maandag 27 oktober 2008
Adfundum in de leegte. Alleen de besten mogen minder ziek dan hun fantasie over twijfel, terugval en vraagtekens vroegtijdig ontleven. Die tegendraadsheid stemt me niet eens mistroostig aan een vreemd verlichte tafel. Je bent nooit klaar met zoeken en vergelijken. Het instrument dat ik nu bespeel is een wild beest geworden. Het gaat nooit ophouden. De toegangswegen en de ring rond Leuven raken overbevolkt. Dat veroorzaakt een prikkelende geur en maakt lawaai. De hele tijd vraag ik me het vermijdbare hiervan af. Economisch-sociaal denken op de fiets. Bezinnen tussen raven en konijnen. Door het winteruur wordt het klaar als ik vertrek. Gustaaf heeft zich overslapen. Terwijl ik mijn post lees en werfschoenen aan trek stel ik het zinvolle van de werkdag in vraag. Is het alleen voor de poen dat we het doen? In Kessel-Lo moet ik op een dak en daarna ook op de Sint-Pieterskerk, maar mijn benen trillen vandaag. Ma, ik heb geen evenwicht meer. ’s Middags wordt het een kebab en daarna zien we wel. Het zal een uur vroeger donker worden vandaag.Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
ma
heidenspraak
De maan had de avond voordien nog wazig geschenen en de wind was gaan liggen zodat de loszittende dingen niet meer bewogen.
Het nieuwe fietslicht schijnt in het donker een ander licht.
Koude regen en windvlagen striemen. Bladeren rotten nu op de platgestampte aarde. De stad is bijna leeg.
De terugkeer lijkt oneindig ver. Eens mijn ijzig gezicht ontdooid, ben ik thuis.
Zij kwam in een zwarte winterjas. Ik beluisterde muziek.
Nu stop ik het restant van de avond in een afwasmachine.
De dampkap in de keuken maakt lawaai; ook het gekletter van teljoren als ze de tafel dekt.
Langzaam in de nacht blijft de maan verscholen in joelende wind. De berk verliest zijn laatste zomertakken. Hier, …elders schreeuwt de wereld een lied.
Laten we dansen van vreugde, overlopen van levenslust. Onjuist is het niet, ook al kan die uitbundigheid overslaan in woede.
Nog een dag te gaan. Dan ga ik na zonsondergang als een heiden in het bos op een open plek bewaarde spraaksels prevelen.
Het is koud geworden. De herfst wordt met rijm bedekt.
neig
De telefoon maakt lawaai. Het is vollemaan die voor alle zekerheid vraagt of we de brunch van zondagmiddag niet vergeten zijn.
Neen. Zal ik HAAR roepen?
Een kwartier later is zijbijmij met vollemaan nog altijd aan het comuniceren. Ook dat is neig.
Rond vijftien uur was de hemel blauw geworden en werd het fris. Het duurde een uur later dan gisteren voor het donker werd. Enkele dagen geleden was het volle maan in een heldere hemel. Ik ben er 's nachts doorgereden. Je kon de veldweg en de omgeving in dat maanlicht zien. Ook dat is neig.
En in de vooravond liepen zes fazanten op de weg tot er een tractor afkwam. Toen ze wegvlogen trokken ze hun poten in zoals eenden dat doen. Dan keer ik terug in de oertijd en zie reuzenvogels over dit landschap vliegen.
En die telkens opkomende zon, dat is om helemaal gek van blijdschap van te worden. Toch zal iemand ooit het vergaan van deze planeet ervaren. Misschien zijn wij daar het begin van.
donderdag 14 oktober 2004
De
dagen worden korter, de nachten lang. Binnenkort zal de zonsopgang onderweg
verdwijnen. Zonsondergang is voorlopig nog een cadeau tot het winter wordt.
Seizoenen kennen geen stilstand.
Aan de campus fiets ik in tegenovergestelde richting van aankomende studenten.
Ze fietsen tegendraads, nonchalant, onbezonnen giechelend en kwetterend. Toen
gebeurde waarvan ik dacht dat het me nooit zou overkomen. Een frontale klap in schemerlicht. Ik botste
tegen een fietser met korte rok en kniekousen aan, die graag heeft dat de kou
tussen haar benen bijt. Ik heb nog geen handschoenen aan en rijd met dunne
kousen en sandalen.
Schreeuwend, wenend lag ze langszij. Ik voelde me schuldig ook al reed
ze tegendraads en was ik niet in fout. Als een gek graaide ik haar schriften
van de weg, probeerde ik te vertellen dat dit een stom toeval was, dat het nu
eenmaal kan gebeuren.
Later verlies ik mijn menselijkheid als ik naar de eenden op het water kijk.
Zie hoe ze vliegen en kwetteren in een onverstaanbare taal. Twee eenden komen
dichterbij. Ze vragen om eten maar ik heb niets bij.
Weer niets…niets erweer…. Zoweer is een wereldbeeld verdwenen van eenden in
volle vlucht kwetterend in een onverstaanbare taal.
Aan de kant van de rivier zit een kater. Zijn snorharen zijn bevroren. Hij zit daar tot ik
dichterbij kom. Dan sluipt hij weg. Ik passeer de plaats waar hij was en
vergeet haast de reden waarom ik hier ben. Het komt door die rivier zonder
vissen met een kater aan de zijkant.
Verder, evenwijdig met dit pad is een treinspoor en een brug. Een brug
waaronder ik als het regent mijn handen droog en een sigaret draai. Dan sta ik
ook te staren naar de grijze lucht, de brug, de spoorweg, de rivier, naar
rimpels van regen op het water met uitdijende cirkels die botsen tegen de kant,
die de boeien verbreken waaraan ik gekluisterd ben. Even niet ze, wij, men,
enzovoort.
Ik heb altijd plezier gehad om met iets onvoltooid bezig te zijn, maar nu
blijft er niet zoveel tijd meer over. Meer en meer denk ik aan onze
sterfelijkheid. Vreemd genoeg bedroeft mij dat niet. Wat mij nieuwsgierig maakt
is of er iets onthullend zal zijn na het afsterven. Of zal het zijn zoals voor
onze geboorte: ...niets. Hoe kan ik dit tijdelijk bestaan erkentelijk
zijn? Ik dacht dat ouderdom wijsheid had
maar er zijn meer vragen dan voordien. We worden onvermijdelijk oud. Een voor
een. Het is een kwestie van tijd. Alleen de sneeuw, regen en wind verouderen
niet.
Later bij mijn terugkeer naar huis nam ik twaalf
gepikte bakstenen mee. De boeren doen de bieten uit. Ze blijven maar doorrazen
met hun machines over smalle wegen. Veldwegen zijn dan modderig en met die
felle wind van vrijdagnacht liggen daar waar bomen staan afgewaaide
takken op de grond. Met twaalf bakstenen in het pikkedonker op een modderige
veldweg in een lichtstraal van twaalf meter klief ik naar huis.
Wintermaan, ijskoude wind. Mijn adem verdampt. Kom ik thuis.
Van gruwelen gespaard, ben ik nu alleen achter gebleven in een avond…spreek tot
iemand mijn woorden leest Twee woorden zoals wijnrood en fluweel.
dinsdag 11 april 2006
Ook al is ze bijna zegtig, ze moet nog manieren leren. Met een zakje “Krupuk” in mijn linkerhand zeg ik: zit. Ondertussen ga ik verder van haar weg en als ze aanstalten maakt om naar me toe te komen zeg ik: zit.
Als ze dan zit krijgt ze een “Krupuk” als beloning. Anders eet ik het zelf op, dat krokant weet-ik-niet schelpje met vissmaak betoverd.
Iemand zei: ge liegt tegen mij.
Aangedaan keek ik haar aan en zei: mijn leugen is waar.
Dan gingen we op reis naar het zuiden op een avond in een stad volgebouwd met restaurants. De kelners probeerden op straat klanten binnen te lokken. Er heerste een enorme drukte. We besloten om met ons lichaam over de stad te vliegen waarna we in een weiland terecht kwamen. Daar ontmoetten we een eenzaat die een paard bezat. Telkens als iemand voorbij kwam sprong het paard over de omheining om de voorbijganger te groeten.
Op een keer was het paard alleen en vonden we de eenzaat in een sloot. Zijn bovenlichaam was verstijfd. Zijbijmij droeg hem op haar schouders. Hij leefde nog maar sprak niet meer. We brachten hem naar het dichtstbijzijnde huis.
Daarna stonden we in een groot gebouw met veel verdiepen. Beneden waren ze het aan het verbouwen. Mijn vader liep tussen de werklieden en had een leidende rol. Hij was nog jong. Ze stoomden behangpapier van de muren.
Ik ging buiten en stak een Cubaanse sigaar aan die ik van een vriend gekregen had op een feest. Er was een scheur in de sigaar en het tabaksblad verpulverde in mijn mond.
Plots besefte ik dat zijbijmij verdwenen was. In paniek ging op zoek in het gebouw maar vond haar niet. In elke kamer waar ik binnen kwam waren de mensen kwaad om mijn onverwacht bezoek. Ik voelde me onderdrukt en had een groot verlangen naar haar. Zonder haar zou ik dit leven niet overleven.
Dan ging ik naar het huis waar we de eenzaat achter gelaten hadden. Hij leefde nog en zei: ze is hier geweest en is net vertrokken.
Ik ging buiten en vond het paard.
Weeral word ik wakker. Onderweg twijfelt een haas of hij zou vluchten voor mijn nabijheid en sprokkelen kraaien takken voor een nest. Het zonlicht blijft verdoken in een dichtgeslibde lucht. De dag woedt verder tot het avond wordt.
Om vijf voor twee zie ik mensen naar hun uurwerk kijken. Afspraak om veertien uur. Onherroepelijk minstens een kwartier te laat. Ik zal zo laat zijn dat het een gemiste afspraak wordt. Een telefoonnummer heb ik niet om mijn nalatigheid aan te kondigen. Een lege fles met een boodschap dobberend op de rivier of een bericht meegeven met een duif is niet meer van deze tijd.
Er stopt een lijkwagen vlak bij mij. Ik sta immers aan de ingang van een begraafplaats. De kistdragers stappen plechtig uit. Ze dragen lange donkergrijze jassen van kwaliteit. De ceremoniemeester is gehuld in een blauw pak. Er is echter geen publiek, geen enkele nabestaande…ik maak me uit de voeten om deze vijfmansplechtigheid niet te verstoren. Abdij van Park noemen ze deze plek.
zondag 5 oktober 2008
Ik was op stap met collega’s toen we op een bouwwerf van mijn vroegere werkgever kwamen. De graafmachines draaiden op volle toeren. Er werd geroepen en getierd. Ik zag hoe de kraanman een krat wijn naar boven hees. De werfleider herkende me meteen. Hij vond het vreemd dat ik met collega’s op werfbezoek kwam. Ik vertelde hem dat het puur toeval was.
In de werfkeet kwamen we de projectleider en de zaakvoerder tegen. Verdiept in bouwplannen gedroegen ze zich wantrouwig over onze aanwezigheid.
Plots wendde de zaakvoerder zich tot mij en zei op een toon die ik herkende :
“Ofwel ga je opnieuw voor mij werken ofwel verlaat je deze werf”.
Ik voelde opnieuw de hel in die laatste jaren toen ik voor hem in dienst was geweest en bedankte voor het aanbod waarna we verder gingen.
In de vooravond als iedereen weg was kwamen we terug. We hadden een slaapplaats nodig. Het hek hadden ze vergeten dicht te doen en de deur van de werfkeet stond open. Net toen we bijna sliepen knetterden blauwe vlammen uit de stopcontacten. Hals overkop vluchtten we in het donker langs de bouwputten naar de uitgang. Die was nu gesloten. Plots begonnen motoren te ronken en kwamen de graafmachines in beweging. De nachtploeg ging aan het werk. Zonder dat iemand het zag konden we over het hekken klauteren en verdwijnen in het veld. Daar stelde ik vast dat ik mijn boekentas in de werfkeet vergeten was. Ik liet mijn collega’s verder gaan en keerde terug. De projectleider zat me op te wachten. ‘Dat had ik van jou niet verwacht’ zei hij. ‘Kom je dan toch terug bij ons werken?’
‘Ik heb hier vannacht geslapen en vergat mijn boekentas mee te nemen’ bekende ik.
10h21: storm en regen buiten. De houtkachel smeulde nog vanmorgen. Ze was nog warm. De zoon had er op het einde van de nacht bij zijn thuiskomst een houtklomp ingelegd.
Normaal zou ik naar de oudste zoon gaan om het plafond te plamuren maar we hebben problemen met het opstarten van de verwarmingsketel, de nieuwe spoelbak van de wc moet geplaatst worden en het hout ligt om ingekort te worden voor de houtkachel. Ik bel hem dat ik niet kom. Hij lijkt opgeluchter dan ik wanneer ik het hem vertel. Zijbijmij had ook niet veel zin.
Het is moeilijk om aan iets te beginnen als je zin hebt om in de zetel te ploffen en wat te lezen.
Doe dat dan, zegt het duiveltje in mij.
Gun de klus geen uitstel. Eens zal je het toch moeten doen, redeneert de huisvader.
11:05: de verwarmingsketel werkt terug. Vanwege het proefdraaien wordt het binnen tropisch warm. Ik heb zin in een broodje confituur met boter. Zijbijmij dwijlt het hondshaar van de vloer. Daarna gaat ze in het dorp inkopen doen. Vanavond eten we ajuinsoep.
De zoon is opgestaan en ligt in de oude lederen fautuille met zijn knokige voeten voor het vuur. Neuspeuterend staart hij voor zich uit. Ik observeer en ga op zoek naar de herinneringen toen hij nog een kind was. Tenslotte herbeleef ik zijn geboorte.
15h: wat een rotweer. Het riet waait tegen de grond. Alles is nat. Geen raaf die uit een boom komt. Zullen we in die windvlagen gaan wandelen? Neen, daar heeft ze beslist geen zin in. Zelfs de hond krijg je met geen stok buiten. Hou op met dat gezeur over het weer. Morgen staken ze tegen welstandsverlies. Wablieft?
blind
Ik ga weg
weg van hier
Je zal het met herinneringen verder moeten doen.
Ik wil alleen zijn,
slapen op onmogelijke plaatsen,
overleven, niemand zijn, wegsmelten als sneeuw.
Ik wil we niet meer. Het moet ophouden te bestaan.
Die lucht, wat sta ik ernaar te kijken alsof het de laatste keer zou kunnen zijn.
Het is alsof ik op een hoogvlakte lig. Heb ik niet teveel gezondigd in dit leven?
Licht kan gloeiend zijn. Het maakt dingen tot schijn.
Wat je aanraakt heeft een kleur, is blijdschap die je voelt.
Ik zie het met mijn ogen.
Ik zie niet wat jij gewaar wordt in die onomkeerbare stilte in het donker. Je hebt
niets anders gekend. Het zal nooit anders zijn.
Toch wil ik het beschrijven in jouw gedachten.
De zon is een vuurbol en doet pijn als je er lang naar kijkt. Ze werpt onze schaduw op de grond.
Dat kunt ge U niet inbeelden want ge hebt het licht nooit gezien.
zondag 9 april 2006
zondag 9 april 2006
5h ’s morgens: ik ben opgestaan, drink lauwe koffie als overschot van gisteren en eet de rest van de suikertaart. Ik had een vreemde droom. Mijn familie had me verlaten. Ik voerde een anarchistische strijd tegen een uiterst rechtse gemeenschap waarbij mijn broer zich had aangesloten. We leefden op voet van oorlog. Ik was niet alleen. Ik leidde een verzwakt volk dat steeds op de achtergrond bleef. Heel zelden ontmoette ik mijn familie die mijn levensstijl afkeurde. Mijn broer speelde een cruciale rol. Ik stond op het punt broedermoord te plegen, klauterde over een omheining en werd achtervolgd door een stier. Dan ontmoette ik mijn oudste zoon. We sliepen als tegengestelden buiten dicht bij elkaar. Hij werd wakker als een kind en vroeg om bladgoud te eten.
Dit is geen dag om binnen te blijven. De zon
schijnt, geeft warmte ook in tegenwind. De markt is zoals alle zondagsmarkten
zijn: alledaags op een zondagvoormiddag. Ik zei het al of wellicht nog niet: we
zijn bij het krieken van de dag opgestaan. Laten we weggaan, zei ze.
Toen we terug kwamen reed ik voorop en verdwaalden we kortstondig langs
veldwegen. Stilaan wordt het dan later.
Nu is het vooravond en riekt het binnen naar soep. Iemand stapt mijn omgeving
voorbij. Waarschijnlijk een vrouw of een man.
De geur van mijn vingers, mijn pols…doen me denken aan deze dag. Het is zondag.
Er komt nog iemand voorbij. Weeral heb ik niet gezien of het een vrouw of een
man is. Het was op een draf, een loopje. Waarschijnlijk gaat hij of zij naar
huis, gaat dan onder een regendouche of in een heet bad met geurige
oliebolletjes die langzaam ten onder gaan. Daarna soupé met namaakkaviaar en
champagne.
Wie weet wat er nog gaat gebeuren nu het donker wordt.
Ze zeggen dat op dit uur de merels fluiten. De zon gaat onder langs de
volwassen berk. Het eten is klaar.
Ik eet weliswaar met mate een avondmaal. Ziehier de romantiek van een
zonnestraal in een volle maag. Wat ben ik blij om tot de bevoorrechten van deze
wereld te zijn.
De nog thuiswonende zoon stuift de trap af en vraagt welgemeend of het morgen
paasmaandag is.
Neen, dat is pas volgende week maar laten we proberen om een kokosnoot open te
breken zonder teveel lawaai.
Ik hak met een scherp vleesmes met verbazing het hoofdje van de noot eraf. Heerlijk dat kokossap, zegt mijn zoon. Hij
snijdt het witvlees eruit en zegt: ‘van de schelp maak ik een asbak’.
zondag 28 september 2008
schuw
Als je constant bezig bent met wat je denkt met wat een ander wil wat je bent crash je vroeg of laat. Daar stopt het en kan je niet meer denken.
Er is geen dageraard meer zegt ze.
De lucht is gesluierd. Het motregende vanmorgen nog.
Waar ik ook ga, als ik vandaag iemand in de ogen kijk ben ik er zeker van dat men de triestesse in mijn aankijken ziet.
Ik voel me angstig. Ik schuuw deze dag en wil een nachtdier zijn.
duimreuk
Weeral beschrijf ik in herhaling ruikend tussen duim en wijsvinger een moment. Eerst die gehoorapparaten uit. Er is hier teveel lawaai. Heerlijk is daarna die stilte.
Nu nog in verbeelding een paar Romeinen verslaan, oceanen bevaren in een hevige storm en daarna de buurvrouw neuken. Dan maak ik kip met knoflook klaar.
Het motregent buiten, het is grijs en vaal. Een duimreuk maakt dat wel goed.
mountainbike
We gingen ergens naartoe. ‘We’ was niet erg duidelijk en ‘naartoe’ evenmin. In het dorp waar ik opgegroeid ben zou een trein komen die de mensen ergens naartoe bracht. Ik verkoos echter om met een mountainbike te gaan. In het begin verliep de tocht moeizaam. De straat leek wel op een gerimpeld tafelkleed dat voortdurend verschoof. In het halfdonker reden tractoren heen en weer.
Toen ik aan een hypodroom arriveerde kwam het daglicht op. Gilbert Aché stond me op te wachten met tickets. Eens plaats genomen op de gradins van het stadion vroeg ik hem: ‘Wordt dit een paardenkoers?”.
“Neen, ze gaan hier voetbal spelen” zei hij.
Plots kwamen twee bekenden erbij zitten waarvan één van hen zei: ‘Je hebt gisteren een trappist gedronken. Drink niet zoveel’.
Door het feit dat ik hier niet op een paard kon wedden en tevens een hekel aan voetbal had besloot ik om te gaan fietsen. Om bij mijn mountenbyke te geraken moest ik de lift nemen. Met liften liep het altijd scheef maar deze keer (behalve het feit dat de lift overbevolkt was met dienstvrouwen die telkens op een ander verdiep dan ik moesten zijn) verliep alles normaal.
Eens beneden begon iemand mijn oud fototoestel uit elkaar te halen. ‘Wees niet ongerust, ik heb hier verstand van’ fluisterde hij in mijn oor.
‘Plaats dan tevens een nieuwe batterij in mijn gsm’ zei ik bezorgd toekijkend hoe hij de tandwieltjes terug in elkaar vees.
Het was een oud toestel waarmee ik vijfentwig jaar geleden drie volle manen in Kathmandou was geweest.
Toen hij het terug helemaal in elkaar had gezet begon het toestel te lachen met een vrouwelijke stem en riep: ‘Ik ben opnieuw nieuw! Waarom heb jij dat niet eerder gedaan?’.
Mijn mountainbike wou ook een beurt maar de technicus was inmiddels verdwenen.
‘Wat doe jij hier. Waarom zat je niet op de trein?’ vroeg mijn vrouw die met de zoon op een tabouret naast mij kwam zitten.
‘Ik ben met de fiets gekomen en neem nu de trein’.
We vertrokken tezamen. In het station verloren we mekaar uit het oog. Ik besloot dan maar willekeurig op een trein te stappen en wisselde in elk station tot ik mijn geboortedorp herkende. Ik stapte af en kwam in de struiken terecht. Er waren spoorarbeiders aan het werk die me aanmaanden de berm te verlaten. Ik vroeg aan één van hen of mijn grootmoeder nog leefde waarna ik een met steengruis bedekte helling af liep naar het grootoudershuis.
Op de stoep zei iemand die me nog herkende dat mijn grootmoeder naar de bakker was. In afwachting at ik alle rijpe aardbeien uit de tuin en besefte te laat dat ze hiervoor boos zou zijn omdat ik er geen bruine suiker op deed.
Toen ze niet opdaagde ging ik te voet naar huis. Aan de voordeur zei mijn zoon:’ Ze is ongerust geworden en is op zoek naar jou’.
de laatste mens
konijnenvoer
demonen
Het paard was nog niet bejaard toen het in mijn bijzijn neerzeeg in een plotselinge dood. We kenden mekaar amper twee dagen. De eigenaar had het afgestaan. Ik had het nog niet bereden. Het was een wit paard dat lachend stierf.
Toen ik het wou begraven belandde ik in een tempel met rotsachtige doolgangen .
Op sommige plaatsen slenterden mensen rond die zwegen. Ze leken mijn aanwezigheid niet op te merken. Plots veranderden ze in demonen die beurtelings op me af kwamen. Sommigen spuwden scherven, anderen hadden een stekelvacht waarmee ze me bliksemsnel trachtten te raken. Ik kon ontkomen aan hun aanvallen door me in spleten van rotswanden te verschuilen maar steeds vonden ze me opnieuw. Net toen ik de kille adem van een van hen in mijn nek voelde kwam ik in de buitenwereld terecht, vlakbij een landingsbaan aan de luchthaven. Het was nacht. Het bleek een landingsbaan voor vliegtuigen in nood te zijn. Ik zag een vliegtuig op en neer duiken tot het in een spiraalvlucht te pletter viel. De brokstukken vlogen over me heen. Ook daar bleef mijn lichaam ongeschonden.
Ik werd wakker en keek of ze naast mij lag. In het zwakke schemer zag ik de contouren van haar gelaat vol stekels en scherven die langzaam verdwenen. Er lag een engel naast mij.



