Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

Archief

Ellende (J.B., Verhalen 2006-2009)

Ellende

3366601-3fb5ed13afe8714a7e5d13ee506003dd.jpg

Vsevolod Mikhailovich Garshin's vader was militair en pleegde zelfmoord in het bijzijn van zijn zoon, die toen zeven jaar oud was. Garshin zelf was pacifist maar ging niettemin vechten aan het front, kwam zwaar gewond terug en schreef later dan een twintigtal schitterende kortverhalen. Op zijn drieëndertigste pleegde hij op zijn beurt zelfmoord door van de vijfde verdieping van een trappenhal naar beneden te springen. Ernest Hemingway, de auteur van het prachtverhaal De oude man en de zee, pleegde zelfmoord met zijn eigen jachtgeweer. Er wordt gezegd dat hij in zijn familie de vijfde in het rijtje was om dat te doen. De beroemde Virginia Woolf vulde naar verluidt haar jaszakken met stenen op en sprong daarna in een rivier. En als men op Google naar artiestenlevens hengelt, kan men nog urenlang op deze wijze doorgaan.

3366601-4efdd2f969559e8b1c92e99f32ded48e.jpg

Een lugubere onderneming, kan men zeggen, maar wie op de een of andere manier in het land van de ellende terecht komt, kan uitgerekend daarin veel troost vinden. Wonden genezen vanzelfsprekend niet in gevolge de bezichtiging van nog grotere wonden, maar niettemin blijven de Fransen zeggen: "Mal de voisin réconforte et même guérit." Want het ergste aan ellende is misschien wel dat men zich daarmee alleen waant. Ontegensprekelijk zijn slechts weinigen bereid om in de ellende van anderen te gaan delen, en daarom sluit elkeen er zijn ogen voor. Maar de struisvogelpolitiek die zegt dat ellende niet bestaat, houdt het precies zo lang vol totdat de ellende aan de eigen deur klopt. Op dat moment is men wel gedwongen om van strategie te veranderen en in plaats van de ogen ervoor te sluiten, gaat men de ellende nu opzoeken om met zijn ellende niet langer alleen te zijn. Het is uiteraard een gemene truc als men andermans miserie opzoekt - niet om te proberen hen daarvan te bevrijden, doch om ze te baat te nemen. Maar sommigen houden vol dat dit werkt.

3366601-f99687dd719c4e8bc6a39e946c3d9ef7.jpg

Aan de essentie van ellende valt vanzelfsprekend helemaal niets te verhelpen, want ellende is per definitie een toestand waar geen kruid tegen gewassen is. Ik weet niet of het etymologisch hout snijdt, maar het lijkt wel zo te zijn dat het woord 'ellende' de woorden in zich heeft van 'el' of 'elle' - een oude lengtemaat waarbij de elleboog, of beter de ellepijp, diende als meetinstrument - en 'ende', wat 'einde' betekent. Ellende is dan een nare toestand waarvan het einde ellen ver is en nog lang niet in zicht komt: er komt géén einde aan ellende. Hierin onderscheidt ellende zich dan ook van bijvoorbeeld verdriet, dat door de tijd geheeld wordt omdat verdriet geen echte bron heeft. Ellende heeft wel een echte bron, in dat opzicht vergelijkbaar met een waterbron die haar specie ook gestaag blìjft voortbrengen. 

3366601-2de40e0d504f583cda7465979f958a98.jpg

Een sterfgeval brengt verdriet, maar het sterven zelf sleept niet aan: de dood komt en gaat en mettertijd slijt het verdriet en gaat men enigszins in het verlies berusten, ook al kost dat vaak vele jaren van geduld. Maar wie bijvoorbeeld door onvoorzichtigheid het ongeluk of de dood van een ander veroorzaakt heeft, die kent ellende omdat - én zolang als - de bron van het ongeluk waarmee hij dan immers zelf samenvalt, blijft bestaan. Ellende verdwijnt niet tenzij met de dood van de ellendige zelf die daarom perfect met zijn ellende samenvalt, en dan moet hij bovendien nog hopen dat de dood in staat zal zijn om af te breken wat het leven deed voortduren. Wie immers durft te beweren dat onze geest niet verder blijft bestaan, al was het maar om de lasten die erop rusten te blijven torsen? Want hoe dan ook moet ìemand ze toch torsen.

Mevrouw Vermeulen slikte zopas haar tand in - een prothese, een voorlopige prothese eigenlijk. Of beter: zij gelooft dat ze haar prothese ingeslikt heeft, want na haar ontbijt heeft zij in haar spiegel het zwarte vakje van de ontbrekende tand aanschouwd, ze heeft eraan gevoeld en ze heeft inderdaad de beruchte leegte op dat plekje kunnen vaststellen. Onwillekeurig deed het haar denken aan een rijhuis, onverwacht gesloopt: men staat des morgens op, men haalt een brood om de hoek en men ziet plotseling dat daar wat verderop een huis ontbreekt. Is het daadwerkelijk gesloopt of is het ingevallen? Was er dan niet een lichte aardbeving vannacht? Lag het huis al langer plat en werd het alleen niet opgemerkt?

Behalve misschien vanwege haar prijs, heeft de prothese met het huis helemaal niets gemeen, maar de prijs volstaat voor het spontaan tot stand komen van de vergelijking in de geest van mevrouw Vermeulen. Verder valt er met het steengruis van de sloop niets meer aan te vangen terwijl daarentegen de tand nog heel moet zijn en dus recuperabel. Mevrouw Vermeulen heeft dan ook haar bed al helemaal afgestroopt, zij heeft verwoed gezocht tussen de lakens en ook onder het bed, in de tapijten en in de vacht van de schapenvellen. Vervolgens heeft zij grote inspanningen gedaan in een poging om zich te herinneren wat ze precies heeft waargenomen in de tijdspanne tussen het wakker worden en het ontbijten.

Heeft zij in de spiegel gekeken? Waarschijnlijk wel. Heeft zij daarbij haar gebit bekeken en de nu ontbrekende tand gezien? Maar dat herinnert ze zich helemaal niet! Als men opstaat, dan doet men alles routineus, en dat is zeker het geval als men al wat jaren heeft; hoe dan kon men in die omstandigheden gedetailleerde waarnemingen doen? Neen, zij had die tand zeker nog in, anders was het haar beslist opgevallen. Het ongeluk moet zich voltrokken hebben tijdens het ontbijt. Ik eet immers brood van meel met daarin allerlei brokjes, zo realiseert zich mevrouw Vermeulen nu: zonnebloempitten, maanzaadjes en dies meer. Op die zaadjes kauw ik niet, en zo is de prothese erin geslaagd om zich onopgemerkt een weg te banen, prompt doorheen het keelgat. En zij herinnert zich nu een voorval met haar moeder, een gebeurtenis van vele jaren geleden.

De moeder van mevrouw Vermeulen moet toen ongeveer haar huidige leeftijd hebben gehad, en dat wil zeggen tachtig jaar. In die tijd kregen de mensen nog slechte tanden ten gevolge van minuscule kiezeltjes die in het meel belandden tijdens het malen van het graan met reusachtige molenstenen. Het tandglazuur verging alras en het gebit rotte weg. De malaise was algemeen en de staat zette een campagne op touw: alom ten lande deden grote tandartsen-autobussen de gemeenten aan, en elkeen liet er al zijn tanden trekken, in de hoop na enkele weken te kunnen pronken met een jeugdig ogend gebit. Een vals gebit weliswaar, dat soms minder goed paste in de mond en dat soms niet aan het gehemelte wilde blijven plakken. Zodat het gebit eigenlijk slechts werd gedragen voor de duur van eens een avondje uit. En het was na zo'n avondje - haar wekelijkse kaarting in de bejaardenclub - dat de moeder van mevrouw Vermeulen een trappist was misvallen. In die tijd immers konden op de bodem van het flesje van het nog artisanaal gebrouwen bier van hoge gisting dat door de huisdokter zelf werd aanbevolen tegen allerlei ouderdomskwaaltjes, nog aardig wat slakken zitten. Het was dus na haar thuiskomst van zo'n kaarting dat zij zich in zeven haasten naar het toilet begeven moest, alwaar zij zich moest neerleggen bij een kotspartij waarbij het half verteerd trappistenbier op zijn terugreis naar buiten vergezeld werd van een nog nagelnieuw en peperduur gebit. Een nog haastige grabbelreflex schoot helaas net wat tekort om het kleinood te redden van een gewisse val in een wel bijzonder onherbergzame diepte.

Men dient immers te weten dat de toiletten uit die tijd nog enigszins verschilden van onze moderne WC-potten. Om te beginnen bevond het toilet zich toen buiten in een hokje op de koer, en dat was niet zonder reden: het toilet was immers gebouwd bovenop de beerput in de tuin. Van sifons was nog lang geen sprake en de uitwerpselen, de kots of eender wat dat in het toilet gedeponeerd werd, belandde rechtstreeks - en dat wil zeggen: in vrije val - in de beerput daaronder.

Met pijn in het hart herinnert zich mevrouw Vermeulen hoe haar moeder die nacht grotendeels moet hebben doorgebracht in volstrekte eenzaamheid in het 'vertrek', zoals het WC-hokje werd genoemd. Niet omdat ze al die tijd onpasselijk zou zijn geweest of dronken, want toen zij haar fortuin de dieperik zag ingaan, was ze rap nuchter, al tastten haar handen nog een tijdlang en wanhopig achter haar lippen in de lege holte van de mond, wellicht vooralsnog in de schriele hoop dat dit verlies een droom moest zijn geweest. Met een lange stok dan maar, aan het uiteinde waarvan een reusachtige, smeedijzeren lepel vast hing - een tuig dat 'beerloeder' heet en dat werd gebruikt om te 'beren', wat wil zeggen: 'aal scheppen' - poorde zij nog urenlang in de put en inspecteerde ze bij het ophalen telkenmale nauwkeurig de inhoud van de lepel, in de hoop daarin haar fortuin aan te zullen treffen. Met behulp van haar kleinzoon die haar nochtans plechtig had beloofd het voorval te zullen verzwijgen, werd het gebit tenslotte opgevist. De moeder van mevrouw Vermeulen was blij omdat het niet één barst vertoonde; zij schrobde het schoon met zeep en ging er de week nadien alweer mee kaarten alsof er geen vuiltje aan de lucht was.

