ma
Ja?
Er zit warmte in mijn buik. Morgenvroeg ga ik een kind baren.
Doe maar, men zoon.
ma
dertig april 2008Waarom ben ik vandaag zo destructief en
niet constructief vraag ik me af in windvlagen gezeten. Ja, de wind vlaagt,
blaast door het geruimte van die enige zilverberk. Zal ik net zoals mijn vader
op hoogbejaarde leeftijd besluiten om hem te kortwieken? Ik denk het niet op
dit ogenblik. Onder die berk lees ik andermans gedichten en ervaar dezen met
die wind die onzichtbaar blijft. Ik herken hem omdat hij dingen doet bewegen en
langs mijn kaken blaast.
Vandaag heb ik me misbaar verklaard. Vandaag
wil ik als een puber aan de wereld rieken.
aardbei
repetitiein mijn handpalm een parfum van aanraking
ben niemands man
zeker van
het rijmt dan nog
een dronk van de trog
almoezenier of aalmoezenier in een onbekend akkoord
twijfel in de spelling
ontbonden, vroom
telkens een nieuw bestaan
veel later:
Dag pap.
En ?
Tof.
Zingt ze goed?
Prachtig.
En…heeft ze présence?
Ja.
Uw eten staat in een stoofpotje.
Zet het in de microgolf.
gele tulpGeel troeft grijsheid af. De klok luidt
de vooravondmis. Ooit zal ik deze kerk betreden, gelegen in een lijkgewaad. Dan
staan ze op de stoep zonder zich mijn naam nog te herinneren. Een sermoen.
Daarna verdwijn ik in een stenen pot.
Die ene gele tulp bloeit telkens in het
begin van de lente op dezelfde plaats. Overdag staat ze open. ’s Avonds vouwt
ze zichzelf dicht. Dit seizoen heeft iets sacraal. De gewassen komen tot leven,
de bomen knoppen, het wild zit te paren. Vogels galmen in nog schemerige dauw.
Het is nieuw leven dat zich herhaalt. Zonlicht daalt langs de torenspits van
mijn dorp. Ik zie schichtige muggen. Er is geen wind meer.
hommelZe was rustig onderweg. Ze slenterde
zelfs. Regelmatig bleef ze staan om geuren op te snuiven. Mijn ouwe hond. Deze
dag is fris in tegenwind, heeft witte lucht en schittert licht. Ik ga de
kroonlijst doen. De keuken is opgeruimd. Even neusbloeden.
Het schuurpapier schort de nerven zacht.
Het schuurt glad.
Papa,
ik ga naar de bakker. Wil jij ook een broodje?
Neen,
ik heb al gegeten.
De hond staat voor het hek. Haar rughaar
kuift omhoog. Hoe vermagerd ze ook is, nu ziet ze er als een krachtpatser uit.
Ik schuur verder. Daarna schilderen, ook
al motregent het zacht. De ladder op. De verfborstel is minder glad. Vanavond
maak ik een gestoofde kippenbil met ajuin en wortel klaar. Doe nu het
gereedschap weg en poets de grond. De dag is zo voorbij. Zie hoe die hommel weg
kruipt over de betonstenen. Hij is doordrenkt met water. Als hij voor het
donker niet opdroogt is hij verloren. Ik zal hem op een schotel lokken en in
huis te drogen leggen. Dan kan hij morgen zijn tocht verder zetten… of ik stamp
hem dood. Als mens kan ik hierover beslissen. Toch niet. Hij is vanzelf
gestorven.
Het eten is bijna gaar.Insecten stuiven met dodelijke kracht in het
tegenlicht. Nu zie ik het pas. De merels fluiten de regen door.
azuurblauwe morgenAzuurblauwe morgen. De kraai vliegt in het gouden tegenlicht, samen met spurtende fazanten door dauw. Ik blijf staan en kijk naar het zonovergoten heuvellandschap. Van huiruit zie ik alle windstreken. In het Oosten hangen nog mistslierten in dalen. In het Westen ligt mijn schaduw op omgeploegde leemgrond. Ze roffelen de tijd. De dovenetels bloeien al.
roofvogelEr zit een roofvogel op een weidepaal. Hij vliegt weg als hij mij ziet. Ik bewonder zijn vlucht.
Vanmorgen zag ik op een weidepaal een
grote roofvogel uitrusten. We waren zo dicht bij elkaar dat ik zijn blik kon
zien. Zijn bruine veren waren verward. Hij vloog weg toen hij me zag. Met
bewondering keek ik naar zijn vleugelslag. We gingen onze eigen weg.
