Vrijdag 19 mei 2006
ART . NR . 24 . a , - TERUG NAAR DE PERSPECTIEF
Art . Nr . 24 . a ,
Terug naar de perspectief .
Hier kunnen wij met recht weer even terugkomen op de perspectiefleer . Wij raden je trouwen aan in de voorgaande lessen de hoofdstukken over dit onderwerp even na te lezen . Men kan een huis beschouwen als een enorme kubus waar bovenop twee schuingeplaatste vlakken het dak vormen . Herinnert je zich nog dat de horizon altijd geplaatst wordt ter hoogte van het oog van
de waarnemer ? Hij stijgt en daalt dus met de verandering van gezichtspunt . In de eerste van de drie tekeningen ( fig ; 48 ) wordt de waarnemer verondersteld op een verhoging , een heuvel te staan ; de horizontale lijn is daarom hoog geplaatst . In fig . 49 staat de waarnemer op straat . Dit is de meest gebruikelijke manier om de dingen te zien , ze worden dan " gesneden " door de horizon . In fig . 50 tenslotte wordt de waarnemer verondersteld op de grond te liggen . De horizon ligt dan erg laag .
Het spreekt vanzelf dat de horizon ook kan liggen tussen deze drie hoogten , die we demonstreren . De ligging van de horizon is zeer belangrijk . Als een schilderij of decoratie bedoeld is om tamelijk hoog aan een muur te hangen , moet men rekening houden met het feit dat de compositie door een eventuele toeschouwer van beneden naar boven gezien zal worden . De horizontale lijn moet dus tamelijk laag geplaatst worden , zodat de indruk wordt gewekt dat het schilderij eigenlijk in het gezichtsveld ligt . De kunstenaar kan trouwens verschillende effecten bereiken al naar gelang de plaatsing van zijn horizonlijn . Als men een tekening maakt van een staande figuur , zal deze van imposante grootte lijken , als men de horizon laag plaatst . Als men daarentegen , bij een landschapstekening , de indruk van uigestrektheid wil geven , moet men de horizon vrij hoog plaatsen zodat de toeschouwer het gevoel krijgt alsof hij zelf hoger staat en op het landschap neerkijkt .
Perspectief van straten en wegen .
De straten en wegen leveren geen moeilijkheden op , men kan ze vergelijken met twee horizontale evenwijdige lijnen , die in dezelfde richting naar hetzelfde verdwijnpunt op de horizon lopen , zoals het geval is met alle horizontale evenwijdige lijnen . Het is natuurlijk mogelijk , en dit gebeurt vaak , dat een weg of een straat , hoewel horizontaal , een bocht maakt . Zoals je in fig . 51 ziet , zullen de lijnen na de verandering van richting op een tweede verdwijnpunt uitlopen , hetzij rechts van het eerste , hetzij links , maar altijd op de horizonlijn . Met dalende en klimmende straten en wegen is het weer anders . Daarvoor verwijzen wij naar de aanwijzingen die we gegeven hebben in de les " Het schetsen van personen " ( Art . Nr . 9 . a , fig 20 ) over hellende vlakken . De stijgende evenwijdige lijnen hebben hun verdwijnpunt boven de horizon ,terwijl de dalende evenwijdige lijnen hun verdwijnpunt onder de horizon hebben . Zo zullen in fig . 52 de lijnen A en B van de stijgende weg in hun verlengde eindigen in het verdwijnpunt PFA boven de horizon , op de loodlijn getrokken door het verdwijnpunt P op de horizon , recht tegenover ons oog .
Nok , dak en ramen , alle randen en lijnen die in werkelijkheid horizontaal lopen , hebben echter punt P als verdwijnpunt . Bij een dalende straat of weg ( fig . 53 ) eindigen de bermen A' en B' in verdwijnpunt PFA' onder de horizon , op de loodlijn getrokken door het verdwijnpunt P' . Je ziet dat de muur rechts in fig . 53 ook eindigt in punt PFA' , omdat deze muur in werkelijkheid niet horizontaal loopt , maar evenwijdig aan de zijden A' en B' van de weg .
In fig . 54 en 55 ziet je twee schilderachtige toepassingen van de hierboven besproken gevallen . Wij wijzen er nogmaals op dat wij een dergelijke uitleg alleen geven om je bepaalde visuele verschijnselen beter te laten begrijpen . Als men naar de natuur werkt gaat het er niet om een op de milimeter nauwkeurige tekening te leveren . Als je het principe eenmaal kent moet je zich wennen aan onophoudelijke waarneming . Wat betreft het " verdwijnen " van lijnen en hun verloop ; kunt je gebruik maken van een doorschijnend stukje papier met horizontale en verticale lijnen . Om de helling van een lijn in de ruimte te vinden , kunt je zelf een " hoek-meter " maken met behulp van een scharnierende duimstok . Als je bijvoorbeeld een gebouw moet plaatsen , waarvan geen van de basis-lijnen evenwijdig aan uw gezichtslijn loopt ( fig . 56 ) , dan plaatst je het gedeelte AB van de duimstok zo , dat hij voor uw oog samenvalt met de hoeklijn van de muur van het huis . Evenzo laat je poot AC ogenschijnlijk samenvallen met de daklijn ; de hoek , door de beide poten gevormd , geeft js nu het verloop van de weglopende lijn AC .
Terug naar de perspectief .
Hier kunnen wij met recht weer even terugkomen op de perspectiefleer . Wij raden je trouwen aan in de voorgaande lessen de hoofdstukken over dit onderwerp even na te lezen . Men kan een huis beschouwen als een enorme kubus waar bovenop twee schuingeplaatste vlakken het dak vormen . Herinnert je zich nog dat de horizon altijd geplaatst wordt ter hoogte van het oog van
de waarnemer ? Hij stijgt en daalt dus met de verandering van gezichtspunt . In de eerste van de drie tekeningen ( fig ; 48 ) wordt de waarnemer verondersteld op een verhoging , een heuvel te staan ; de horizontale lijn is daarom hoog geplaatst . In fig . 49 staat de waarnemer op straat . Dit is de meest gebruikelijke manier om de dingen te zien , ze worden dan " gesneden " door de horizon . In fig . 50 tenslotte wordt de waarnemer verondersteld op de grond te liggen . De horizon ligt dan erg laag .
Het spreekt vanzelf dat de horizon ook kan liggen tussen deze drie hoogten , die we demonstreren . De ligging van de horizon is zeer belangrijk . Als een schilderij of decoratie bedoeld is om tamelijk hoog aan een muur te hangen , moet men rekening houden met het feit dat de compositie door een eventuele toeschouwer van beneden naar boven gezien zal worden . De horizontale lijn moet dus tamelijk laag geplaatst worden , zodat de indruk wordt gewekt dat het schilderij eigenlijk in het gezichtsveld ligt . De kunstenaar kan trouwens verschillende effecten bereiken al naar gelang de plaatsing van zijn horizonlijn . Als men een tekening maakt van een staande figuur , zal deze van imposante grootte lijken , als men de horizon laag plaatst . Als men daarentegen , bij een landschapstekening , de indruk van uigestrektheid wil geven , moet men de horizon vrij hoog plaatsen zodat de toeschouwer het gevoel krijgt alsof hij zelf hoger staat en op het landschap neerkijkt .
Perspectief van straten en wegen .
De straten en wegen leveren geen moeilijkheden op , men kan ze vergelijken met twee horizontale evenwijdige lijnen , die in dezelfde richting naar hetzelfde verdwijnpunt op de horizon lopen , zoals het geval is met alle horizontale evenwijdige lijnen . Het is natuurlijk mogelijk , en dit gebeurt vaak , dat een weg of een straat , hoewel horizontaal , een bocht maakt . Zoals je in fig . 51 ziet , zullen de lijnen na de verandering van richting op een tweede verdwijnpunt uitlopen , hetzij rechts van het eerste , hetzij links , maar altijd op de horizonlijn . Met dalende en klimmende straten en wegen is het weer anders . Daarvoor verwijzen wij naar de aanwijzingen die we gegeven hebben in de les " Het schetsen van personen " ( Art . Nr . 9 . a , fig 20 ) over hellende vlakken . De stijgende evenwijdige lijnen hebben hun verdwijnpunt boven de horizon ,terwijl de dalende evenwijdige lijnen hun verdwijnpunt onder de horizon hebben . Zo zullen in fig . 52 de lijnen A en B van de stijgende weg in hun verlengde eindigen in het verdwijnpunt PFA boven de horizon , op de loodlijn getrokken door het verdwijnpunt P op de horizon , recht tegenover ons oog .
Nok , dak en ramen , alle randen en lijnen die in werkelijkheid horizontaal lopen , hebben echter punt P als verdwijnpunt . Bij een dalende straat of weg ( fig . 53 ) eindigen de bermen A' en B' in verdwijnpunt PFA' onder de horizon , op de loodlijn getrokken door het verdwijnpunt P' . Je ziet dat de muur rechts in fig . 53 ook eindigt in punt PFA' , omdat deze muur in werkelijkheid niet horizontaal loopt , maar evenwijdig aan de zijden A' en B' van de weg .
In fig . 54 en 55 ziet je twee schilderachtige toepassingen van de hierboven besproken gevallen . Wij wijzen er nogmaals op dat wij een dergelijke uitleg alleen geven om je bepaalde visuele verschijnselen beter te laten begrijpen . Als men naar de natuur werkt gaat het er niet om een op de milimeter nauwkeurige tekening te leveren . Als je het principe eenmaal kent moet je zich wennen aan onophoudelijke waarneming . Wat betreft het " verdwijnen " van lijnen en hun verloop ; kunt je gebruik maken van een doorschijnend stukje papier met horizontale en verticale lijnen . Om de helling van een lijn in de ruimte te vinden , kunt je zelf een " hoek-meter " maken met behulp van een scharnierende duimstok . Als je bijvoorbeeld een gebouw moet plaatsen , waarvan geen van de basis-lijnen evenwijdig aan uw gezichtslijn loopt ( fig . 56 ) , dan plaatst je het gedeelte AB van de duimstok zo , dat hij voor uw oog samenvalt met de hoeklijn van de muur van het huis . Evenzo laat je poot AC ogenschijnlijk samenvallen met de daklijn ; de hoek , door de beide poten gevormd , geeft js nu het verloop van de weglopende lijn AC .


















