snolwijs
zij die dit willen lezen,
lezen niets
Tesamen gestrengd in een menseleven
kneed ik het gedrocht wat men wijsheid noemt.
Snol gedrocht!!!
snolwijs
mal4
mal3
mal2De ochtend nadien drijven donkergrijze
wolken haastig over hen heen. Miskende Godin der stormen, bemin ons met uw
toorn. Omhels ons met mistdampen, grijp ons met uw zwaarmoedigheid.
Tappas! Een festijn met witte wijn. Voor
mij varkensnier in een gekruide sherry-saus. Ze rijden naar Malaga. In Malaga
wordt veel verbouwd. Aan het plein van de kathedraal lopen ze toevallig met hun
neus door een wijdopenstaand deurgat van een Ierse pub. Een pint Guines please.
Er scharrelen een vijftal duiven rond. Ze moeten zien dat ze voor het donker
aan het huis zijn.
Op de terugweg breekt de zon door knoopsgaten
in het wolkendek. De hond en de katten verschijnen uit het struikgewas. Niet
veel later staan er opnieuw sterren aan de hemel. De kosmische avondroes begint.
De stormgod is gezwicht voor de nacht. Uitbundigheid maakt zich meester van
deze Goddeloze geesten, verlangend naar zintuiglijk genot.
Marco en ikbijhaar hebben bij het vuur muziek
gespeeld. Ikbijhaar wil nog wat schrijven. De hond en de katten vliegen buiten.
Ga niet over uw limiet. Drie dagen geleden
hebt ge uw grens al eens overschreden.. Dat is voor niks nodig.
Dit middernachtuur ver overschreden gaat ikbijhaar
buiten staan en kijkt hij naar wat hem als kind fascineerde: de wijdsheid van
de sterrenhemel. Hij kust de maan, kilte en wind. Dierbaren gaan nu slapen. Zijbijmij
blijft bij hem omdat ze het niet vertrouwt hem alleen achter te laten in de
wellusten van het leven. Zwakkelingen zouden het beschamend vinden, maar hij,
een ridder in de nacht, vind het een voordeel tot ‘z on liefde veroordeeld te
zijn. Het is tijd om te besluiten slapen te gaan. Zijn lichaam te laten rusten
dicht bij haar, haar lichaam, haar geest dicht bij hem.
mal1‘ Ik
ben nog niet wakker’ zegt volle maan. Nog zeven kilometer te rijden. Ze zijn gestopt in
bergachtig gebied
Het
houtskool gloeit. Het ruikt hier naar braadsel. Varkensrib voor hem. De kerstsfeer is
verdwenen. Er kruipen zomervliegen
over de tafel.
Na
het eten laat ikbijhaar een wind, krijgt hij nog een half glas wijn en dopt
volle maan een vetplekje op dit blad papier. Ze weet dat het mag. Dan rijden ze naar het
huis. Marco is zo gelukkig en
beschonken dat hij ikbijhaar op het voorhoofd kust. Er komt iemand met een beladen muilezel uit het gebergte. Het pad is zo
smal dat de man achter de muilezel loopt. Bergopwaarts houdt hij de staart vast.
Zijbijmij
steekt het haardsvuur aan met dennenappels. Het schemert. Ikbijhaar voelt de stilte. De
bergkammen hebben een levenslijn. Het duurt niet lang meer of het wordt donker.
Marco zal moe worden.
De
avond valt over de vallei. Sidder...sidder...siddert het bloed door hun aders.
Het is nooit genoeg geweest. Ongevleugeld zitten ze daar.
Marco
ligt nu in foeutushouding in de zetel. Ze nemen er een foto van. Uiteindelijk
wordt hij wakker en gritst hij ikbijhaar zijn asbak weg. Volle maan ontkurkt een fles wijn. Uit nieuwsgierigheid eet ikbijhaar
iets wat op een dwerg-groenepeper lijkt in één hap op.
”Blussen
met brood en spoelen met ijskoud water!” roept volle maan. Op deze plaats
klinkt gelach.