Mevrouw Vermeulen is haar prothese kwijt maar, het voorval van weleer met haar goede moeder indachtig, weet zij het alras te relativeren en zij besluit dat het niet meer is dan een heel klein ongelukje. Wat haar moeder mee moest maken daarentegen, had een ietwat tragischer karakter. Vele eenzame uren in de nacht, gebogen over een stinkende beerput, had zij ervoor over om te voorkomen dat men over haar gezegd zou hebben dat zij wellicht een glas teveel gedronken had, dat zij gulzig was geweest, onvoorzichtig, dronken of zelfs spilzuchtig - uitgerekend zij, die zich in de ellendige oorlogsjaren letterlijk het eten uit de mond spaarde om haar kleine kinderen nog iets toe te kunnen stoppen, met het gevolg dat zij bij de bevrijding nog amper veertig kilogram woog. Maar dat alles had niét kunnen voorkomen dat haar jongste meisje kroep kreeg en prompt stierf, geen zeven jaar oud was zij, en met man en macht hebben ze moeder toen in bedwang moeten houden daar zij steeds herhaalde dat haar dochtertje nog veel te klein was om te worden begraven en dat zij beter nog een poos in haar bedje bleef.

Niettemin God weet dat zij geheel onschuldig was, hebben de zelfverwijten de jonge moeder een lange tijd ergens op de grens gebracht tussen, enerzijds, de heldere werkelijkheid en, anderzijds, een land van alleen maar duisternis en mist. En zij is - uiteindelijk - uit de mist teruggekeerd, maar mét een ellende die nog onverminderd daar was op haar sterfbed, en die misschien nog voortduurt in het graf - wie zal het zeggen?

De moeder van mevrouw Vermeulen is niet van de vijfde verdieping van een trappenhall naar beneden gesprongen. Zij heeft zichzelf ook niet neergeschoten met een tweeloop en ze is niet, de jaszakken gevuld met zware stenen, in een rivier gesprongen. Zij zag van dit alles af omdat zij meende te weten dat ook de dood een mens niet kan ontheffen van zijn schulden, aangezien hij op het einde van de tijden verwacht wordt bij het oordeel, als de laatste bazuin zal schallen, de zerken open zullen worden gegooid en de doden, zoals immers beloofd werd, zullen verrijzen. De moeder van mevrouw Vermeulen heeft de gedachte aan de dood nimmer kunnen vereenzelvigen met een of andere vorm van bevrijding: sterven was voor haar een straf, net zoals lijden, en dood-zijn was een voorlopige toestand in afwachting van een eeuwig leven, hetzij in de hemel, hetzij in het eeuwige vuur. Niemand heeft haar ooit af kunnen brengen van de verschrikkelijke overtuiging dat zij schuld had aan de kroep van haar klein dochtertje, want als niet zij de schuldige was, wie dan wel? En zo leefde zij sindsdien een leven van ellende, en stierf zij tevens een ellendige dood, zonder een andere uitkomst dan het eeuwige vuur van een nog ellendiger hel.

Mevrouw Vermeulen overdenkt al deze dingen in de tandartsenstoel en de dokter aan wie zij het verhaal van haar ingeslikte prothese heeft verteld, glimlacht er nog om terwijl hij aandachtig bezig is met het boren van een gaatje in haar kaaksbeen voor de inplanting van een nieuwe tand. Het zijn, alles samen, een viertal operaties en met de opbrengst van die klus zal zijn zak geld alweer wat zwaarder wegen. "De armen zeggen wel dat ge uw fortuin niet mee kunt nemen in uw graf", zo zegde hem zijn moeder altijd toen hij nog studeerde, "maar dat is een troost zoals een andere." Hij bleef maar aan die woorden denken, en hij herinnerde ze zich nu weer, alsof zij hem had willen duidelijk maken dat de armen het bij het verkeerde eind hebben, en dat men zijn rijkdom wél kan meenemen over de grenzen van dit leven heen - alleen was hij misschien nog steeds niet rijp genoeg om de wijsheid van wat zij hem had toevertrouwd, helemaal te kunnen bevatten. "Men moet een mens zijn troost niet ontnemen", zegde zij, "en bijna niets kan een mens meer troost bieden dan een gaaf gebit, ook al is het vals". En was het dan geen diepe wijsheid als zij daar liet op volgen: "Of een gebit echt is of vals, doet immers niet ter zake, want wie verkiest geen vals gebit dat bijten kan boven een echt dat alleen maar pijn doet? En zo kunt gij de armen twee keer troosten: eenmaal met een vals gebit en andermaal met de overtuiging dat men zijn fortuin niet meeneemt in zijn graf".

In een afgrond of in het water springen of zichzelf door het hoofd schieten zijn niet de aangewezen manieren om zich te ontdoen van "het leven dat we allen moeten doorstaan", zoals een wijs dramaturg het ergens verwoordt, met een klemtoon op dat 'moeten'. Waarschijnlijk is het zo dat iederéén zonder uitzondering zich van het genoemde "moeten" wil ontdoen en, verder, dat de vlucht in de droom daartoe wellicht de meest gelukkige weg is. Een mens kan immers veel missen, maar neem hem zijn dromen af en hij wil niet meer leven! Ja, deze gedachte is niet nieuw meer in haar eigen hoofd en zonder enige twijfel heeft ze al in vele andere hoofden rondgewaard want het is een ware gedachte: een leven zonder droom stelt blijkbaar helemaal niks meer voor en blijkt niet eens de moeite om geleefd te worden - het is daarentegen een foltering! Een gedachte die nog lang niet is uitgeput... Bedenk eens hoe diep zij is, en wat voor consequenties zij dan heeft, want houdt zij niet in dat een haast toevallig bijverschijnsel van de vele werkingen van een levend organisme, de enige bestaansreden van dat organisme vormt? Minder nog dan een schaduw zijn onze dromen vergeleken bij ons leven - zo onecht, zoals iedereen zal beamen - maar welk wezen vindt zijn bestaansreden dan in het bestaan van zijn eigen schaduw? "Ik leef, maar dat heeft geen enkel belang, geen enkele zin. Mijn enige en echte levensdoel is de productie van een eigen schaduw! Een schaduw is volstrekt immaterieel, zegt gij? Het is inderdaad waar dat ge hem niet kunt oppakken, opvouwen en in een doosje stoppen. Maar of hij daarom onbestaand is, durf ik niet te zeggen. Meer zelfs: als ik geen schaduw meer heb, dan vind ik dat ik er beter ook zelf niet meer ben!" - Wie heeft ooit een weldenkend mens zo'n woorden horen spreken?! En toch blijken zij de waarheid te bevatten en niets dan de waarheid! Dromen immers zijn nog onwerkelijker dan schaduwen.

Ellende is daarom uiteindelijk alleen daar, waar de dromen hebben opgehouden. Omdat ze verbannen worden, of om welke reden dan ook. Het leven dient daarom met dromen te worden volgesponnen. Dromen, ze zijn inderdaad zoals spinrag. In hun fijne webbenweefsel dat lang niet meer van stof is, blijven niettemin soms dikke en voedzame vliegen haken die zich dan uit de dromen niet meer ontwarren kunnen en die aldus zichzelf inspinnen en zoals poppen worden. In tegenstelling tot de dromen waarin zij zich op hun beurt ingenesteld hebben, zijn zij wél van vlees en stof, en aldus voedzaam voor al wie zich zo'n webben dromen. Eigenlijk zijn het allerminst vliegen die in onze dromen blijven haken: het zijn daarentegen vaartuigen van een bijzonder kunstige makelij, die uit een veraf gelegen wereld geconcentreerd voedsel aanbrengen, vele keren krachtiger nog dan biefstuk is of vis. En met de kracht die zij beloven, moet men weer nieuwe dromen spinnen, en nooit mag men ophouden met het spinnen aan de dromen: het moet de allereerste wet zijn van het leven, dat men dromen weven moet, want alleen zij geven soelaas tegen de ellende. Dromen zijn gelijk stegen waarin men wandelen kan, ver weg van de harde snelwegen. Dromen zijn kaartenhuisjes, in een handomdraai staan ze daar, en zij maken geen slachtoffers als de aarde beeft en als dan alles wat uit beton is, doodt al wat er onder zit. Dromen zijn gelijk een vals gebit waarmee men niettemin bijten kan, of ze zijn gelijk een spreuk die ondanks alle armoede troost kan brengen.

De oude man en de zee is een droom die aan eenieder die dat wenst, voor de duur van een paar uren onderdak verschaft en beschutting tegen de ellende. Elk kortverhaal van Garshin is een droom en daarom ook een zeer kostbaar geschenk, alleen kon hijzelf blijkbaar niet snel genoeg dromen, zich niet diep genoeg inwikkelen in het kluwen van zijn woorden, zich er niet terdege in verliezen, omdat teveel ellende gauw weer ontbond wat hij nog zo vernuftig en snel samenstelde. Virginia Woolf trachtte zich in de golven in te spinnen, in hun beweging, in de cadans van hun slag, in hun muziek en tenslotte in de zware koelte van het water en, geholpen door jaszakken vol stenen, slaagde zij ook in haar opzet en zodoende was ook voor haar de gelukkigste weg - die van de droom - niet weggelegd; ook in haar geval haalde een ontbindende ellende de nochtans vernuftige spinsels van vele kunstige dromen in, en zag zij zich genoopt om een verterend vuur met heel andere middelen dan met de droom te doven.

Wij weten dat er met de ellende van de wereld iets gaande is dat zich ergens zal laten verwoorden in een wet, vergelijkbaar met de wet van de entropie. Ergens weten we ondanks alles dat de ellende slechts kan toenemen en dat haar toename de eigenlijke reden is voor de explosie van de droom, welke wij geheel verbloemd voor werkelijkheid houden, zodat we spreken van de wetenschap, van de explosie van de cortex, of van de vooruitgang in het algemeen. Wij weten wel dat deze dingen slechts dromen zijn die voorthollen zoals een meute, op de voet gevolgd door een lavastroom, ontsnappend uit een uitbarstende vulkaan. Wij weten het en wij trachten dit weten met een niet willen weten ongedaan te maken, in de blinde hoop dat, uiteindelijk, het willen het zal winnen van het weten.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Jan Bauwens, "Het eeuwige vuur en andere verhalen", Serskamp 2014, 676 pp., geïllustreerd:

https://www.boekenbestellen.nl/boek/het-eeuwige-vuur-en-andere-verhalen-geillustreerd/10812

 


















Extase (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Extase

3366579-4a565dd479ba940b7a3701e68a09fecb.jpg

Een video van een Johann Sebastian Bach's Goldberg Variationen spelende Glenn Gould op het internet nodigt uit tot een korte meditatie met zonlicht, grafiet en papier, waarbij men een enkel beeld uit dat festijn tracht vast te leggen. De muzikale figuren zijn innemend zonder meer - blauwdrukken van cherubijnen - maar toch staan Bach's Variationen blijvend in de schaduw van het Hexachordum Apollinis van Johann Pachelbel, Bach's voorganger en - via diens oudste broer - eigenlijk zijn ongeëvenaarde leermeester, wat men er ook van zegt. Toen Pachelbel stierf, was de grote Bach tweeëntwintig jaar en in het witte licht van Pachelbel klinken de kleuren van Bach soms nodeloos complex. Maar tegelijk moet worden erkend dat ook in die complexiteit een onovertroffen eenvoud schuilgaat die doet denken aan de simpliciteit van sneeuwkristallen. Geen twee componisten zijn gelijkender dan Pachelbel en Bach en tegelijk zijn er geen twee die onderling meer verschillen, maar dat heb je nu eenmaal met wie of wat zich boven al het vergelijkbare verheffen.

