Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

Archief

“In den beginne was het Woord”

“In den beginne was het Woord”

Men zegt dat er niet meer gebeden wordt omdat men ervan uit gaat dat de 'rest' van de wereld alleen maar een herhaling is van het eigen kleine wereldje - een bekrompenheid die nog wordt in de hand gewerkt door de uniformisering, welke maakt dat die opvatting ook effectief in realiteit dreigt te worden omgezet. Wat het gebed betekent, gaat men meestal pas begrijpen wanneer men oud en eenzaam wordt en men met zichzelf begint te praten.

Men moet vooreerst voor ogen houden dat het denken een afgeleide is van de dialoog, het gesprek tussen mensen met uitgesproken, hoorbare woorden. Na een gesprek en in afwezigheid van de gesprekspartner, echoën zijn of haar woorden nog in de eigen oren na, wat reeds een begin is van het denken: men brengt zich het gesprek opnieuw te binnen, men herinnert zich wat de ander zei en wat men zelf zei, maar tevens brengt men zich voor de geest wat niet gezegd werd terwijl het had kunnen gezegd worden. In afwezigheid van geluiden en van woorden, kan men zich die herinneren maar men kan zich niet alleen inbeelden dat men ze opnieuw hoort, men kan zich tevens inbeelden dat men nieuwe woorden hoort - uitgesproken door een ander ofwel door zichzelf.

Die inbeelding is een inprenting van dingen die er niet zijn maar waarmee wel gespeeld wordt: men doet alsof ze er waren. De gedachten zijn een speelplaats en de woorden die gedacht worden, blijven onuitgesproken terwijl de mogelijkheid dat ze uitgesproken worden, blijft bestaan. Onze geest is een werkelijkheid in superpositie, zoals de kwantumfysici het misschien wel zouden zeggen. Eerst denken wij de woorden en pas dan spreken wij ze uit, ofwel houden wij ze voor onszelf. Uiteraard kunnen we ze ook neerschrijven en dan is ons geschrift een mededeling in superpositie.

Zo is een bibliotheek een verzameling van werkelijkheden - mededelingen - in superpositie. We brengen die mogelijkheden in de werkelijkheid naar binnen door een boek te openen en te lezen. Een boek behoeft een lezer om een boek te kunnen zijn, voordien is het een mogelijke werkelijkheid ofwel een ding waarmee een tafel met een te korte poot in evenwicht gebracht kan worden, zoals een beroemd auteur het ooit verwoordde.

De taal dient - onder meer - om mededelingen te doen maar men kan ook spelen met de taal en derhalve met de werkelijkheid, en dat is denken. De geest is een speelplaats die zich bevindt in een wereld gelegen tussen het bestaande en het niet bestaande. De wereld van de geest is niet die van het onbestaande maar wel die van het vooralsnog onbestaande of het mogelijk bestaande. In de geest worden nieuwe werkelijkheden gelanceerd. De werkelijkheid ontspringt aan de geest.

Omdat god bestaat sinds het begin der tijden, is hij oud en wellicht was het zijn eenzaamheid die maakte dat hij met zichzelf in gesprek ging. God is dan niets anders dan de taal: die bevindt zich tussen het bestaande en het onbestaande en de oudste mythen verhalen over chaos en over een toestand van noch Zijn noch niet-Zijn. Hij is een woordendroom welke lucide wordt, wat wil zeggen: van zichzelf bewust, wellicht door de werking van de echo. Maar hoe het precies gegaan is, zal geen mens ooit weten. En bovendien: ook de vraag of er iets is ofwel niets en of wij dan wel echt bestaan, zal waarschijnlijk eeuwig onbeantwoord blijven.

