De roos
een dag na gister
de roos bloeide
ik keek
en zag schoonheid
zoals eeuwigheid
bedoeld is
zelfs
in de schaduw
van helder licht
De rooseen dag na gister
de roos bloeide
ik keek
en zag schoonheid
zoals eeuwigheid
bedoeld is
zelfs
in de schaduw
van helder licht
Schrijven In de luchtik was vergeten
hoe groot je ogen waren
of hoe speels zij konden zijn
zag dat weer even
wist opnieuw hoe
vriendschap mocht zijn
ik was vergeten
hoe jong je nog was
en de eigen wereld
wist te bespelen
lachend zoals
lachen bedoeld was
spelend met woorden
en blikkend
op muziek van
reflecterende akkoorden
ik zag het weer
zomaar
die ene keer
De kruiswegaan mij trekken vaak stoeten voorbij
ik spreek liever van stille tochten
geblinddoekt passeren verdrongen gedrochten
elkaar vasthoudend in een rij, zij aan zij
doorgaans zijn ze ook in schaduwen gehuld
nauwelijks zichtbaar voor mijn ogen
omdat de ziel maar niet wordt bedrogen
immers die is al met te veel spagaten gevuld
ze zingen het oude bekende lied
en warempel nog wel op die ene wijs
van hoe geef ik nog gevoelens prijs
zodat de bekende vreemde maar niet geniet
ik zelf fluit wat noten uit een sonate
het maakt de gang tot een theatraal vermaak
immers ik wil niet dat de laatste loper, de draak
lyrisch wordt van toeschouwende straten
In retroflectiefals jij mij ziet
hoort
mij ruikt
dan ben ik dat
maar meestendeels niet
het is haast een bindend zicht
dat zich vertoont in jouw licht
mogelijk vertroebeld
door gevoelgewicht
of gekluisterd
aan lijfelijk beklijven
*
als IK
naar je staar
beluister
jou proef
dan ben jij dat ook
maar mezelf
misschien nog meer
het is een beeld naar gelijkenis
gespiegeld in de oneindige ruimte
van mijn gesloten brein
jij en ik
ik en jij
ademen uit dezelfde atmosfeer
van de schone hersenschijn
In perspectiefals jij mij ziet
hoort
mij ruikt
dan ben ik dat
maar meestendeels niet
het is een verblindend beeld
dat opduikt in het verschiet
al strijken mijn ogen
de glans van een traan
en voedt mijn glimlach,
nu en dan,
jouw zieltogend bestaan
ik ren soms zomaar weg
om het eigen hart te ervaren
en vraag mezelf dan af
waar voel ik het nu kloppen
valt er in de verte
nog perspectief te vergaren
Le paradis du coeurnog erger
dan het sterven
is bij leven
verlatenheid erven
en chaos
je zuigt in een kolk
waar de ziel likt
aan een scherpe dolk
*dans le paradis du coeur*
het touw naar
de hemel lijkt gebroken
de opperherder is,
onaangekondigd,
ondergedoken
ik hoef niemand
te vertellen
hoe mensen
mensen pellen
*dans le paradis du coeur*
Ik en koffiedikstuur ik nog wel
op dat wat komt
of lig ik aan een infuus
dat mijn bewustzijn verstomt
verlies ik de grip,
zo die bestaat,
op dingen van belang
lijkt het maar zo
en gaat het onvoorspelbare
gewoon zijn eigen gang
het lijkt uitkijken
naar iets dat een mens verwacht
maar waar de tijd meester is,
en mij als onderdaan veracht
Memoiresik plukte een
verlaten zomerbloem
die nog verlangde naar
een zachte zoem zoem
wat zoete sap had zij nog te bieden
aan die geelzwarte zuigende lieden
in mijn handpalm
brak de steel
ik droogde haar
in jouw memoires:
het laatste deel
Vol van genade
Perpetuum Mobileal smeult het as en is vuur als de dood
waakt er toch een vlaag van puur purperrood
over verspreide paden door onzichtbaarheid
opdat geen traan zich daar verbrandt aan sterfelijkheid
ook al draagt mijn hand een hemel zonder gewicht
en zijn de ogen verdwaald of zichtbaar gedicht
waar ook nog kreten zijn gestaald door beproefde gebruiken
hoe duid ik jou, in vredesnaam, dat mijn rozen naar rose ruiken
of in wit zijn gebouwd op luchtige stromende stralen
die drijven over heldere toppen en neerslachtige dalen
gelijk het water het botsen tegen oevers kent
maar onbevangen in overgave aan voortgang is gewend
Onwetendheidwat schuilt er toch in mijn gedachten
wie stuurt de stilte in mijn hoofd
hoe komt het, dat je blijft verwachten
wanneer wellicht alle antwoorden
reeds zijn verdoofd
zwijg ik de stilte aldoor
omdat mijn tong is verdroogd
en schreeuwt een hemels koor,
dat alleen mijn zwanenzang
nog wordt gedoogd
het is raden in een doolhof
met steeds meer onwillige heggen
of likken aan aardse stof
waarin dorre wortels
vruchteloos naar wijsheid dreggen
Unne sielerusteicke bluuie effe op,
gelieck oewe sieje,
as die skemering faelt
dun daeg is dan bestreeje
ende draoge miene
swaore haande meeje
naor die fraogende naegt
moei van slegts
eene etmaol geleeje
ut flacke ontwaockt
as allengs ut ligt
sich ieler verspriede
telle skraope sich
sulcks bie elckaore,
leefe betaest ut geniete
urstes in die afont
bestaoi icke weere
vor unne korte duere
so is ut gewon
waj icke meene as
unne geruste sielefuere
(iegene taole)
De rozenkransgister verliet ik mijn huis
van dromen en verlangen
ook de straat bleef leeg
geen leven wist ik te vangen
zie weer de steegjes
waardoor ik liep
in jonge jaren
het was toen al
dat ik haast dagelijks
in eenzaamheid sliep
seizoenen waren als elastiek
of doods in de rek
leerde slenteren
zocht kontakt in denken
bladzijden vol
met verlaten mystiek
gister, buiten, vulde ik
weer een terras
vol met tafels en stoelen
en volgde de rozenkrans
telde daarin
voorbijgaande mensen
immers ieder weesgegroetje
was een kans
het bleef bij verstilde wensen
Liefdeliefde schijnt
in de schaduw
van de nacht
het draagt tederheid
stilte en donkere passie
ook ongrijpbare pracht
liefde is aards
verward in kluwen
van oplichtend verlangen
soms puur
en enige tellen
in ogen te vangen
Zomerkletsmoe word ik steeds meer
van al dat rijmen en dichten
wroeten in de ellende, keer op keer
ik kan mijn voeten niet meer lichten
er gaat wat voorbij
aan woorden en tranen
zeg maar leed
het vreet aan mensen
zuigt je leeg
als door een non-stop slangenbeet
daar zijn er nog
die aartsoptimisten
van bloemetjes, bijtjes
en een door liefde
overgoten hemel
soms is dat pure fantasie
of zieltogend gezemel
zeker, de zon schijnt achter
grauwe of witte wolken
en iedere ochtend kennen we
het klapperen der gebitten
van de morgenstond
maar in huize De Laatste Wens
wacht telkens weer de nacht
onder leiding van zorgmanager
Gijsbert-Jan Avondrood
de goede man kan
vanwege zijn naam
eenvoudig gedankt worden
op bidprentjes bij weer een dood
het leven is een rijm
van mensenverhalen,
is een cryptogram
dat me telkens weer
op het spellen van woordjes
doet richten
en deze dan verzamel
opdat zij te samen
met mij en opnieuw
voor de basale poëzie zwichten
Ploosje
ploosje roosje
gladdegans
dopke sopke
panseflans
ganseflans
in een heel
bronstig doosje
somme lommer
kommeretijd
stijf is kwijt
in zomerwijd
dijtje watje
schilletje
bommer de bom
geitje dom
kusje op een
heel rood
tomatenbilletje
Ik ken Uals ik ben, gelijk
de doorsnee mens
en dat ben ik
wijk ik niet af
van uw goed en kwaad
of lief en leed
in luiheid en verboden daad
als ik mens ben
gelijk allen
ken ik u
en speel ook toneel
met geopend doek
kijk dan de zaal in
gevuld met uw zielen
maar door de belichting
blijkt dat een schimmige look
oh zeker, ook ik
sta schijnheilig op de planken
met wijde ogen en volle mond,
maar ben niet slecht
zie mijn zon
en de geest in de
schaduw blijkt echt
de schepping is
zo het zich toont
het heeft altijd
op die wijze
onder ons gewoond
Smitsorgel : Een hemelse stem
In stiltede vormeloze stenen
die mijn zwijgen dragen
rusten in een kloostermuur
als engelen rond de ziel
beschermen zij de stilte
nadat mijn stem van
een donker geruis beviel
er is ook liefde
die warmte wil bewaren
hierdoor behoeven
alleen mijn handen
de eenvoud te verklaren
Vergankelijkheidik heb dit jaar van
het versgemaaide gras
de geur nog maar
één keer opgesnoven
zeker,
de zon heeft het groen
wel degelijk verwend
en spattend nat
heb ik ook wel herkend
toen regenbuien
zonnestralen
van licht en warmte
wilden beroven
*
thans kleurt de hemel
anders blauw
en sloten lijken geulen
zelfs de wilg weigert zijn spriet
ruik ik dan enkel het smeulen
daar de aardse versterving
een verdere bloei verbiedt