Liefde
liefde schijnt
in de schaduw
van de nacht
het draagt tederheid
stilte en donkere passie
ook ongrijpbare pracht
liefde is aards
verward in kluwen
van oplichtend verlangen
soms puur
en enige tellen
in ogen te vangen
Liefdeliefde schijnt
in de schaduw
van de nacht
het draagt tederheid
stilte en donkere passie
ook ongrijpbare pracht
liefde is aards
verward in kluwen
van oplichtend verlangen
soms puur
en enige tellen
in ogen te vangen
Zomerkletsmoe word ik steeds meer
van al dat rijmen en dichten
wroeten in de ellende, keer op keer
ik kan mijn voeten niet meer lichten
er gaat wat voorbij
aan woorden en tranen
zeg maar leed
het vreet aan mensen
zuigt je leeg
als door een non-stop slangenbeet
daar zijn er nog
die aartsoptimisten
van bloemetjes, bijtjes
en een door liefde
overgoten hemel
soms is dat pure fantasie
of zieltogend gezemel
zeker, de zon schijnt achter
grauwe of witte wolken
en iedere ochtend kennen we
het klapperen der gebitten
van de morgenstond
maar in huize De Laatste Wens
wacht telkens weer de nacht
onder leiding van zorgmanager
Gijsbert-Jan Avondrood
de goede man kan
vanwege zijn naam
eenvoudig gedankt worden
op bidprentjes bij weer een dood
het leven is een rijm
van mensenverhalen,
is een cryptogram
dat me telkens weer
op het spellen van woordjes
doet richten
en deze dan verzamel
opdat zij te samen
met mij en opnieuw
voor de basale poëzie zwichten
Ploosje
ploosje roosje
gladdegans
dopke sopke
panseflans
ganseflans
in een heel
bronstig doosje
somme lommer
kommeretijd
stijf is kwijt
in zomerwijd
dijtje watje
schilletje
bommer de bom
geitje dom
kusje op een
heel rood
tomatenbilletje
Ik ken Uals ik ben, gelijk
de doorsnee mens
en dat ben ik
wijk ik niet af
van uw goed en kwaad
of lief en leed
in luiheid en verboden daad
als ik mens ben
gelijk allen
ken ik u
en speel ook toneel
met geopend doek
kijk dan de zaal in
gevuld met uw zielen
maar door de belichting
blijkt dat een schimmige look
oh zeker, ook ik
sta schijnheilig op de planken
met wijde ogen en volle mond,
maar ben niet slecht
zie mijn zon
en de geest in de
schaduw blijkt echt
de schepping is
zo het zich toont
het heeft altijd
op die wijze
onder ons gewoond
Smitsorgel : Een hemelse stem
In stiltede vormeloze stenen
die mijn zwijgen dragen
rusten in een kloostermuur
als engelen rond de ziel
beschermen zij de stilte
nadat mijn stem van
een donker geruis beviel
er is ook liefde
die warmte wil bewaren
hierdoor behoeven
alleen mijn handen
de eenvoud te verklaren
Vergankelijkheidik heb dit jaar van
het versgemaaide gras
de geur nog maar
één keer opgesnoven
zeker,
de zon heeft het groen
wel degelijk verwend
en spattend nat
heb ik ook wel herkend
toen regenbuien
zonnestralen
van licht en warmte
wilden beroven
*
thans kleurt de hemel
anders blauw
en sloten lijken geulen
zelfs de wilg weigert zijn spriet
ruik ik dan enkel het smeulen
daar de aardse versterving
een verdere bloei verbiedt
De zwarte madonna.
ik leef
in de baarmoeder
van de zachte dood
adem het sterven in
onderweg naar haar
maar al verwacht
zij
de zwarte madonna
mij
in haar vruchtbare schoot
en ben ik
aldoor op zoek
naar mijn zoetste min
het levend gemis
blijft de baar
verborgen in hoop
geeft het leegte zin
.
Als de Godin mij verleidtverleid mij niet
of juist wel
te denken die ik ben
of verban mijn gedachten
bijwijlen
naar een hemels paradijs
waar ik slechts
die ene vrouwe ken
ontbloot van zeden en kleed
doch getooid met
zacht betoverend vlees
dat verzuurde appelen
nog verzot zo zoetig spijst
zij krult langs mijn haren
stroperig van kruin tot zool
omringt mij met zwoele gebaren
opdat ik nog enkel drijf op zaad
dat geen geboorte ooit zal verklaren
ten einde ruk ik met alle macht
verroeste hekken open
spijlen met ingebouwde
gestorven rozetten
die weer uitweg bieden uit
de zalige hel
en verdoemenis
*
ik voel weer grond
waarop mijn ziel
koning is van de geest
en mijn lijf,
in stof geaard,
het getemde beest
In eb en vloed gedijenik ben er voor jou
ook al raak ik je ver
in het
samen zijn,
her en der
al zou ik aardse
klanken spellen
en jij van achter
afwezigheid denkt
ik kan slechts
fragmenten tellen
liefde kent een ritme
gelijk mijn hart
jou met zijn slagen wenkt
Zielerustik bloei even op
als de schemering valt
de dag is dan bestreden
en draag mijn handen mee
naar de nacht
moe van slechts één etmaal
verleden
het vlakke ontwaakt
als allengs licht
zich verspreidt
minuten schrapen zich
dan bij elkaar,
leven betast het gevoel
pas in de avond
besta ik weer;
kortstondig van duur
dat is
wat ik bedoel
Als een cirkel sluitonder mijn hemel
van grijze haren;
zij kennen nog lengte
soms tot schouderhoogte
naargelang het gemoed
deze snaren bespeelt
doch als maar meer naar
ijle dikte neigen
waar inhammen bij voortduring
ruimte scheppen voor het
schemeren in schaduw
onder dit dak
van toenemende jaren
ligt het klooster
met beelden vol gevuld
en resten van niets
als sporen van het volmaakte
zover het zaad zich
als vanzelf kon ontwikkelen
de binnentuinse ziel
die zeker nog een gat
naar de zon vermoedt,
bidden de kleppen van het hart
in eigen boezemtaal
het ritme van mijn leven
waar in cadans de liefde
komt en gaat en gaapt en baadt
in oude bezwangerde stuipen
of bij de doodsstrijd
van weer een jaargetij
ik honger de leegte vol
en stil de stilte met een lied
dat oneindige tonen
inslikt van een natuurlijke
hoop naar straks
doch past in de naïeve
verwachting naar morgen
ook wel toekomst genaamd
in mij bloeien de gladiolen
om de beurt naar kleur en klank
en wuiven met lichte zuchten
over het tere verlichte groene gras
vol ook van jong vuur en vluchtige as
als dan een stem roept
naargelang die ik ben
en de zure muren
die mijn geest,
denkbeeldig van allure,
maar door zwart aangetast,
in de echo van een kinderstem
afbrokkelen tot het
schuim van de zee
roep ik:
"ja, ik luister"
en volg de lach
in een kleine hand
"en ik ga met jou mee"
Ik gluur
op de klok gelijk
wentelt zij
naakt gespreid
in het hete rulle zand
ondanks de hoge factor
raakt het vlees
in no time verbrand
en ik,
ik lik het zout
van mijn lippen
na een dagje
digitaal knippen
Als een troost zoekt
ik traande de
wereld tot stilstand
voeten kleefden
aan zand en mieren
toen ik de waas zag van gras
in groen gespreid
door wimpers henen
langs randen van ogende bossen
en ik
gedachten moest vangen
in volgorde van ruimte en
gevoel
de benen stramden
terwijl ribben deden schudden
en de buik jaagde
achter diepten
leegblazend tot aan keel en ogen
ik traande de
wereld tot staande
en voelde de reikende hand
zo veraf dichtbij
mijn hart dat bonsde
trommels vol van
weeïge vochtgeluiden
zij deden mij zijgen
om te aarden
zoekend naar herstellende
en troostende waarden
Een mens van stofonder heiligheid van schijn
kent het leven vele kanten
als ik praat over mijn en dijn
blijken mijn woorden balken
en de ogen van de ander,
gedragen door splinters,
toch nog blinde bollen
onder een sterrenloze baldakijn
in mijn rug gapen velen gaten
soms met zout verweven
ook ik ken het haten,
pekelen en kneden
onder mijn hand is en wordt
nog veel geleden
de werkelijkheid
hoe die ook zij,
is verlaten
mijn huis kent glazen wanden
spiegels met de blik naar buiten
ja, en mijn nagels hebben zwarte randen
zij krabben de dood van ruiten
Fingerspitzenzij vinden afzonderlijk
dan wel te samen hun weg
over met ivoor beklede
naast elkaar gelegen
zwarte of witte toetsen
die buigend bewegen
voor mijn tien vingers in gelid
doch vaker in een sprekende
verhouding uitgespreid
de klavieren poetsen
op weg naar een kleurige klank
om de verwachting na te bootsen
die in een ritmiek van noten
tot opluisterende vervolmaking leidt
waar zij weer
op haar beurt
na enig tijdsbesef
de verte bereikt
en na ontmoeting
met het einde van de ruimte
liefst zoals het mij bekoort
mijn gehoor vertelt
dat het grootse samenspel
tot de Goddelijke schepping behoort
The Last Postals de merel
bij het heengaan
van de dag
de avondwake
fluit
word ik stil
en de nacht
mijn bruid
Aan mijn hofals ik jou of jou zie
zoals ik denk die je bent
je toelach
en spreek over
je mooie zijden
bedreig ik je dan
of vertel ik dat
wat je hart verwent
voel je dan wel
dat ik slechts aardig wil zijn
maar enig bezit wil vermijden
als ik jou of jou even
op een troon zet aan mijn hof
wees dan niet bevreesd
ik bewierook je ziel
soms gewoon spontaan,
zo ik ben,
of als mijn hart
door een kleed van
donker bedrukte stof
je diepte leest
ik ben
voor even,
zomaar,
bij jou of jou geweest
De herinnering*
ik herken
die mens
in jouw lach
zij stierf
eerder
dan ik zag
**
Op vlinderwuiversop wuivers
van een groene vlinder
spreid ik de armen wijd
zucht mee
van blad op tak
in de tuin naar ginder
waar een welriekende
serafijnenstruik
dromen verwent
met zoet en eeuwig licht
om nog meer
boezemgeur te verstuiven
aan dansende zielen
waaraan vedergewicht
is toegedicht