(J.B., 13 mei 2026)

Het leven en de dood

Het leven en de dood

De huisarts, ooit een man of vrouw met niet alleen geleerdheid maar ook met veel gezond verstand, beoefende destijds spontaan de gepersonaliseerde geneeskunde die men heden nog slechts nastreeft, nu zij quasi onmogelijk is geworden. De huisarts immers werd vervangen door een 'team' - een veramerikaanste versie van de term 'ploeg', vanwege de kernmacht achter de deur: een eeuw geleden spraken zij Frans, de zich elitair wanende stervelingen, vanwege Napoleon, de massamoordenaar naar wie bonbons worden genoemd, kostelijke likeuren en exquise eethuizen maar heden delen de States de lakens uit. En niet alleen het woord 'team' komt van de usurpators, ook het ploegengedoe zelf is een kind van de hoogheidswaanzin. De persoon wordt eerst vervangen door het team dat zeer in tegenstelling tot de man of vrouw met zijn of haar liefde voor het beroep, 24/7 onbereikbaar is geworden. Vervolgens wordt het team door het netwerk ingekapseld en dat laatste blijkt een blikken doos vol chips, zeg maar een trommel gevuld met koeken - 'cookies' in de Yankee taal - een blikken trommel, die lawaai maakt en alwetendheid veinst doch die elke verantwoordelijkheid ontvlucht. Dit maar om te zeggen: mijn gezondheid en de uwe zijn niet langer in handen van een mens die ons goed kent en die ons poogt te helpen als wij daarom verzoeken want voortaan maken wij deel uit van een populatie die 'volksgezond' moet zijn, zoals ook de economie gezond moet zijn, ongeacht het feit dat dit ten koste gaat van mijn en uw portemonnee.

Vergeten wordt dat gezondheid helemaal geen eigenschap van een volk kan zijn, evenmin als het een eigenschap kan zijn van een economie. De staat en de economie zijn menselijke middelen die het tot doel hebben geschopt - u raadt het al: ten koste van het eigenlijke doel dat wij ooit waren. Sindsdien zijn wij nog slechts de middelen.

Ja, wij dienen alleen nog maar om aan levenloze systemen een air van vitaliteit te geven. En dat betekent letterlijk dat het levende nu in de dienst staat van de dood. Geen wonder dat het orgelpunt van deze waanzin de slachtbank van de oorlog is.

(J.B., 11 mei 2026)

 

“Computer says no!”

“Computer says no!”

Het ligt niet in de bedoeling van de mot om te verbranden maar haar verzet tegen dat lot vecht met een verlangen naar het verboden licht. Zij benadert de vlam herhaaldelijk, verschroeit daarbij steeds grotere stukken van haar vleugels en gaat zo door totdat de vlam haar eensklaps tot een brokje as herleidt. Zwart valt het verpulverend neer, nog slechts bewogen door de wind zoals de wapperende vlam, alsof zij er nooit was, dit schepsel Gods dat niemand ooit in staat zal wezen na te maken.

Het menselijk leven speelt zich af zoals dat van de mot, in de nabijheid van een klare en verrukkelijke vlam die exalteert, vervoert, extase oproept, niet te dempen fantasieën met in de coulissen van het verleidelijke toneel, fantomen: geesten, faunen, mens noch dier noch plant noch element, dood noch levend maar zich begevend in een tussenwereld waar men bewegen kan zonder zich in te spannen, vrij van zwaarte en van vaste vormen, vrij van grijpbaarheid, transparanter nog dan water, lucht en ether, ijler dan dromen, schaduwen, beloftes en verschrikkingen.

Enerzijds is er de wereld van de banaliteit waarin men onderhevig is aan de geboorte en de dood alsook aan 't leven dat zijn eisen stelt en tot onophoudelijke werkzaamheid aanzet waartegen elk verzet gedoemd is om te stranden in de schande, de schade en de dood. Anderzijds is er de verrukkelijke klaarte van de vlam, dat onvatbare wezen van het vuur dat zonder kou te moeten lijden wappert in de noordenwind. De vlam belooft de ontsnapping aan het noodlot van de alledaagsheid met zijn sleur en leed maar een vloek zo oud als het mensdom zelf maakt dat niemand kan ontkomen omdat het licht even verleidelijk als bedrieglijk is.

Vandaag presenteert het licht zich als een cultuur die schijnt op de natuur, evenwel om die te verduisteren. De mensen denken dat zij burgers zijn en daarna pas mens, zoals sancties allerhande voor wie papieren missen moeten, het willen doen geloven. Het leven wordt een hak gezet, en niet alleen met de patentering van gemodificeerde gewassen: sinds de coronatijd met haar remedies die een invasie rechtstreeks in de bloedbaan vergen, zijn na plant en dier nu ook de mensen aan de beurt: eerlang op straffe van financiële en andere belasting moet men laten morrelen aan zijn genen om te kunnen blijven functioneren.