Het einde van de dag nadert. Het verkeer
raast nog door. De zon spuwt haar schoonste warm. Ik wacht op de merelzang.
Ik hou van steen. Een heel klein beetje
begraaf ik mezelf in zijn verleden. Stenen vertellen een oeroud verhaal over
erosie en hun ontstaan.
Als kind droomde ik vaak hoe ik naar de
diepste krochten in de aarde trachtte af te dalen. Zou ik er de hel ontmoeten
of juist niet?
Stenen bewaren in hun binnenste hetzelfde
geheim.
De zon is onder. De hemel is naakt. Het
wordt koud. Het lawaai is onuitstaanbaar. Ik doe mijn hoorapparaten uit.
zaterdag twaalf april 2008
BrusselDe
milt van boestering staat in de oven te stoven. Het vriest, de hemel is wit.
Rijm blijft aan takken hangen. Na een half uur beginnen blote vingers te
tintelen van de kou. Het is de charme van de winter. Bij deze wens ik U in dit
nieuw jaar hetzelfde dat ik mezelf zou toewensen. Ooit zien we elkaar nog wel
eens, misschien op een fiets. Laten we daarover niet onzeker blijven. Zelf heb
ik mij gedistantieerd als een vlierenfluiter die uw landschap probeert te
versieren. Deze samenleving reguleert zichzelf wel zonder mij. Ga nu maar
slapen en kruip weg in een droom die je zelf niet gekozen hebt. Misschien ga je
wel vliegen over afgronden of opnieuw dingen doen die je heel lang geleden
gedaan hebt of wilde doen.
Slaap en droom, kameraad.
Hij
is in slaap gevallen en niet meer wakker geworden. Hij was een merkwaardig
figuur. Eigenzinnig overleefde hij de
nachten in koude seizoenen buiten. Hij was een stille. Nooit grootse dingen van
zichzelf verwacht, in de krochten van de geest geleefd, zichzelf afvragend waar
de zin eindigt en de waan begint.
Het is drie februari tweeduizend en zes, namiddag tegen het avonduur. Ze
hunkert. We vertrekken.
De omgeving is met vorst bedekt. Er vallen sneeuwvlokken heel even maar. Het
wordt donker. Het gaat nog harder vriezen.
De ochtend daarna is de omgeving ontdooid. Voorlopig geen vodden aan deurkieren
meer leggen, geen vorstbril tegen tranende ogen meer, handschoenen uit. De
strijd tegen de vrieskou is daarom nog niet gestreden. De winter ligt nog
altijd op de loer.
De boenwas is op. Ik fiets langs het
Zoniënwoud naar de Hoogstraat in Brussel om een nieuwe pot. Het verkeer loeit
de stilte weg en teert de longen. De Franklin Rooseveltlaan, langs beide zijden
geflankeerd door appartement- en bureelgebouwen met onbelopen voetpaden, heb ik
lang niet meer bereden. Dan de chique avenue Louise. Ik ben Brussel binnen
gereden. Van hieruit gaat het naar de Marollen. Langs het Zuid strand ik in
Anderlecht in stegen waar het zwerfvuil zich opgestapeld heeft. Er is een
kapperszaak. Voor de vitrine hangt een poster van Jacques Dutrong en Jonny
Halliday. Ertussenin een blad papier met handschrift beschreven: cinq euro la
coup. Het zit er stampensvol. Het haar wordt hier geknipt zonder onderscheid
van gestalte, ouderdom of afkomst. Iedereen is er gelijk. De tondeuze wordt met
de hand bediend. Als kind ondervond ik dat het soms pijnlijk kan zijn. In het
café op de hoek, chez Sharif, zitten ouderlingen getooid in lichtbruine wollen
puien, broederlijk te slurpen aan in limonadeglazen uitgeschonken thee. Hun
ogen zijn helder, hun lippen spreken welgemeend. Die Arabische taal heeft iets
heftigs en zangerigs. Marokkanen en Algerijnen
zullen me hier niet omver rijden. De Afrikanen wonen aan het Zuid. Daar
zijn de reisbureaus die je voor een appel en een ei met een minibusje naar
verre oorden brengen. Moslims, zatlappen, schooiers, brabbelaars met een pruik
op hun kop. Hier hoeft men zich voor niets te schamen.
Aan de rivier onder de spoorwegbrug zitten twee eenden mekaars veren te
schikken. De loodsen aan de overkant lijken verlaten. Toch spuwen schouwen
witte rook. Er rijdt een goederentrein voorbij. De pilaren van de brug zijn met
graffiti beschilderd. Een rood hartje met een pijl doorkliefd en daarnaast de
namen van Gert en Fien.
Het wordt tijd voor een dronk uit de trog. Wat bent u mooi, lieg ik veel later
tegen het oprukkende donker.
droomhuis
dampende mestVanmorgen onderweg
keek ik naar dampende mest.
En nu…
is er veel verkeer op de brug
met graffiti op haar peilers.
Hoogspanningsmasten grijpen verbonden
in een wolkenloze hemel.
Zonlicht schijnt over lentebloesem
vingerschaduw op dit blad.
Aan een oorlogsbunker blijf ik staan
en kijk naar de voorbijrazende trein op een verhoogde berm.
De pisbloemen bloeien al dood.
vrijdag 20 augustus 2004Het heeft vannacht
geregend. Op het nat wegdek weerkaatst de oostengloed. Het is nog vroeg met onopgeschrikt
wild. Fazanten lopen wanordelijk voor me heen. Pas als ik dichtbij kom
vliegen ze als logge overbeladen vliegers weg. In de dalen heeft de
regenval het slijk over de weg gespoeld. De ochtendwind is licht. Straks priemt
de zon zich een weg door de nevels.
Nu, vier uur later,
is het beginnen te regenen langs oude platanen aan voortuinen van statige
herenhuizen , weliswaar verkommerd door vergane glorie. Op de brug waar de
boulevard aansluit met de avenue blijf ik staan, leunend tegen een monumentale
arduinen balustrade die gebouwd werd in de tijd toen de tweede koning nog
regeerde. Vanop dit plateau zie je door de bomen heen een kerk en een lager
gelegen park. Ik kan me de kokette dames voorstellen die hier een eeuw geleden
in paardenkoetsen paradeerden tussen het centrum van de stad en zijn
voorbuurten. Besnorde heren, getooid met strakke hoge zwarte buishoeden , te
paard, voorbij de spelende kinderen op de brede trottoirs. De vogelzang moet
hier concertaal geweest zijn. Nu razen er slierten auto’s voorbij en passeert
er zelden nog een voetganger. Ik fiets verder tot in de Marollen waar ik aan
een kraam vlakbij de kapel op het eind van de rue Blaes een met andalousesaus
overgoten pitta uit de vuist eet. Tijdens de rit is het overwegend droog gebleven.
Er breken nu zelfs blauwe gaten door het wolkendek.
schaduwNooit aflatend gekolk van golven op de rand van water en land
waar geen schaduwen van bomen zijn
alleen een schaduw in glinsterend zand
Schaduwen zijn nooit vermoeid noch verminkt,
ik kijk ernaar.
Een onweer drijft de wolken uiteen
bombastisch geweld
dat een kind doet schrikken,
maar ik ben volwassen nu.
Kijk naar die dikke regendruppels waarin het zonlicht weerkaatst
op een wijnvlek van plezier.
vraag me af
Het kaarslicht danst met vlagen, laat lange schaduwen leven,
verdrinken nachtvlinders in een halfvol glas wijn
er is leven in de nacht.
Ik raak je aan met een handdruk nu
lieg de waarheid met een verzonnen verhaal
wat is dit, spiegel aan de wand
geen verlangen kan nijger zijn
de ouderschoot ontgaan
ik vraag me af of het verlangen om een vogel te zijn
verdwijnt door ontbering in dit leven
net zoals dat kortstondig moment tussen jeugd en volwassenheid
hapjetapjeWe zitten in een barbaarse gezelligheid op het terras. Verscholen voor een matige regenbui heeft ze een deken over zich heen gelegd. Aperitieven met een fles Pineau des Charents van Jules Gautret. Pas maintenant chérie. Ze leest, ik schrijf. Wat een geluk hier niet te moeten zitten in een achterkamertje van een krap appartement in Sint-Jans-Molenbeek zoals Sher Nazar. Afghaan zijn land ontvlucht. De wereld wordt te klein.
De vlinderplant is een en al verlatenheid bij deze nattigheid. Waar zouden die vlinders nu schuilen, of sterven ze bij elke regendag een gelukkige dood?
Geen zin om naar hapje-tapje te gaan? Dat hapje-tapje zit er wel in. Samen de wereld zien. Kom, we zijn weg van hier. Genoeg ‘sur place’ vandaag.
Op hapje-tapje schuiven we mee in de stoet. Je riekt van dichtbij de miasmen van halfvergane parfums. Een jonge vrouw vanuit tegenovergestelde richting vraagt of de sardienen die ik eet warm of koud zijn. Ik kan haar adem voelen. Ik antwoord: ze zijn lauw. Ze lacht terwijl ze vooruit geduwd wordt door de menigte die in duizenden gedaantes gluurt naar het schoonste en het lelijkste.
Als een zwerfkat rond dolen in de stad, kijken naar de leefstijl, de Haute couture opsnuiven. De terrasjes zitten vol. A la anima et di corpo.
bloemenvrouwSchat, ben je er nog?
Ja.
Zou je niet opstaan, het is over tien.
Ik heb de vroege ochtend verkwanseld in mijn slaap. Ze is naar de markt geweest en als een bloemenvrouw teruggekomen.
"Jij doet de keuken vandaag". Ze zegt het bijna zingend.Vrouwen zoals zij zeggen zoiets geen twee keer.
Als een papieren engel zweeft ze door de tuin, wikkend en wegend met de planten die ze gekocht heeft. Geen dampende koffie met croissants. Ik dool als een kluizenaar rond in de sacristie die gisterenavond voor de sauzen diende, scharrelend in het overschot.
zij en de bloemen
ik en de afwas
Voor we weg gaan moet de keuken proper zijn.
We hebben de regenjassen meegenomen. Zij rijdt voorop. Huizen kijken. Soms zegt ze: kijk, die ramen hebben een mooie kleur, dat zou bij ons ook niet misstaan.
Ergens op een bank leest ze een boek, ik een krant. We drinken Fanta-light.
Thuis heeft iemand de Camembert opgegeten. Er ligt nog wat vereenzaamde smeerkaas in de frigo.
De ochtend erna...omelet met champignons. Ingeduffeld in kamerjas geniet ze van haar tweede tas koffie. Geen slaperigheid meer te bespeuren in die fonkelende ogen die me vertellen dat ik vandaag niet de ganse dag op een stoel zal zitten turen naar woorden. Er is een barst in de façade die moet gedicht worden. Na die fietstocht van gisteren is teveel gevelschoon op haar netvlies gebleven. Ik zal het zelf wel doen maar ik heb je advies nodig, zegt ze diplomatisch.
Wanneer?
Vandaag, nu.
Laat mij het doen.
Wanneer?
Na de kelder.
Dat duurt nog tien jaar. Hou op in die kelder en dicht die barst vandaag.
Eerst de krant en dan straks.
Goed, vandaag dan?
Vandaag.
Ze glimlacht mild. Ze denkt: wat hebben we aan woorden.
waterdameWeet je nog, die dame die in avondtoilet door die kille ochtend aan het water slenterde? Je komt niet vaak
's ochtends vrouwen in avondtoilet tegen. Zo zwierig als ze leek te bewegen, zo onzeker was ze over waar ze heenging. Misschien wou ze zich in het water storten of was ze op zoek naar zuiverheid, naar de schoonheid van die ochtend aan het kijken.
Ik zie alleen maar schaduwen en contouren
een wereld in vernieuwing
de kraaien weten het ook
het wordt lente
de landwegen worden droog en ik zal licht gekleed door de ochtend gaan
en aan niets denken, niet aan haar, aan jou of aan zijbijmij
Met het wild de straat oversteken
misschien rijden ze me wel omver
maar het zal nooit mijn schuld zijn
overstekend wild....
Moeder, bescherm mij zoals vroeger
ik, het kind dat uit uw buik spartelde
ik heb u gelukkig gemaakt
even maar
carolineStoere jongens en knappe meisjes. Ze doen zoals op MTV. Nog even voor het uitgaan gaan ze voor de spiegel staan. Zonder tegenslag worden ze onoverwinnelijk. Ze zitten boordevol geloof. Ze kunnen fabelachtige dingen denken. Slip-poses en gecamoufleerde borsten die liegen voor wie zich de waarheid pretendeert. En daar kijken ze dan watertandend naar uit, naar stoere reclame met sensuele vrouwen gehuld in satijnen gewaden. Drink een Martini en rook een Marlboro. Roken en alcohol zijn dodelijk staat er dan geschreven.
Wie wil mijn stilte? Ik wil onderduiken in het geroezemoes van een stad. Met in mijn linkerhand een zelfgedraaide sigaret fiets ik met de tijd der traagheid erdoor. Geen grootstad als Brussel. Dat is koorts op nivo. Neen, dit is een plattelandstad, een fietsende stad, een stad die 's ochtends loom de slaap kan weggeeuwen, uitdeinend vanuit middeleeuwse gevels.
We zitten in het hol van de winter en toch is de wind zacht. Het daglicht is nog niet geboren. In het centrum heien machines palen in de grond en wordt het grondwater weggepompt. De bouwwerf is als een voetbalveld verlicht terwijl bouwvakkers met rubberen laarzen zich zwaarbeladen door het slijk ploegen. Het heeft iets, zo een middeleeuwse stad 's morgens in vernieuwing.
Aan het kanaal doet een reiger een mislukte poging om op te stijgen uit het water. In een walm van brouwselgeur loopt mijn weg verder langs de Dijle waar men in middeleeuwse tijden Margriet ingesmeten heeft nadat ze verkracht en gesmoord werd. Het lijk dreef stroomopwaarts. Ook dat heeft deze stad, een legende.
Ik ga rusten aan het meer, kijken tot de zilverschijn op het water met het daglicht verdwijnt. Dan keer ik terug naar de stad om te beginnen. Het ongevraagde van het werk is tot mij doorgedrongen.
De middag is voorbij. Ik heb afgesproken met Caroline die ik niet ken, tenzij van twee keer aan de telefoon en drie e-mails. Wie zijn ze aan de lijn? Toen ik haar zag was ze anders dan ik me voorgesteld had. Caroline was doodnormaal, net zoals alles.
In het zigeunerverblijf liepen kinderen als loslopend wild en hadden de vrouwen diep uitgesneden decoltés. Ik liep erbij, met Caroline naast mij.
Ik heb vandaag de overgang naar het donker gemist en ben te voet door de storm naar huis gegaan. Het was zo dat ik het opschrijf om nooit te vergeten.
het wordt weeral volle maan
krijg roest in de keel
de rede verschroeit in emotie
niet wild van verlangen
en ik heb nog niet alles geprobeerd
“ Comme s'il s'etait trompé de film, un soldat de Napoléon croise le chemin d’un enfant à trottinette, accumulation d'anachronisme, la pauvreté-richesse, tradition-modernité, une grimace, entre le rire et l’appel au secours “ .
En zij zei: ooit zal ik zeggen dat het goed geweest is, dat het genoeg is geweest.
mistigHet is mistig hier. de lucht lijkt op mat glas (koepel van opaal acriliet).
Het is vochtig en als je binnen het licht niet aandoet blijft het donker.
Het is ook fris. Geen lentegeur in de lucht. Een geur van smog zelfs op de
boerenbuiten.
Ik sta buiten moeilijke boomstronken te ontwrichten met een kliefijzer, een
bijl en mijn
"dikke hamer".
Mijn schouder doet pijn. De steel van mijn hamer is nu afgebroken.
In de haag zit een merel te broeden en in de klimop een mus. Ze zijn niet
schichtig als ik buiten kom.
Ik heb ook een krant gekocht maar die ga ik nu niet lezen. Dat is voor vanavond
na het eten.
Vanmorgen heb ik vier schapenkotteletten gekocht...een kleine bloemkool, wat
gehakt en tomaten. Er is nog een courget en een paprika in huis.
aan de overweg van verkeer
schuurt lawaai de tijd
gewetenloos stilte doorbrekend..
Komaan Warket, hou nu op met dat gelul en beschrijf wat ge ziet.
Bekijk dat zagemeel in dat roze lichtschijnsel en zie die verroeste kachel daar
buiten staan.
Het is hier verdomme stil. Niks beweegt. Zelfs de tijd neemt een pauze. Dat kan
een mens niet ontgaan. We wonen in een dorp dat verschroeit in moderniteit. Het
begon toen ze die ouwe boerderij sloopten en er een appartementsgebouw bouwden.
Daarna nog meer. Het dorpsplein werd geplaveid en er kwam een vijver met een
fontein. Meerwaarde voor vastgoed en commercianten. Nog een paar cafés en een
verkaveling erbij. De leeuwerik hoor je niet meer met al dat lawaai. Dit dorp
raakt overbevolkt. Zeg dan gewoon dat je dit dorp klote vind in plaats van tweehonderddertig
letters hieraan te spenderen. Wees nu eens eerlijk: is dat echt de moeite
waard?
Wie ben jij, dat ge mijn schrijfsel zomaar doorbreekt?
Ik ben wat jij geschapen hebt in uw waanzin.
In mijn pyjama kijk ik buiten naar die verroest kachel. Het is niet koud en
niets beweegt. Ze heeft gelijk. Ik kan er beter naar kijken.
1 reactie op dit bericht
binnenbuikwarmte