Glenn Gould - andermaal de incommensurabiliteit zelf, maar dit keer in het wezen van de pianist - speelt Goldberg Variationen alsof het een compositie van Pachelbel betrof, en wel de hoger genoemde, en zo komt zij warempel op een nimmer geëvenaarde wijze tot haar recht. Hexachordum Apollinis kan immers evengoed op pianoforte worden gespeeld, Goldberg Variationen op harpsichord, clavichord of orgel - muziek met eeuwigheidswaarde is tijdloos en onttrekt zich aan haar instrumenten. Maar zonder de geniale uitvoerder bestaat zij niet: Glenn Gould is welhaast even onvervangbaar als Bach zelf en, als de tekening geslaagd is, zal zij ook laten zien waarom: de pianist staat in verbinding met de componist via het wonder van de extase.

Extase - van het Griekse ékstasis - wijst op een buiten zichzelf treden van de mens. In vervoering maakt de ziel zich van het lichaam los, zij het voor een korte tijd: zij bevrijdt zich van de beperkingen van de stof en zij gaat op in dingen van meer geestelijke aard. De kunst, en bij uitstek de muziek, zijn uitnemende werktuigen om zich los te wrikken uit de kerker van de stof - het zijn voertuigen naar hogere regionen. Men doet soms geheimzinnig over extase en over de daarmee gepaard gaande paradijzen, en er zijn zelfs tijdperken in de geschiedenis die dermate materialistisch zijn dat ze het bestaan van die ervaringen zelfs gaan ontkennen, ofwel herleiden ze die tot een simpele kwestie van chemie. Maar elkeen ziet het oneigenlijke van dat reductionisme in van zodra hij bedenkt dat muziek veel meer is dan de tekens van het notenschrift waarin zij wordt vastgelegd. Men doet vaak geheimzinnig over extase - ten onrechte want zij is helemaal geen uitzonderingstoestand. De waarheid is dat de mens in feite zo gemaakt is dat hij helemaal ongeschikt is om al was het slechts één ogenblik niét in extase te zijn.

De mens die spreekt, is in extase; wie luistert, wordt vervoerd door wat hij hoort: door wat een ander zegt, ofwel door de geluiden van een waterval, een onweer of een woud op het middaguur. De engelen schilderende Chagal is in extase, Claude Debussy die Prélude à l'aprés-midi d'un faune componeert, is buiten zichzelf, Auguste Rodin die uit een steen een vorm kapt die niet alleen een mens van vlees en bloed suggereert maar bovendien een mens die dieper denkt dan wie hem aanschouwt, is een boven zichzelf geëxalteerde kunstenaar en de Franse Provence is voortaan en onomkeerbaar omgetoverd in de vibrerende akker Gods die de 'povere' Vincent Van Gogh, recht uit zijn extase, op zijn doeken neerschilderde.

Gelijk Vaslav Nijinsky, wiens voorgeslacht in de straten en op de pleinen van het Tsaristische Rusland om den brode danste en ook om de kou te overwinnen, plots werd opgemerkt door een van deze edellieden die zag dat de jongen niet zomaar sprong doch door de luchten van de steppe vloog, zo ging er een rake vonk van de extase van Glenn Gould op zijn ontdekker over; zo ook heeft ooit de extase van Bach, Glenn Gould in brand gezet en aan het dansen; zo deed de vervoering die Pachelbel uit zichzelf wegtrok, de vingers van Bach jubelen - zoals een vuur dat immer wijder branden wil en dat van geen ophouden weet - een vuur waarvoor geen bluswater bestaat.

Extase is het waarvoor al diegenen nog in leven willen blijven die aan hun bed gekluisterd zijn en die zich nauwelijks nog roeren kunnen: zolang zij leven immers, kunnen zij buiten zichzelf treden, het zieke en stervende lichaam verlaten, zweven, muziek horen en kleuren dromen. De extase zoeken mensen in concentratiekampen op, en arbeiders op werkvloeren, jongeren in duffe scholen en kazernen, zeevaarders en woestijnbewoners, sterrenkijkers en wiskundigen, ontdekkingsreizigers en metselaars, fabrikanten van knoopsgaten en borduursters van kazuifels van kardinalen, glasraamontwerpers in kathedralen...

Misschien is het tenslotte wel de extase waarin alles overgaat dat opgeleefd is, uitgeteerd, verbrand, verbruikt, tot niets herleid dan nerven en kristallen, overschot van al het weggeteerde leed. Misschien is de doodse stilte wel de extase van de muziek zelf; misschien is de volstrekte onbeweeglijkheid - het stolsel van het levensbloed - de lang verwachte dans der dansen. En misschien is er geen mimiek die smeken kan zoals het dodenmasker dat, te laat maar beter te laat dan nooit, om redding roept als reeds zijn meester is vergaan. Misschien is de algehele ontbinding van de stof broodnodig voor de verlossing van de laatste druppel bloed - wie zal het zeggen!

(J.B., Verhalen 2006-2009)






De Overname (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

De Overname

Ze kwamen naar binnen wandelen, hier, in de huiskamer, alsof het de meest normale zaak van de wereld was, ja, alsof ze hier ook woonden en thuis waren: insecten, zo groot als schildpadden, en welhaast even traag en houterig als deze laatsten, verplaatsten ze zich. Ze begaven zich naar de keuken en beklommen het aanrecht, op zoek naar iets om te eten.

Je kon niet kwaad op hen zijn en je had ook niet de neiging om ze te doden: niet omdat ze enorme bloedvlekken zouden achterlaten op het parket, maar omdat ze bij je een soort van medelijden opwekten, vooral dan door hun bewegingen die iets hadden van de manier waarop ouderlingen zich voortbewegen. Als je naar hen toe stapte, van plan om hen te pletten met de schoenzool, bedacht je je meteen: ze keken immers op, ze keken je aan, recht in de ogen, zoals katten dat kunnen, en het leek alsof ze vol vertrouwen waren, en dat vertrouwen wilde je op de een of andere manier niet beschamen, en daarom zag je af van je aanvankelijke neiging, en liet je hen begaan. Je deed een stap terug, en je keek alleen maar toe hoe ze naar binnen wandelden en zich doorheen de woonplaats werkten, over de harige tapijten waaraan de uiteinden van hun poten veelvuldig bleven haken, of welhaast even moeizaam over het gladde parket waarop de uitrusting van hun ledematen duidelijk niet voorzien was. Ja, heel even kwam het in je op dat je hen beter wat helpen zou, bijvoorbeeld door krantenbladen uit te spreiden over de vloer ten einde hen de moeizame verplaatsing gemakkelijker te maken, want het leed geen twijfel dat ze er al een heel lange tocht hadden opzitten.

Ze waren ongetwijfeld meegekomen met de helse winden die nu overal woedden, ze waren een product van het natte, klamme weer, van het veranderde klimaat, om zo te zeggen, want of ze alleen maar exotisch waren ofwel geheel nieuw, dat had geen mens kunnen uitmaken. Je had hen alvast nooit eerder gezien, je wist niet hoe ze heetten, of ze denken konden… niets wist je over hen. Spinnen boezemen angst in, padden afkeer, katten verwekken gevoelens van zorg, maar deze dieren, op de hun eigen manier, verwekten… medelijden.

Met velen waren ze: er liepen er al zeker dertig in de kamer rond toen je bemerkte dat ze er waren, maar ze bleven binnenkomen, met ganse colonnes, traag doch gestaag, en toen je door het raam naar buiten keek, zag je dat de voortuin er helemaal zwart van zag en, verderop, ook de straat, de velden.

Overal gingen ze de huizen binnen, en klaarblijkelijk liet elkeen hen begaan, omdat ze bij elkeen dezelfde wrange gevoelens van compassie verwekten: voorbijgangers bleven staan en keken de beesten na met open mond. Kinderen gingen hurken en negen zich met het gezicht tot bij de koppen van de beesten, die hen dan aankeken, recht in de ogen, en de kinderen dropen af en trachtten zich, voorzichtig, een weg terug te banen, naar huis, waar ze ook waren. Ze waren overal, ze beklommen muren, struiken, bomen, lantaarnpalen, daken…

En toen begonnen ze te eten, uiteraard, en nog meer medelijden kreeg je met hen, omdat je zag dat ze echt honger hadden, en je haalde alles uit de kast om ze te voeren: eerst hondenbrokken van de hond die nergens meer te bespeuren was, of het voeder voor de kat die evenmin nog was te zien, en dan opende je een blik sardienen, een doos melk, een blokje kaas. Ten slotte zette je de deur van de koelkast gewoon open, en die van de kelder, waar het fruit lag en de aardappelen…

In geen tijd was alles verorberd en, zoals je had gevreesd, begonnen ze nu ook te knagen aan je voeten.

Lomp waren ze niet: ze kwamen tot vlak voor je zitten, hieven de kop, en keken je aan, recht in de ogen, en wat kon je dan nog doen?! Wat kon je nog beginnen, als je hun getormenteerde blikken zag, zo vol van verdriet?! Zeg mij eens: wat viel hier tegen te beginnen?!

Een slijmerig vocht scheidden ze eerst af, dat ze op je schoenen lieten druipen en dat door het leer heen drong, waarna je het gewaar werd: je voeten werden geheel ongevoelig. Ze keken je weer aan, recht in de ogen, als om te vragen: “Werkt het al?”; “Werkt de verdoving al?”; “Ben je klaar?” “Mag ik beginnen bijten?” En wat kon je dan nog antwoorden? Wat anders kon je antwoorden dan: “Bijt maar, beestje, ga je gang en bijt maar, want je hebt ongetwijfeld honger nu, en elkeen moet leven in deze wereld, en het is tenslotte geen aardigheid dat de ene de andere opeet. Tast dus maar flink toe, en laat het je smaken!”

Pijn deden ze je niet, en het verdovend slijm gaf je zelfs een allerzaligst gevoel, het maakte je slaperig zonder dat je er meteen ook van in slaap viel, want je kon het gebeuren helemaal volgen tot op het eind.