Machines namen niet alleen het werk van massa's mensen over maar ook het bestuur, dat zich gestaag centraliseert, niet in een levend brein dat lijden kan, empathisch is en moreel bewogen doch in een zielloze structuur die zich net niet aan de stof onttrekt en die daarom in een tussenwereld vertoeft, een schaduwrijk, een droom, een illusie met evenwel de pretentie echter dan een steen te zijn. Een enkele elektrische stroomstoot doorheen de ether volstaat om alles uit te wissen omdat alle leven zich daarmee heeft gecompromitteerd: we informeren ons voor wat wij weten en eten bij een bijna geheel immateriële wolk en naar haar model vormen zich nu alle instituties.

Deze laatste zijn op de massa gericht, want zij worden nimmer door waarheid doch door waarschijnlijkheid gestuurd en als men uit de pas loopt, valt men uit de boot terwijl men dan moet ondervinden dat er helemaal geen fysieke winkel bestaat waar men heen kan met zijn klachten. In de nepwinkels zitten agenten van de zielloze machine, bij hen legt men zijn klacht neer en zij tikken die in, waarna zij het allang alom gekend antwoord zingen: “Computer says no!”

(J.B., 8 mei 2026)

 

De nieuwe arbeid

De nieuwe arbeid

Iedereen weet wat de pikorde is, de benaming stamt uit de observatie van kippen in de ren, de sterkste zitten op de hoogste sporten en zij pikken de kippen die onder hen zitten en die pikken op hun beurt de nog lager zittende die vaak helemaal kaal gepikt zijn.

Bij mensen, waar het draait om de sociale positie, doet zich sinds kort een vreemd fenomeen voor. Bovenaan zitten namelijk niet langer de 'besten' in de betekenis van het goede van eertijds en dat zijn degenen met de beste schoolresultaten en de hoogste diploma's, degenen die het meeste werk verzetten, zij die hun vak het best beheersen, die hun naaste bijstaan en op wie men altijd kan rekenen. Want de inhoud van het 'goede' werd drastisch gewijzigd en wel onder de invloed van het neoliberale bestel dat momenteel over de wereld woekert en heerst.

Fel in tegenstelling tot de normen en waarden van destijds die aan de religie werden ontleend en aan het humanisme, luisteren de neoliberale normen en waarden die het goede van vandaag bepalen naar imperatieven zoals winst en succes, waarbij uiteindelijk god noch mens baat heeft en waarbij tevens geldt dat de doelen de middelen heiligen. Dat houdt in dat nu goed zijn wie succes boeken, waarbij op de weg naar het succes alle praktijken die sinds oudsher als misdaden geboekstaafd staan, door dat doel worden verschoond.

Dat het hier om een onthutsende evolutie gaat, wordt duidelijk van zodra men inziet dat de nieuwe moraal helemaal niets minder betekent dan dat de buit de diefstal rechtvaardigt. En dat hierbij kennelijk zomaar abstractie kan gemaakt worden van de misdaad en van het slachtoffer, is niet zozeer te wijten aan het feit dat slachtoffers geen rechten zouden hebben want die hebben ze wel, tenminste op papier, want in de praktijk kunnen ze er helaas niet bij.

De beruchte zogenaamde dubbele boekhouding blijkt momenteel helemaal ingeburgerd en garandeert dat ongeacht wie, onder het mom van bijvoorbeeld liefdadigheid, zijn naasten à volonté kan pluimen. De dief verkapt zich als firma of als instituut met weliswaar indrukwekkende titulatuur om zijn slachtoffers met bluf te kunnen verlammen en om elke verantwoordelijkheid te kunnen ontlopen. Want van wat wordt beloofd, komt meestal helemaal niets in huis en wie klagen, worden handig versast naar een duizelingwekkend labyrint dat hen navigeert... van het kastje naar de muur.

Mevrouw M. is tachtig, zij wil een pak geld afhalen van haar rekening maar er is een de afspraak nodig met de bank in de stad waar zij zich persoonlijk moet aanmelden en wel te verstaan: gezond, gewassen, gecoiffeerd en helemaal uitgedost, 'op zijn paasbest' zoals men dat zegt, wat geen sinecure is voor een dame van haar leeftijd maar de banken zijn nu eenmaal onze nieuwe tempels en daar loop je niet zomaar in en uit, de tijd van 'klant is koning' ligt in een al ver verleden en ook de nieuwe hogepriesters eisen ontzag.

