Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
schuw
Als je constant bezig bent met wat je denkt met wat een ander wil wat je bent crash je vroeg of laat. Daar stopt het en kan je niet meer denken.
Er is geen dageraard meer zegt ze.
De lucht is gesluierd. Het motregende vanmorgen nog.
Waar ik ook ga, als ik vandaag iemand in de ogen kijk ben ik er zeker van dat men de triestesse in mijn aankijken ziet.
Ik voel me angstig. Ik schuuw deze dag en wil een nachtdier zijn.
duimreuk
Weeral beschrijf ik in herhaling ruikend tussen duim en wijsvinger een moment. Eerst die gehoorapparaten uit. Er is hier teveel lawaai. Heerlijk is daarna die stilte.
Nu nog in verbeelding een paar Romeinen verslaan, oceanen bevaren in een hevige storm en daarna de buurvrouw neuken. Dan maak ik kip met knoflook klaar.
Het motregent buiten, het is grijs en vaal. Een duimreuk maakt dat wel goed.
mountainbike
We gingen ergens naartoe. ‘We’ was niet erg duidelijk en ‘naartoe’ evenmin. In het dorp waar ik opgegroeid ben zou een trein komen die de mensen ergens naartoe bracht. Ik verkoos echter om met een mountainbike te gaan. In het begin verliep de tocht moeizaam. De straat leek wel op een gerimpeld tafelkleed dat voortdurend verschoof. In het halfdonker reden tractoren heen en weer.
Toen ik aan een hypodroom arriveerde kwam het daglicht op. Gilbert Aché stond me op te wachten met tickets. Eens plaats genomen op de gradins van het stadion vroeg ik hem: ‘Wordt dit een paardenkoers?”.
“Neen, ze gaan hier voetbal spelen” zei hij.
Plots kwamen twee bekenden erbij zitten waarvan één van hen zei: ‘Je hebt gisteren een trappist gedronken. Drink niet zoveel’.
Door het feit dat ik hier niet op een paard kon wedden en tevens een hekel aan voetbal had besloot ik om te gaan fietsen. Om bij mijn mountenbyke te geraken moest ik de lift nemen. Met liften liep het altijd scheef maar deze keer (behalve het feit dat de lift overbevolkt was met dienstvrouwen die telkens op een ander verdiep dan ik moesten zijn) verliep alles normaal.
Eens beneden begon iemand mijn oud fototoestel uit elkaar te halen. ‘Wees niet ongerust, ik heb hier verstand van’ fluisterde hij in mijn oor.
‘Plaats dan tevens een nieuwe batterij in mijn gsm’ zei ik bezorgd toekijkend hoe hij de tandwieltjes terug in elkaar vees.
Het was een oud toestel waarmee ik vijfentwig jaar geleden drie volle manen in Kathmandou was geweest.
Toen hij het terug helemaal in elkaar had gezet begon het toestel te lachen met een vrouwelijke stem en riep: ‘Ik ben opnieuw nieuw! Waarom heb jij dat niet eerder gedaan?’.
Mijn mountainbike wou ook een beurt maar de technicus was inmiddels verdwenen.
‘Wat doe jij hier. Waarom zat je niet op de trein?’ vroeg mijn vrouw die met de zoon op een tabouret naast mij kwam zitten.
‘Ik ben met de fiets gekomen en neem nu de trein’.
We vertrokken tezamen. In het station verloren we mekaar uit het oog. Ik besloot dan maar willekeurig op een trein te stappen en wisselde in elk station tot ik mijn geboortedorp herkende. Ik stapte af en kwam in de struiken terecht. Er waren spoorarbeiders aan het werk die me aanmaanden de berm te verlaten. Ik vroeg aan één van hen of mijn grootmoeder nog leefde waarna ik een met steengruis bedekte helling af liep naar het grootoudershuis.
Op de stoep zei iemand die me nog herkende dat mijn grootmoeder naar de bakker was. In afwachting at ik alle rijpe aardbeien uit de tuin en besefte te laat dat ze hiervoor boos zou zijn omdat ik er geen bruine suiker op deed.
Toen ze niet opdaagde ging ik te voet naar huis. Aan de voordeur zei mijn zoon:’ Ze is ongerust geworden en is op zoek naar jou’.
de laatste mens
konijnenvoer
demonen
Het paard was nog niet bejaard toen het in mijn bijzijn neerzeeg in een plotselinge dood. We kenden mekaar amper twee dagen. De eigenaar had het afgestaan. Ik had het nog niet bereden. Het was een wit paard dat lachend stierf.
Toen ik het wou begraven belandde ik in een tempel met rotsachtige doolgangen .
Op sommige plaatsen slenterden mensen rond die zwegen. Ze leken mijn aanwezigheid niet op te merken. Plots veranderden ze in demonen die beurtelings op me af kwamen. Sommigen spuwden scherven, anderen hadden een stekelvacht waarmee ze me bliksemsnel trachtten te raken. Ik kon ontkomen aan hun aanvallen door me in spleten van rotswanden te verschuilen maar steeds vonden ze me opnieuw. Net toen ik de kille adem van een van hen in mijn nek voelde kwam ik in de buitenwereld terecht, vlakbij een landingsbaan aan de luchthaven. Het was nacht. Het bleek een landingsbaan voor vliegtuigen in nood te zijn. Ik zag een vliegtuig op en neer duiken tot het in een spiraalvlucht te pletter viel. De brokstukken vlogen over me heen. Ook daar bleef mijn lichaam ongeschonden.
Ik werd wakker en keek of ze naast mij lag. In het zwakke schemer zag ik de contouren van haar gelaat vol stekels en scherven die langzaam verdwenen. Er lag een engel naast mij.

bloedneus
in opgetroopte hemdsmouwen
helaas
Ik had er nooit over nagedacht dat beschrijving herhaling kan zijn.
'Je schrijft weeral hetzelfde' zegt ze.
Ik kijk naar haar rok, haar benen, haar hals en uiteindelijk in haar ogen.
Ik ben het maar. De layaut kan me niks schelen. De wereld zoemt om ons heen.
Nu ben ik zelfs mijn schrijfgerief vergeten op een veldweg.
Niks erg, maandag raap ik het weer op.
Het regent bijna voortdurend en toch is er een zonsondergang. Fantastich toch?
geur
Je schrikt niet
afscheid
litteraire droom
zondagnacht
ietwat verward
alles ligt verspreid
de tuin bezaaid met afval
het hemelwater stroomt door het dak
ik verpulver het gebinte
in mijn vingers
nu ook draagmuren
kantelen in de storm
verlaat ik niet dit pand
ik heb een woonst beloofd
beneden zitten twee knechten
en een vogelverkoper
met twee kanaries
een ervan kan niet zingen
maar heeft bonte veren
reinig ik een vogelkooi
en laat de kanarie vliegen
in zijn vlucht
de knechten werken
zijbijmij zit op het dak
en duikt
het laken is nat
ik ben nat
halfdonker, het is nog maar tien voor vijf
naakt sta ik voor de spiegel
en schrik van mezelf
ze bijt
nachtvandaag
het is nacht vandaag
stil en vroeg
in dit schrijfsel
ik ben het maar
lees dit, smeek ik U
poken
De vrouw pookt de stoof. Overschot van het
avondmaal pruttelt op de hete plaat. Een van hen heeft de weerwolf gezien.
Telkens vertelt hij hetzelfde verhaal. Een ander heeft het over de scharensliep
die in het rijpe korenveld huist. De winter heeft hem verjaagd.
Er klopt iets niet, zou mijn grootvader
gezegd hebben moest ik hem verteld hebben dat de patatten in zijn bord
uit China komen en de Chinezen ons witloof eten, dat we niet meer knielen voor
de natuur, dat we zoveel meer kennis vergaard hebben zonder er iets mee te
doen, dat we comfortabel leven en er desnoods voor zullen vechten om het in
stand te houden. Hij zou het niet begrepen hebben moest ik hem verteld hebben
dat we mekaar zomaar voorbij lopen en
ervoor zorgen dat er geen hondenpoep blijft liggen, dat je een zebrapad opzoekt
om de straat over te steken. Over het weer wordt nog gepraat al gaat dat
steevast over wegsmeltende poolkappen en gletsjers. Ik schrijf het met enige
nostalgie zonder zwaarmoedig te kijken naar een toekomst die geregeerd wordt
door een stelletje hypocrieten waar industriebaronnen en filmacteurs het
presidentschap mogen verdienen, waar democratie bezworen wordt met een klamme
hand op de bijbel gedrukt als een glimlach van God. Het is niet het gegeven dat
irriteert maar wel dat je er niets aan kunt doen. Wat mij bedroeft is dat in
Amerika een wetsvoorstel ingediend werd dat het dragen van laaghangende
jeansbroeken strafbaar maakt. Geen slipjes meer tot net boven het schaamhaar.
Vrouwelijke welvingen zijn onzedig geworden. Ik beitel ze dan maar uit een
zwerfsteen en sleur hem mee in het restant van mijn bestaan.
De zon schijnt en plots begint het te regenen. Een glinsterend watergordijn in zonnestralen op de rand van een wolkbreuk. Luttele minuten later overtrekt het en gutst de regen als een waterval op de binnenkoer. Ik sta ernaar te kijken vanuit de deuropening tot het al even onverwacht opklaart en het water verdampt in de zon. Het is een zeldzaam teken. Ik word daar gelukkig van.
Wie wil een gebakken haring van mij?
Menslief, het is bijna kerstmis zeggen ze nu. Gauw de koer opruimen en de lege flessen weg. Het stof van de vensterbank blazen en de tafel sieren. Tijd te kort om alles gedaan te krijgen. Trappistenbier hier klinkt het in de oren. Geen kruimel gaat verloren in het gekletter van leeggoed. Ze hebben altijd verteld dat kerstmis een feest van heiligen en niet van heidenen is.
Ach zo, schrijf ik in mijn moedertaal. Ik eet een rauwe varkenspens. Ik verdun de mast van de parasol met raspend schuurpapier totdat hij open gaat.
Wat gaan jullie doen
vanavond?
We gaan iets koken.
Bij haar of bij ons?
Bij haar.
Toen we uw leeftijd hadden bakten we een brood voor kerstavond en gingen we
wandelen in de nacht.
Het wordt tijd om een fles wijn uit de kelder te halen
en buiten leeg te drinken.
De klokken luiden. Binnen ruikt het naar soep. Proef eens. We dansen daarna kousloos met sandalen aan in een verschroeiend graag zien. De kans is groot dat we beiden oud worden zonder verloren tijd te moeten inhalen. Het is koud en stil geworden in mijn oren
nooit gestopt
En toen heb ik haar ontmoet in een dans op een kermisbal. Ze was vijftien.
Was het haar lijfgeur of die aarzelende verlangende ogen die me bekoorden?
Die nacht kon ik de slaap niet vatten. Ik zou vechten als een leeuw om haar gratie te verdienen. Ik bad tot de sterrenhemel, smeekte de maan en doolde rond tot ik haar opnieuw zag. Achter de kerkmuur kuste ik haar voor het eerst op de mond in een eeuwigdurende tongzoen. Vanaf dan wist ik dat we tezamen zouden blijven. Nu nog bestaat ze als liefde in mij, herinnert ze mij aan die eerste tederheid die mij als een blinde adelaar deed ontwaken. Ik begon te schrijven.
Sindsdien ben ik met schrijven, net zoals met roken, nooit gestopt.
Enige tijd later moest ik noodgedwongen in Duitsland mijn legerdienst vervullen. Aanvankelijk spraken de discipline van regelmaat en de fysieke inspanningen mij aan. Ik kon echter geen militair gezag verdragen en begon mij te verzetten tegen de waarden die een militaire gemeenschap hoog in het vaandel draagt. Na een weekend desertie en opeenvolgende oproermakende incidenten belandde ik met eindejaarsavond achter de tralies.
Overmand door onmacht, opgesloten als een dier voor een daad dat niet eens een misdaad was, las ik de in het pleisterwerk gekerfde geschriften van mijn voorgangers steeds opnieuw tot mijn gedachten zich samenbalden in een schreeuw. Ik had de wortels van het anarchisme ontdekt. Geen enkel gezag zou ik nog aanvaarden. Deze wereld behoorde mij toe, mijn eigen wereld.
‘Gelukkig nieuwjaar mijn liefste, ze weten niet wat ze doen’, kerfde ik met een lepelsteel in de muur. Het was een begin van een dagboek dat nooit zou eindigen.


