Foto

Foto
Luctor et emergo ( 2 )voor het zicht hebben op andermans gedrag
is niet iedereen voldoende toegerust
al is men van menig daad wel enigermate bewust
hoe zal het zijn met de kennis van zichzelve
meestentijds is die van nature ingesust
ik doe zelf ervaring op uit roddelbladen
literatuur met diepgang van formaat
de inhoud berust op schijn, benen en boezem
van gepromoveerde ego's van de straat
ik zie mezelf derhalve uitvergroot
in andermans denken, praten en gelaat
het is weinigen gegeven
de eigen ik te doorgronden
zo is nu eenmaal het leven
de werkelijkheid is vaak
aan emotie en lot gebonden
of door dierlijke instincten gedreven
ja, alles is tevens met
vallen en opstaan verbonden
Luctor et emergohoe bezwaard moet ik zijn
zodat de aarde moe wordt
om mij verder te dragen
mag ik nog wel geloven
en weer om adem vragen
wie beschermt mij immers
tegen verzuurde grauwe wijn
die bij voortduring, zo lijkt,
voor mij wordt ingeschonken
het is alsof elke dag, ieder moment
zich steeds meer van mij afkeert
mij vervreemdt van zuiver zien
en een doodlopende weg inzendt
*
luctor et emergo
roept de kerkhaan hoog van zijn toren
ik hoor dat even niet meer
raak tastbaar in de winter verloren
Aanrakenwarmte streelt mijn rug
als de zon zich met mij mengt
door openslaande deuren
was het vergeten
dat strelen zien doet kleuren
en zwart voor een moment
tot een wazige lijn verengt
het licht raakt zelfs een oog
dat verrast de ochtend beleeft
diep van binnen weet ik wel
dat mijn denken het aardse bedriegt,
pijn soms voor wat duisternis zwicht
en over een verzwegen woord liegt
maar even zich gesteund te voelen
door een geste der natuur
ook al blijkt dat in een moment van hoop
kennelijk is het de ziel
die daar naar streeft:
zal men dat dan met verwachten bedoelen
Liefdeeen mens zoekt
zijn eigen lijden
van nature
als het ware
immers
hoe anders kan hij
zijn zucht naar
liefde verklaren
Bij volle maanik staar uit over de vijver
geniet van stilte en rustig
ronddobberende witte zwanen.
een reiger zetelt op de top
van een reusachtige boom
haast verstijfd uitziend
over mijn wereld
van kronkelige lanen
de zon gaat langzaam onder
en brengt het avondrood in beeld
zachtheid in mij vindt een diepere plek
voor even voel ik mij geheeld
ik sluit mijn ogen
en laat gedachten gaan
naar oorden waar even geen mensen zijn;
een welriekend regenwoud bij volle maan
Ontmoetingik vraag me af of u
die dit leest
met mij mee geniet
in gedachten zit u
tegenover mij en zegt,
net als ik, niets
u bent prettig gezelschap
begrijpen elkaar zichtbaar
we wisselen blikken
soms veelzeggend
of zonder inhoud
maar meestal met
een warme glimlach
ik voel me thuis bij u
Op zoek naar morgenvandaag zoek ik naar nieuwe pannen
in een laan nabij mijn dorp
spoel mijn mond met het water
van een nabijgelegen vijver
om ook de mist voor mijn ogen
even te doen wegnemen
het is schelmen verschuiven
en zien naar een nieuw nest
zal ik al voelen dat er ruimte is
nachten weer stil zullen worden
meldt zich nieuw licht door de ramen
van binnen naar buiten
van buiten naar binnen
natuurlijk hoop ik dat muren
weer zullen luisteren
naar een ziel op zoek naar de weg
van een ongekend bomenland
naar klanken van muziek
opgeborgen in mijn hoofd
van verwachting
die nog bedolven is onder
een drukkende hemel
met schuivend zand onder de voeten
kan ik de deur weer open laten staan
en het huis met frisse wind vullen
kamers wil ik voeden met nieuw zweet
uit haast verkalkte poriën
ja, in deze nog oude uren
kijk ik onder het dak van morgen
Koffiedichterwacht niet tot een ander
voor jou de zin bepaalt
schrijf hem zelf en
hou je daar aan vast
mocht je er toch mee tobben
ga dan naar een dichter
die schrijft enige woorden
en je ziel is minder belast
immers hij kan je vertellen,
als kenner van hoe en wat
dat het doel van het leven
in één nachtmerrie
kan worden samengevat
Koffiedichterwacht niet tot een ander
voor jou de zin bepaalt
schrijf hem zelf en
hou je daar aan vast
mocht je er toch mee tobben
ga dan naar een dichter
die schrijft enige woorden
en je ziel is minder belast
immers hij kan je vertellen,
als kenner van hoe en wat
dat het doel van het leven
in één nachtmerrie
kan worden samengevat
Mijn hofmijn tuin kent
stenen vierkanten
bij de vleet
omgeven met kunstgras
van een meter breed
vanuit de serre
aanschouw ik
deze rijkdom
doch ter volmaking
zoek ik een zijden
rododendron
ik zet hem dan midden
in mijn hof van beton
hij staat dan in de schaduw,
en gelijk mijn tuinkabouter
uit de brandende zon
Zielsbedrogik wandel zo graag
met de vredige waan
dat de nacht zich gedraagt
als een goede vrind
maar in de oude sporen
van mijn voortbestaan
drijven dromen weg
met een noordwestenwind
nu brengt u terecht
zonder enige schroom ter sprake
waarom juist in die waairichting
idealen verdwijnen
vaak gepaard gaande
met regen en ander hemelbraken
die hoge torens en
menig boom ernstig doen kwijnen
het antwoord ligt zo
voor de hand mijn waarde
en vraagt geen enkel diep
of wijsgerig betoog
toen eens dit donderend
geweld bedaarde
zag ik plots,
dat mijn ziel,
onverhoopt, zelf
de prille lente bedroog
Ik weenik doe
een stoelendans
geheel alleen
en zie de kim
rondom
ik ween
menig steen
weerom
weerom
Wakende dag rust al
ruw op mijn dak
in de bevalling
van het licht
en voor het spreken
houdt mijn mond
het denken dicht
een wiel draait
ongevraagd door
met verdoofde spaken
ze gaan aan mij voorbij
zij aan zij
in kleurloos waken
Ontheemdde wortels van
een dragende boom
zijn verdord
de oude vogel
verlaat zijn nest
omdat zijn beschutting
de koude niet langer
kan weren
*
de aarde vangt
al snel
ontheemde
grijze veren
Vruchtdragendals ik vervreemd raak
van de ander
ontdekt de waarheid
zich dan in mij zelve
of verschuift echtheid
wat sneller in uren en dagen
wordt zij met spoed
door heldere nachten geleid
lijken daken dan toch eerder
op ingebeelde gewelven
onderbouwd met willoze stutten
totdat zij de schemer niet meer
als vanzelf kunnen dragen
soms schijnt de toekomst zich
eigenhandig te versmallen
onderwijl liefde verdort
in hart en nieren
en in koudvuur
teneinde versteend
dreigt samen te vallen
*
zie hier desalniettemin
het vruchtbare zaad van morgen
in het harnas van de schijnbare dood
verban het zielloos verwachten
immers licht blijft
als het ware eeuwig
in het voortdurend ademen geborgen
Ontluikenontluiken bloeit
uit haast dode takken,
nog in donkere kamers
met beschimmelde ramen
daar schuilen
tere knoppen in
schuldloos schamen
de adem van buiten
zuigt aan wanden
die zijn opgebouwd uit
dichtgetimmerde ruiten
en waar licht botst
om dan in het niets
te verzanden
totdat mijn vogels roepen
en ik ze verder draag
in mijn kleine handen
Dromerijhet was
stil vandaag
ik droomde
maar niet alleen
verwarmde me
aan de zon
in de schaduw
van jou
we zwegen
nutteloze woorden
*
het was
stil vandaag
bij jou
Als de stilte schraagtterwijl mijn stof nog
door een zware deken
wordt toegedekt
blijkt in de hemel
een nieuwe maagd geboren;
naïef nog en onbevlekt
waar droefenis heerst
blijken bloemen te groeien
terwijl houten planken
nog moeten worden gezaagd
zie ik elders al leven bloeien
zelden ervaar ik bij het sterven
van de winter
de lente zo vroegtijdig ontspruiten
of het is turen in glazige lucht
waar merels de onschuld uitbuiten
*
maar nu lijkt de voorzienigheid
mij in te halen
vertraag je pas
schreeuwt nochtans de ziel
helaas, de ruimte
wil in de geest nederdalen
Als de stilte verzwijgtals de stilte verzwijgt
over een lang verleden
dan heb ik zonder vergiffenis
tientallen jaren voor niets geleden
mijn ziel werd gekleed in naakt
maar niemand die dat zag
ik ben blindelings bewaakt
door een minzame lach
die alleen werd weerkaatst
in eigen schaduwlicht
om achter gesloten vensters
nimmer te worden verplaatst:
hij bleef verstard in het gewicht
*
nu jaren ouder zijn geworden
maar sterven nabij geboorte is
worden alsnog luiken geopend
voor een verborgen gemis