Toen ze aan je ogen gekomen waren, keken ze je een allerlaatste keer aan, recht in de ogen, en dan wachtten ze geduldig nog een poos, als om je de gelegenheid te geven om nog eens rond te kijken, een allerlaatste keer. Kijken naar de wereld die ineens niet meer de onze was, want het was allemaal voorbij, en zij – zij waren nu de nieuwe mens.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 

'Educatie'

'Educatie'

De visser hecht een lokaas aan de haak van zijn lijn, gooit die in de stroom en wacht totdat zijn buit toehapt. Hij volgt hiermee het voorbeeld van de vissen zelf die vanuit een hol op de bodem van de zee hun prooi lokken om die te verslinden. Wat die vissen en vele andere dieren doen, heet jagen. Jagen is een middel om aan voedsel te komen: men doodt de ander om die te verorberen en zijn vlees te baat te nemen voor het in stand houden van het eigen lijf want leven is pas mogelijk bij de gratie van ander leven - dat gedood moet worden.

De drang tot zelfbehoud maakt dat geen wezen zich zomaar zal laten vangen en daarom moet elke prooi eerst om de tuin worden geleid. De jager laat zijn prooi geloven dat die iets krijgt om ze zo weerloos te maken en pas dan neemt hij die in zijn bezit. Het is de tactiek van de verleiding die prominent aanwezig is in de wereld en die voorafgaat aan even prominente koelbloedige moordpartijen. Het duo is soms zichtbaar waar eerst gepronkt wordt met producten voor een oogverblindende handel - die uiteindelijk zijn ware gezicht toont in de oorlog. Maar vaak is het tweespan dat de wereld van de jacht uitmaakt, verborgen en derhalve veel gevaarlijker dan men vermoeden kan. Ontmaskeraars moeten dan monddood worden gemaakt, wat meestal gebeurt middels stigmatisering: zij worden ervan beschuldigd samen te zweren, te liegen of niet bij hun verstand te zijn.

Een voorbeeld van verborgen jacht voltrekt zich in wat zich vaak als 'opvoeding' profileert: een malafide regime houdt de bevolking onder de duim middels een toneel dat keurig als 'educatie' wordt bestempeld, van het Latijnse 'educare', wat betekent: wegleiden - met name uit de onwetendheid. De tactiek van deze verborgen vorm van jacht bestaat er dan in dat aan de opvoedelingen helemaal geen wetenschap wordt bijgebracht maar dat zij daarentegen onwetend worden gemaakt, wat uiteraard gebeurt met leugens. En de ervaring leert dat als de leugenaars een hoge maatschappelijke status hebben, het groepsinstinct er automatisch voor zorgt dat zij klakkeloos zullen worden geloofd, ook al raakt al wat zij uitkramen kant noch wal. Op die manier weet bijvoorbeeld de kerk sinds meer dan tweeduizend jaar met de meest vergezochte sprookjes de halve wereldpopulatie, incluis verstandige mensen met diploma's om u tegen te zeggen, te misleiden - en te onderwerpen.

De leugenaars in kwestie kunnen hun snode plan pas voltooien als ze erin slagen om twee zaakjes te regelen. Vooreerst moeten zij maken dat zij de waarheid kunnen voorstellen als een leugen en daartoe moeten ze eerst de auteurs van die waarheid bij het publiek in diskrediet weten te brengen. Pas dan kunnen zij er werk van maken om zekere leugens als de waarheid te verkopen. De achterliggende idee is het gegeven dat mensen verwoed op zoek zijn naar een houvast. Maar wie weten hoe zich aan het firmament de sterrennevels verplaatsen, begrijpen ook dat een houvast helemaal niet kan bestaan doch uitgerekend om die reden wordt het zozeer begeerd dat wie het aanbieden, gewis een buit zullen binnenhalen, ook al bestaat het aanbod uit een onooglijke made.

In 1967-1968 publiceerde de Braziliaanse androloog Paulo Freire de teksten voor een boek bestemd voor de onderdrukten en voor de medelijdenden die hen terzijde staan: Pedagogia del oprimido (wat Portugees is voor Pedagogie van de verdrukten).1 Wie een volk wil onderwerpen, moet het eerst beroven van zijn zelfvertrouwen, een tactiek door het westen toegepast op de kolonies in de derde en de vierde wereld, door Freire in kaart gebracht met betrekking tot de onderwerping van het Latijns-Amerikaanse continent. Daarin betoogt de volksbevrijder dat in een dictatuur het onderwijs wordt aangewend om het volk dom te houden, vooreerst door te onderwijzen in een volksvreemde taal. (…) onderwijs moet gebeuren in de taal van het volk en moet emancipatie bevorderen. (...).” Maar het project van Paolo Freire werd gedwarsboomd door de V.S. die in 1964 in Brazilië een militaire dictatuur die twintig jaar zou duren aan de macht bracht. Freire werd gevangen gezet, week dan uit naar Chili en Mexico om pas in 1980 naar Brazilië terug te keren maar zijn ideeën overleefden de coup.

“In zijn boek stelt Freire vast dat mensen bang zijn voor vrijheid, bang om de bestaande gang van zaken te veranderen. De bevestiging van de eigen menselijke identiteit is cruciaal maar die wordt gedwarsboomd - een ontmenselijking waarbij men wordt geobjectiveerd, uitgebuit en onderdrukt. Weerwerk daartegen bestaat niet in het voeren van oppositie die alleen maar een nieuwe dictatuur aan de macht brengt, maar door via begrip van de verdrukking naar bevrijding te zoeken. Verdrukkers zijn materialisten die mensen als louter instrumenten zien die zij in hun dienst willen stellen. De onderdrukten mogen die rollen niet zomaar omkeren: zij moeten in dialoog streven naar de bevrijding van iedereen. Dat moet gebeuren door de onderdrukten want wie de onderdrukking niet zelf hebben ervaren, kunnen helemaal geen hulp bieden.

Onderwijs moet aansluiten bij wat men kent, bij de praktijk, en moet ook in twee richtingen verlopen: de alwetende opvoeder tegenover het kind dat moet zwijgen ruimt plaats voor discussies in gelijkheid over reële problemen. Dictatoriaal onderwijs, dat manipulatief, regelgevend, verdelend en cultuur-onderdrukkend is, voedt een passiviteit die belemmert dat men ook maar aan de weet komt dat men onderdrukt wordt, en daarvan profiteren de onderdrukkers; het moet vervangen worden door een verenigende dialoog.

Edoch, wie de waarheid spreken, worden gevreesd door wie op de leugen teren en in het dictatoriale Amerika van vandaag dat in een mum van tijd via een in het kapitalisme fatale verrechtsing koers zet richting een derde wereldoorlog, maakt dat de inzichten van Paolo Freire opnieuw bijzonder actueel.”2

(J.B., 14 juli 2026)



2 Cf.: Jan Bauwens, Achter de coulissen. Artikels van 19 april tot 25 juli 2025, Serskamp 2025, pp. 231-233. Voor de integrale tekst, zie: https://blogimages.bloggen.be/tisallemaiet/attach/93208129869.pdf




Het Credo (J.B., Verhalen 2006-2009)

Het Credo

Ik heb me door de enge pijpen gewrongen, tussen de ijverige en na-ijverige insecten met hun zwarte aktetassen, antennetjes en angels, en ik heb geen engelen gezien, doch duivelse figuren, schaduwen die nooit in het licht komen dat immers veel te straf voor hen is, en dat ze alleen maar zien als een straf op het einde der tijden. Mijn longen begaven het haast, zo kort van adem werd ik, en dat voelde ik in mijn pootjes, die de trappen en de roltrappen beklauterden in een duisternis alleen verlicht met elektriciteit, met buis- en neonlampen die eigenlijk niet branden doch flikkeren, zo snel dat haast niemand zich eraan stoort, tenzij ikzelf, die er gek van word. Maar de onderaardse pijpen zijn lang en worden steeds langer; een steeds groter stuk van onze dagen en van gans ons leven slorpen ze op, zodat wij op de duur haast fulltime onderaardse wezens zijn geworden, wij, arbeiders, wij, dienaren van geen mens die nog weet welk goed - de economie, de welvaart, de status...

Help mij een beetje, zo bad ik alsmaar tot mijn engelbewaarder, want vandaag geraak ik door de pijp niet heen: er is te weinig lucht, er is geen zuurstof meer, geen licht, geen lucht, het is alleen maar happen, snakken, op de tenen lopen tegelijk, verdrinken eigenlijk. Geen engelbewaarders te bekennen in de hel - niet één. En, aldus amechtig verder klauterend, kwam als in een vlaag van nostalgie die als een klauw meedogenloos de ingewanden uitwringt, de lang geleden kindertijd terug, de veelbelovende tronies met hun versjes van: "je moet hard studeren, dan heb je het later goed." Enfin, dit is dus later, dit is goed, voor ons allen, voor u en ook voor mij: het klimmen door de pijpen die door het zuurstofgebrek wel volgestroomd lijken met een zwarte, kleverige brij. En nu en dan valt er eens iemand af, net zoals het er in onze kinderlijke spelletjes aan toe ging: iemand die plotseling obstakel wordt in de stroom, iemand die knielt en die de nutteloos geworden aktetas waaraan hij zich al die tijd heeft vastgeklemd, laat vallen, met de beide handen naar het hart grijpt dat onder kleren, huid en ribben zit, en valt, en ligt, en roerloos liggen blijft - een obstakel, hartmassage, sirenes, hospitaal en dan: lijkenhuisje, mis of geen mis, kerkhof, schroothoop, door de molen, fijngemalen, in de oven, luchtbezoedeling, klachten van omwonenden, heisa, nieuws, sensatie...

Mijn handen trillen, mijn rechter klauw omklemt het handvat van de tas - plastic - hoe lang ik het nog houden kan, ik weet het niet, mijn zicht wordt slechter, het beeld vult zich met zwarte vlekken op, het suizen in de oren, eerst luid, dan niets meer, en het hart is nu het centrum van de hele wereld: het hart in de pijpen, krijst.

Wij zijn terecht gekomen in een vreemde ruimte, het is hier stil, alles lijkt van hout, met hout omzoomd, behangen, geurend naar boenwas ook en alleen het schuiven van duizend glanzende schofjes in eikenhout vult nu de stilte, alleen het glanzen van opgeblonken, edel hout, in een diffuus licht dat doorheen glasramen valt, gedempt, niet pijnigend, en zeker afkomstig van een milde zon - onrechtstreeks licht in deze... kamers. Het is niet zomaar een kist, niet zomaar een graf: dit is een ganse ruimte met een ondergrondse zon - een ruimte met vele kamers, allemaal in hout, in alle kleuren van de regenboog, maar dan gedempt, niet pijnigend doch zalvend en verfrissend. Dunne klanken van een hexachord hoort men hier zelfs, en kleine klokjes in een verte die toch heel nabij moet zijn: het leidt geen twijfel dat het zondag is voor eeuwig nu, en wij gaan op verkenning, als door lichte vleugeltjes gedragen.