Wanneer mevrouw M. uiteindelijk bij de bankbediende arriveert, schrikt zij zich een aap als haar wordt gevraagd zich te verantwoorden voor de afhaling van haar eigen geld maar zij denkt: het kan geen kwaad en ter plekke verzint zij een smoes omdat zij gelooft dat bankbedienden met haar persoonlijke plannen geen krieken te eten hebben. Lang geleden heeft zij om gelijkaardige redenen van privacy haar geloof laten varen en meer bepaald wegens de jaarlijkse paasplichten met de biecht.

Maar mevrouw M. had er beter het zwijgen toe gedaan want de smoes inderhaast blijkt een haring die niet bakken wil en de bediende neemt gebruik makend van A.I. onmiddellijk telefonisch contact op met verwanten en met instellingen allerhande terwijl mevrouw M. geduldig wacht. Zij is zich er helemaal niet van bewust dat het bankje van waaruit zij een recht komt opeisen, op dat eigenste ogenblik aan het veranderen is in een beklaagdenbankje want in haar bijzijn doch buiten haar medeweten wordt nu een roddelcampagne opgezet tegen haar persoon waaruit uiteindelijk de bank munt zal slaan met de medewerking van de eveneens op winst azende eigenste familie van de mevrouw in kwestie.

De smoes die haar privacy beschermen moest, speelt haar nu parten als reden tot het voeden van een vermoeden van problemen met haar geestelijke gezondheid. Met haar handelwijze volgt de bank een ethiek die het vrijwaren van de eigendom van de klant voorop stelt en de familie van de klant speelt het spel van het paternalisme handig mee met als resultaat dat mevrouw M. het beheer verliest over de centen die zij levenslang heeft opgespaard en die ze nu op het punt stond aan een liefdadigheidsinstelling te overhandigen.

De rechten van mevrouw M. werden haar ontnomen op het ogenblik dat zij er gebruik van wilde maken, wat betekent dat zij eigenlijk nooit rechten had doch slechts een illusie daarvan: rechten op papier. Eveneens op papier maar niet zonder praktische gevolgen, wordt zij nu in een mum van tijd van deze rechten 'verlost'. En wie eraan dachten om deze zorgzame bejegening aan kritiek te onderwerpen, beseffen nu maar al te goed dat zij zodoende meteen de eigen geestelijke gezondheid in de waagschaal zouden werpen, daar zij moeten toezien dat het voor hoger geplaatsten in de nieuwe orde, kinderspel is om in het volle licht onschuldige mensen die bij hun volle verstand zijn, 'bij den bok te zetten'.

De strategie van de dubbele boekhouding verheft de roddel tot psychiatrisch besluit en de dieven tot zorgzame vermogensbeheerders. De wet en haar interpretatiemogelijkheden geven carte blanche aan het zich vestigen en voltrekken van een pikorde die niets minder vertegenwoordigt dan de jungle van weleer met zijn roofdieren en prooien, waarbij op de koop toe de activiteiten van de roofdieren als 'arbeid' worden omschreven.

(J.B., 1 mei 2026)

 

 

“En van leven ga je dood”

 

“En van leven ga je dood”

De zich als een olievlek uitbreidende bewaking, nu met micro-microfoons en micro-camera's maar ook met het op de hielen zitten van de vluchtende vingers over het klavier: men neigt ertoe te denken dat zij de remedie bij uitstek is tegen gevaren maar uiteraard heeft ook dit middel bijwerkingen en die zijn niet min.

Op rommelmarkten vindt men ze nog terug: de ingelijste prenten van bijvoorbeeld de Gentse beeldhouwer en illustrator Jozef Cantré met het Alziend Oog: “God ziet mij, hier vloekt men niet”. Superstitie maar met effect: de idee dat men gezien wordt, reguleert het gedrag; men doet wat verwacht wordt door wie toekijken.

Een stap verder dan, doet men wat verwacht wordt van wie zouden kunnen toekijken. In dat geval weet men niet of men bewaakt wordt en men neemt het zekere voor het onzekere, zoals in het spel met de belastingcontroleur: een mogelijke controle leidt tot daadwerkelijke gedragsaanpassing. Het plakkaat aan het hek met de tekst “gevaarlijke hond” houdt dieven weg, ook als er helemaal geen hond is. De bewaker profiteert van de onwetendheid van de mogelijke overtreder en die onwetendheid, voortspruitend uit de onzekerheid of men gezien wordt, maakt hysterisch: men is nooit meer zeker, men weet niet meer wat men best doet.

Sinds er kernwapens bestaan, bestaat de mogelijkheid dat ze (opnieuw) gebruikt worden: het is niet waarschijnlijk dat het weer gebeurt maar het is ook alles behalve onmogelijk en de onzekerheid daarover voedt onze hysterie; wij zijn nooit meer echt gerust, we kunnen niet langer op twee oren slapen. En hetzelfde geldt voor bewaking als dreiging: we willen graag bewaking over onszelf en onze goederen maar tegelijk willen we niet voortdurend in de gaten kunnen gehouden worden omdat dit onze vrijheid kortwiekt, onze gedachten bewegen zich niet langer zoals wij zelf dat willen.

In een democratisch regime is de toestand met betrekking tot de 'security' minder problematisch maar onder een beleid dat neigt naar dictatuur of totalitarisme betekent veiligheid in de eerste plaats veiligheid voor de dictator die sowieso door iedereen wordt verwenst en die daarom altijd en overal moet vrezen voor zijn leven. Een berucht voorbeeld is dat van de 'securitate' van de Roemeense dictator Nicolae Ceaușescu waarvan op den duur iederéén deel uitmaakte zodat de mensen moesten vrezen om door hun eigen gezinsleden verraden te worden; toen hij samen met zijn vrouw werd omgebracht, jubelde het volk.

De communistische partij die China in haar greep houdt, houdt al wie het land bezoeken in de gaten maar vooreerst ook haar eigen burgers die wanneer hen iets gevraagd wordt, goed nadenken vooraleer ze antwoorden - àls ze dat al doen. Ze hebben die pauze nodig om het eigen, spontane antwoord de kop in te drukken en dan te zeggen wat ze denken dat het regime wil dat ze zeggen. Edoch, mensen onder de dictatuur van een religie of een ideologie doen precies hetzelfde: ze verdedigen de instantie uit wiens hand ze moeten eten. Stel een vraag aan een kind en het zal naar zijn moeder kijken om af te tasten of het mag antwoorden en wat het zal zeggen.

De vrijheid van het denken wordt vooreerst al door de taal beperkt: aan dingen waarvoor geen woorden (mogen) bestaan, kunnen wij slechts denken via de omweg van meestal inaccurate omschrijvingen en bestaan de woorden wél, dan zitten die sowieso in het keurslijf van de grammatica geprangd - alleen de dichters genieten de zogenaamde dichterlijke vrijheid, een supplement dat licht kan laten schijnen op wat anders verborgen blijft om aldus de zaak te dienen van wie liegen. Gedichten maar ook muziek en beelden bevrijden ons van het keurslijf van de retorica maar ook wat wij voor logica aanzien, stellen zij in een ander licht, bijvoorbeeld middels humor die zich met de lach boven de logica verheft, zoals ook het applaus dat doet en het feesten maar eveneens het absurdisme.

En men voelt het al komen: security-camera's hebben geen begrip voor absurd gedrag, gelach, feestgedruis of kunstzinnige manifestaties; zij registreren enkel en alleen geluid en beeld, de context wordt later in het hoofd van de toeschouwer gebrouwen en is dat een dictator, dan weet in deze tijd het kleinste kind wat het zoal te vrezen heeft.

Men moet zich 'rationeel' gedragen; wat de dorre rede overstijgt, bestaat niet voor het gouden kalf, haar hoogste goed is winst en zij veronderstelt bij iedereen eenzelfde egoïsme: altruïsme en zelfs heldenmoed zal zij interpreteren als abnormaal gedrag of ziekte of te remediëren. Op die manier worden mensen in het keurslijf van robots geperst en moet men zich gedragen zoals robots doen: redelijk, geprogrammeerd, kritiekloos, wars van humor en van poëzie want ook dichters zijn naar de normen van de geldgod zieken.

