Geluk
geluk is onderhevig
aan ruimte, licht en tijd
is zelden overdadig
wordt door broosheid geleid
ik denk nog aan verleden jeugd
waarin toekomst stond voor morgen
blind op zoek naar onbekende vreugd;
de eeuwige liefde zonder zorgen
Gelukgeluk is onderhevig
aan ruimte, licht en tijd
is zelden overdadig
wordt door broosheid geleid
ik denk nog aan verleden jeugd
waarin toekomst stond voor morgen
blind op zoek naar onbekende vreugd;
de eeuwige liefde zonder zorgen
Mijmeringen over de Dood ( 3 ) slotUit de liturgie : Het Requiem
vaarwel mijn vrienden
allen om mij heen geschaard
ik voel nog steeds
jullie warme liefde
en neem het mee,
alles wordt in mijn hart bewaard
het zal de tocht naar het
onvergankelijke bemoedigen
alwaar de Schepper mij
zeker zal verwachten
engelen vol van Geest
en zo fijn besnaard
zullen jullie aardse
droefenis met verlichte
vleugels verzachten
ik huil nog een keer mee
en raak met mijn ziel
even aan grootse harten
terwijl de tedere rust mij
al over de stilte verhaalt
en helpt bij het afleggen
van aardse smarten
zing met mij het lied
van de eeuwige vrede
opdat al jullie tranen
aan elkander worden geweven
stilaan zal de Goddelijke
vreugde opnieuw in jullie
worden geboren en herleven
ik mag nu gaan en hoor
de cherubijnen roepen
zij willen mij op handen
dragen naar de Heer
voor allen toch
een troostrijke gedachte
vaarwel en wacht
tot ik in jullie wederkeer
Mijmeringen over de Dood (2)telkens als de dood
zijn aanwezigheid laat voelen
schaaft hij aan leven
steelt een lach
zal een deel van mij bekoelen
ik herinner de weelde
bewust geklemd in gedachten
totdat zij als zand
door de vingers glippen
zij hebben nagelaten
de pijn te verzachten
*
ik maak de dood
tot mijn lief om
eindeloos te beminnen
zullen dan grenzen
zich langzaam ontsluiten
en leegte zich vullen
met vertederende zinnen
Mijmeringen over de Dood (1)als morgen gladiolen
geschaafde nerven bekleden
zijn mijn dagen eerder geteld
en de laatste
mij een groet doet toekomen
zijn de waarachtige leugens al verteld
over mijn innerlijke vrede
en aardse capriolen
als touwen mij doen vieren
om dieper in de aarde te dolen
zal dan zout in ogen worden gestrooid
of willen de nazaten de opluchting versieren
*
op de dagen na morgen
en het zand mijn stede
nog meer heeft verzwaard
kan het zwart van eeuwige nachten
mij in vergetelheid gaan verzorgen
hoeft niemand meer op mij te wachten
immers mijn ziel is in het niets geborgen
De rooseen dag na gister
de roos bloeide
ik keek
en zag schoonheid
zoals eeuwigheid
bedoeld is
zelfs
in de schaduw
van helder licht
Schrijven In de luchtik was vergeten
hoe groot je ogen waren
of hoe speels zij konden zijn
zag dat weer even
wist opnieuw hoe
vriendschap mocht zijn
ik was vergeten
hoe jong je nog was
en de eigen wereld
wist te bespelen
lachend zoals
lachen bedoeld was
spelend met woorden
en blikkend
op muziek van
reflecterende akkoorden
ik zag het weer
zomaar
die ene keer
De kruiswegaan mij trekken vaak stoeten voorbij
ik spreek liever van stille tochten
geblinddoekt passeren verdrongen gedrochten
elkaar vasthoudend in een rij, zij aan zij
doorgaans zijn ze ook in schaduwen gehuld
nauwelijks zichtbaar voor mijn ogen
omdat de ziel maar niet wordt bedrogen
immers die is al met te veel spagaten gevuld
ze zingen het oude bekende lied
en warempel nog wel op die ene wijs
van hoe geef ik nog gevoelens prijs
zodat de bekende vreemde maar niet geniet
ik zelf fluit wat noten uit een sonate
het maakt de gang tot een theatraal vermaak
immers ik wil niet dat de laatste loper, de draak
lyrisch wordt van toeschouwende straten
In retroflectiefals jij mij ziet
hoort
mij ruikt
dan ben ik dat
maar meestendeels niet
het is haast een bindend zicht
dat zich vertoont in jouw licht
mogelijk vertroebeld
door gevoelgewicht
of gekluisterd
aan lijfelijk beklijven
*
als IK
naar je staar
beluister
jou proef
dan ben jij dat ook
maar mezelf
misschien nog meer
het is een beeld naar gelijkenis
gespiegeld in de oneindige ruimte
van mijn gesloten brein
jij en ik
ik en jij
ademen uit dezelfde atmosfeer
van de schone hersenschijn
In perspectiefals jij mij ziet
hoort
mij ruikt
dan ben ik dat
maar meestendeels niet
het is een verblindend beeld
dat opduikt in het verschiet
al strijken mijn ogen
de glans van een traan
en voedt mijn glimlach,
nu en dan,
jouw zieltogend bestaan
ik ren soms zomaar weg
om het eigen hart te ervaren
en vraag mezelf dan af
waar voel ik het nu kloppen
valt er in de verte
nog perspectief te vergaren
Le paradis du coeurnog erger
dan het sterven
is bij leven
verlatenheid erven
en chaos
je zuigt in een kolk
waar de ziel likt
aan een scherpe dolk
*dans le paradis du coeur*
het touw naar
de hemel lijkt gebroken
de opperherder is,
onaangekondigd,
ondergedoken
ik hoef niemand
te vertellen
hoe mensen
mensen pellen
*dans le paradis du coeur*
Ik en koffiedikstuur ik nog wel
op dat wat komt
of lig ik aan een infuus
dat mijn bewustzijn verstomt
verlies ik de grip,
zo die bestaat,
op dingen van belang
lijkt het maar zo
en gaat het onvoorspelbare
gewoon zijn eigen gang
het lijkt uitkijken
naar iets dat een mens verwacht
maar waar de tijd meester is,
en mij als onderdaan veracht
Memoiresik plukte een
verlaten zomerbloem
die nog verlangde naar
een zachte zoem zoem
wat zoete sap had zij nog te bieden
aan die geelzwarte zuigende lieden
in mijn handpalm
brak de steel
ik droogde haar
in jouw memoires:
het laatste deel
Vol van genade
Perpetuum Mobileal smeult het as en is vuur als de dood
waakt er toch een vlaag van puur purperrood
over verspreide paden door onzichtbaarheid
opdat geen traan zich daar verbrandt aan sterfelijkheid
ook al draagt mijn hand een hemel zonder gewicht
en zijn de ogen verdwaald of zichtbaar gedicht
waar ook nog kreten zijn gestaald door beproefde gebruiken
hoe duid ik jou, in vredesnaam, dat mijn rozen naar rose ruiken
of in wit zijn gebouwd op luchtige stromende stralen
die drijven over heldere toppen en neerslachtige dalen
gelijk het water het botsen tegen oevers kent
maar onbevangen in overgave aan voortgang is gewend
Onwetendheidwat schuilt er toch in mijn gedachten
wie stuurt de stilte in mijn hoofd
hoe komt het, dat je blijft verwachten
wanneer wellicht alle antwoorden
reeds zijn verdoofd
zwijg ik de stilte aldoor
omdat mijn tong is verdroogd
en schreeuwt een hemels koor,
dat alleen mijn zwanenzang
nog wordt gedoogd
het is raden in een doolhof
met steeds meer onwillige heggen
of likken aan aardse stof
waarin dorre wortels
vruchteloos naar wijsheid dreggen
Unne sielerusteicke bluuie effe op,
gelieck oewe sieje,
as die skemering faelt
dun daeg is dan bestreeje
ende draoge miene
swaore haande meeje
naor die fraogende naegt
moei van slegts
eene etmaol geleeje
ut flacke ontwaockt
as allengs ut ligt
sich ieler verspriede
telle skraope sich
sulcks bie elckaore,
leefe betaest ut geniete
urstes in die afont
bestaoi icke weere
vor unne korte duere
so is ut gewon
waj icke meene as
unne geruste sielefuere
(iegene taole)
De rozenkransgister verliet ik mijn huis
van dromen en verlangen
ook de straat bleef leeg
geen leven wist ik te vangen
zie weer de steegjes
waardoor ik liep
in jonge jaren
het was toen al
dat ik haast dagelijks
in eenzaamheid sliep
seizoenen waren als elastiek
of doods in de rek
leerde slenteren
zocht kontakt in denken
bladzijden vol
met verlaten mystiek
gister, buiten, vulde ik
weer een terras
vol met tafels en stoelen
en volgde de rozenkrans
telde daarin
voorbijgaande mensen
immers ieder weesgegroetje
was een kans
het bleef bij verstilde wensen
Liefdeliefde schijnt
in de schaduw
van de nacht
het draagt tederheid
stilte en donkere passie
ook ongrijpbare pracht
liefde is aards
verward in kluwen
van oplichtend verlangen
soms puur
en enige tellen
in ogen te vangen
Zomerkletsmoe word ik steeds meer
van al dat rijmen en dichten
wroeten in de ellende, keer op keer
ik kan mijn voeten niet meer lichten
er gaat wat voorbij
aan woorden en tranen
zeg maar leed
het vreet aan mensen
zuigt je leeg
als door een non-stop slangenbeet
daar zijn er nog
die aartsoptimisten
van bloemetjes, bijtjes
en een door liefde
overgoten hemel
soms is dat pure fantasie
of zieltogend gezemel
zeker, de zon schijnt achter
grauwe of witte wolken
en iedere ochtend kennen we
het klapperen der gebitten
van de morgenstond
maar in huize De Laatste Wens
wacht telkens weer de nacht
onder leiding van zorgmanager
Gijsbert-Jan Avondrood
de goede man kan
vanwege zijn naam
eenvoudig gedankt worden
op bidprentjes bij weer een dood
het leven is een rijm
van mensenverhalen,
is een cryptogram
dat me telkens weer
op het spellen van woordjes
doet richten
en deze dan verzamel
opdat zij te samen
met mij en opnieuw
voor de basale poëzie zwichten
Ploosje
ploosje roosje
gladdegans
dopke sopke
panseflans
ganseflans
in een heel
bronstig doosje
somme lommer
kommeretijd
stijf is kwijt
in zomerwijd
dijtje watje
schilletje
bommer de bom
geitje dom
kusje op een
heel rood
tomatenbilletje