ongetiteld
ik wou dat zij vroeger sterft dan ik
dan ga ik het verlies lijden
ongetiteldik wou dat zij vroeger sterft dan ik
dan ga ik het verlies lijden
ouderschapIk was met koorts vroeg slapen gegaan en belandde samen met mijn vrouw in een dorp. Het moet in Frankrijk geweest zijn want de bewoners spraken er Frans. We waren te voet gekomen. Onderweg had ik mijn zoon op mijn schouders gedragen. Bagage hadden we niet mee.
We hadden onderdak gevonden bij een groot gezin. Wij sliepen boven in een kamer waar een tafel stond maar eten moesten we beneden doen. s’ Nachts begon mijn zoon luidruchtig te spelen. Er was geen houden aan, zelfs toen de eigenaar op de kamerdeur bonkte en iets onverstaanbaar bromde. Eindelijk, toen mijn grootmoeder uit het hiernamaals in de slaapkamer kwam werd hij rustig. Ik hoorde mijn vader beneden in vlot Frans met de eigenaar praten. Wat doet die hier, vroeg ik me af. Hij had mijn moeder al meerdere keren verlaten maar in Frankrijk was hij nooit geweest.
De ochtend nadien waren we vroeg opgestaan. Beneden sliepen ze nog. Mijn vrouw ging naar het dorp om te zien of er een bakker was. Mijn zoon en ik maakten ondertussen een groot schilderij dat we beneden in een kamer aan de muur hingen. Toen de dochter van de eigenaar opstond om te plassen gebood ze ons het schilderij meteen van de muur te halen en het behangpapier niet te beschadigen. Tot mijn spijt en schrik merkte ik dat mijn zoon het aan de muur had gelijmd. Bovendien had hij ook in zijn bed geplast. We zouden hier een fikse schadevergoeding moeten betalen.
Ik vroeg aan de dochter om op mijn zoon te passen. Ik wou mijn vrouw in het dorp gaan zoeken. Het was niet haar gewoonte om zo lang weg te blijven.
Eens buiten zag ik op het einde van de straat mijn versleten bromfiets staan waarmee ik nog naar Griekenland was gereden. Ze hadden er de benzinetank afgenomen. Langs een kerk en een voetbalveld kwam ik in het dorp terecht. De mensen verplaatsten zich op kamelen en ezels door de stegen. Het rook er naar mest. Hoe verder ik ging, hoe drukker het werd. Er werd handel gedreven door Afrikanen en Chinezen. Tevergeefs vroeg ik hen of ze geen vrouw hadden gezien met lang zwart haar. Niemand had haar gezien. Ik besloot dan maar terug te keren en liep verloren. Telkens kwam ik op dezelfde hoofdweg terecht die naar de stegen leidde. Wanhopig ging ik op het voetpad zitten tot een kameel me vroeg wat er scheelde. Hij bood me aan me terug te brengen. Hij kende de weg.
Ik kon moeilijk mijn evenwicht behouden tussen die twee bulten. Dan begon hij te schaterlachen en stoof in galop een helling af tot aan het huis waar we logeerden. Mijn vrouw zat aan de ontbijttafel en vroeg waar ik zo lang gebleven was. De zoon was verdwenen.
kil fluistert het weerin seizoenen bevroren winters
donker met slapende wezens
vliegen valken in rijm
boven een wolkendek
een moment
dacht ik bijna dat het gisteren was
de droomnevel trok langzaam weg
denk een spinnenweb in rimpels van een stoel
dichtbij is een plein, een vijver
met vissen zonder reigers
en een neuspeuteraar in de schaduw
die wacht tot de zon lager staat
de sterren staan al in de lucht terwijl het nog niet
donker is
zorg goed voor het kind dat pas geboren is
vanavond heeft de waarheid haar bestaan verloren,
verwerp ik…herschep ik haar
zomaar om over het vermogen te beschikken
fantaseer ik een werkelijkheid
de wereld herschikkend
met land in strijklicht
nat en kil fluistert het weer
iets uit een zwanendans
op een verweerde tafel
en smeekt aan joelende wind dat geen inkt uit
een pen vergaat.
Hemel klaart boven land in mist
op dezelfde plaats waar noorderwind
het onkruid liet bewegen
ik sta hier maar naar wolken te kijken in een half verlichte hemel
met maanlicht op een blad papier
ongetiteldHelemaal bloot is minder spannend dan deels bedekt. Tijdens een dorpsfeest sluip ik naar buiten om geruchten te beluisteren, mensen te bespieden en ga ik een hamburger halen zonder iemand met een zelfgemaakt houten zwaard tegen te komen die zegt: hopelijk is het morgen ook nog goed weer. Voor een keer voel ik onmacht omdat het geen spel meer is. Het lijkt of het lot van onze huidige beschaving bepaald wordt door vleselijk geworden kwaad. Iemand zei dat religie en poëzie alleen maar troostende woorden zijn voor de onzekerheid van iemands bestaan.
Is de pompbak hersteld?
Neen, ik heb stoverij klaar.
Ik had liever dat de pompbak hersteld was en dat we een boterham met kaas eten vanavond.
Ik vond geen schroevendraaier.
Maar wel stoofvlees hoewel de beenhouwer met vakantie is.
Ik heb het soepvlees van eergisteren gestoofd met groenten van bij Adriëenne.
En ondertussen blijft de pompbak verstopt.
Drinken we rode of witte wijn bij het eten?
Voor mij witte wijn.
En voor mij een rode.
Ontstop je daarna de pompbak?
Als jij de schroevendraaier voor me vind.
Waar ligt die?
Weet ik niet.
Stoofvlees van soepvlees en de pompbak die niet ontstopt is doordat je me niet kan vertellen waar die ligt.
Stel je voor dat we in Bagdad zouden wonen.
Nu wordt je weer extreem.
Neen, ik relativeer onze miserie van een verstopte pompbak.
In Egypte was je asociaal.
Kun jij dan van rechts naar links schrijven?
Niet in de steegjes.
Weet je wat? Ik ga de pompbak herstellen.
Zonder schroevendraaier?
Ja, ik haal een oude Belgische frank uit mijn trouwkostuum. Die past in de gleuf van de vijs. Waar hangt mijn trouwkostuum?
Dat hebben we niet meer. Je hebt dat jaren geleden verkwanseld met carnaval.
Niet waar. Dat was je trouwkleed.
Dinsdag 15 augustus 2006
Terwijl ik dit schrijf wordt mijn aandacht afgeleid door een tot aan de rand met regenwater gevuld jeneverglas waarin een vlieg spartelt. Af en toe blijft ze roerloos drijven alsof ze op adem wil komen om dan plots onverwacht haar doodstrijd verder te zetten. Ik zou haar met mijn penpunt uit het water kunnen halen opdat ze haar flinterdunne vleugeltjes en tere pootjes drogen kan op de rand van mijn blad papier. Moe getergd in een recent verleden door treiterende zomervliegen die me wanhopig bijna naar het schavot dreven, besluit ik om verder te schrijven. In een almachtig gevoelen dat daarop volgt door over leven en dood te mogen beslissen besluit ik dat, indien na dit schrijven nog enig teken van leven aan de waterspiegel te bespeuren valt, ik het insect plat nijp tot een bloedvlek.
Ik begrijp u. Normaal bereiken vliegen het hiernamaals via een mep. Een plotselinge dood is dat. Zij heeft een doodstrijd beleefd. Ik heb haar ervaring niet ontnomen. Het was haar lot. Het heeft geen zin om hierover na te denken. Het overkomt ons vanzelf. Ongewild liggen we ooit zelf op een drempel uitgeput het einde tegemoet, keren we terug naar datgene dat we als levenden niet konden begrijpen.
Niets is raadselachtiger dan ruimte en tijd als je er zelden bij stilstaat. Daags na mijn thuisgeboorte toornde mijn vader me reeds mee naar zijn stamcafé waar hij me, in zijn corpulente werkmanshanden geborgen, aan alle aanwezigen toonde en zei: dat is mijn zoon. Mijn eerste zelfstandig cafébezoek was bij Marcel van de Meutte aan de tramstatie. In het midden stond een altaar van een biljart. In het begin mocht ik ernaar kijken, maar niet aanraken. Later kwamen we met zen vieren en werd het zware zwarte doek van de tafel gerold. Dan haalden we de keus uit het foedraal en krijtten we met een devotje de stompe punt. We dronken niet meer dan twee pinten. Geen gezever, geen gedoe met Witte van Hoegaarden of andere flauwekul. Wij dronken pinten en het was altijd om het biljarten te doen. Dikwijls hing er dan een gewijde stilte om ons heen en hoorde je het getik van ivoor tegen ivoor. Cafés, decor van van dingen die voorbij gaan. Marcel van de Meutte bestaat al lang niet meer en van het café is een verloederd karkas overgebleven.
dinsdag 2 december 2008dinsdag 2 december 2008
Die teef veroudert sneller dan ik. Zij is halfblind, ik halfdoof. Als we weg gaan gebruikt ze haar reukvermogen. Af en toe botst ze tegen een obstakel. We slenteren aan een leiband…beiden aan een uiteinde. Ik leid de weg, zij houdt mij in evenwicht.
Het is kil, vochtig en stil rond de graven aan het kerkgebouw. Niemand op straat. Ik heb geen zin meer om verder te gaan.
Nu, in een tijdspanne later ligt ze met uitgestrekte poten en half dichtgeknepen ogen op de stenen vloer. Ik weet dat het daar tocht. Zij voelt het niet. Nu vervaagt ze in een hondsslaap.
slapende mensIn een halfdroom ontmoette ik mijn nicht en nonkel als personages uit de late jaren zestig. Ik herbeleefde de begrafenis van mijn grootvader, ook al was ik toen nog heel jong. Terwijl de mensen langs de binnenkoer met een plechtige tristesse binnen gingen om de overledene een laatste groet te brengen, hoorde ik mijn grootmoeder ontroostbaar huilen. Ik had het lijk ook gezien en was geschrokken van dat wit vertrokken gelaat met ingezakte oogkassen. Het rook er naar Keuls water. De dood bestond nog niet voor mij. Mijn grootvader lag in een diepe slaap en zou nooit meer wakker worden. Nu, in zijn slaap zou ik zijn aambeeld aanraken en het mysterie van zijn vuur begrijpen. Ik had zijn leven nooit aangeraakt. De koude van zijn afwezigheid maakte me benieuwd. Ik blies door het as van uitgedoofd smidsvuur en probeerde vuur te stoken. Ik keek door een kier van metselwerk naar binnen. Uiteindelijk ben ik...mijn eigen niet vergeten.
Ik werd wakker, keek door het dakraam, zag dat het klaar werd en hoorde duizenden vogels zingen in mijn kop. Plots begon alles neerwaarts te kantelen en hoorde ik achter mij een geluid dat op een aanraking leek.
dacht ik bijna dat het gisteren was
land indenk een spinnenweb in rimpels van een stoel
dichtbij is een plein, een vijver
met vissen zonder reigers
en een neuspeuteraar in de schaduw
die wacht tot de zon lager staat
de sterren staan al in de lucht terwijl het nog niet donker is
zorg goed voor het kind dat pas geboren is
vanavond heeft de waarheid haar bestaan verloren,
verwerp ik…herschep ik haar
zomaar om over het vermogen
te beschikken
fantaseer ik een werkelijkheid
de wereld herschikkend
met land in strijklicht
amsterdam
25 mei 2006zondag 25 mei 2006
In de mesthoop zoemen zeven bijen. Vandaag
is het nog niet de langste dag. Ik doe verder tot in het schemeruur. Nimmer ben
ik met mijn mesthoop zo intens bezig geweest. Hij dampt en ruikt naar
zoetigheid.
Ge zijt zot.
Vannacht reed ik langs onderbroken wegen, stond ik in een fietswinkel waar
niemand kwam. In het bos zag ik een panter vanuit een verlaten huis en kwam een
kwartier te laat op het werk door een wegversperring. Aan het station miste ik
de tram en nam wat verder de bus aan een roltrap met veel volk. Nu nog een
schil soepvlees, dan een eerste sigaret in de wind. Daarna snuit ik mezelf een
bloedneus. De rest komt vanzelf.
De buurvrouw komt terug van de krantenwinkel. De hond raast als een woeste beer
naar de poort. Ze kan erom lachen en wuift me vriendelijk een goede morgen toe.
Een beetje verliefd op zoveel genegenheid knipper ik wederzijds met mijn
rechteroor. Het is een begin van een droge winderige dag met opklaringen.
Ik fiets naar de stad en neem mijn klassiek fototoestel mee dat ik al twintig
jaar bezit. Een handbediend zwaar metalen apparaat met een zwart-wit film erin.
Ik heb er een groothoeklens opgevezen. Daarmee ga ik straks op het trottoir aan
portretfotografie doen.
10h55: ik koop in een grootwarenhuis groentesap. Net voor de kassa krijg ik
weer een bloedneus. Genant is dat. Met mijn neus in de weer geef ik aan de dame
achter mij mijn portefuille en vraag om te betalen. Als ik buiten kom schijnt
de zon en is na vijf minuten het bloed in mijn neus gestold.
12h10: ik eet alleen gezeten op de oude markt een dagschotel. De wind waait het
stof van de weg. Daarna laat ik op een bank in het begijnhof mijn eten verteren
in bijtend zonlicht. Op de terugweg langs het veld heerst tegenwind. Het
overbevolkt hoge gras woelt met de wind. Coureurs snellen mij regelmatig
voorbij. Mijn fiets waait omver.
Het is weeral bijna eind mei en twintig voor zes. Ik
heb karnemelk gedronken. Dan zet ik de oven aan, doe ik mijn vuile kleren aan
om onderaards centimeters steen te bekappen. Het is goed zo, stuur de beesten
maar naar huis.
neushoornIk heb een zelfportret gemaakt en kijk ernaar, naar mijn ogen waarin ik zelden kijk, mijn tenen die altijd verborgen bleven, mijn blik zonder weinig uitdrukking omdat ik erin kijk. Mijn armen hangen slap aan mijn schouders, ongeschorenheid draagt een wit-grijze kleur met zich mee. Mijn haar is in de war. Ergens in onze wereld was de revolutie net gedaan.
Zij zou later op de dag komen. In afwachting ging ik naar een jeugdherberg waar ik vroeger al gelogeerd had. Het was er nu vervallen. Het stonk er naar pis en bovendien was er geen plaats meer voor mij. Ik plaste in de hall, nam mijn bagage en ging in de stad.
De mensen zongen en dansten. Op een plein kwam ik mijn ouders tegen die op zoek waren naar een logement. Wat doen die hier in Nepal, vroeg ik me af.
Ik herinnerde me nog een leegstaand huis aan de rand van de stad.
Plots stormde een neushoorn op mij af. Ik verstopte me achter een houten wand. Dan zag ik haar komen langs een aarden weg. Ze herinnerde zich ook het huis maar had de neushoorn niet gezien. Er loopt hier een neushoorn rond, riep ik. Ze lachte en droeg een kind op haar arm.
parijs
zwartwitteveetjeWij kregen in 1975 een zwart-wit televisie. Een plastieken draagbare met een beeldscherm van exact vijfentwintig op twintig centimeter. Vier keer is het mee verhuisd en heeft het zowat op alle plaatsen gestaan. De laatste jaren stond het stokversleten in de badkamer. Hier en daar ontbrak er iets aan maar de vitale organen waren nog intact. We konden twee zenders ontvangen. Plots besliste vooruitgang dat beelden niet meer met antenne worden uitgezonden. Van de ene dag op de andere is ons teveetje beeldloos geworden. Ze hebben het vermoordt.
Koop een cinemascreen en vraag een digitale aansluiting aan, zegt mijn zoon heel gewoon.
Ik ga buiten staan.
Er hangt sneeuw aan het rooster dat op het kampvuur van de zomer is blijven liggen. Niet ver vandaan staat vergrijzde lavendel die ik in gedachten nog zie bloeien. Nu weet ik het zeker, het kruid is aan zijn winterslaap begonnen.
Donderdagnacht had ik een schuilplaats gevonden op een bank onder een afdak in een park. Twee jongeren ruim de volwassen leeftijd voorbij hebben mijn slaap verstoord. Een van hen rijkte mij een bierblikje aan maar ik wou water. Ik vertelde dat ik hier tijdelijk was en wees hen op energieverspilling in deze tijd. Tijdelijk licht, tijdelijk seizoen, tijdelijke wereld.
Hou op met zeveren, zei een van hen.
Gistenochtend was het aan het stormen met regen. Overdag bleef het droog. Het waaide door alle kieren. ’s Avonds werd het koud en vanochtend heeft het gesneeuwd. Nu schijnt de zon.
ongetiteldEerst dacht ik te vertellen waarom ik dit zou schrijven en dan bedacht ik me weer. Nu ontgaat mij wat ik wou. Een kakkewals in de tijd echoot in mijn kop.
Het is nu volle maan. Onze voorouders feestten dan want het land was ’s nachts verlicht. Moeders brachten hun kindren mee…hadden kruiden bij die ze over het nachtvuur strooiden terwijl ouderlingen door koperen pijpen zongen. Het gebeurde voordien enlaten we indachtig zijn.
zondag 9 november 20086h: Ik ben klaarwakker, sta op, pers een appelsien en ga dan buiten op de binnenkoer. Het waait vocht. Het is niet koud. Ik kan in pyjama buiten staan. De tuin is bedekt met bruingele bladeren.
7h: Stef komt thuis met vrienden. Ze hebben de nacht in de buitenlucht doorgebracht. Ik stop de borden in het afwasmachien en maak de keuken proper.
8h30: Een tas koffie in de wind. Het is klaar geworden. Er bloeit nog zeldzaam purper met bordeaux. Ook rozelaars behouden een uiteindelijk wit restant.
9h30: Zijbijmij is uitgeslapen.
Vergeet niet dat we straks op zoek gaan naar een boekenrek.
Oei, dat was ik vergeten. Ik ga me nu scheren.
Ondertussen doet ze wat ze bij het opstaan al heel lang doet: ze drinkt koffie bij TV.
Bert en Evie komen vanavond eten. Maken we ossobuco klaar?
Ik geef de hond een inspuiting tegen suikerziekte en geef haar eten. Ze wordt blind.
11h: In de zaak die vandaag uitzonderlijk open bleef stond aan de kassa een twintig meter lange file. Bij het zien hiervan zijn we meteen naar buiten gevlucht zonder boekenkast.
Zijbijmij is nu ingridiënten gaan kopen voor het avondeten. Ondertussen snuit ik mijn neus en kan mijn gelaat opnieuw ongeschoren worden. Ik heb het gevoel dat mijn afgetakeld lichaam mezelf niet meer kan herbergen.
12h30: Telefoon.
Pappa, hoe laat komen wij eten?
Rond zeventien uur?
Liefst halfzeven. Ik wil nog wat doen vandaag.
Halfzeven dan. Ik maak ossobuco klaar met pasta.
Zij is terug en maakt de houtkachel leeg. Ik trek mijn houthakkerskleren aan en wil in novemberstorm brandhout klieven. Eerst een middagaperitief.
13h30: Terwijl ik herfst bijeen gritsel poets zij het huis. Als de kinderen komen moet het er netjes uitzien. Ze heeft een geurkaars gekocht om de hondengeur uit de huiskamer te verdrijven. De transistorradio staat aan. Ze heeft de kachel aangestoken.
er hangt houtskoolgeur in wind
ze tekenen een wapenbestand in volle overgave
aan nederlaag en zegevieren
gehuld in strakke vesten en lange pardesu’s
klimmen ze naar het schavot dat de toekomst gaat
herverdelen met andere heersers
…dat was gisteren.
14h30: Stef heeft zijn roes uitgeslapen. Aan de koelkast vraagt hij wie de garnaalkroketten opgegeten heeft. Ik vannacht. Hij mompelt een Franstalige vloek.
De zon komt erdoor. Mijn inktvod raakt verzadigd. Ik trek mijn houten klompen aan.
Achteraan in de hof staan twee versleten tafels. Een van hen staat al twintig seizoenen buiten en is zo verzwakt dat ze amper nog een bloempot kan dragen. De andere is krom maar stevig. Aan beiden heb ik geschreven en avondlange gesprekken gehad.
18h: de keuken is te klein voor ons twee. Ik ga de wijn chambreren en ervan proeven. Zij maakt het voorgerecht. De klokken luiden zes keer als een gebiedend geluid voor gelovigen en een tijdssignaal voor verliefden, een eeuwenoud geluid voor zij die geen uurwerk hebben.
18h30: Het eten is bijna klaar. Ze lachen joviaal. Zijbijmij is content met de kinderen in huis. Ik ook. Het wordt hier een festijn.
20h30: De fles wijn is leeg. Evie drinkt cola light.
kijkenkijken
bewegen blauwe twijgen traag
luisteren ogen doof
naar lichtgloed uit wolken
die wind in oorschelpen
alles doet bewegen in wit en geel
na dit vroeguur van de winter
nat en kil fluistert het weer
iets uit een zwanendans
op een verweerde tafel
volrond
maandag 27 oktober 2008
Adfundum in de leegte. Alleen de besten mogen minder ziek dan hun fantasie over twijfel, terugval en vraagtekens vroegtijdig ontleven. Die tegendraadsheid stemt me niet eens mistroostig aan een vreemd verlichte tafel. Je bent nooit klaar met zoeken en vergelijken. Het instrument dat ik nu bespeel is een wild beest geworden. Het gaat nooit ophouden. De toegangswegen en de ring rond Leuven raken overbevolkt. Dat veroorzaakt een prikkelende geur en maakt lawaai. De hele tijd vraag ik me het vermijdbare hiervan af. Economisch-sociaal denken op de fiets. Bezinnen tussen raven en konijnen. Door het winteruur wordt het klaar als ik vertrek. Gustaaf heeft zich overslapen. Terwijl ik mijn post lees en werfschoenen aan trek stel ik het zinvolle van de werkdag in vraag. Is het alleen voor de poen dat we het doen? In Kessel-Lo moet ik op een dak en daarna ook op de Sint-Pieterskerk, maar mijn benen trillen vandaag. Ma, ik heb geen evenwicht meer. ’s Middags wordt het een kebab en daarna zien we wel. Het zal een uur vroeger donker worden vandaag.
ma
heidenspraak
2 reacties op dit bericht
ongetiteld
Ik heb in de vanDaele gekeken en koos voor wat Komrij over melancholie geschreven heeft:
'dat besef van tijdelijkheid en ijle dromen dat het leven juist zo draaglijk maakt...
weemoed
Ik wens je een nieuw jaar vol aangename ervaringen en gebeurtenissen, en wondere dingen die beklijven in je eeuwige zoektocht. Groetjes, Chantal