De zich als een olievlek uitbreidende bewaking noopt ons ertoe om zoals robots te reageren en dus om onze menselijkheid te verloochenen en in robots te veranderen want de camera heeft alleen oog voor wat robot aan een mens is. Reeds werd ons de vleselijke stem ontnomen, alsook het schrift van onze hand die in de dwangbuis van een minuscuul klavier gewrikt zit, onze geest die zich in functie van de formulieren met het vakjesdenken vereenzelvigt en de meningen die zich dienen te beperken tot het geven van een quotum tussen nul en tien.

De zogenaamde veiligheid verminkt de mensheid.

(J.B., 30 april 2026)

 https://www.youtube.com/watch?v=IZPGp5H4jJ4 

 

 

Armageddon

Armageddon

In de hoop aldus de vrije meningsuiting te kunnen uitroeien, wijt Donald Trump het geweld tegen hem aan demonisering, aldus verklarend aan de hele wereld waarom onder zijn beleid het geweld tegen homo's, vluchtelingen en alle andere minderheden piekt.

De geplande uitroeiing van religies in naam van de mensenrechten middels de uitroeiing van haar belijders etaleert de kortzichtigheid die ook Adolf Hitler kenmerkt, die het volk ging saneren door alle zieken om te brengen alsook al wie afweek van de norm waarmee elk totalitair stelsel de massificatie praktiseert.

Vergeten wordt dat voor de religie beleden door de dienaren van de geldgod die door hun moordende knieval wereldse macht verwerven, geen andere beteugeling denkbaar is dan deze afkomstig van een god of goden die de macht van het goud in de schaduw van de liefde stellen, wat aantoont dat het de mammon te doen is om de definitieve extinctie daarvan - sinds de schepping van de mens de betrachting van niemand minder dan Lucifer.

Het Armageddon stelt elke oorlog met materiële wapens in zijn schaduw.

(J.B., 28 april 2026)

Waarschijnlijkheid

 

Waarschijnlijkheid

Ongetwijfeld ontelbaar zijn de verhalen over dit onderwerp en dikwijls ook geladen met een zekere nostalgie omdat de zekerheden van weleer zijn gaan tanen met in hun zog de waarheid waarin niemand nog gelooft: het Zijn heeft plaats geruimd voor de Schijn en dat laatste is geen vaststaand, tastbaar, telbaar feit doch een fantoom, een ding dat niet bestaat maar wel een schijn heeft van bestaan omdat het op een bestaan gelijkt terwijl het net niet is.

Ook en bij uitstek ons bestaan lijkt wel een schijn, het bevindt zich immers op de flinterdunne grens van enerzijds wat onherroepelijk voorbij is en anderzijds wat misschien nog komen moet en het vormt aldus een dunne brug tussen de twee genoemde 'niet bestaande werkelijkheden'. Bijzonder lastig of veeleer helemaal niet voorstelbaar, doet het mysterieuze gegeven in kwestie een beetje denken aan Zeno van Elea met zijn paradoxen die pas oplosbaar worden als men het essentialisme kan laten varen, wat betekent dat men vrede neemt met slechts een schijn van zijn.

Critici zullen zeggen dat waar een schaduw is, er ook een authentiek materieel beeld moet zijn dat deze schaduw afwerpt zoals het bestaan van een kind getuigt van het bestaan van een moeder die aan het kind het leven gaf maar dan rijst de vraag of beiden dan eenzelfde wereld delen want het lijkt er op dat de veroorzaker dikwijls verdwijnt terwijl zijn gevolg blijft voortbestaan.

En zo vertoeft het hele mensdom in een andere wereld dan deze waaruit het voortgekomen is: de moeders en de moeders van de moeders en zo verder door de eeuwen heen: zij zijn afwezig in de wereld waarin de jongste nakomelingen zich alsnog vermeien. De zijnden zijn de schaduwen van wie niet langer zijn en als zij slechts een schijn zijn, wat dan zijn de niet langer bestaanden die wegdeemsteren in een zich van ons steeds verder verwijderend verleden? Als wij de schaduwen zijn van weggedeemsterde beelden, wat zijn wij dan?

Wij zijn niet niets, dat staat wel vast, alleen al door de hardnekkigheid waarmee wij ons trachten vast te klampen aan al wat ons vaster lijkt dan wij zelf zijn. Maar tegelijk zijn wij niet iets omdat hetgeen wij geloven te zijn, ons meteen weer uit de handen glipt. Is nu wat tussen zijn en niet-zijn ligt, de schijn die de waarheid van weleer neerhaalt?

De 'fictieve' wereld van het internet zou niet bestaan als ook de 'echte' er niet was maar sinds Plato deze wereld heeft beschreven als een schaduw van de ware, met in zijn spoor Augustinus, onder meer, die in de dingen die wij voor echt aanzien, slechts de symbolen van een alsnog verborgen werkelijkheid zag, lijkt aan de zoektocht naar wat echt en waar is, de eigenschap van de onsterfelijkheid te moeten worden toegekend. Het ware blijkt zich niet op het toneel doch in de coulissen op te houden en ook de coulissen blijken op hun beurt met coulissen uitgerust, het geheel begint op den duur te draaien zoals de spiralen der fractalen.

De queeste immers voltrekt zich eindeloos in het theater van de waarschijnlijkheid als een toneel en derhalve als een gespeelde werkelijkheid waarin acteurs de onbestaande poppen zijn waarmee zij eigenhandig spelen, waarmee zij zich voor de duur van het spel identificeren en wat zij anderzijds ook moeten doen omdat het daaraan is dat zij hun acteurschap en derhalve hun eigen zijn ontlenen.

De slang die zichzelf in de staart bijt; de eindeloze voedselketen die het leven geeft en neemt; het rad van dood en wedergeboorte met in zijn zog het raadsel van de kip en het ei.

(J.B., 26 april 2026)

 

Veiligheid

Veiligheid

In tijden waarin de onzekerheid toeneemt, wordt de illusie versterkt dat er zoiets als zekerheid bestaat, met het gevolg dat men ertoe neigt om die hersenschim te gaan najagen en dan beleeft het verzekeringswezen gouden tijden. Iets gelijkaardigs gebeurt in de nostalgie die een onbestaand verleden in het leven roept, samen met de neiging om te pogen het terug te winnen en ook dat verlangen geeft het ontstaan aan een gigantische industrie. De afwezigheid van een verschijnsel versterkt dikwijls zijn aanwezigheid en deze paradox vindt een climax waar wij geconfronteerd worden met de eindigheid van ons bestaan: degenen die er plotseling niet meer zijn, laten een afwezigheid achter die voelbaarder is dan hun aanwezigheid destijds, die immers door gewenning nog nauwelijks werd opgemerkt. De industrie welke voortvloeit uit het eeuwigheidsverlangen is wellicht de meest bloeiende van allemaal.

Toenemende onzekerheid gaat gepaard met een valse herinnering aan zekere tijden - vals, omdat het in feite niet gaat om (on)zekerheid maar wel om gevoelens van (on)zekerheid. En zo blijkt dat het niet zozeer de zekerheid is die wij nastreven doch het gevoel dat gepaard zou gaan met een toestand van zekerheid indien die zou bestaan. Om alsnog dat gevoel te krijgen, moeten wij onszelf in de illusie brengen van de mogelijkheid van zekerheid en dat kunnen wij alleen doen door een zekere afbeelding van de werkelijkheid - of dus een fictie - met de werkelijkheid zelf te verwisselen. We maken een model van hoe de wereld er overeenkomstig onze eigenste verlangens hoort uit te zien en dan proberen wij uit alle macht om de wereld in dat model te wringen.

Die activiteit dwingt ons uiteraard om het bestaan van alles wat niet in ons model past, te ontkennen en te elimineren en om tegelijk alles wat volgens ons model aan de werkelijkheid ontbreekt, er maar aan toe te voegen alsof het wel degelijk bestond en dat zijn uiteraard de beruchte nieuwe kleren van de keizer die een verboden hilariteit opwekken. Dat een vals werkelijkheidsbeeld ons parten speelt, behoeft geen betoog: wij bezeren het hoofd aan een hindernis die er (naar onze maatstaven) niet mocht zijn en wij belanden in het water op de plek waar (naar onze maatstaven) een brug ontbreekt. Het stoten van ons hoofd aan onvoorziene hindernissen en het in het water belanden op plaatsen waar de brug ontbreekt, zijn 'bijwerkingen' van het kostelijke placebo van de illusie welke het ontbreken van een medicament tegen de realiteit moet verhullen.

