onder een levensboog met
goudblinkende trompetten
staat met wijd gespreide armen
gekleed in een laken vol witte rozetten
de Beminnelijke Maagd,
eeuwig verlicht door een fakkel in elke hand
het is haar gelukt een verzonken hek
te openen aan de hemelrand
zij strijkt met warme honing
over een zwartgeblakerde ziel
en bevrucht opnieuw de zin
die reeds vroeg in duisternis verviel
daar de aarde verwoestend
had huisgehouden in het engelenkind
middels de duivelse geest
die enkel de eigen adem bemint
eer het gras op wortels kan duiden,
storten ruïnes nog duizendmaal in
en snijdt het zwaard in gebalsemde fundamenten
van pijn en hellegewin
doch allengs in voortgang en licht verval
voedt het zoet een teder gevoel
zodat niet de dood victorie kraait
maar het leven zichzelf herkent als doel