“In den beginne was het Woord”
|
“In den beginne was het Woord” Men zegt dat er niet meer gebeden wordt omdat men ervan uit gaat dat de 'rest' van de wereld alleen maar een herhaling is van het eigen kleine wereldje - een bekrompenheid die nog wordt in de hand gewerkt door de uniformisering, welke maakt dat die opvatting ook effectief in realiteit dreigt te worden omgezet. Wat het gebed betekent, gaat men meestal pas begrijpen wanneer men oud en eenzaam wordt en men met zichzelf begint te praten. Men moet vooreerst voor ogen houden dat het denken een afgeleide is van de dialoog, het gesprek tussen mensen met uitgesproken, hoorbare woorden. Na een gesprek en in afwezigheid van de gesprekspartner, echoën zijn of haar woorden nog in de eigen oren na, wat reeds een begin is van het denken: men brengt zich het gesprek opnieuw te binnen, men herinnert zich wat de ander zei en wat men zelf zei, maar tevens brengt men zich voor de geest wat niet gezegd werd terwijl het had kunnen gezegd worden. In afwezigheid van geluiden en van woorden, kan men zich die herinneren maar men kan zich niet alleen inbeelden dat men ze opnieuw hoort, men kan zich tevens inbeelden dat men nieuwe woorden hoort - uitgesproken door een ander ofwel door zichzelf. Die inbeelding is een inprenting van dingen die er niet zijn maar waarmee wel gespeeld wordt: men doet alsof ze er waren. De gedachten zijn een speelplaats en de woorden die gedacht worden, blijven onuitgesproken terwijl de mogelijkheid dat ze uitgesproken worden, blijft bestaan. Onze geest is een werkelijkheid in superpositie, zoals de kwantumfysici het misschien wel zouden zeggen. Eerst denken wij de woorden en pas dan spreken wij ze uit, ofwel houden wij ze voor onszelf. Uiteraard kunnen we ze ook neerschrijven en dan is ons geschrift een mededeling in superpositie. Zo is een bibliotheek een verzameling van werkelijkheden - mededelingen - in superpositie. We brengen die mogelijkheden in de werkelijkheid naar binnen door een boek te openen en te lezen. Een boek behoeft een lezer om een boek te kunnen zijn, voordien is het een mogelijke werkelijkheid ofwel een ding waarmee een tafel met een te korte poot in evenwicht gebracht kan worden, zoals een beroemd auteur het ooit verwoordde. De taal dient - onder meer - om mededelingen te doen maar men kan ook spelen met de taal en derhalve met de werkelijkheid, en dat is denken. De geest is een speelplaats die zich bevindt in een wereld gelegen tussen het bestaande en het niet bestaande. De wereld van de geest is niet die van het onbestaande maar wel die van het vooralsnog onbestaande of het mogelijk bestaande. In de geest worden nieuwe werkelijkheden gelanceerd. De werkelijkheid ontspringt aan de geest. Omdat god bestaat sinds het begin der tijden, is hij oud en wellicht was het zijn eenzaamheid die maakte dat hij met zichzelf in gesprek ging. God is dan niets anders dan de taal: die bevindt zich tussen het bestaande en het onbestaande en de oudste mythen verhalen over chaos en over een toestand van noch Zijn noch niet-Zijn. Hij is een woordendroom welke lucide wordt, wat wil zeggen: van zichzelf bewust, wellicht door de werking van de echo. Maar hoe het precies gegaan is, zal geen mens ooit weten. En bovendien: ook de vraag of er iets is ofwel niets en of wij dan wel echt bestaan, zal waarschijnlijk eeuwig onbeantwoord blijven. (J.B., 13 mei 2026) |