Hier worden de doden bewaard die wat grootsprakerig waren, zo zingt een engeltje, wijzend naar een gat in een kast, een soort geheime ruimte die wel heel hol klinkt nu, en diep: nu moeten zij hun eigen echo's beluisteren, zo zingt het engeltje: ze moeten ze analyseren, erover doctoreren, waarna hun werk wordt bijgezet in de catacomben van de geest, want elk heeft hier zijn eigen recht, dit is niet zomaar een hel, herinner u namelijk uit de boeken, dat het God zelf is geweest die alles schiep en zegde dat het goed was. Wat verderop, en achter een brandglasraam, zitten zielen te ademen die veel gelogen hebben: zij zien nu alles in één kleur, al naar gelang hun leugens, zo zingt de engel verder. En zo brengt hij mij van schuif naar schuif, van kast naar kast, van kamer naar kamer en van zaal naar zaal, in dit wel eindeloos lijkende land dat ondanks alles troost vindt in een welriekendheid die zelfs in de prachtigste bloementuinen op de aarde niet kon worden bespeurd.

We zijn er haast, zo zegt het engeltje dan: neem nu uw vleugeltjes maar af, je hebt ze nooit meer nodig, want dit hier, is jouw plaatsje, zie. En wij staan voor een raam dat uitgeeft op een kale vlakte, zo uitgestrekt dat men nog moeilijk zou geloven dat er nog iets meer kon zijn dan dat. Het engeltje is weg, ik zie een puntje uit de verte naderen, en als het dichterbij gekomen is, herken ik hem: de hooiwagen!

Er is geen ontkomen aan, ik moet erop, want hij rijdt zo meteen weer weg, en als ik deze laatste trein mis, dan ben ik voorgoed verloren. Een speld in een hooiwagen zult gij zijn, tot het einde der tijden, zo staat het op het etiket, dat in serie is gedrukt, in ongetwijfeld vele miljarden exemplaren. De tijd die rest, is nu de eeuwigheid, en even eindeloos is de ruimte: een gans firmament voor elke menselijke ziel, dat is de straf waarmee wij zijn bedacht geworden. Geen vader of geen moeder meer, geen kinderen, mensen, beesten, spinnen, pijpen, duisternis of licht. Alleen het kriepen van de assen van de grote wielen van de kar, in het droge zand onder een egaal grijze hemel. En af en toe iets als een heel dun en hoog en scherp geluidje dat aan de speld ontspringt, telken male wanneer zij huivert voor het eindeloze niets.

Maar de hoop is gebleven: de goede hoop, dat dit 'gerinkel', dit pieptoontje, dit haast onhoorbaar trillinkje - wie weet - zal dragen over de vele mijlen van het dorre zand, doorheen het dikke, dreigende wolkendek, doorheen de misschien wel kristallen atmosfeer, de sterrenhemel en de eindeloze melkwegstelsels, tot buiten dit universum - op de een of andere manier - om dan een ander universum naar binnen te dringen, en daar opgevangen te worden, vele lichtjaren, lichteeuwen, licht-lichteeuwen later - opgevangen door een tweede speld. De hoop dat dit gebeuren zal, zorgt voor de tijdspannes van kalmte van de speld, telkens tussen twee trillinkjes door. Het is onbegonnen werk, weliswaar, om zo door de dood heen te moeten, maar als er geen alternatief is, dan is dit al heel veel. En wij weten het allen en wij moeten het beamen: waar hoop is, is leven.

En de huiveringwekkende trillinkjes inspireren: zij brengen ons een lied te binnen, en meer bepaald het Hexachordum Apollinis van Johann Pachelbel, dat precies uit het in vele licht-licht-lichtjaren verzameld getinkel van speldjes, elk in zijn eigen universum, werd gewonnen, geordend en tenslotte opgevoerd. Alle tijd van de wereld hebben wij nu, om de wonderbare melodie te reconstrueren in ons hoofd - de speldenkop - en te beluisteren vanbinnen. Als God bestaat, alwetend en almachtig - God, die doorheen de tijdloze tijden mee luisteren kan met de roodgloeiende kopjes die als sterren aan de ontelbare firmamenten staan - dan zal precies dit lied Hem op den duur verleiden. En ook al weet Hij dat de prijs voor wat Hij nogmaals doen zal, bijzonder hoog is - dat het ondanks alles tenslotte weer uitlopen zal op ondergrondse pijpen, verstikkingen, schaduwen en demonen: de melodie zal Hem verleiden, en Hij zal met scheppen herbeginnen. Het credo heeft geen alternatief.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

De illusie van tijdloosheid

De illusie van tijdloosheid

De illusie van tijdloosheid. Zij is enigszins vergelijkbaar met de illusie van onuitputtelijke rijkdom. Het kan niet op, geen zorgen dus, geen nood, weg met de haast; rust, slaap en zoete dromen. Eén dag lijkt niets, wij leven als het mee zit twintigduizend dagen en één daarvan, zo dunkt het ons, kunnen we wel missen. Maar het is een illusie.

De bodem van de portemonnee is altijd in zicht. De snelheid waarmee de zon over de hemel reist, lijkt wel berekend om ons haar stilstand te kunnen verkopen want we ontwaren haar beweging niet. Als ze een heel klein beetje rapper ging, wij zouden haar beweging opmerken en ons zorgen maken maar wij zien het net niet.

Er zijn solden, zo zeggen wij: laten wij gaan kopen, en wij gedragen ons alsof we geld gaan rapen maar net dan glipt het ons door de vingers. Vrije tijd, zo noemen wij de dagen waarop we denken niet te moeten werken maar geen tijd is vrij, elke seconde spoedt zich naar de volgende seconde, de uren lossen elkander af als in een estafette met immer onvermoeibare atleten. Zij rennen, feilloos geven zij de stok door, van vijf uur naar zes uur, van zes naar zeven, acht en negen en zo gaat het verder totdat het uit is want de eindeloosheid is een waandenkbeeld.

De illusie van tijdloosheid is een creatie die tegemoet komt aan een nood ontstaan vanuit de angst voor het voorbijgaan van de dingen. De eindigheid is een bijzonder tergend want onoverkomelijk probleem waartegen geen kruid gewassen is maar uitgerekend om die reden rijzen de remedies tegen de eindigheidsstress als paddenstoelen uit de grond en vullen zij de uitstalramen van zowel de geijkte als de alternatieve sectoren die te maken hebben met ons welzijn. En omdat het gaat om een illusie, zal de essentie te vinden zijn in de verpakking.

Edoch, een verpakking is niet niks, zij heeft een uitwerking en die gaat verder dan het effect van een placebo; er bestaan zelfs theorieën die de verpakking van een zaak met haar essentie identificeren. Zij liggen in de lijn van wijsheden zoals deze die het doel op zich voor een illusie houdt en zegt dat alles draait om de weg er naartoe. Of denk aan het Chinese gezegde dat de essentie van de kamer niet de ruimte is maar de muren er omheen - of was het net andersom? Uit de modewereld is de uitdrukking afkomstig dat de kleren de man maken en we weten allemaal dat een goede voorbereiding de helft is van het werk. De Sint-Baafskathedraal van Gent is een van de talloze godshuizen maar alvast voor een groeiend aantal ongelovigen is hij een verpakking om een leegte heen; men kan er als toerist naar binnen en dan, plaats nemend op een kerkstoel, de prachtige verpakking ook van binnenuit bekijken.

Neen, over verpakkingen moet men niet neerbuigend doen, want dat is wat religies aandurven, ofschoon zij kampioenen zijn in het verpakken van alleen maar wind. Godsdiensten doen meewarig over verpakkingen als het de mens betreft, over wie zij vaak beweren dat het lichaam slechts de verpakking is van de ziel, de eigenlijke essentie, ofschoon zij hiermee de theorie van de opstanding van het vlees weerspreken maar ook de leer over de zin van het lijden dat immers alles met vlees te maken heeft. Dat men 'broeder ezel' niet moet ontzien, is een devies dat in de kaart speelt van de niets en niemand ontziende uitbuitingsstrategie van de rijken en beslist zullen die zich ervan weerhouden om het toe te passen op het eigen weke vlees.

Het lichaam als verpakking is een leer die de essentie mist want alles wat bestaat, huist in het vlees, dat leeft, pijn lijdt en geniet totdat het sterft en ontbindt. Het levend vlees; het leven dat, totdat het tegendeel bewezen is, altijd uit ander leven voortkomt en nimmer uit een zich samenvoegen van levenloze elementen. Zelfs de tijd huist in het vlees, daar hij bestaat uit het verleden dat een resultaat is van herinneringen en uit de toekomst die enkel leeft in de verwachtingen, terwijl herinneringen en verwachtingen producten zijn van het geheugen - dat van vlees is, en voor wie dat in twijfel trekken: Alzheimer gaat samen met de zenuwcellen ook met het geheugen aan de haal.

Het levende lichaam is de essentie en omdat alle leven sterft, delen in dat wrede lot ook de aan onze zenuwen verbonden herinneringen en verwachtingen - de essentie van de tijd. Dat ruimte en tijd ergens in de kosmos buiten ons bestaan, is een schromelijke vergissing inherent aan een micro-reductionistisch mens- en wereldbeeld dat de kar voor het paard spant maar wij weten beter: er is geen uitgestrekte ruimte en ook geen eindeloze tijd en evenmin een ruimtetijd, met daarin alles wat onze fantasie bedenken kan: het bestaat eerst allemaal in onszelf. Dit zelf is evenwel ook helemaal geen geest, zoals doorheen de tijden velen zonder ook maar de geringste grond hebben gemeend te moeten beweren. Het fundament van al het zijn kan de natuurkundige afbeeldingen niet verdragen omdat het verstand een afstand vereist die het Zijn geweld aandoet daar het immers in de eerste plaats onszelf aangaat. Al het Zijn rust in het vlees dat lijden kan en sterven moet en daarom ook moet getuigen, recht spreken en de waarheid kennen. Er is geen tijdloosheid omdat de tijden rusten in het vlees dat moet ontbinden maar de illusie van het tegendeel is even gigantisch als de verschrikking van die waarheid.

(J.B., 13 juli 2026)

Het Eeuwige Vuur (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Het Eeuwige Vuur

"Gaat u nu maar eens mooi voor dat graf staan", gebood hij.

Hij sprak rustig, doch streng. En hij van zijn kant begreep dat hij nu maar het best precies kon uitvoeren wat van hem gevraagd werd, want dat er niet veel nodig was om de heer gevaarlijk kwaad te krijgen.

Hij ging staan zoals hij dacht dat het van hem verwacht werd: de voeten samen, het hoofd lichtjes gebogen.

"Kijkt u naar het graf!", drong de stem aan: "en niet naar de toppen van uw schoenen!"

Hij richtte zijn blik een beetje op.

"En vertelt u mij eens wat u nu ziet!", zei de stem.

Hij zweeg. Wat kon hij immers antwoorden op zo'n vraag?

"U zwijgt?", zei de stem afwachtend, en ze herhaalde: "Ik vraag of u zwijgt?"

"Ik zie een graf, mijnheer", antwoordde hij gedwee en ingehouden tegelijk.

"Zo", beaamde de stem: "u ziet een graf, zegt u. En kunt u ons nu ook zeggen van wie dat graf is?"

Het zweet brak hem uit. Moest hij deze vragen nu echt beantwoorden?

"Wij luisteren!", sprak de stem weer streng. "Verplicht mij niét de vraag te herhalen!"

"Het graf van een dode", antwoordde hij haast onhoorbaar, en kort. Hij sloot zijn ogen, het aanblik was afgrijselijk.

"Juist, de levenden hebben geen graf", repliceerde de stem. "U krijgt nog wat bedenktijd. Zegt u mij intussen ook eens wat een dode is!"

Eventjes had hij de neiging om de heer aan te kijken, maar hij beheerste zich tijdig toen hij zich realiseerde dat dit voor hemzelf wel fataal kon zijn.

"Iemand die..."

"Ja... iemand die wat?"

"Iemand die euh... weg is, mijnheer"

"Waagt u het zich niet te lachen!", waarschuwde de stem nu.

Alsof het ook maar enigszins mogelijk was om deze situatie niet ernstig te nemen!

"Iemand die weg is, zegt u", zo herhaalde de stem zijn woorden: "en waar is die dan wel heen?"

"Dat weet ik niet, mijnheer", antwoordde hij, bijna onhoorbaar.

Er volgde een moeilijke stilte, de seconden leken uren te duren.

"U weet het niet, zegt u!", zo herhaalde de stem nu weer zijn woorden. En dan, zoals een ondervrager die op het punt staat om de onwetende belachelijk te maken: "En wat weet u dan wél? Zegt u ons dàt misschien eerst eens!"

Nu dreigde hij de kluts volledig kwijt te raken, en de heer had het blijkbaar in de gaten, en hij zei:

"Als u nu eens uw voeten lichtjes spreidde, dan zou u misschien wat vaster komen te staan? Vindt u dat geen goed idee?"

Hij gehoorzaamde meteen en nam een lichte spreidstand aan. De vingers van zijn rechterhand leken de duim van zijn linkerhand tot moes te knijpen.

"U zult immers wel begrijpen dat u niet omver kùnt vallen, is het niet?", zo informeerde de stem.

Hij knikte eens kort, bedacht dat de heer op een gesproken antwoord wachtte, en voegde eraan toe: "Ja, mijnheer, dat begrijp ik".

"En kunt u ons misschien ook eens uitleggen waarom u niet omver kunt vallen?", vroeg de stem nu al te vriendelijk.

Hij beefde, zocht vergeefs naar een plausibel en tegelijk ongevaarlijk antwoord. Zijn gedachten stokten. Hij was nu helemaal in het nauw gedreven.

"Wij wachten", zei de heer, "maar wij hebben tijd zat. Denkt u dat trouwens ook niet?"

"Ja, mijnheer", zei hij, blij dat hij tenminste op deze vraag een antwoord kon geven.

"En waarom denkt u dat?", ging de stem onverstoorbaar door.

Weer lieten zijn gedachten hem een hele poos in de steek. Hij hervond zijn evenwicht, bedacht dat het geheel ongevaarlijk was deze vraag te beantwoorden, en zei: "Omdat u alle tijd hebt, mijnheer".

"Juist!", beaamde de stem met een toon van tevredenheid: "Wij hebben al-le tijd! En vertelt u ons nu ook eens hoe dat volgens u dan komt, dat wij alle tijd hebben? Ja, zeg het maar, wij horen toe!"

Wie A zegt, moet ook B zeggen, zo realiseerde hij zich bitter.

"Omdat u de eeuwigheid bent, mijnheer", zo moest hij toegeven, en hij besefte meteen na zijn antwoord al dat het gesprek nu definitief in een heel gevaarlijke richting kon worden gestuurd.

"Warempel, u weet het nog ook!", schokschouderde de stem: "En laten we nu eens terugkeren naar onze eerste vraag. En vertel ons nu niet dat u zich onze eerste vraag niet meer kunt herinneren!"

Hij dacht na. Het was als een onontwarbaar kluwen waarmee hij wrocht.

"Wat ziet u als u voor zich kijkt?", zo herhaalde de stem haar vraag plotseling, luid en duidelijk.

"Ik zie een graf, mijnheer...", aarzelde hij.

"Goed zo", zei de stem: "en herhaal nu zelf maar onze tweede vraag! Ja, doe maar op!"

"De tweede vraag was... wie ligt er in dat graf, mijnheer..."

"Juist, juist! En nu het antwoord, snel!"

"Ik, mijnheer!", riep hij, en hij hijgde, doch zijn hijgen bracht hem geen aarde aan de dijk, en hij hield met hijgen op, keek naar het graf dat aan zijn voeten lag, realiseerde zich nu dat het inderdaad niemand anders zijn graf was dan het zijne.

Nu keek hij op, maar verschrikt stelde hij vast dat er niemand in de buurt was.

Geleidelijk ging de verschrikking over in rust: hij had dit wellicht gedroomd. Er was geen heer die tot hem sprak, hij hoorde alleen het gieren van de wind, en zelfs dat bleek een inbeelding, want geen tak was er die zich roerde, aan de planten die alom op de zerken stonden.

Hij bekeek nu opnieuw het graf aan zijn voeten, dat nog zonder zerk was. Het was een hoopje aarde, nog vers.

Er ontstaat vanzelf zo'n hoopje, zo ging het door zijn gedachten, vanwege de plaats die de kist inneemt. En vanwege het feit dat men de aarde nooit meer zo goed kan aanstampen als voorheen. Je kunt dat trouwens ook zien waar een mol heeft gewroet; het is net hetzelfde principe.

Een ogenblik lang had hij de neiging om daar nu weg te gaan, maar dat lukte hem om de een of andere reden niet. Hij begreep niet meteen dat ook de schoenen, waarvan hij de toppen had staan bekijken toen hem werd gevraagd om zijn blik op het graf te richten, een inbeelding van hem waren.

"Ja, bekijk uw voeten maar eens goed!", zo meende hij nu weer die stem te horen zeggen, maar hij begreep algauw dat hij dit zelf gezegd had, of beter: gedacht had. Verweesd immers tastte zijn hand naar de plaats waar zijn mond moest zitten, doch daarop volgde geen enkel contact. Het leek alsof de hand doorheen de mond tastte, alsof de mond een lege holte was geworden.

Een lege holte, dat was de mond wel altijd geweest, en de Chinese wijsheid, zo herinnerde hij zich uit zijn boeken, zegde ook onomwonden dat de essentie van de dingen het 'niets' daaraan is. Het wezenlijke van een kamer zijn niet de muren: het is het 'niets' ertussen. Het wezenlijke van de mond was, eensgelijks, het 'niets' tussen de kaken.

Hij had zijn mond dus nog, beslist. Alleen de kaken waren er niet langer.

"Maar ze zijn niet essentieel", zo hoorde hij zichzelf nu weer zeggen.

Zijn woorden waren net zoals de wind waarvan hij het gieren had menen te horen, het ogenblik voordien: inbeelding. Doch hier gold weer dezelfde wijsheid: het wezenlijke van de woorden is niet het geluid dat zij maken wanneer we ze uitspreken: de essentie van de woorden is hun betekenis. En die was duidelijk gebleven, want hij kon zijn eigen woorden ook heel goed verstaan.

Weer beangstigd werd hij, toen nu onverhoeds de rechterhand haar spiegelbeeld trachtte te vinden, geheel vergeefs. En toen hij het uiteindelijk aandurfde om naar zijn schoenen te kijken, ontwaarde hij noch schoenen, noch voeten.

"Natuurlijk bevinden die zich onder de aarde", zo sprak hij nu weer, schijnbaar luid en duidelijk, want hij kon zijn eigen woorden goed verstaan. En hij bekeek aandachtig de aarde, stelde opnieuw vast dat zij nog vers was, omgewoeld vers, en dat zij, net zoals een molshoop, op een hoopje lag, vanwege de kist die plaats innam, en het feit dat men die aarde nooit meer aangestampt krijgt zoals voorheen.

Een kleine kortsluiting deed zich voor toen hij, als het ware in zijn hoofd, zijn Catechismus trachtte te openen.

Het was immers niet in zijn hoofd dat dit gebeurde, want ook dat hoofd was er nu niet meer.

"Ze hebben ongelijk", zegde hij: "ze hebben ongelijk, zij die beweren dat gedachten door de hersenen worden voortgebracht en zich in het hoofd bevinden. Maar waar bevinden zij zich dan wel? Het zijn immers mijn gedachten, toch?"

Hij herademde en trachtte zich te concentreren. Het waren zijn eigen gedachten, die hij nu dacht, en die van niemand anders. Hij en niemand anders dacht ze. Tegelijk bevonden die gedachten zich niet langer in zijn hoofd. Dat hoofd lag immers dood in een kist onder de aarde, bij de rest van zijn lijk. Konden anderen nu zijn gedachten mee beluisteren? Waren zijn gedachten nu niet langer geheim? Galmden ze voortaan door de lucht, zichtbaar of hoorbaar voor ongeacht welk oor?

De Chinese wijsheid uit zijn boeken indachtig, was de essentie van een oor tenslotte eveneens niet de vergankelijke schelp, doch de ruimte ertussen. En als dat inderdaad zo was: in welke mate waren dit dan nog zijn eigen gedachten? Waren zijn gedachten nu niet veeleer 'de' gedachten, zonder meer? 'De' geest?

"Mijn Catechismus", stotterde hij, en hij bladerde in zijn Catechismus, daarin moest het antwoord zeker te vinden zijn. En hij las onder het hoofdstuk over de dood:

"Nergens wordt het raadsel van het menselijk bestaan zo groot als in het licht van de dood."

"Van de ene kant is de lichamelijke dood een natuurlijk gegeven, maar voor het geloof is hij in feite 'het loon van de zonde'"

"De dood is het einde van het aardse leven... Bij de dood, die de scheiding is van lichaam en ziel, gaat het lichaam van de mens tot ontbinding over, terwijl zijn ziel God tegemoet gaat in de verwachting van de hereniging met haar verheerlijkt lichaam."

"Zodra hij gestorven is, ontvangt iedere mens in zijn onsterfelijke ziel de eeuwige vergelding in een bijzonder oordeel dat zijn leven in het licht van Christus plaatst, zodat hij ofwel een loutering ondergaat ofwel onmiddellijk in de gelukzaligheid van de hemel binnentreedt ofwel onmiddellijk voor eeuwig verdoemd wordt."

Hij keek weer naar het graf, realiseerde zich dat daar, onder de aarde, zijn lichaam te ontbinden lag en zeker voor immer verloren was. En hier, aan de voet van zijn graf, stond hij - hij, dat wilde dus zeggen: zijn ziel - die, zoals hij nu duidelijk ervoer, voorgoed van zijn lichaam was gescheiden. En hij, zijn ziel dus, moest - volgens zijn Catechismus - nu wachten op een mogelijke hereniging met zijn lichaam, nadat dit lichaam zou verheerlijkt zijn...

Hij bedacht nu meteen ook dat de verheerlijking van het lichaam - de verrijzenis - misschien niet voor iedereen was weggelegd. Weer bladerde hij door het dikke boek, en las:

"God zal in zijn almacht het onvergankelijk leven definitief aan ons lichaam teruggeven door het krachtens de verrijzenis van Jezus met onze ziel te verenigen... "

"Wie zal verrijzen? Alle mensen die gestorven zijn: 'Dan zullen zij die het goede deden, uit de graven te voorschijn komen tot de opstanding ten leven, maar die het kwade deden, tot de opstanding ten oordeel.'"

"Wanneer? Op het einde van de wereld... wanneer het bevel gegeven wordt, als de stem van de aartsengel weerklinkt en de bazuin van God, dan zal de Heer zelf van de hemel nederdalen en eerst zullen de doden die in Christus zijn, verrijzen."

Hij stond perplex.

"Van een onmiddellijk oordeel heb ik niets gemerkt", zei hij tot zichzelf, "behalve dan misschien... die stem...", en hij trachtte zich iemand te herinneren, doch hij realiseerde zich dat hij de blik niet had durven opslaan toen de stem hem toesprak. Van wie was de stem, en wat had zij hem duidelijk willen maken?

Dat moet de stem van mijn geweten geweest zijn, besefte hij nu. Maar wat had zij hem dan verteld? Ze deed trouwens nauwelijks iets anders dan hem vragen stellen! Vreemde vragen waarop hij het antwoord niet kende. Of niet wilde kennen.

"Een leven lang heb ik geloofd dat de dood het eindpunt was", dacht hij: "Ik geloofde dat dan voor eens en voorgoed zou uitgemaakt worden wat er met mij verder zou gebeuren: de hemel of de hel. Op de hemel heb ik weliswaar nooit gehoopt, maar ergens durfde ik toch nog te hopen dat de genadige God zo oneindig goed was... dat Hij mij misschien van de eeuwige verdoemenis zou redden. Hoe dan ook geloofde ik dat de dood eindelijk een eind zou maken aan dat getwijfel: het zou ofwel erop zijn, ofwel eronder. En wat ook de uitkomst mocht zijn: ik zou tenminste verlost zijn van de onzekerheid die een leven lang op mijn schouders heeft gewogen. En kijk, wat stel ik nu vast? Ik word alleen gelaten, moederziel alleen, en zelfs de troost van mijn lichaam, waarin ik mij had kunnen verliezen, moet ik missen. En ik moet weer wachten op het oordeel! Wachten, wachten, wachten...tot het 'einde der tijden'!

"Ach", zei hij: "ik zal er eens over slapen, en het morgen allemaal eens herbekijken met een frisse kop..."

"Er is geen slaap meer nu", beantwoordde onmiddellijk een stem de chaos van zijn gedachten: "Er is geen 'morgen' meer, behalve de dag des oordeels, en geen ander 'gisteren', behalve het gisteren aan uw voeten in het graf."

Hij schrok, en begreep meteen: hij was niét moederziel alleen; de stem was er immers nog. Hij keek snel op, doch zag weer niemand in de buurt, hij hoorde alleen de wind, zo dacht hij.

Plotseling realiseerde hij zich dat er verder niets meer te gebeuren stond, behalve dan... dat die stem daar maar bleef rondspoken. De stem die hem vragen bleef stellen waarop hij het antwoord niet kende, of niet wilde kennen. "Wellicht...", zo drong het nu tot hem door: "wellicht is dit... het eeuwige vuur."

En nu wist hij het klaar en duidelijk: ook de essentie van de hel, waren niet de vlammen; het wezenlijke van de hel, was het 'niets' eraan.

Er gierde een gure wind over het kerkhof, niettemin alles onbeweeglijk bleef, alsof het bevroren was: de graven, de kerk, de bomen en de planten. Toen hij eventjes opkeek, stelde hij vast dat ook de wolken vast zaten. Hij keek er ongelovig en tegelijk aandachtig naar, doch zag nu tot zijn ontzetting dat ze inderdaad niet langer voorbij dreven, doch als het ware versteend waren en bleven hangen waar ze hingen.

Hij kreeg het nu echt koud, zijn rug leek van ijs geworden, en andermaal wilde hij weggaan van die onherbergzame plek. Het lukte hem niet, en hij keek naar de plaats waar zijn voeten zich hoorden te bevinden. Een ogenblik nog meende hij zijn schoenen te zien, doch het was alleen maar een donkere schaduw op de grond, die hem de illusie gaf van een stel zwarte schoenen. Een donkere vlek was het, over de omgewoelde aarde, zoals men soms ziet als men achteloos rondwandelt en naar beneden kijkt. Men denkt dan: de aarde is hier zo donker; is dit een olievlek misschien? Wie zou hier dan olie hebben gemorst? Men bukt zich om de plek wat nader te inspecteren, men tast eventjes met de vingertoppen over het zand, maar men stelt vast dat het geen olie is. "Wat doe je daar?", zegt dan de stem van iemand die met je mee wandelt. En je zegt: "Niets, niets... ik dacht alleen maar dat ik hier iets zag liggen...", en je staat op en loopt verder, en omdat dit tenslotte geheel onbelangrijk was, ben je het twee seconden later geheel en al vergeten.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 

Geld (2)

Geld (2)

Als de krant de wekelijkse illustratie van Piet aan de man weet te brengen, samen met bijhorende teksten van vele anderen, geeft hij de valse indruk aan zijn lezers dat hij het is - de krant dus - die de tekeningen en de teksten voortbrengt. Een valse indruk uiteraard maar heel begrijpelijk tegelijk omdat zonder de krant wellicht geen mens die verhalen en die tekeningen onder de ogen kreeg. De krant heeft helemaal niets te maken met de productie van die kunst en die cultuur en hij heeft zelfs geen idee van wat artiesten allemaal moeten doorstaan vooraleer zij van een kunstwerk kunnen bevallen maar hij is wel in staat om de kunst en de cultuur te boycotten en dat komt omdat hij het monopolie heeft over die toegangswegen waarover we het hoger mochten hebben.

De media lijken cultuur te scheppen en kunst te brengen maar in feite zijn zij louter tollenaars: zij zijn staketsels, of eerder nog barricades, opgeworpen op de weg tussen de kunst en de wereld en zij eisen tol voor alles wat passeren wil. Wie niet betalen, komen er niet in en ook wie zich niet schikken naar de grillen van de nitwits met hun prikkeldraad, kunnen rechtsomkeert maken. Zo zijn de schijnbare schenkers van de kunst in wezen ordinaire dieven die alleen datgene gedogen waarvan zij het deel ontvangen dat zij ervan opeisen. Toch lijken zij er in te slagen om zich als de producenten van kunst en van cultuur te laten doorgaan bij de politici en derhalve bij de hele staat want het zijn zij die de subsidies innen, de sommen bestemd voor de productie van het schone, maar die in feite belanden bij wie de artiesten de weg naar het publiek versperren. Het kan bezwaarlijk absurder aangezien op die manier de burgers via belastingen degenen subsidiëren die verhinderen dat zij het door de kunstenaars voor hen bestemde werk onder de ogen krijgen.

En dan is er nog, aan de barricades zelf, het gemarchandeer: huurlingen halen hun beste Latijn naar boven om daar het schone zwart te maken en in plaats daarvan waardeloze prullen te komen slijten. Welbespraakt zijn zij en geoefend in de retorica die wordt aangewend om wat recht is, krom te praten en, andersom, het scheve voor te stellen als de rechte regel. Geen mens die hen zal tegenspreken, zo de ervaring leert, omdat zij sinds Tijl Uilenspiegel allen functioneren onder de druk van schone schijn, hypocrisie en protocollaire constructies om u tegen te zeggen.

Enerzijds zijn er aldus de kunstenaars met hun werk en anderzijds is er het zogenaamde systeem, wat een mooi woord is voor de barricades die tollenaars opwerpen bij de toegangswegen tot de wereld om daar van alles wat erin wil, hun deel op te eisen. Eigenlijk zouden de tollenaars het allemaal voor zichzelf willen houden maar dat kunnen ze uiteraard niet doen omdat dit het einde van hun hele handeltje zou betekenen en daarmee zijn ze zelf ook geen stap vooruit. Zij pakken zoveel mogelijk, wat wil zeggen dat zij hun handen afhouden van wat ze wel verplicht zijn om te investeren om de carrousel draaiende te houden.

En dat is ook wat de kapitalist doet met zijn loonslaven die om die reden proletariërs worden genoemd of dus mensen wiens enige bezit bestaat uit hun 'proles', het Latijn voor 'kinderen': zij kunnen helemaal niets opsparen van hun loon omdat zij amper voldoende krijgen om te overleven en dus om aan de slag te blijven in de industrie welke in het bezit is van de stelende klasse. Waarmee meteen gezegd is dat deze dieven niet alleen de industrie bezitten maar ook alle daar te werk gestelden, waarbij het arm houden van de slaven nodig is om te verhinderen dat ze ooit aan de slavernij ontkomen.

Edoch, omdat voor de bezitter zijn winst het ultieme doel is, laat het hem in feite koud wat hij te produceren heeft: voedsel of vergif. En als vergif hem meer winst oplevert, zal hij gezwind de productie van voedsel door die van gif vervangen en dat is wat troef is op de hedendaagse markt die daarom ook de laatste is: de handel in gemak, illusies, pijnstillers en nog andere drugs gaat hand in hand met de ondervoeding van de consument die uiteindelijk crepeert en ofschoon hij tegelijk de loonslaaf is, laat dat zijn bezitter koud, die immers op korte termijn denkt en die zijn speelveld verlegt van zodra het een onleefbaar vuilnisbelt geworden is, een oorlogsfront met alleen nog ruïnes in een stank van lijken.

Zo ook laat het de bezitter koud of de kunst en de cultuur waar hij dik achter verdient, nog langer kunst en cultuur genoemd kunnen worden. De sowieso tergend langzame productie van het schone gekenmerkt door vooral zeldzaamheid uiteraard, staat de woeker in de weg en derhalve betaalt de hebzuchtige legers advocaten die rap-rap en in serie geproduceerde bullshit van het etiket van 'kunst' voorzien en het zo waardevol verklaren. Men doet dat ook met bij uitstek bankbiljetten: zij halen hun geldigheid alleen maar uit het afgedwongen geloof van de massa in hun waarde doch van zodra de honger uitbreekt, blijken zij alleen maar van papier te zijn. En zo gaat het ook met de honger naar kunst en naar cultuur, de honger naar het schone: vervalsing brengt een indigestie die het einde inluidt van de beschaving.

(J.B., 12 juli 2026)




De Meester (J.B., Verhalen 2006-2009)

De Meester

Aardedonker was het: geen maan, geen sterren, geen lichtje in de verte, niets dan duisternis en tasten met de voeten door de ritselende bladeren op de grond – de bladeren die ook zongen nu, alom, in het ongrijpbare zwart. Het zingen van de bladeren – alleen dat vulde de nacht, en het was een gedruis als van talloze vliegtuigen die, heel hoog in het firmament, op de plaats waar de sterren hoorden te zitten, in colonnes zonder begin of einde, over de donkere wereld heen joegen. Ook de wind was er: een aanhoudende verplaatsing van de luchten die als gedreven warme stromen, onverhoeds doorheen het landschap sneden dat zich in die warme duisternis verborg – stromen, die de bladeren in hun warmte, die bijna een hitte werd, als ’t ware sprok maakten en ze met een lichte tik van hun takken afbraken en meevoerden door het onzichtbare landschap, dat nu wel helemaal gevuld leek met een zwarte, etherische en tegelijk lucide pap. Het sprok worden van de bladeren en het tikkend geluid dat werd voortgebracht wanneer ze van hun takken afbraken, en wanneer ze door de warme luchtstromen werden meegevoerd over velden, doorheen struiken, over daken en langs verzonken paden – dat geluid vermenigvuldigde zich zoveel keren als er bladeren waren, en dat bracht het bijzondere gedruis voort dat nu oorverdovend werd, en dat deed denken aan eindeloze colonnes zware bommenwerpers, heel hoog in het firmament – zoals gezegd: daar waar de sterren hoorden te zitten.

De zwarte wind speelde door mijn haren, misschien zaten er vleermuizen in – wie zal het zeggen? – of waren het gewoon de dunne, dorre bladeren die langs me heen vlogen, mijn wangen aanraakten met hun lichte prikkelingen, niet zwegen, zongen - ja: het was niet louter een gedruis als van verre, hoge, motoren dat ik nu hoorde, of een neuriën: veeleer was het een gefluister, een luid gefluister, een gefluister als van mensen die wel luidop spreken willen doch die het niet kunnen omdat hun stem dienst weigert uit angst gehoord te zullen worden. Een gefluister als van tientallen, van honderden, ja, van duizenden stemmen, vulde de warme nachtwinden, en het was een aanhoudend gefluister dat steeds driester werd en waarin langzaam doch zeker een motief gestalte kreeg, zoals dat het geval is in een symfonisch werk voor meerdere, grote koren – een werk dat met de deur in huis valt en dat aanvankelijk chaotisch aandoet, maar uit welker chaos zich, zoals een beeld uit kleiaarde, langzaamaan een lied verheft.

Onverstaanbaar zijn de woorden eerst: ze zijn nog louter klank, zij het bij tijden al een ietsje meer woord dan klank, en ze vangen de aandacht omdat men weten wil wat ze onmiskenbaar zeggen zullen, daar men kan vermoeden dat wat ze te zeggen hebben, niet onbelangrijk is. Geheel geheim is wat nu gezegd wil worden: het stamt uit een wereld die wij nooit eerder betraden, maar tegelijk is duidelijk dat het om geheimen gaat die zich niet langer verbergen kunnen omdat er nu, heel onverwacht, dingen op het spel staan die van een hogere orde zijn.

Maar het gefluister – dit gedruis – kon niet dat van mensen zijn, tenminste niet dat van mensen in levenden lijve zoals men ze op de Bühne in gelijnde colonnes ziet staan, met open kelen, beheerst de partituur volgend en de magische bewegingen van een dirigent die met getrek en geduw aan onzichtbare, stroperige elastieken die van zijn vingertoppen tot de lippen van de zangers reikhalzen, het tempo naar zijn hand tracht te zetten. Het gefluister was te ijl om dat van levenden te kunnen zijn: de stemmen die nu weerklonken, zongen heel duidelijk vanuit een andere dan deze wereld, en er was niet de geringste twijfel aan dat ze dit doen konden omdat nu de hele toestand waarin deze nacht verzeild leek, zich op de een of andere manier precies daartoe leende.

Ik hield de armen een weinig voor me uit, als ‘t ware tastend in de winden, terwijl ik voortschreed over een onzeker pad dat ik nooit voordien had verkend, maar dat ik gaan moest – er was geen ontkomen aan. Er is immers geen ontkomen aan dat een mens, ook al is het middernacht, ook al is hij moederziel alleen, ook al moet hij opstaan uit een diepe slaap, en ook al drijft op dat onzalige moment de wereld weg in een onbestemdheid die in zich de kiemen draagt van dingen die niets goeds voorspellen – er is geen ontkomen aan dat een mens moet opstaan en op pad moet wanneer hij uit de droom gehaald werd door een luide schreeuw.

Het gedruis zwol aan, zoals het geroffel van een donder aanzwelt in de verten, lang nog vooraleer van een onweer iets anders te bespeuren valt dan het zich plotseling verplaatsen van de luchtlagen die her en der takken meevoeren, en vele andere dingen die los zijn komen te zitten. De stemmen tekenden zich steeds duidelijker af in deze stilaan oorverdovend geworden vracht van – onmiskenbaar – gezangen. Voorzichtig verplaatste ik mijn voeten door het dorre lover, ik tastte in de nachtelijke novemberwinden, keek in het zwart met niettemin gespannen aandacht, en ik hoorde toe of in het wassende gedruis van duizenden ‘bijna-stemmen’, die ene noodroep uit de verte niet opnieuw viel te ontwaren.

De lange jas die ik bij het naar buiten vluchten inderhaast had aangetrokken, sloeg als een dol wapperende vlag tegen mijn lendenen: het was een los en hol geluid dat me in zekere zin bewust maakte van mijzelf, die zich dan toch in alle spoed geheel verloren had in die onbestemde schreeuw, en het ontspande mij een beetje, en schonk me het zelfvertrouwen terug, alsook de rust die nodig is om snel beslissingen te kunnen nemen wanneer het onverwachte plotseling daar is. En ineens meende ik ook duidelijk de woorden te verstaan die de stemmen zongen, en die zich, ritmisch, als ’t ware om de haverklap, herhaalden: “Splijt het hout en Ik ben er! Splijt het hout en Ik ben er!” Ja, dat zongen ze, er was geen twijfel mogelijk: dat waren welbepaald de woorden die ze, zoals het repetitieve zwaaien van een helse dans, herhaaldelijk door de nachthemel joegen. Ik hield halt, sloot ondanks de algehele duisternis de ogen teneinde mij nog beter op het geluid van het gedruis te kunnen concentreren, en ik herkende inderdaad geheel onmiskenbaar telkens weer diezelfde woorden, heel duidelijk gearticuleerd, maar waarvan verder enige zinnige betekenis mij totaal ontging.

Toen ik opnieuw de ogen opende, was de nacht nog altijd aardedonker, maar ik vergiste mij niet toen ik, hoog aan de zwarte hemelen, plotseling een helle lichtflits zag: het was geen bliksemschicht; de flits was korter van duur dan het licht van de bliksem, en tevens verlichtte hij de aarde niet, wat bliksemschichten daarentegen wel doen. Deze flits deed eerder denken aan het heldere licht dat men soms in het eigen hoofd ontwaren kan, als men verkeert in een toestand die het midden houdt tussen de waaktoestand en de slaap. Men ziet dan een lichtflits terwijl men nochtans de ogen gesloten houdt – een licht dat duizend keer helderder is nog dan dat van de zon – als het ware een zon die onder het schedeldak schijnt, en die één keer oplicht, soms enkele keren relatief kort opeenvolgend, om vervolgens een bijzonder spoor na te laten dat lange tijd nadien de slaap nog vervult met een warmte die niet met woorden te beschrijven is. Zo’n licht zag ik toen, maar dan met de ogen open, en aan de hemel van de nacht. Het was bovendien een licht dat zich ook hierin nog onderscheidde van het zonlicht, doordat het heel duidelijk afgetekende stralen had – raderen eigenlijk – die als de spaken van een reusachtig kristal de kosmos zelf leken te dragen. En toen het innemende spektakel zich daarop herhaalde, meende ik tevens te begrijpen dat het dit lichtende wiel zelf was, dat het nu ontzaglijk geworden gedruis voortbracht.

De wind was nu dermate hevig geworden dat het mij niet eens had verwonderd indien ik er door werd opgetild en meegevoerd. Edoch, ik bleef ter plekke staan, en er was alleen het luide klappen van mijn jas tegen mijn lijf dat bijna pijnlijk aanvoelde nu. Met de beide armen klemde ik de jas tegen mij aan – ik was intussen ietwat voorover gebogen gaan staan om me te beschermen voor het ontij – en ik wilde net rechtsomkeert maken, toen de schreeuw zich, luid en duidelijk, herhaalde.

Ik hief de blik, keek geheel ontwapend in de grenzeloze nachthemel waar de noodkreet vandaan kwam, hoorde nu de gezangen verstommen en het gedruis verdwijnen. De winden gingen liggen, de warmte trok uit de luchten weg en in geen tijd stond ik daar in een vrieskou.

De bladeren kraakten onder mijn voeten, toen ik mij op de weg terug begaf. Ik betrad mijn woonst met een gevoel van diepe verslagenheid, want ik geloofde het nu wel heel goed te hebben begrepen. De kreet die mij gewekt had, was onmiskenbaar de schreeuw van een man van wie ons allen wel de woorden bereiken, doch niet of slechts heel zelden het hartverscheurende geluid van zijn eeuwig met de dood vechtende roep.

(J.B., Verhalen 2006-2009)

Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten