdedigbare grondslagen, zoals racisme, nationalisme en machocultuur. Mensen kunnen niet in rassen worden onderverdeeld, naties bestaan bij de gratie van de erkenning van fictieve grenzen en mannelijkheid is geen synoniem voor menselijkheid.

De uitsluiting van mensen kan gebeuren op verschillende manieren: de meest voor de hand liggende bestaat in het weren van mensen uit een bepaald territorium maar exclusie is er evenzeer waar aan mensen de toegang verhinderd wordt tot het gemeenschapsleven en dan kunnen zij weliswaar nog steeds het fysieke territorium van anderen betreden maar zij worden uitgesloten van minder zichtbare, sociale speelvelden, onder meer omdat hen die informatie onthouden wordt die noodzakelijk is voor het goede functioneren binnen de bewuste groepen of omdat zij er feitelijk weggepest worden. Een bijzonder agressieve vorm van exclusie toepasselijk met betrekking tot homo's is nu de conversietherapie.

Een conversietherapie is een behandeling waarbij gepoogd wordt om van homo's, hetero's te maken; het is een ingreep die de seksuele oriëntatie van mensen tracht te wijzigen. Van belang is nu dat die wijziging er vrijwel nooit komt op vraag van de betrokkene zelf, die immers geen probleem heeft met zijn of haar seksuele oriëntatie, maar wel op aandringen van derden, die de onredelijke wens koesteren dat mensen uit zekere minderheden er niet zouden zijn. Deze buitenstaanders, per definitie sociopaten want mensen met een schromelijk gebrek aan empathie, vinden dat zekere minderheden horen te verdwijnen: als ze hen niet kunnen wegjagen, willen ze hen doden en als ook dat niet mogelijk blijkt, streven zij ernaar om in die mensen datgene te doden dat maakt dat zij tot die minderheid behoren. In dat geval doen zij het de door hen weg gewenste mensen aan, hun vermogen tot seksueel genot (middels verminking) te vernietigen.

Onverdraagzaam is een veel te zwakke term om uit te drukken dat men bepaalde anderen uit 'zijn' wereld wil weren maar dat 'ongeduld' is wijd verbreid, vooral bij primitieven en de praktijk van de clitoridectomie die in een religieuze context wordt geplaatst welke de voortgang ervan moet garanderen, is daarvan een voorbeeld. De 'ingreep' is uiteraard een uitvinding van mannen en wordt op vrouwen toegepast. Ze is een verminking van dat gedeelte van de vrouwelijke geslachtsorganen die lust opleveren door de (medisch onnodige) verwijdering van (een deel van) de clitoris en zij wordt verplicht door mannen die vinden dat alleen zij het recht hebben op seksueel genot. Enkele eeuwen geleden vonden heel wat medici dat de clitoris een abnormaliteit is die bij de geboorte maar best kon weggesneden worden en tot in de negentiende eeuw gebeurde hetzelfde om masturbatie onmogelijk te maken. Masturbatie is een natuurlijke praktijk die in heel wat religies en andere van rede verstoken mensbeelden nog altijd hardnekkig wordt beschouwd als zondig of ziekmakend.

Verwant aan clitoridectomie is de praktijk van de gouden lotussen, verwijzend naar de voetinbinding bij vrouwen (in China) die resulteert in misvorming en in kreupelheid, een middeleeuwse praktijk die pas een eeuw geleden een halt werd toegeroepen. Voetinbinding moest verhinderen dat vrouwen wegliepen en vreemd gingen en het gaf hen dan een air van maagdelijkheid die mannen seksueel aantrekkelijk vonden.

Castratie bij mannen werd indertijd dikwijls bedoeld om de sopraanstem van knapen te bewaren (wat werkt indien toegepast voor de puberteit) maar ook tot omstreeks de zeventiger jaren van de vorige eeuw werd castratie in den duik toegepast op homo's. De praktijk wordt voltrokken middels een chirurgische ingreep maar kan ook chemisch gebeuren en (binnen de kloostermuren) in feite ook psychologisch.

Conversietherapieën (misleidend door wie ze voltrekken 'homogenezing' genoemd) gebeurt door zogenaamde 'correctieve verkrachting', chirurgische ingrepen ter hoogte van zekere zenuwen of de hersenen, psychologische technieken en andere methoden van conditionering met medicamenten of elektroshocks, met aversietherapie en zo meer. Edoch, conversietherapieën 'genezen' niet, ze brengen alleen veel psychische en fysieke schade en werken suïcide in de hand. Wie alsnog zelf hun heil zoeken in conversietherapie, doen dat meestal vanuit de angst voor uitstoting (door familie).

Conversietherapie wordt steeds vaker strafbaar gesteld omdat daar waar zij niet wordt verboden, (meestal jonge) mensen de speelbal zijn van andermans frustraties, domheden en agressie.

(J.B., 21 juli 2026)

Het kind (J.B., Verhalen 2006-2009)

Het kind

Het was een smal huisje – een onooglijk deurtje en een smal venster aan de stoep – gelegen in een vrijwel onbereikbaar deel van de stad – onbereikbaar, waarmee wil gezegd zijn dat dit stadsgedeelte eigenlijk een enclave was, zoals er vandaag wel meer ontstaan. Snelwegen, lussen, stadsringen en andere gevaarlijke en lawaaierige verkeerslinten die men moeilijk nog ‘straten’ kan noemen, houden immers helemaal geen rekening met het feit dat zij bestaande landerijen en woonwijken gewoon voorgoed aan flarden rijten.

Toen in de zestiger jaren de E-wegen – toentertijd ‘autostrades’ geheten – werden aangelegd, konden de boeren op hun kop gaan staan: er bleek geen verhaal mogelijk tegen de onbarmhartige inplantingen van deze hoogstnoodzakelijk geachte ‘levensaders’, ‘bypasses’ of ‘overbruggingen’ die hun landerijen aan flarden zaagden: de miserie van de verkavelingen begon, ook de getroffen families werden immers aan stukken gereten, en nog steeds wachten zij – of dan toch diegenen onder hen die nog in leven zijn – op enige vorm van ‘vergoeding’, alsof het ook maar mogelijk was om zulk onheil te vergoeden.

Sinds die tijd is het alleen maar van kwaad naar erger gegaan. Het is werkelijk de pest dat het nooit meer stil is, nooit meer veilig, donker, geborgen of gewoon rustig, en dit de klok rond. Dat wij niet meer kunnen ademen, is blijkbaar bijzaak geworden, en er zijn er zelfs die durven te beweren dat de uitlaatgassen van auto’s gezond zijn want vaatverwijdend werken. Over al die dingen zal hier niets gezegd worden, alleen moet het verschijnsel van de steeds in aantal toenemende ‘enclaves’ aan het licht worden gebracht, en dit met het oog op het situeren van dat huisje in de stad, dat het huisje van mijn jongste zuster was: Anita-Francinesca van Togenbirger-de Waelekens.

‘Onbereikbaar’ is veel gezegd, want volstrekt onbereikbaar was het huisje vanzelfsprekend niet. Wel moest men zowat zijn leven op het spel zetten om daar te geraken. Men moest er heen via de ring, die daar een gevaarlijke bocht beschrijft, en waarop vanuit alle windstreken autowegen aansluiten, die er eindeloze slierten van immer toeterende en veel te snel rijdende wagens op uitspuwen. Vooral de aanblik van het oorverdovende vrachtvervoer is er afschrikwekkend, en niet zelden kan men daar de zwarte legerwagens op hoge wielen op de parkingstrook zien staan.

Het zijn speciale voertuigen van even speciale diensten – voertuigen die nog afschrikwekkender ogen dan de welbekende lijkwagens. Zij worden bemand door vaklui die worden ingezet – en wij geven gevoelige lezers hier de kans om maar meteen naar de volgende zin te gaan – vaklui die worden ingezet om, letterlijk, de voetgangers, de fietsers of de uit hun wagen geslingerde automobilisten, die onder de wielen van zo’n tientonner terecht kwamen, van de weg te pellen, en dan de weg grondig te reinigen met speciale producten welke de rode kleur van bloed neutraliseren. Ja, deze zwarte terreinwagens van het leger, voorzien van een groot wit kruis, worden daar met de regelmaat van de klok gesignaleerd. De vele mensen die daar ter plekke dus de dood vinden, vaak nog heel jong, zijn woonachtig in alle delen van het land, en dat is dan ook de enige reden waarom die afschuwelijke slachtingen zich zomaar kunnen blijven voltrekken: wie het in zijn kring heeft meegemaakt, schuwt de plaats voor de rest van zijn leven, zodat geen van allen die daar dagelijks passeren, beseft dat het ook hem of haar of een van de zijnen of de haren kan overkomen: morgen, of zelfs reeds vandaag.

Temidden van dergelijke bloeddorstige ‘levensaders’, zoals onze verkeersministers ze zo verdomd verbloemend blijven noemen, liggen wijken – eigenlijk dus alleen maar stukjes van gewezen wijken – met daarin nog enkele straten en huizen. Het zijn buurten met eerder bouwvallig aandoende huizen waarvan de gevels zo zwart zijn als roet – huizen waarvan de bewoners vanzelfsprekend lijden aan afschuwelijke longaandoeningen en dientengevolge ook vroegtijdig overlijden. En ook deze mistoestanden is een lang leven beschoren, weerom ‘dankzij’ het feit dat de mensen met hun naaste buren niet meer praten, zodat het kruisje binnen elk huisje door zijn respectievelijke bewoners wordt meegenomen in het graf.

Als mensen in zo’n buurt – een ‘enclave’ dus – al niet geboren zijn, doch er ‘uit vrije wil’ gaan wonen, dan doen ze dat, enerzijds, omdat ze niet anders kunnen: wie kapitaalkrachtig is, weet wel andere wijken te vinden om zich te settelen. Anderzijds bestaat er ook een algemene, toenemende en zelfs absoluut wordende ‘blindheid’ voor het lamentabel karakter van dergelijke woonomgevingen: heel wat mensen hebben zich er blijkbaar allang bij neergelegd dat zij dagelijks het lawaai, de stank, het gevaar en de vele andere onlusten van de huidige ‘samenleving’ maar moeten verduren, en die hel – want dat is het – wordt op de een of andere manier totaal uit het bewustzijn verdrongen.

Mensen die in dergelijke enclaves van de morgen tot de avond moeten roepen ten einde elkaar te kunnen verstaan, en die er, op enkele vierkante meters beton, jonge kinderen moeten grootbrengen en opvoeden, en wiens nachttafeltjes bezaaid zijn met blinddoekjes en met oordopjes, kijken welhaast met evenveel medelijden op TV naar de paria’s die op palen of in sloepen de riolen van Rio, Shangaï of Bombeï bevolken, als hun stadsgenoten uit de villawijken dat doen: zij beseffen het gewoon niet meer hoe erg ze er aan toe zijn, en het heeft er alle schijn van dat ze zich volstrekt identificeren met de ‘rijke westerlingen’ zoals de TV hen dat onafgebroken gebiedt te doen – de TV die zij blindelings geloven, want die, zoals geen van hun verwanten dat nog doen, hen dagelijks ‘persoonlijk’ een goede morgen, een goede avond en een goede nacht toewenst.

Het huisje van mijn jongste zus, Anita-Francinesca, bevond zich dus in een dergelijke buurt, en wanneer aan het verhaal van de omstandigheden hier zo uitgebreid aandacht wordt geschonken, dan gebeurt zulks alleen maar om wat duidelijkheid te scheppen in het feit dat nauwelijks iemand van de hele familie ooit nog een bezoekje aan haar bracht. Er werd wel eens gevraagd: “Hoe zou het nog met onze Anita gaan?”, maar het antwoord klonk dan altijd zo vreselijk voorspelbaar: “Och, ik heb haar al lange tijd niet meer gezien!” Er werden wel eens aanstalten gemaakt om Anita een bezoek te brengen of om haar uit te nodigen maar, eigenlijk zonder dat dit tot het besef doordrong, was daar dat vreselijke obstakel van die verhitte snelwegen, dat alle plannen in die zin telkens weer smoorde in de kiem. Hoe vaak ben ik niet naar bed gegaan met het plan om mijn zusje de volgende dag te gaan bezoeken! Maar ik kon gewoon de slaap niet vatten als ik er begon aan te denken langs welke weg haar te bereiken. Er moest een makkelijke weg zijn, een kalme weg, ja, die moest er beslist zijn – zo dacht ik telkens, en zo dachten wij beslist elk op onze beurt, op de vooravond van zo’n gepland bezoek. Maar ’s ochtends bij het ontwaken had de droomarbeid er voor gezorgd dat deze plannen onze geest geheel spoorloos hadden verlaten: er was immers helemaal geen weg te bedenken om daar op een menselijke wijze te geraken, gewoonweg omdat die buurt nu eenmaal volledig ingesloten was.

En zo kwam het ook dat wij – moge de hemel ons genadig zijn! – vergaten dat zij nog een kindje had!

Het bedje stond altijd temidden van de woonkamer – zo herinner ik me nog van de laatste keer, intussen vele jaren geleden. Het was een bedje uit vezelplaat gezaagd, en onze Anita had me toen gevraagd of ik het eens wilde schilderen, in het wit. Ik antwoordde haar dat verfdampen beslist rampzalig voor een baby zijn, en dat die verf dan toch altijd blijft rieken. Ze had mijn argument gedwee beaamd, en ik veronderstel dat het bedje is gebleven zoals het was: een rechthoekige bak – eigenlijk veel te groot – uit vezelplaat gezaagd, zoals ik zei, en met kepernagels tot een geheel aan elkaar getimmerd.

Wie ooit zo’n constructie heeft gefabriceerd, zal weten dat zij nogal gammel is en mettertijd nog gammeler wordt: de nagels houden de platen weliswaar samen, maar het geheel optillen of verplaatsen is volstrekt onbegonnen werk. Vezelplaten zijn zwaar en hun onderlinge verbinding door middel van nagels is niet sterk: het tillen aan het ene uiteinde van het bed kon algauw resulteren in het in elkaar klappen van het andere eind.

Het bed was ook nog hoog, en dus diep: om het kind eruit te halen, moest men zich over de bedrand neigen – voorzichtig, zodat men er niet op leunde – en dan het kind vastnemen en het optillen, wat een zware belasting gaf op het onderste deel van de rug. Toen ik die keer op bezoek was, vroeg Anita zich zelfs luidop af of ze dit wel zou kunnen blijven doen als het kind nog groeide, want zelf had zij geen al te sterke rug overgehouden aan een carrière van twintig jaren in de spinnerij die inmiddels ter ziele was gegaan. Omdat ook zij nu van een uitkering leefde, had ze die rug eigenlijk flink verwaarloosd.

Bij die gelegenheid was het dat ik haar beloofd heb haar een bed – een echt bed – cadeau te zullen doen. Maar toen ik mij deze belofte – veel later – ook herinnerde, en tot mijn afgrijzen moest vaststellen dat ik mijn woord gegeten had, bedacht ik, mijzelf verschonend, dat zij wellicht allang zelf een ander bed had aangeschaft. En hoe had ik trouwens zo’n bed daarheen kunnen krijgen – ik, die geen auto bezit, en die bovendien geen verstand heb van kinderartikelen.

Het bed stond dus middenin de woonkamer, en wellicht is het daar al die tijd ook blijven staan. Met ‘al die tijd’ bedoel ik: de tijd, de jaren eigenlijk, dat het kind dus groter moet zijn geworden. Het waren jaren dat Anita geheel uit onze gedachten was, en niet alleen zij kwam niet meer in onze gedachten op: God moge het ons vergeven, maar ook aan haar kind heeft blijkbaar niemand van ons ooit nog gedacht.

De lezer zal ons nu blameren – ik verwachtte niet anders – voor deze onmenselijke houding, en terecht. Wij verdienen alle blaam, en zelfs de straffen van de hel zullen de schuldgevoelens niet verhelen, die veel erger zijn dan het vuur van alle duivels. Maar ik wil toch de verzachtende omstandigheden niet onaangeroerd laten, want in werkelijkheid dachten wij van elkaar dat er, nu en dan, wel eens iemand van ons een bezoekje bracht aan onze Anita, of dat zij zelf al eens bij de ene of de andere op de koffie ging. Dat dit ook gebeurde, werd weliswaar nooit bevestigd, doch het wegblijven van zulke stavingen schreven wij dan weer, elk voor zich, toe aan het feit dat wij tenslotte weinig spraakzame mensen zijn. Alleen… dat het kind helemaal niet meer ter sprake kwam, zal ook ik mezelf nooit kunnen vergeven.

Ik had, voor mijn part althans, de vage indruk dat er met het kind iets mis was, en dat het misschien beter was om er niet over te praten, of althans, om het initiatief daartoe aan anderen over te laten. Maar blijkbaar dachten zij daar op de een of andere manier, elk voor zich, eender over. Bovendien bezaten slechts enkelen van ons een auto, en die hadden het dan weer zo druk dat ze zelfs voor de eigen kroost geen tijd meer over hadden. En diegenen onder ons die wel tijd hadden, waren ofwel ziek, ofwel ontbrak het hen aan de meest elementaire middelen.

Er waren nog andere en meer gecompliceerde omstandigheden, maar daarover kan ik het hier niet hebben. Hoe dan ook bleken er jaren voorbij te glijden alsof het slechts dagen waren, totdat een vreemde wending van het lot ons nog een keertje samen bracht, ergens aan een rijk gevulde tafel. Pas op dat ogenblik kwam het kind weer in mijn gedachten, en ik wist met de grootste zekerheid dat dit ook voor alle anderen gold.

Zo wachtten daar blijkbaar allen het ogenblik af waarop Anita-Francinesca gegeten had, en vervolgens werd gewacht op diegene die de vraag zou stellen, want Anita was aanwezig zonder het kind, en zij had er nog helemaal niets over gezegd. Maar het bleef stil daarover, de gesprekken waren vrijwel inhoudsloos, geen tongen kwamen los, de spanning werd alleen maar opgedreven. De lezer kan zich weliswaar afvragen hoe zulks dan mogelijk is onder familieleden, doch hij dient te bedenken dat de verborgen wetten die het sociale verkeer regelen, enorm complex zijn, en soms is ook daar sprake van opstoppingen, nieuwe verkeersaders, lussen, overbruggingen en wat al niet meer. Het lawaai neemt toe, en de stank en de dreiging; de rust en de vrede moeten eraan geloven; de ene is een autostrade van woorden die enkel nog handelen over zijn ‘zaak’ en er is gewoon geen kans om er iets tussenin te brengen; de andere staat aan de kant op een oversteekplaats, klaar om een vraag te stellen, maar het geroep is oorverdovend en de kans om de oversteek te wagen en er een woord tussenin te brengen, is gevaarlijk of zelfs onbestaande. Wie geen snel voertuig ter beschikking heeft, staat terzijde en gaapt de voorbijrazende tientonners aan; hij vreest de zwarte terreinwagens van het leger die alom opduiken om hen die het waagden om over te steken, van de weg af te pellen, en dan de bloedsporen met ontkleurders te bewerken.

En zo kwam het dat wij weer uit elkaar gingen zonder dat het kind ter sprake was gekomen. Geen van ons wist of het nog in dat bedje van vezelplaat lag, middenin die woonkamer. Misschien was het al flink gegroeid, kon het al goed lopen, spreken en aardige vragen stellen? Geen van ons die het wist! Misschien ook was het kind ziek geweest en kreeg het een longaandoening waarvan het maar moeilijk genas, en moest het nu dagelijks zichzelf met een beademingspompje behelpen? Wie zal het zeggen! Misschien gebeurde er iets op de ring, die daar een gevaarlijke bocht beschrijft, en waarop vanuit alle windstreken autowegen aansluiten, die er eindeloze slierten van immer toeterende en veel te snel rijdende wagens op uitspuwen? En misschien verzweeg onze Anita het voor iedereen omdat zij zelf niet in staat was het te verwerken, van die zwarte terreinwagens? Ieder van ons had er het raden naar, en meer zelfs: niemand van ons bleek er met ook maar een ander ooit over te spreken.

En zo zijn wij dus uit elkaar gegaan, alsof wij vreemden waren voor elkaar. Ik ben huiswaarts gegaan, zoals allen huiswaarts gingen na dat maal. De kans bestaat dat wij elkaar nu nooit meer zullen zien want, meer nog dan het onmenselijk verkeer dat ons voor elkander steeds onbereikbaarder maakt, wordt nu ook het menselijk verkeer in de war gestuurd door opstoppingen allerhande. En sinds ons afscheid denk ik haast onafgebroken aan dat kind, en weet ik met zekerheid dat ieder van ons aan niets anders meer denken kan, dan aan het kind dat, zoals wij nu ongetwijfeld allen wel zijn gaan beseffen, in de ellende van het verkeer is achtergebleven.

(J.B., Verhalen 2006-2009)





De 'klimaatramp' en de discussie

De 'klimaatramp' en de discussie

'De wereld' was het erover eens dat zekere maatregelen tegenover corona moesten genomen worden en dus werden die ook genomen. Dikwijls desastreuze maatregelen, zoals gebleken is, maar ook bijna zeven jaar later blijft men volharden in de leugens van destijds. En nu de waarheid deze leugens achterhaald heeft en dreigt ze aan het licht te brengen, wordt het hele gebeuren met man en macht naar de achtergrond gestouwd, wat uiteraard geschiedt door al de aandacht die ze naar zich toe trok, af te leiden naar een nieuwe, alle tijd en krachten verslindende 'ramp': de vermeende klimaatverandering.

Het rijtje van de rampen is intussen aardig lang maar weinig daarvan is uiteindelijk overeind gebleven en zo zag men Malthus met zijn overbevolkingscrisis al tijdens diens leven in de prullenbak belanden, al blijft zijn misantrope stichting aanhangers rekruteren. 'De wereld' die het over zovele zaken eens is, blijkt vaak veel gelijkenis te vertonen met de sekte van de Getuigen van jehova: voorspellingen die nooit uitkomen, overtuigen kennelijk slechts weinigen om het geloof in de betrokken profeten op te geven, integendeel: men neemt er telkens vrede mee dat de leugenaars hun verzinsels wat bijwerken en zij krijgen steeds weer carte blanche. Dat geen enkel van álle voorspelde rampenscenario's zich ooit voltrokken heeft, valt nochtans makkelijk te bewijzen: de wereld is nog altijd niet vergaan.

Maar we moeten genuanceerd zijn want niets is altijd helemaal waar of helemaal gefantaseerd en van andersdenkenden kan men alleen maar leren. Toch zijn er waarheden waaraan niet te tornen valt, gewoon omdat ze zich boven de feiten verheffen en dat zijn in de eerste plaats de wiskundige waarheden. De vrees van Descartes dat deze hun vermeende immuniteit ontlenen aan het feit dat ze niet met de werkelijkheid in betrekking staan, is terecht maar tegelijk is het ook waar dat het gepraat dat alleen maar kan uitmonden in telkenmale een consensus, evenzeer niets anders dan puur fantasie kan zijn. Tot de wiskundige waarheden behoren die van de logica, al is de omgekeerde stelling ook verdedigbaar. En wat leren ons de logici over de gang van zaken?1 We beperken ons hier tot een enkel punt, wat volstaat om onze stelling hard te maken: dit soort van discussies zijn zinledig.

In het artikel Politici met een sigaret in hun oor. Drogredenen en oneerlijke discussiemethoden in de context van klimaat en corona vertelt emeritus-hoogleraar Logica en Taalanalyse Harrie de Swart hoe men een loopje neemt met 'waarheid', onder meer door 'feiten' van hun contexten te abstraheren.2 Echter, zijn critici wijzen hem erop dat hier de pot de ketel verwijt dat hij zwart ziet want ook de Swart zou zich bezondigen aan het weglaten van een niet onbelangrijke context, met name in het verwijt dat de organisatie die aan de professor het podium verschaft (Clintel), gefinancierd wordt door een industrie die haar voordeel doet met zijn beweringen.3

Paradoxaal genoeg kan de logica niet ondersteunen dat de gevolgen van zekere daden, tevens deze daden veroorzaakt hebben om de eenvoudige redenen dat (onuitgesproken) intenties objectief onkenbaar zijn. Door te wijzen op het belang van de context, begeeft de wiskundige zich op glad ijs omdat hij daar uittreedt uit zijn ivoren toren waar hij het gelijk sowieso aan zijn kant heeft. Op die manier verliest de aangewende logica haar relevantie en blijkt de discussie een toneel dat slechts kan functioneren om het achterliggende machtsspel te verkappen dat uiteindelijk de waarheid fabrikeert. Jammer genoeg, maar het gaat er vooralsnog niet anders aan toe.

(J.B., 20 juli 2026)

2H. de Swart: “Stel: een man staat met zijn auto zonder benzine en vraagt mij naar een benzinepomp. Waarop ik antwoord: hier om de hoek is een benzinepomp [wat inderdaad het geval is]. Maar ik zeg er niet bij dat de pomp gesloten is. In zo’n geval heb ik de waarheid gesproken, maar tegelijkertijd heb ik de man in kwestie toch misleid, omdat ik voor hem relevante informatie heb achtergehouden! Ik heb weliswaar de waarheid gesproken, maar door de man geen optimale informatie te geven heb ik hem toch op het verkeerde been gezet en zelfs bedrogen.”

3“Selon Follow The Money et De Volkskrant, la fondation Clintel est financée par l'industrie fossile. (...)” (Cf.: https://fr.wikipedia.org/wiki/Climate_Intelligence_Foundation )

 

De tuinen (J.B., Verhalen 2006-2009)

De tuinen

3366639-6abaa8c228f64d300c2886f9a2ec56da.jpg

“Wel!? Zijt ge daar alweer!?”

Omsk wist niet goed wat te zeggen. Het was al de tweede keer die nacht, en ook gisterennacht was hij daar geweest, misschien wel al zeven keer die week.

Daar stond hij dan, in die… mist. Eigenlijk was het geen mist, want het voelde niet koud aan of niet nat; het had alleen het witte, het half-doorzichtige van mist. Maar met mist kon je het wel het beste vergelijken.

De man tegenover hem – hij keek eigenlijk op hem neer, want hij stond wat hoger dan Omsk – werd nu eens door het mistgordijn omhuld, en dan weer was hij helemaal klaar te zien. Die man kon er blijkbaar niet om lachen, al maakte hij zich ook niet kwaad. Het kwam hem veeleer voor alsof hij er flink mee verveeld zat, en dat gaf hij ook aan Omsk te kennen:

“Ge doet mij weer lopen, beste vriend! En dat telkenmale voor niets! Ge blijft daar staan en ge komt niet verder? Gisteren zijt ge hier tot op de tweede onderste trede van de trap geklommen, en dan hebt ge rechtsomkeert gemaakt; en nu staat ge daar weer te drentelen… op welke trede staat ge nu, ik heb mijn bril hier niet… Vertel het eens!”

Omsk keek naar beneden, zag zijn eigen beeld weerspiegelen in het witte marmer dat met rode adertjes doorspekt was, alsof er bloed doorheen pompte, en hij moest zich concentreren om de treden te kunnen tellen, want daaronder duizelde het allemaal op de een of andere manier weg:

“Op de derde trede, meneer”, zei hij, en er was nog angst te bespeuren in zijn schuchtere stemmetje, als gevolg van de blik in de diepten.

“Zo… en hebt gij hoogtevrees misschien?”, merkte de man dan ook op.

“Eigenlijk niet, mijnheer…”, antwoordde Omsk.

“En waarom komt ge dan niet verder?”

“Het is weer beginnen kloppen, mijnheer…”, zo excuseerde Omsk zich.

“Zo… Ja, dat zeg je telkenmale, is het niet? Wat vervelend voor mij!”, riep de oude man uit, en hij wierp een blik in het gesternte, en keek dan weer op Omsk neer: “Ge begrijpt toch dat ik een oude man ben; gij doet mij telkens lopen voor niemendal!”

“Mijn verontschuldigingen, meneer, ik kan het echt niet helpen…”, klonk nu het dunne stemmetje van onze vriend.

De man zuchtte diep, zoals iemand zucht die ten einde raad is: “Ik sta hier al duizenden jaren, aan deze poort…”, en met een armzwaai wees hij naar de dikke, witte wolken achter zijn rug, waarmee zijn eveneens sneeuwwitte kleed zich wel leek te vermengen:

“Ik heb wel meer van die twijfelgevallen, weet u: lui die niet goed weten wat ze willen, en die eerst aankloppen en dan terugkeren…weer aankloppen, weer teruggaan… Maar de tweede of de derde keer komen ze dan toch binnen. Gij daarentegen… hoe is de naam weer, zegt u?”

“Omsk, meneer”

“Juist, ja… Gij zijt mij hier al tientallen keren komen storen, nietwaar? Ik zit net naar een interessant programma te kijken, ontspannen met een glaasje erbij, en… had ik het niet kunnen denken! Daar zijt gij dan weer!”

“Nogmaals mijn excuses, meneer, maar ik kan het echt niet helpen…”

“Ja, dat weet ik wel: het is weer beginnen kloppen, nietwaar… We zouden er iets moeten op vinden, hé? Nu, wat zijt ge van plan? Blijft ge daar staan of gaat ge terug?”

“Ik denk dat ik maar beter terugga, meneer”.

“Natuurlijk, natuurlijk… dat is het beste…”

“Het klopt nu weer zoals normaal, meneer, ik denk dat ik dus beter terugga”, herhaalde Omsk.

3366639-99d5d9d626fde5e0ad92c1124b03f846.jpg

Het witte heerschap had het smekerige in zijn stem gehoord en in zijn daarop volgende optreden kon Omsk niets anders dan een weinig leedvermaak bespeuren: de heer keek hem heel aandachtig aan, boog zich warempel voorover om hem nog beter te kunnen zien, en beval:

“Kom eens een paar trapjes hoger! Zodat ik weet waar ik aan toe ben! Ge ziet lijkbleek, maar uw ogen kan ik zo niet zien… jaja, ik heb het tegen u: twee trapjes maar”, drong hij aan.

Nu was de pret in zijn stem echt goed te horen. Omsk had er de grootste moeite mee om zijn rechter voet op te heffen en die op de volgende trede neer te plaatsen.

Dit manoever ging gepaard met alweer een heftige steek in zijn hartstreek, waarna hij deze spier gedurende wel drie opeenvolgende seconden voelde fibrilleren. Dan volgden enkele uiterst onaangename want krampachtige trekkingen welke gepaard gingen met een licht verstikkingsgevoel, zodat Omsk eventjes naar adem moest happen en duizelig werd. Teneinde niet naar beneden te donderen, restte hem geen andere keuze dan zijn voet terug te trekken, zodat hij nu weer met de beide voeten op de tweede trede stond. En omdat hij tijdens deze zichtbaar stuntelige bewegingen als het ware bijna zijn evenwicht verloor, vond hij er dan ook een reden in om maar meteen nog een trapje lager te gaan postvatten.

Zijn hart leek hem hiervoor uitvoerig te bedanken met een hele reeks heel regelmatige slagen, en hij kwam zowaar weer op adem.

“Maar zó… kan ik helemaal niets zien!”, repliceerde de man in het wit, die zich nu weer oprichtte, kennelijk met grote moeite, de handen tegen het onderste deel van zijn lange, dunne rug gesteund.

Hij kermde eens, haast onhoorbaar, leek dan door een nieuwe, dichte wolk omgeven te worden, en Omsk voelde zich nu terugzakken uit de mist en zeeg met een zo grote snelheid dat hij er kriebels van kreeg in de buikstreek, achterwaarts doorheen het firmament.

Hij passeerde nu weer de weelderige tuinen waar hij telkenmale doorheen moest als zijn hart het dreigde te begeven, en hij kwam in een zeer vreemde extase, omdat ze aantrekkelijk en afschrikwekkend was tegelijk.

3366639-8e5dcf5ae4f09de269ae14a6ee76cbbd.jpg

De tuinen… ze vertoonden patronen van een geheel onaardse regelmaat, niet te beschrijven, en ook niet voorstelbaar voor mensen in wakkere toestand. Nooit was er een schilder geweest, en er zou er ook nooit een geboren worden, die deze kleurenpracht vermocht af te beelden.

De belangstelling van Omsk voor de tuinen was bijzonder groot, maar tegelijk ook durfde hij er niet te lang of te aandachtig naar kijken, omdat hij wist dat dit niet ‘ongevaarlijk’ was. Regelmaat, ja, dat woord was hier van toepassing, maar deze term was lang niet krachtig genoeg om het betreffende spektakel weer te geven: hier toonde zich een patroon met een regelmaat van vormen en lijnen die mensen zich niet kunnen voorstellen. Een evenwicht van gestalten en van kleuren die het hele spectrum bestrijken, maar ook die delen van het spectrum die door mensenogen normaal nooit kunnen worden gezien: ultraviolet, infrarood…

3366639-8107b074a07282aeb91bbcae983a68e4.jpg

Ach, dat zijn slechts woorden, wist Omsk: hier zijn geen woorden voor, dit zijn niet langer kleuren en vormen, geluiden of muziek: dit is wat àchter alle kleuren, àchter alle schilderijen, symfonieën, gedichten en noem maar op, verborgen zit. De tuinen zijn werkelijk de bronnen waaruit wij onze schamele patronen putten, het zijn de klankkasten, neen, de genen van de schoonheid zelf.

Was dit dan wat men het ‘Aards Paradijs’ noemde?

Omsk viel met een schok terug op zijn hoofdkussen. Hij zweette hevig, ademde ongemakkelijk, kon het gevoel van verstikking dat hem alweer de hele nacht in zijn greep had, niet van zich afwerpen. Zijn hart pompte, maar hield dan met pompen op, alsof het niet in staat was om te reageren op de volgende, zich opdringerig aandienende prikkel. Het koolzuurgehalte in zijn bloed steeg, gaf een krachtige impuls aan de Nervus Plexus Vagus of hoe heette dat zenuwcentrum in de nek ook weer, dat ons dwingt om naar adem te happen als wij het benauwd krijgen?

Hij hapte naar adem, doch het baatte hem niet; hij hapte andermaal, en nogmaals, werd beklemd door een plotselinge doodsangst, maar vooraleer die hem tot enige handeling kon aanzetten, voelde hij zich weer wegduizelen, en voor zijn ogen ontplooiden zich in al hun symfonische pracht opnieuw… de tuinen!

3366639-606c5e859a4435ec28d7200a19f6195e.jpg

Dit is echt, zo zag Omsk nu heel duidelijk: deze tuinen zijn onvervalst, en hun onbeschrijflijke pracht getuigt van hun echtheid: noch ikzelf, noch enig ander mens had ooit kunnen bedenken wat zich nu voor mijn ogen afspeelt.

Hij verzette zich niet langer tegen de taferelen die in steeds toenemende mate zijn hele gezichtsveld vulden. Hij liet de muziek naar binnen stromen en verwelkomde het water uit de brede, klare stromen in de diepe, donkergroene dalen die in een bloemenweelde aan zijn voeten lagen. Hij voelde zich opstijgen boven dit alles, dat zich met zo’n nadrukkelijke pracht in zijn geest prentte, dat hij niet anders doen kon dan geloven dat iemand dit speciaal voor hem had voorbereid, zoals men ook speciaal voor iemand een gedicht kan schrijven of een lied, dat men hem of haar te zijner tijd ten gehore mag brengen. En hij steeg op, hoog boven dit alles, en dreef dan weg, ergens terzijde, en een plotse wind stak op, hagel kletterde neer tegen de ruiten…

3366639-22d4e64bb8c2c5bdb7521bf3fd7b0863.jpg

Omsk zag dat het al klaar geworden was. Zijn toestand was lichtjes beter. Hij moest nog wat slapen, want hij was nog te vermoeid, zo kon hij de dag niet door. Hij trachtte rustig te ademen, aan niets te denken, de slaap te vatten. En hij realiseerde zich dat hij zich telkenmale als hij de ogen sloot, en nu opnieuw, begaf op dat terrein dat wij het gebied van de allergrootste onzekerheid plegen te noemen, het ‘kantje-boord’, het randje tussen het eenmalige leven en de volstrekte dood.

(J.B., Verhalen 2006-2009)




Het boek (J.B., Verhalen 2006-2009)-

Het boek

3366631-8f413168af44bdf128a944fa87258575.jpg

De tocht, het was een tocht - maar ik moet zeggen dat ik er maar tussen liep, het was immers allemaal zo snel gebeurd, ongepland eigenlijk, en niemand had er naar gevraagd, het was ook donker en er was een lichte paniek ontstaan, er waren er die nog niet eens gegeten hadden, we hadden ook helemaal geen mondvoorraad bij voor onderweg, geen drinken, niets was voorzien, helemaal niets…

De vrouw die naast me liep, had een kind op de arm, ik schat anderhalf jaar oud, het zag helemaal wit, en zij jammerde natuurlijk - zij was misschien vijfenzestig, en kon dus niet de moeder zijn, wellicht was zij de grootmoeder, ze had ook iets aan een van haar voeten of haar knie, ik weet het niet, ze mankte, en achter haar aan dan nog twee kinderen, schreiend ook, een van hen hield haar rok in de handjes geklemd, een meisje van misschien vier - het andere, een jongetje van hooguit zes jaar oud, keek alleen maar de hele tijd verbaasd rond zich heen naar al die anderen, want ze waren er allemaal net zo aan toe.

Er mocht niet geslenterd worden, af en toe hoorde men die stemmen roepen en maakten de aldus roependen gebaren, met de arm, met een stok of met iets dat geleek op een geweer, maar dat kon ik niet zien, het was nu eenmaal donker geworden, plotseling, en een felle wind was komen opzetten, een koude wind ook, die door de kleren heen blies en elkeen rillingen bezorgde. Ze maakten gebaren dat we moesten opschieten, dat er niet te dralen viel nu, en wie niet meer mee kon, werd gewoon voorbijgelopen, liep achterstand op, net zoals in een loopwedstrijd, maar een loopwedstrijd was dit niet, helaas niet, en opgeven, aan de kant gaan zitten of teruggaan kon hier vanzelfsprekend niet.

Een deel van ons liep op de weg, of op wat er restte van wat eens een weg geweest moest zijn, een ander deel, het grootste deel, waadde door weide, struikgewas, grachten en geboomte, want alles was te smal geworden nu, alle paden, wegen en pleinen. Straten waren er zo goed als niet meer: er moest haast worden gemaakt, vooruit worden gegaan, er mocht niet geslenterd worden en bochten maken hoorde er niet meer bij, het was rechtdoor of sterven, daar had het alle schijn van.

Een deel van ‘ons’, zeg ik, alsof wij samen hoorden, maar wij hoorden helemaal niet samen: zo te zien was dit een massa enkelingen, geen had uitstaans met een ander, maar dit vreemde lot dwong ons nu om samen weg te trekken. Wegtrekken was het wat wij deden, zoveel was nu wel duidelijk - of we ergens heen trokken, weet ik niet en ik dacht ook van niet: wij verwijderden ons alleen maar - of wij trachtten dat althans te doen - wij verwijderden ons zo spoedig mogelijk, wij maakten ons uit de voeten, of wij deden alvast een poging daartoe, een wanhopige poging zo te zien, want het was lopen met de moed der wanhoop, welke men voelen kon, elk voor zich in zijn buik en in zijn knieën, en welke men ook zien kon in de gang van alle anderen.

Geheel onverwacht was het begonnen, ik vergat zelfs wat ik aan het doen was toen zij plotseling riepen dat wij moesten lopen, weglopen, en ik had enkelen echt zien rennen, en wat verderop vielen zij ter aarde, buiten adem, angstig, badend in het zweet terwijl nochtans de koude winden uit het noorden ons nijdig in het gezicht bliezen en er een mist opstak, hij kwam als uit de grond, een kille mist die opdook uit de moerassen van de zwarte aarde.

In mijn rechterhand klemde ik iets vast, zo stevig dat ik krampen voelde in mijn vingers, en ik liet het niet los, alsof ik mij er aan vasthield, leek het wel, ik had geen tijd om het te bekijken, geen aandacht ook, want het leek nu wel dat de geringste verstrooiing fataal kon zijn, maar ik dacht dat het een boek was dat ik bij me had, en terwijl ik aandachtig om me heen keek, hijgend ook, en rillend, trachtte ik flarden van mijn gedachten samen te brengen, en geloofde ik me te herinneren dat ik aan het lezen was op het moment dat dit begon, al wist ik dat niet zeker, en wat ik dan wel las, was allang de verste van mijn gedachten. Er moest immers haast gemaakt worden nu, geen moment van dralen, laat staan verpozen, was aan ook maar iemand nog gepermitteerd.

Op een boogscheut van mij vandaan zag ik een man in een hoestbui verwikkeld strompelen en tenslotte nederduiken met het hoofd recht in de grond en daar bleef hij ook liggen, werd vertrappeld in het donker en vergeten. En een kind aan mijn linkerzijde schreide luid, ik zag dat het moederziel alleen was, deed een poging om het, lopend, naderbij te komen en vast te grijpen bij de hand, met mijn nog vrije linkerhand. Maar een tak had ik in de hand, die door mijn vel sneed, en het kind verdween in de nevelen als een geest, zonder ook maar een spoor achter te laten.

Er was nu een kar heel dicht genaderd achter mij, ik hoorde het rammelen van de grote, ijzeren wielen op de kasseien van de weg die ons nu verder loodste door het donker, en de kar werd getrokken door vier paarden, als ik goed geteld heb, en ik hoorde hun zware hoeven tegen de stenen kloppen, luider steeds en kouder ook. De kar haalde ons in, de paarden briesten, ernstig in de verten kijkend - al stelden die verten niets anders voor dan een zwarte muur die opschoof, mee met ons, zodat wij wel ter plaatse leken te lopen, niet vooruit kwamen en alleen maar werden ingehaald. De kar kwam op mijn hoogte, schodderde gevaarlijk dicht langs mijn zij; ik zag de grote wielen met de harde gietijzeren velgen die twee koppen boven de mijne uit kwamen, en toen ik eventjes snel opkeek, viel mijn blik op haar berijders, in de hoogte. Hun silhouetten staken zwart af tegen een bijna zwarte hemel zonder sterren, en men kon de bewegingen zien die ook zij maakten, in de lucht - zij sloegen wild in de lucht, met stokken, zo leek het mij, en zij riepen luid, ik kon hen goed horen doorheen het gieren van de wind, maar ik kon hun roepen niet verstaan.

In de weg die nu een zandweg was geworden, lieten zij diepe sporen achter die ons het lopen nog meer bemoeilijkten, en ik zag hoe mensen struikelden, neervielen in de verse, diepe grachten die de wielen groeven, en bedolven werden, en levend begraven. Maar geen van allen sloeg nog acht op deze ongelukkigen, het was elk voor zich nu, elkeen klampte zich met de moed der wanhoop aan zijn eigen leven vast - ook al wist men goed dat het niet helpen zou, uiteindelijk, want ’s mensen kracht is eindig, en als het lichaam moe wordt, de benen de romp niet langer dragen kunnen, de armen loodzwaar gaan wegen en de onderkin niet langer op de schedel aansluit, maar de mond wild open en dicht gaat slaan zodat de tong gaat bloeden door het klappen van de tanden, weet men dat het einde heel nabij is, dat men zal ter aarde vallen, zijn gedachten zal verliezen, en alleen nog zien zal hoe men daar ligt, geheel ontspannen tenslotte, en alles loslatend wat men tot dan toe een leven lang met zorg heeft vastgehouden.

Ik klemde nog steeds mijn boek vast - als het een boek was tenminste, wat ik meedroeg - of beter: een van mijn handen omklemde het boek, want de hand leek een eigen bestaan te leiden nu, los van de rest van het lichaam dat mij al rennend vooralsnog verder droeg en dat het weldra zou begeven. Ik hield mijn ogen wijd opengesperd om tenminste nog iets te kunnen zien, maar niet wijd genoeg, daar het niet langer baat om te kijken als er geen licht meer is. Het ging door me heen: dat wij denken dat we zien - we gaan er prat op dat we zien - maar in feite zijn het niet onze ogen, het zijn gekregen ogen, en op hun beurt krijgen zij het licht naar binnen gegoten: wij hebben daar geen enkel aandeel aan, en dat beseffen wij slechts heel op ‘t einde, plotseling, als wij ons de ogen uit de kop kijken omdat ons leven er van afhangt, doch vergeefs kijken we dan, want er is geen licht meer dat ons nog gegeven wordt.

Meteen realiseerde ik me ook hoe erg ik er aan toe was; immers: als het einde echt nabij komt en het lichaam op bezwijken staat, zoekt de geest afleiding in het maken van dergelijke bedenkingen: die gedachten, hoe overvol van waarheid ze ook mogen zijn, zijn uiteindelijk niets anders dan de verbloemde aankondiging van een nakend en fataal bewustzijnsverlies: het start met dergelijke overdenkingen, en geleidelijk, geheel onopgemerkt doch sneller dan men denken zou, gaan ze over in dromen - en wie droomt, is niet langer wakker. Het is een paradox: wij geloven dat wij ons redden kunnen door ons aan gedachten vast te klampen, alsof de voortzetting ervan ons de continuïteit van ons bewustzijn garandeerde, maar wezenlijk is het net andersom, en dienen wij het denken te schuwen als de dood zelf, die zich met gedachten en met de droom omringt teneinde ongemerkt zoals een roofdier naar zijn prooi toe te kunnen sluipen om er dan op te springen - één ogenblik, een enkele beet die feilloos de levensader openlegt en, met het bloed, het leven wegzuigt uit het lichaam. En wie kon ooit denken dat het leven dan zo broos was, dat het gewoon weggezogen worden kon, zoals water door een rietje.

Het water was er plots, en het omarmde ons, ombolsterde ons, omgaf ons ten allen kante, sloot ons in, benam ons van de adem, wij ademden nu water, onze longen gingen wild te keer, een korte wijle nog, een al verloren strijd, ons bloed dat zich met het water mengde. Planken, schroot, diepvriezers, auto’s, daken, bomen - het wriemelde rond ons heen, en armen werden uitgerukt, hoofden afgeslagen, karkassen dreven, zelf schroot geworden, mee in de wilde vloed - het was nu een kwestie van nog luttele seconden vooraleer het nekschot kwam, want dit einde zou niet anders aanvoelen. En nog net had ik de tijd, zo geloofde ik toch, om nog de diepe, tergende en uiteindelijk dodelijke heimwee te kunnen voelen, bij het weggerukt worden van alles wat ik zonder het ooit ook maar een ogenblik goed beseft te hebben, zozeer had bemind. Niet het onheil geeft een mens de genadeslag: het is de liefde.

3366631-3d13d827c12b88188638a91dacb8f1de.jpg

(J.B., Verhalen 2006-2009)



























De legitimering van het recht van de sterkste - Over de oorsprong van verrechtsing

De legitimering van het recht van de sterkste

Over de oorsprong van verrechtsing

Een recreatiedomein ontzegt de toegang aan allochtonen omdat blijkt dat zij een leeuwenaandeel hebben inzake problemen van openbare orde en derhalve ook van te garanderen veiligheid.1 Discriminatoir, zo zegt de wet maar hoe moet de probleemoplossing er dan wél uitzien?

Om te beginnen bestaan er geen goede kortetermijnoplossingen voor problemen vergelijkbaar met dit voorbeeld, waarmee tevens gezegd is dat de fabrikanten van de lange termijn, die politici zijn, en derhalve, paradoxaal genoeg, kortetermijndenkers, hun verantwoordelijkheid niet in de schoenen moeten schuiven van onderdanen van wie verwacht wordt dat ze op staande voet bijvoorbeeld het kind van gisteren heropvoeden in de volwassene van vandaag of dat ze de vrijheid respecteren van wie anderen muilkorven en bedreigen.

Immers, ook voor de geviseerde executeuren van door nitwits bereide wetten geldt dat de verwachting om het onmogelijke te realiseren, dermate frustreert dat zij elke draagkracht breekt en onafwendbaar resulteert in een falen waarvoor de blinde massa sowieso iemand wil zien hangen, in de waan aldus het probleem te hebben opgelost.

Omdat desalniettemin kortetermijnmaatregelen worden verwacht voor zaken die uitsluitend gevoelig kunnen zijn voor behandelingen op de lange termijn, zijn zondebokken onvermijdelijk en overeenkomstig de pikorde worden zij zoals altijd gerekruteerd uit de laagste echelons terwijl de eigenlijke daders aan de dodendans gezwind ontsnappen. Een bekend voorbeeld: wanneer het een feit is dat de helft der gevangen onterecht veroordeeld zijn, is dat omdat men stopt met zoeken naar de dader eenmaal ongeacht wie bij de kraag werd gevat en om geen andere reden worden ook hier plichtsgetrouwe lieden opgezadeld met een jarenlang door anderen opgebouwde schuldenlast.

Een van de kwalijke gevolgen van de beschreven gang van zaken is wel dat het allerlaagste echelon niet dat is van degenen die onafwendbaar discriminatoire maatregelen moeten nemen: de laagste in rang zijn immers degenen, meestal kinderen, die worden opgezadeld met een straf voor daden die er vanwege hun opvoeding of een gebrek daaraan, al heel vroeg onherroepelijk ingebakken zitten. Enkel en alleen omdat zij de minst weerbare personen van onze samenleving vertegenwoordigen, krijgen zij uiteindelijk bovenop de discriminatie waaraan zij al onderhevig zijn, tevens de rekening gepresenteerd voor de gevolgen van die discriminatie, zodat ook hier, geheel verkapt, alle daders ontkomen en hun slachtoffers twee keer worden gestraft. En uiteraard neemt ook daar dan de frustratie toe en dat wordt een vicieuze cirkel.

Maar de verrechtsing kan op grond hiervan wel loepzuiver worden gedefinieerd als het uitvaardigen van maatregelen tegen slachtoffers van wantoestanden, tegelijk met de bescherming van de misdadigers en dat is met andere woorden de legitimering van het recht van de sterkste.

(J.B., 18 juli 2026)



 

Verbloemingen (J.B., Verhalen 2006-2009)

Verbloemingen

'Eufemisme', zo klinkt het meer geleerde woord voor 'verbloeming', en iets verbloemen doe je wanneer je het een beetje fraaier omschrijft of voorstelt dan het in feite is: je plaatst het als het ware tussen de bloemen, en dan ziet het er warempel ook veel beter uit.

Er is niets mis met verbloemingen, tenminste als zij niet bedoeld zijn als bedrog, maar veeleer dienen om onszelf en anderen te behoeden voor de abrupte waarheid die wel eens nodeloos shockerend kon zijn. Zo acht men zichzelf of iemand van de zijnen veeleer een werkzoekende dan een werkloze, men verkiest te zeggen 'onverstandig' waar men bedoelt 'stompzinnig' en wanneer ergens de kakkerlakken kermissen en de kamers met rattenkeutels liggen bezaaid, dan zegt men liever dat men op die plaats niet bepaald van de vloer kan eten.

Het begint eigenlijk al van bij de geboorte, welke een bijzonder pijnlijke, bloederige en gevaarlijke belevenis is, zowel voor moeder als voor kind als voor alle andere betrokkenen, want aan baren is er niks gezonds of moois. Men spreekt niet over weeën, pijn, angst, bloed, navelstrengen en moederkoeken, het infectiegevaar waarbij moeder en kind soms het leven laten en wat al niet meer aan mistoestanden en aan kwalen: men zegt dat een nieuwe telg het levenslicht gezien heeft en de beschrijvingen van het geluk dat nu alle betrokkenen te beurt valt, lijken wel onbegrensd. Allerlei versnaperingen luisteren het feestgebeuren op, gaande van zoete suikerbollen tot dineetjes met Champagne, en ook heuse gedichten in veelkleurendruk geïllustreerd en talloze andere, schattige cadeautjes.

Een kind dat geboren wordt, is helaas niet aan de wereld waar het in terecht komt, aangepast, en dat vormt eigenlijk een volgend, groot probleem, dat in feite de tijd en de krachten van alle betrokkenen gedurende de rest van hun bestaan naar zich toe trekt en uitput. Voor de voeding en de opvoeding van elkeen moet levenslang worden gezorgd, en ook die termen zijn verbloemingen want eten is duur en naar het schijnt ook zelden gezond, en vaak vormt reeds het naar binnen werken van het dagelijkse rantsoen een probleem apart: men heeft geen trek omdat men ziek is, men kampt met etterende ontstekingen op de lippen, de tong, de amandelen, de huig, het verhemelte, het tandvlees, de tanden, de slokdarm, de maag en ga zo maar door. Edoch, wij spreken liever niet over al die kwaaltjes en pijntjes en we hebben ook geen aparte woorden om deze waaier van kwellingen te beschrijven, we houden het bij dat ene, domme woord: pijn. Al het kwaad wordt met dat ene woord beschreven, en vaak wordt ook dat nog eens verbloemd en zegt men niet dat iets pijnlijk is, maar dat het niet prettig aanvoelt of dat er gewis aangenamere dingen bestaan.

Daarentegen hebben we wel een quasi eindeloze lijst van benamingen voor een even eindeloos assortiment van specialisten, geneesmiddelen en therapieën. Het volstaat dat men eens een rondgang maakt in een kliniek om zich ervan te vergewissen dat tegen elke kwaal wel een kruid is gewassen, want in hoeveel partikels het menselijk lichaam ook wordt opgedeeld: voor elk mogelijk gebrek aan élk van die partikels bestaan speciale zorgen en een gamma aan passende medicijnen.

In een nieuwsuitzending op televisie worden beelden getoond van uitgemergelde mensen ergens in een heel ver land (en wat denkt u van de benaming 'ontwikkelingsland'?) waar men van hieruit wel eens op vakantie pleegt te gaan. Magere mensen die in een voor ons onverstaanbaar taaltje brabbelen, mensen gekleed in lompen en ook mensen die er alles behalve bedreigend uitzien maar die zelf wel bedreigd worden: door de honger, door de kou en ook nog door clusterbommen en kogels. Zij troepen om de TV-reporters heen - echte reuzen naast die levende lijken. Een van de reporters houdt iemand een microfoon onder de neus en vertaalt wat die jammerende massa uitroept: "Voedsel, beste kijkers, dat is het waar de mensen hier om vragen, want de voorraden raken uitgeput en de aanvoer wordt bemoeilijkt door de strubbelingen van de opstandelingen die de wegen blokkeren in het binnenland." Aan het slot van de reportage zegt de journalist zijn naam en geeft hij 't woord aan zijn eveneens bij de naam genoemde collega in de studio. Maar van de namen van de geïnterviewden in dat verre land wordt niet gerept, alsof zij er helemaal geen namen droegen, alsof zij geen mensen waren - zij vormen immers geen bedreiging en het volstaat warempel hen te voederen opdat zij rustig zouden zijn. In de daarop volgende show zetten gigantische, fluorescerende getallen op een podium vol vedetten onze ongeremde vrijgevigheid in de verf en ook zet zich nog een rijtje politiekers in de bloemen, zwaaiend met cheques van duizend euro en aldus alle miserie in één klap verbloemend met iets dat zichzelf verschuilt onder de benaming 'generositeit'.

In een dagdroom gelijkend op deze welke destijds Godfried Bomans' Erik - uit diens Erik of het kleine insectenboek - te beurt moet zijn gevallen, viel mijn oog bij het milieuvriendelijke wegkieperen van de resten van een rijkelijk middagmaal achter in de tuin, op een klein zwart torretje dat centraal op de mesthoop klaarblijkelijk volop zat te genieten van de zon. Op een zwart, dor blad was het gezeten, drijvend op een kuip vol stront, maar met het hoofd geheven alsof het voor een grootse, edelmoedige beslissing stond. Het richtte ineens het woord tot mij, en sprak: "Hey daar, Mik-Mak, of hoe je ook heet: kom maar niet te dichtbij, want alles wat je hier ziet, dat is van mij, als je dàt maar weet: de drek, incluis de scheet die je net hebt horen bulderen alsof Thor zelf zich een gat in de luchten beet!"

Ik keek beter toe en schrok van de messcherpe schilden op het pantser van dit minuscule schepsel Gods dat niettemin ijdeler bleek dan iemand van onze eigen soort kon dromen. Een pekzwart pannendak bezaaid met vreemde antennes: daarmee leek het ding wel overdekt te zijn, al mocht ik gewis niet zeggen 'ding' en diende men het schepsel aan te spreken met mijnheer, mevrouw, of misschien wel Hare Hoogheid, Monseigneur.

"Zeg maar Jaap", zo kwam het torretje eensklaps mijn verbijstering tegemoet en het trok zowaar zijn das wat losser, ging languit in zijn bureaustoel achterover liggen en hield mij een kistje gevuld met Havanna's voor: "Ikzelf ben gestopt, maar geneer u niet, ze zijn vers overgevlogen uit Cuba, betere vind je niet!" En toen ging Monseigneur zowaar aan het dichten:

"Ein voller Becher Weins zur rechten Zeit

ist mehr wert, als alle Reiche dieser Erde!

Dunkel ist das Leben, ist der Tot!"

- aldus citeerde hij zangerig de grote Li-Tai-Po en hij graaide naast zich in de zwarte plas en schepte mij er zodoende een kroes van vol die ik door al die tralala nu bezwaarlijk nog weigeren kon, en zo zette ik tenslotte een beker gevuld met aal aan mijn lippen en sprak ik plichtsmatig van de pracht en praal waaraan ik niet kon tippen.

En zo vergaat het menigeen die alsmaar wil verbloemen, want hij verbloemt zijn eigen ondergang: hij gaat de dood zelfs roemen, en 't eeuwig leven waarbij vergeleken - volgens hem - 't armtierige bestaan in dit weeë tranendal rustig naar de maan mag gaan.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

https://www.boekenbestellen.nl/boek/het-eeuwige-vuur-en-andere-verhalen-geillustreerd/10812








Misbruik van zwakheid

 

Misbruik van zwakheid

Eenmaal naar binnen gesijpeld in een cultuur is de wet van de jungle of het recht van de sterkste de legitimatie van het onrecht of dus een toestand die verwerpelijker is dan de wetteloosheid waarin wilde dieren leven. Het vergelijkbaar worden van een zogenaamde beschaving met de jungle herinnert spontaan aan Heart of Darkness, de iconische roman van de Pools-Britse schrijver Joseph Conrad uit 1899. Zonder namen te noemen maar bijzonder herkenbaar behandelt het boek de genocide van Leopold II in de Congo. In zijn dienst werkt een zekere meneer Kurtz, de verpersoonlijking van de wreedheid die hiervoor echter rijkelijk wordt beloond. Bij uitstek in het kolonialisme situeert zich de jungle in het hart van de beschaving die om die reden zwart is als de nacht.

Het recht van de sterkste is in wezen het misbruik van andermans zwakheid, wat betekent dat het gebrek aan weerbaarheid van de ander wordt aangewend als een wapen tegen hem of haar, wat in het licht van elke vorm van beschaving uiteraard een exponent is van de lafheid. De macho die zijn meerwaarde etaleert door al dan niet vermeende tekorten van anderen tentoon te stellen en belachelijk te maken is meer dan ooit aan de orde van de dag in de huidige internationale politiek en wel het eerst op die plek die zichzelf durft uit te roepen tot het hart van de wereld, in militair en economisch opzicht maar godbetert ook moreel.

Er is geen onschuld in de pronkzucht van wie leven in batimenten die rusten op witmarmeren pilaren: ijdelheid en pralerij kunnen alleen maar repressie, vervolging en moord verkappen. Evenmin is er heldhaftigheid in het neerslaan van een ander met door hemzelf aangereikte wapens, waartoe immer zijn zwakten behoren. Het nog verder verzwakken van de zwakkeren is zoals het intrappen van open deuren: men doet dan wat iedereen kan, men eist aandacht op voor stunten die er helemaal geen zijn en zodoende creëert men een publiek dat men maar meteen berooft van zijn tijd. Heldhaftigheid en sterkte zijn pas te ontwaren waar men erin slaagt een zwakke sterk te maken en zwaktes in troeven te veranderen, zoals ouders voor hun kinderen doen, vogels voor hun eieren en insecten voor hun broedsels. Waarmee meteen gezegd is dat wie andermans zwakheden uitbaten, niet eens de benaming van beesten verdienen.

(J.B., 17 juli 2026)



 

Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten