La Comédie humaine
La Comédie humaine
zelden zag ik zo
een masker vallen
in een klucht,
ongeschreven,
waarin de
sterfelijke mens,
verblind,
voor zijn eigen
bevalling vlucht
La Comédie humainezelden zag ik zo
een masker vallen
in een klucht,
ongeschreven,
waarin de
sterfelijke mens,
verblind,
voor zijn eigen
bevalling vlucht
Een punt er achterik zet een punt
zomaar
zwart van tint
het blijkt meer dan een stip
die is minder ruimte gegund
doch wordt vaker
in de verste verte bemind
zo toon ik enkel
soberheid
met een pen
en wordt dit teken
vaak als onbeduidend
beschouwd
maar ook getuigt
het van een einde
soms onverwacht
men had dan liever aan
een verwachtingsvolle
komma gedacht
als na het slot
in tranen wordt gerouwd
en op vraagtekens
niet wordt beknot
Rijzende historievierhoekige laden in koloniaal
dragen elkaar van onder naar boven
elk draagt een ovaal slot van staal
dat herinneringen beschut tegen beroven
ze zijn als mijn opgebouwd geheugen
iedere ruimte gevuld met ontweesde dracht
ongeacht de kleine waarheid of grote leugen
veel is naar een gistend onbewuste gebracht
de toren draagt een kroon van ronde randen
laag op laag uitgedijd tot een hemels dak
bovenop ligt de verstilde tijd aan banden
wijzers lijken geklonken aan een Romeins rond vlak
het lage altaar draagt de verbeelde mens
die het verleden voor de toekomst bewaart
eeuwig voortleven schijnt haast een natuurlijke wens
doch die blijkt echter in vergankelijkheid geaard
Bespiegelingeerst is er
de verwachting
gevoed door schoonheid;
de gerijpte vrucht
van de idee
daarna
bij het zien van licht
een gemis aan symbiose
voortaan ben ik op
de andere mens gericht
al doende eet ik
drijfzand van aards geluk
vorm ik mijn gedachten
voel onbewust verstijfde druk
ben zo geworden tot wie ik ben
of zoals de mens gewoon is
dagelijkse dromen opgraven
die 's nachts bevriezen
onder een deken van vernis
toch ben ik niet machteloos
ik schep de kunst van leven
vecht tegen innerlijke bozen
of maskers die aanhoudend
spinnenwebben weven
moed is mij gegund
ademen nog een zekerheid
mijn kind geraakt
ondanks alles of door genade
in vervoering
speelt dapper
wordt zelfs verleid
mij wordt meer gegeven
zo lijkt het, dan afgenomen
al is de kwetsbaarheid
van groot formaat
voel het warme bloed,
soms stilstaan
maar ook weer
in mij verder stromen
het is ochtend
een dag vol met nieuwe uren
ik sluit nog even de ogen
want zo'n etmaal kan vaak
wel een eeuwigheid duren
*
ik sta op
en ga naar bed
immers
het is nog steeds nacht
ik heb even de zinnen verzet
Stillevenhelder sneeuwlicht uit
de hemelse maagd geboren
stuwt tegen het glas in lood
opgehangen tegenover het
ingelijste bos, dat romantiek
ademt van een zomer
de glazen Christus
in velden verdeeld
kijkt neer op de
volmaakte mens
zonder ledematen:
de torso van een man
zo toont een bescheiden deel
ik aanschouw de gekruisigde
zijn borst deels ontbloot
opdat ik zijn hart maar zie
door een schaduwrijk
getint spectrum
heelal wordt getoond
door kwetsbare schoonheid
te verbeelden
in denkbare ledematen
en een oppermachtige overgave
rode kunstrozen
sieren de aanblik
en vervolmaken
de schepping
zo ik die zie
door blinde ogen
de sneeuw is wit
mijn lucht grijs
Kapel in houtde takken knakken
onder mijn voeten
op weg naar de plek
van onze lieve zoete
het botsend licht beschijnt
de naakt uitgebeelde stammen
in hun stille dood
de ziel van verre
jaagt mij hijgend op
terwijl een resterend geraamte
de voeten kleurt met
striemende schrammen
de ouderdom geraakt
haast uit het menselijk lood
op weg naar de plek
van onze lieve zoete
ik waan mij nu
in de eeuwigheid van vrede
waar mijn hart
een overvloed verwacht
van zuchtende ruis
in aanbiddende gebeden
maar kruisende paden
zijn lijnen langs mijn leven
waar het gemoed altijd
onderdanig blijkt
aan een storende gloed
op weg naar de plek
van de verschijnende lief,
zo zoet
waar hemelse vreugde
eigenlijk voorspelbaar aards
wordt ingeboet
Inzichtsoms
is mijn wereld
zo groot
dat het geringe
genoeg blijkt
zoals leegte
mateloos ruim
kan zijn in
verlatenheid
daarom
besproei ik
het uitzicht vaak
met stilte
Glazen vitrinenaakt kan ik zijn
zo vreselijk vervreemd
ja, van de wereld om me heen
ik tel het vuur in mijzelf op
maar as kan je niet tellen
roept de gevlogen engel
nog uit de verte
haast onhoorbaar
terwijl de kim toch
mijn hart raakt
en de kou mijn vel omsluit
zo ontkleed kan ik zijn
in een vloed van gedachten
de handen, zwart van de resten
grijpen de hoogte
alsof ik mijn ziel nog wil redden
voor de kast met curiosa
ja, zo bloot
uitgepakt
en schijndood
ben ik
als ik de stem verlies
en verlaten
terug
op mezelf verlaat
Zwevenhet is midden in de nacht
en vertel wat ik hoor
zo lijkt de stilte zacht
ervaar enkel gebrom van
de toren links voor
het klinkt als de snelweg A50
overdag
het dient misschien zo te zijn
de wereld draait immers door
toch is het zo
dat ik even niets moet
het is zweven tussen aarde
en de slaap waarop men wacht
ik ben alleen
het voelt heel goed aan
praat in mezelf
en denk:
geen mens die nu lacht
of ik hoor huilen
wat een genot
om zomaar kort
in mezelf
te mogen schuilen
De boomde boom staat,
verlaat zich op wortels
naargelang zijn aard
verspreidt zijn armen
om zich hoger en hoger
seizoenen lang
met licht te voeden
en vocht te laven
of in de koude sterrengaard
zich aan het ijzige te schaven
zijn ruggengraat
groeit haast onzichtbaar
tussen legers mieren en
genestelde hoven
waarin hij
soms verstijfd,
kronkelig of gebogen
zijn ringen bewaart
zonder maar
een geleefd jaar
van zijn waardigheid
te beroven
uit gezwaaidhet is een lange zwarte jas
met diepe zakken
ik kocht een nieuw huis
om in te verblijven
mijn handen wilden
niet meer wuiven
naar zwijgende takken
die in het water
verder en verder drijven
Ik lijm met slijmvandaag plak ik al het loof
weer aan verlaten takken
ik hoor ze kraken, ben niet doof
ze zijn te stijf om ze op te pakken
de lijm is het slijm uit mijn mond
immers dat heeft zijn dienst bewezen
te samen met mijn charme als lont
zal het bos in wondervolle glorie herrijzen
de stramme stammen zeggen dank voor mijn geste
maar de bekommernis voor vallende blaren
toont mijn liefde voor verstotenen nog het beste
ik wil zo graag de pure gehechtheid bewaren
Dat ik jou miswees niet boos
als mijn lippen
verzwijgen
dat ik jou mis
het komt wellicht
door verzwegen jaren
van afgebroken twijgen
in een vergetelheid
die nog immer is
vraag niet waarom
ik geen weet heb
van een diep verlangen
mijn stem stokt immers
als ik de begraven pijn
in mijn gevoel
tracht op te vangen
Als lichten dovenals de nacht lichten dooft
en enkel de maan nog naar ons oogt
is er enkel drift die in geen tijd gelooft
en vurige krachten mateloos gedoogt
spieren als speren gericht op de daad
jagen ons op in een blinde storm
en waar denken de rede verlaat
worden we naar wellust gedreven
dan, ja dan, schreeuwt de liefde,
en verscheuren wij elkaars gewaad
om in natte naaktheid gestrengeld
onze zuchten tot eenheid te weven
Bitter is de smaakbitter is de smaak
in mijn mond
terwijl ik toch van
zoete dankbaarheid
zou moeten getuigen
niets wordt met zoveel
zuur overgoten
als de weg naar overgave
die door weerzin is gesloten
ik zoek dan maar
de bladeren bij elkaar
weet dat ook hun kleur
in de aarde sterft
maar terwijl ik naar de
vergankelijkheid staar
zal in die grauwe einder
zeker wel weer een
toekomst worden geërfd
Sint - Oedenrode

*
Waar gevels wit gekalkt zijn
en schaduw vrijt met licht,
daar vindt stilte haar rijm
en kent zwaarte geen gewicht.
*
Zelfportrethij kijkt mij aan
de grijsaard op zwart~wit
met een donker aureool
als ruggensteun
en in de mond een kennelijk
onregelmatig gebit
zou ik dat zijn,
die vraag daagt op
in mijn denken
de ogen neigen meer
naar onbepaald staren
of zijn er wellicht op uit
weg van het heden te gebaren
ja, ik ben het
en zie mij meer
naar binnen wenken
het zichtbaar vel oogt nog gaaf
terwijl ouderdom het omringt
in vale tinten
ondersteund door een geknoopte sjaal
je kunt het geheel zien als wijs
doch ook als smaak van gewezen taal
de omsloten glazen geven waarachtig
nog enige kleur aan mijn portret
en ik waarschuw u te veronderstellen
dat mijn hart in een vertraging is gezet
het is een moment
uit duizenden
creatief en niet onaardig
dat geef ik toe
het heeft ook iets van waardig
maar de schijn bespelen
is wat ik eigenlijk bij voorrang doe
zie maar wat dieper
in de blik van deze dichter
ze vertellen meer dan de starre lippen
uw dag maakt het niet lichter
dat hoeft ook niet met kunst
maar uw ziel zal zeker aan
het oneindige innerlijke nippen
zie dat gerust als een gunst
Estafettetijdens de estafette
van dagen en nachten
verdwijnt langzaam
je toegekend nummer
en dansen vaak
anderen in gedachten
op het ritme van
de eigen drummer
*
ik slenter verder
terwijl ik zwijgend kijk
binnen de horizon
van draaglijke
eenzaamheid
Verdwaald van mijn stekverder verdwaald van mijn stek,
zo tekent de wereld zich pijnlijk af
toch fluistert de stem van het lot
"ik tik jou gaandeweg verder met mijn staf"
meestal voorkomt het raam
dat mijn zicht helder ziet
ik handel dan vaak onder eigen naam
het lijkt een blindheid
die luisteren met eigen oren verbiedt
overweldigend zijn soms geluiden
als scherpe pijlen van alle kanten
heet zijn vaak de blikken van jonge bruiden
ja, ik weet dan niet meer van wanten
plots daalt de stilte genadeloos neer
dat voelt als eeuwig eenzaam aan
maar het schijnt zo van nature te zijn;
alles rimpelt in een groter meer
en wat ik moet doen
is aansluiten bij
liefdevol ademen
zo is het, als vanzelf,
uiteindelijk gegaan
Ommekeerhet loof, gekleurd of vaal
bedekt mijn wereld almaar meer
ik ben op weg naar innerlijke taal
spreken wordt zuchten naar een veer
in het park waar ik vertoef
lijken alle lichten te doven
het aardsparadijs toont zich grijs en droef
alleen eenden zie ik in een lage mist geloven
het lijkt altijd zo onverwacht
als ik de andere kant ervaar
zoals de dood nog als ver weg wordt gedacht
terwijl ik hem ergens in mijn hart bewaar
vroeger wilde ik nog springen over getijden
maar stramheid en inzicht der jaren
weten het wezenlijke niet te vermijden;
de natuur kan iedere ommekeer verklaren