Het voorgewende verlangen naar zekerheid - dat in feite een verlangen is naar een zekerheidsgevoel - is recht evenredig met de onmogelijkheid om het vervuld te zien: het is een hardnekkige wil die botst op een nog veel koppiger onwil van de feiten en daarom is in tijden van onzekerheidsgevoelens de botsing tussen wat wij verlangen en wat is, zo pijnlijk. Het onmogelijke verlangen laat ons verweesd achter omdat het object van ons verlangen niet of niet langer bestaat. Waarschijnlijk zijn vanuit die nostalgie het sint-maarten- of het sinterklaasfeest de sprookjesachtige vergunning aan kinderen om onmogelijke wensen nog een keer vervuld te weten vooraleer de volwassenheid de harde werkelijkheid zonder mededogen zal ontsluieren en ontketenen.

Een sleutelbegrip inzake het hier aan de orde zijnde fenomeen van de zekerheid is 'garantie', verwijzend naar het werkwoord 'garanderen' dat de activiteit van het beveiligen omvat. Zekerheid is met andere woorden een kwestie van verzekeren of zeker maken, en zal derhalve bestaan in gradaties welke evenredig zijn met de inspanningen waaruit het verzekeren of het bewaken bestaat. De bewaker is degene die de aanvaller afweert en die vecht tegen alles en allen die ongewenst zijn en het gevoel van zekerheid is de vrucht van zijn niet aflatende strijd. Het zekerheidsgevoel is dan nog het best uitdrukbaar als een veiligheidsgevoel: wij voelen ons veilig als en in de mate dat wij beschermd worden of als met andere woorden voor onze veiligheid gevochten wordt. Het zekerheidsgevoel berust op het vertrouwen in de strijdvaardigheid van wie zich over ons lot ontfermen. Gevoelens van onzekerheid worden derhalve versterkt waar wij moeten ondervinden dat niemand zich om ons lot (nog langer) zorgen maakt. En hier raken we misschien wel de kern van de zaak: zekerheidsgevoelens zijn de vruchten van een door liefde gedragen solidariteit.

Wie zich bemind weten, voelen zich veilig maar opmerkelijk is wel dat zij het degenen die hen liefhebben niet kwalijk nemen waar dezen inzake het verzekeren van hun veiligheid alsnog falen en wel hierom, dat zij doen wat zij kunnen en dat zij uiteindelijk voor hun beminden borg staan met hun leven. Waar de liefhebbenden zich geofferd hebben, leggen wie verstand hebben zich bij de verdere feiten neer omdat zich dan het absolute van de liefde heeft voltrokken: getuigenis werd afgelegd waar het ultieme offer werd gebracht, waar het leven werd gegeven als losprijs voor de manifestatie van de liefde.

Die genoegdoening ontbreekt volkomen waar in de illusie van zekerheden handel wordt gedreven: solidariteit kan weliswaar worden georganiseerd maar de motieven die daar spelen zijn heel anders dan in het geval waar liefde de motor uitmaakt van de bescherming van geliefden: de motieven achter de organisatie van solidariteit blijven egoïstisch, ze zijn een uitbreiding van de zelfbescherming welke standhoudt zolang er profijten mee gemoeid zijn en het zijn vooreerst die profijten die verdedigd worden en niet degenen die bescherming nodig hebben omdat liefde een zaak van noden is terwijl de zelfopoffering vreemd is aan de calculus van rechten en plichten. De verzekeringsmakelaar doet er alles aan om verlieslatende posten te elimineren, wat gebeurt middels de oorlogslogica die rechtstreeks volgt uit de logica van de kapitalistische economie en het privaatbezit.

Maar dat die logica kortzichtig is, werd allang duidelijk in de ramp die het kortetermijndenken is: de consumptie die moet worden aangezwengeld voor de winst, maakt abstractie van de evenredige productie van milieuschade en afval die haar bijbeent, die haar inhaalt en die haar ten slotte in haar schaduw stelt en wel in die mate dat een catastrofe dreigt. Regeerders maken zich geen zorgen over de wereld die zij achterlaten eenmaal hun legislatuur om is. Het vertrouwen in instellingen wordt uiteindelijk beschaamd terwijl het vertrouwen in wie zich met hun leven borg stellen voor ons, onmogelijk bestraft kan worden.

(J.B., 23 april 2026)

Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten