|
Sympathie voor schurken
Nu Trump aan de macht is, de clown die zich verkleedt in de paus van Rome en die de mond vol heeft over 'God' terwijl hij alles behalve de parabel van de rijke jongeling genegen blijkt, lustig om zich heen bombardeert en tegelijk hengelt naar de Nobelprijs voor de Vrede, is een woordje over sympathie voor schurken geen luxe-aangelegenheid.
Sympathie voor schurken is een gedrag dat van alle tijden is en dat de menselijke nood aan confirmatie en aan consolidatie etaleert, meer bepaald de nood om de zogenaamde cognitieve dissonantie op te heffen.
Cognitieve dissonantie is een begrip uit 1957 van de socio-psycholoog Leon Festinger en het beduidt de onlust veroorzaakt door psychosociale onverenigbaarheden. Men tracht die op te heffen middels pogingen om de genoemde onlust weg te werken en dus om een zekere consonantie ter zake te herstellen teneinde de consistentie binnen de persoonlijkheid terug te winnen.
Dit kan op verschillende manieren gebeuren, en zo bijvoorbeeld betekent dat voor een katholiek gelovige dat hij ophoudt met zondigen: de zonde immers schept een kloof tussen, enerzijds, wat hij doet en, anderzijds, wat hij (volgens zijn religie) zou moeten doen - de bekende kloof tussen Sein en Sollen. Maar deze gelovige kan de genoemde kloof ook op een heel andere manier dicht maken.
De 'zondaar' kan de genoemde dissonantie namelijk ook wegwerken door zijn religie te verwerpen. Hij kan dan bijvoorbeeld de veeleisende Christusfiguur vervangen door Lucifer die immers in het zondigen helemaal geen graten ziet. En het is voor een deel ook in die zin dat men het sympathiseren met zogenaamde schurken moet verstaan.
De tendens om met schurken te gaan sympathiseren neemt toe onder invloed van uiteenlopende factoren. Om het gemakshalve bij het gegeven voorbeeld te houden, is het duidelijk dat de druk die de heersende moraal uitoefent op het volk, van grote betekenis zal zijn: de neiging om te 'zondigen' (tegen de regels van de heersende moraal) wordt door die moraal ingeperkt, of beter nog: zij wordt ingeperkt door de middelen die door de heersende moraal worden aangewend om het gedrag te reguleren.
Zo zullen mensen minder geneigd zijn om te stelen wanneer bij diefstal het afhakken van een hand als strafmaat geldt. Waar daarentegen straffeloosheid van de partij is, zal men zich niet langer aan de morele voorschriften storen en zal men de moraal verwerpen of verwisselen voor een moraal waarin dieven optreden als de nieuwe helden. Bij uitstek gebeurt dit dan waar dieven aan de macht zijn en waar derhalve niet slechts straffeloosheid geldt maar waar bovendien beloningen worden uitgeloofd aan wie het voorbeeld in kwestie genegen zijn.
Het probleem is niet min omdat het hele zaakje draait om de vraag of de criteria welke gehandhaafd worden teneinde goed en kwaad te onderscheiden, gerechtvaardigd zijn. Met andere woorden duikt hier de vraag op welke moraal dan wel de goede moraal is. En het is evident dat we hier te maken krijgen met een slang die in haar eigen staart bijt; men moet immers eerst beschikken over een moraal vooraleer men zich kan uitspreken over het al dan niet deugen van een zaak, in casu een bepaalde moraal.
Een objectief of wetenschappelijk fundament voor een moraal is niet te vinden, hoezeer men ook zoekt: het zal steeds willekeurig zijn omdat de vraag of het goede waar of onwaar kan zijn, absurd is, evenals de vraag of het schone waar of onwaar is. In een maatschappelijke context zal een fundament voor een moraal veelal worden gekozen of gefabrikeerd en aangewend door de sterkste, in functie van het consolideren van diens machtspositie.
Zo bijvoorbeeld wordt het katholicisme al gedurende twee millennia benut door potentaten om het volk eronder te houden, zoals door Friedrich Nietzsche werd verklaard. Het christendom als slavenmoraal is in overeenstemming met de wensen van de heersers en schenkt aan de slaven een zekere gemoedsrust of een consonantie van het innerlijk, die echter verdwijnt en verandert in onvrede van zodra de betrokken 'gelovigen' zich tegen die opgedrongen religie gaan verzetten.
Het adjectief 'opgedrongen' volgt nota bene helemaal niet uit gevoelens van vijandigheid jegens de moraal in kwestie maar uit de vaststelling dat mensen als katholiek worden beschouwd van zodra zij het zogenaamde doopsel hebben ontvangen, wat gebeurt op een ogenblik dat zij pas enkele dagen oud zijn en derhalve in het volstrekte onvermogen verkeren om zich tegen de inlijving door deze religie te verzetten. Dat verzet kan later komen, na de bewustwording van wat men werd aangedaan, en sympathie met zogenaamde 'ketters' zal dan uiteraard worden aanzien als vanzelfsprekend.
Volledigheidshalve: aldus werd het christendom als zodanig, dat een niet altijd even duidelijke verzameling is van uitspraken gedaan door een bepaalde persoon, helemaal niet veroordeeld noch goedgepraat, echter wel de aanwending ervan door machtswellustelingen. En het is geen sinecure om in dat wespennest enige klaarheid te scheppen.
(J.B., 20 december 2025)
|