Rond
zes uur ’s morgens verschijnt er licht in de lucht. Als ikbijhaar buiten gaat
komt de hond aangelopen. Na de koffie kijkt hij vanop het boventerras naar de
bergruggen. Het is fris. De tafel is met dauw bedekt. Ook zijn vingers worden
koud en vochtig. Langzaam begint het zonlicht in het Oosten langs de toppen van
een bergflank te glijden. De maan is nog duidelijk zichtbaar. Halve maan. Volle
maan komt in kamerjas op het terras. Het is hier stil. De dauw kleeft nu ook aan
zijn vingers. Hij wacht tot de zon over de bergrug verschijnt. Dan fotograferen
ze hun schaduw op de witgekalkte muur. Thuis waait wellicht natte kilte door de
naakte bomen. De zon beschijnt deze plaats van negen tot vier.
Na
het ontbijt schenkt Marco zichzelf een glas witte wijn. Het is de laatste dag
van het jaar. Ze hebben een boodschappenlijst gemaakt voor het avondmaal. Eten
en drinken is belangrijk.
Wanneer
het zonlicht laag komt te staan gaan ikbijhaar en volle maan appelsienen en
citroenen plukken. Daarna volgen ze een smal pad naast een lager gelegen kleine
rivier. Nog voor het schemert zijn ze terug. Zijbijmij heeft het vuur
aangestoken. Champagne in overvloed. Ze pokeren naar het nieuwe jaar.
De
dag daarna maakt Zijbij ikbijhaar ’s middags wakker. Hij zal met Marco eier- en
tonijnsla maken. De dames wachten op het terras. Brunch!
Daarna
gebeurt wat iedereen verwacht had: ikbijhaar plonst in het zwembad. Hij trekt
zijn kleren aan, kijkt naar de schaduw van zijn pen en legt die neer op een
verroeste tafel. De wind streelt de zonnewarmte van zijn rug. Hij gaat French-coffie
maken.
Toch
beter niet doen, zegt Zijbijmij.
Het
plaveisel blijft warm aan zijn blote voeten. Er hangt een blaadje aan een
draadje in de struik naast hem. De wolken staan stil. De kat ligt tussen zijn
benen. Er is geen hout meer. De deur blijft dicht. Hij kijkt naar de aankomende
avond met een J.D., een inktpot en tabak. De vrouw brengt hout. Binnen zijn ze
blij. Hij is blij. De vrouw is blij. De bergrug is blij. Zelfs dit blad papier
is blij. Het wordt duister. Hij zie niet meer wat hij schrijft.
Toost
met olijven. Zijbijmij en Marco zitten bij het vuur. Zij leest. Hij staart,
beluistert muziek. Dan neemt hij zijn instrument als een Gitan bij vuur.
volkscafé
mosselfriet
verstoteneIemand had de dromer haar baby
toevertrouwd. Zij kon er onmogelijk de eerste weken voor zorgen. Ze wist dat hij
dat kon en ze waren al jaren goed bevriend.
Beroepsmatig was de dromer elke dag
onderweg op plaatsbezoek. Hij nam telkens de baby mee.
Op een keer had hij de baby bij iemand te
slapen gelegd. Hij moest naar een conferentie die uren kon duren. Hij zou hem
achteraf komen halen.
Toen de conferentie gedaan was, was hij
vergeten waar hij de baby achtergelaten had. Hoezeer hij ook zijn best deed, hij
kon zich niets meer herinneren. Noodgedwongen vervolgde hij alleen zijn
weg. Het zou hem wel later te binnen schieten. Dat gebeurde echter niet, en hoe meer de
dagen vervlogen, hoe minder hij er nog aan dacht.
Na verloop van tijd liep de dromer
onverwacht de moeder met haar vriend tegen het lijf. Ze vroegen waar de baby
was. Hij bekende dat hij hem ergens achtergelaten had maar dat hij ongetwijfeld
in goede handen zou zijn.
Daarop dreigde haar vriend hem hardhandig
aan te pakken, wat de vriendin net kon verhinderen. Beiden waren ze in alle
staten en verweten hem grove nalatigheid. Zij was diep teleurgesteld. Toch
stond ze hem uit medelijden toe hen verder te vergezellen op een tocht die
verliep langs een vreemde stad met monumentale gebouwen en zonovergoten tuinen.
De vriendin kende er iedereen. De dromer werd genegeerd en verstoten.
Door nog onduidelijke omstandigheden
verloor de dromer ook hen uit het oog en werd hij in een openbaar ambt tewerk
gesteld. Het duurde niet lang of hij begon onopzettelijk te spijbelen. In
plaats van zich langs de kortste weg met het openbaar vervoer naar het werk te
begeven ging hij te voet en maakte hij omwegen waarbij hij regelmatig de weg
verloor en zo met halve dagen vertraging op het werk terecht kwam. Soms
gebeurde het zelfs dat hij niet opdaagde. Hij dacht dat dit kon. Tot zijn
verbazing werd hij bij de directie ontboden. Als sanctie stelden ze hem in
dienst als gevangenisbewaker.
Al tijdens zijn eerste werkdag werd hij
uitgedaagd door een gevangene. Hij liep door een werkplaats waar de gevangenen
vrij rondliepen. Iemand versperde hem de weg met een langwerpig zwabberend metalen
voorwerp. Toen hij berispend reageerde werd de gevangene agressief en kon een
medebewaker gelukkig nog op tijd de gemoederen bedaren.
‘Je
moet begripvol op hun gedrag anticiperen’ vertelde de bewaker bekijvend.
Beleefd vroeg de dromer aan de gevangene
wat hij met het metalen voorwerp van plan was. ‘Dit is een zaagblad. Hiermee ga
ik het versleten zaagblad vervangen. Kom maar mee’ antwoordde de gevangene deze
keer vriendelijk. Ze gingen helemaal achteraan waar een grote
lintzaag stond. Het rook er naar olie en metaal.
Terwijl de gevangene het zaagblad monteerde
hoorde de dromer de baby schreien. Het was een opluchting. Nu kon hij de baby
meenemen en alles goed maken bij de vriendin.
Dan zette de gevangene de lintzaag in
werking. Knarsend kwam het logge gevaarte in beweging. Langzaam werd de rotatie
opgedreven. In een mum van tijd draaide het logge gevaarte met een hels lawaai op
volle toeren. Plots liep iedereen in paniek weg. Daverend bleef de machine maar
sneller en sneller draaien. De dromer wist niet hoe hij ze moest stoppen. Als
een in het nauw gedreven rat liep hij door het atelier op zoek naar de baby.
Wanhopig zag hij hoe het zaagblad zich van de machine losrukte en vlijmscherp
in razende snelheid door het atelier slingerde. Het kwam zijn richting uit. Net
toen het zijn keel dreigde over te snijden werd het donker en was alles stil.
kerstavond2007
ontbijtwe hebben de tijd verzonnen
nieuwjaar vervroegd
het hoofd van vriend en vriendin gekust
op een zelfgekozen moment
en daarna thuisgekomen
licht de hemel op boven deze plek wat ooit een dorp was
knalt de solidariteit onder het wolkendek
terwijl de hondenteven janken
alsof de oorlog losgebarsten is
Hij twijfelt vier keer tussen dromen en wakker worden. . In zijn droom droomde hij dat hij droomde. Eerst werd hij wakker op zondagavond. Zijn vakantie was voorbij. Daarna werd hij vandaag wakker. Er resten nog vijf dagen zaligheid met haar. Als het ochtendlicht in daglicht verdwijnt staat hij op met ochtendstijfheid. Het dakvenster is bevroren. Boven hem hangt een spin als een circusartiest aan een onzichtbare levenslijn. Nog hoger heeft ze een web gesponnen. Dat is het eerste waar hij naar kijkt. Hij raapt zijn kleren van de grond. Die verdomde rug doet weer pijn. Genadeloos opstaan met een wat ontredderde geest. Straks zal het beter gaan als hij beneden is. Hij zal een ontbijt klaar maken. Het moet een verrassing zijn. Ontbijt zonder champagne of zo, en ook geen stokbrood. Er is zelfs geen confituur meer in huis. Alleen nog een beetje geitenkaas. De boter is ook al op.
Wanneer de tafel gedekt is met mooi servies zoals in de beste hotels zet hij koffie op ouderwetse manier. De dampen zoeken onzichtbaar hun weg naar boven. Hij heeft met opzet de kamerdeur open laten staan. Een engel maak je niet wakker met woorden. De koffiegeur haalt haar wel uit haar dromen.
Nog voor melk en suiker op tafel staan komt ze in kamerjas langs de wenteltrap beneden.
Oh, je hebt voor een ontbijt gezorgd! Ik ga eerst plassen.
Ja, en de keuken is ook opgeruimd. De hondenstronten haal ik straks uit het gras.
Ze weet dat dit ochtendtafereel een vrijgeleide voor de rest van zijn dag betekent.
‘Er ligt meer dan tien centimeter sneeuw buiten’, zegt ze enthousiast.
Het gevoel uit zijn kinderjaren als hij in een sneeuwlandschap wakker werd, maakt zich meester van zijn nog slaperige geest.
Het had vannacht fel gewaaid. Gure wind die het nog overgebleven riet dicht bij de grond deed buigen. Zelfs de sneeuw is uit de zilverberk gewaaid.
Terwijl ze eten lezen ze elk een deel van de krant die hij op een boogscheut hier vandaan gekocht heeft. Niet zwijgzaam. Ze vertellen wat ze lezen. Britse vrouw haalt rijbewijs na dertig jaar, man bloedt dood na anale seks met een paard, zomerhuis prins staat te koop, Belgen zijn provinciale kosmopolieten...Dan neemt hij een blad papier.
Ga je nu weeral datzelfde schrijven?
Niets is hetzelfde. Elk moment is wat voordien toekomst was. Kijk ernaar, dan zal je wel zien.
’Waarom zit je altijd te beschrijven?’ vraagt ze terwijl ze aan haar koffie slurpt.
Moest ik dat weten zou ik het waarschijnlijk niet doen.
Je hebt gisterennacht nog een fles wijn leeggedronken.
Niet alleen. Zoonlief heeft meegedronken. Ik had ze voor hem open gemaakt en opeens was ze leeg. Ik was aan het schrijven.
Na het ontbijt gaan ze buiten. Nu trekt ze van zijn eerste sigaret. Er is zilverlicht in de lucht dat zijn ogen verblind. Roerloos is de omgeving vandaag. Een nieuwe ochtend met mist voor zijn ogen, in zijn gedachten, in zijn hart, in zijn ziel. Een paradijs van witte parels en schimmen die langzaam opduiken en weer verdwijnen.
Hij hoort de stem van de jongste zoon. Hij praat zacht tegen haar. Hij is teruggekomen omdat de bus niet kwam opdagen. Even later kruipt de zoon opnieuw in bed. Niks moet, alles mag, alles kan.
Sinds de oudste zoon zijn intrek genomen heeft in het huis is wanorde aan de orde. Het zijn vooral die sigarettenpeuken op de binnenkoer, zijn tabak die steeds op alle onmogelijke plaatsen opduikt en de ijskast waaruit in de kortste tijd de lekkerste hapjes verdwijnen, die zijn gewoonten onthemen. Zijn vriendin is hier eveneens halftime aanwezig. Dat merk je vooral in de badkamer. Het wordt wennen als je nooit een dochter hebt gehad. Een maand geleden waren ze nog met drie, nu met vijf. Aan eenzaamheid zal het niet liggen. Aan plaatsgebrek wel. Zelfs de kamerplanten zijn mee verhuisd. Keukengerei hebben ze in tweevoud.
Laten we gaan wandelen in dit besneeuwd land als een ongeschonden doek, maagdelijk onbevolkt met een sneeuwboog van Oost naar West. Twee gekloven geesten gehuld in wit satijn, vermomd in schrijfgebaar. Geen enkele gedachte ongeschonden in dit rijk.
In het bos begint de sneeuw te smelten. Hij druipt van de takken in hun nek. Ze slaan een modderig pad in. ‘Daar ga ik niet door’, zegt ze.
‘Wat verder zal het verbeteren’, antwoordt hij. Maar het verbetert niet.
Prompt blijft ze staan. ‘Ik ga naar huis’, zegt ze. ‘Ik wil een verharde weg’.
Ze had gisterenochtend moeten meekomen toen dit bos bevroren was in kristal. De zon scheen erdoor. Hij had door die schoonheid heen gedacht dat God moest bestaan. Hij is in mij, in alles, hij openbaart zich, dacht hij, het omhulsel van zijn ziel doorbrekend.
Ik heb een winterjas nodig, zegt ze.
Koop er dan een.
Ga je mee?
Naar Leuven?
Neen, naar Saint-Josse.
Daar zijn geen cafés.
Er is een gezellig theehuis. Heb ik met jouw zus ontdekt.
We gaan morgen. De houtkachel brandt thuis.
Later op de dag is het land bedekt met dichte mist. De wolken zijn beneden in plaats van daarboven, zou hij als kind gezegd hebben. Het blijft koud. Van een ding is hij zeker: de inkt zal uit de inktpot niet verdampen noch erin bevriezen. De riolering raakt niet verstopt.
dialoogIs de pompbak hersteld?
Neen, ik heb stoofvlees klaargemaakt.
Ik had liever dat de pompbak hersteld was en dat we een boterham met kaas zouden eten vanavond.
Ik vond geen schroevendraaier.
Maar wel stoofvlees alhoewel de beenhouwer met vakantie is.
Ik heb het soepvlees van eergisteren gestoofd met groenten van bij Adriënne.
En ondertussen blijft de pompbak verstopt.
Drinken we rooie of witte wijn bij het eten?
Voor mij witte wijn.
En voor mij rooie.
Ontstop je daarna de pompbak?
Als jij de schroevedraaier voor me zoekt.
Waar ligt die?
Weet ik niet.
In Egypte was je associaal.
Omdat de baterijen van mijn hoorapparaten plat waren.
Neen, omdat je de taal niet begreep.
Kun jij dan van rechts naar links schrijven?
De commercianten spraken engels.
Maar niet in de steegjes.
Ik was ongerust als je daarin verdween.
Weet je wat? Ik ga de pompbak herstellen.
Zonder schroevedraaier?
Ja, ik haal een oude Belgische frank uit mijn trouwkostuum. Die past in de gleuf van de vijs. Waar hangt mijn trouwkostuum?
Dat hebben we niet meer. Je hebt dat jaren geleden verkwanseld met carnaval.
Niet waar. Dat was je trouwkleed.


sneeuwOp zeventien december tweeduizend en vijf heeft hij het licht uitgedaan om de sneeuwstorm langs het venster beter te kunnen zien. Het verleden welde in hem op door naar die opgejaagde sneeuwvlokken te kijken. Hij zou er haast de geschiedenis door herschrijven maar daarvoor zat er te veel chaos in zijn kop. Liever nog het schrift twintig keer herlezen dan een lettergreep te veranderen. Opwelling in plattelandstaal schrijft hij niet voor iedereen.
De telefoon rinkelt twee keer. Het is zij die vraagt naar hem. Of hij weggeweest en thuis gekomen is. Ja, zegt hij.
Een kuch, een zucht, een snuffel in de keukenkast. Een scheet in een fles.
Om het huis gemakkelijker te verwarmen heeft hij een vod voor de spleet van de voordeur gelegd en de doorgang in de kelder met een bedsprei dichtgemaakt. Verluchtingsspleten dichten in koude dagen heet dat. Het hout ligt klaar om te verbranden moest het nodig zijn. Het maakt warmte gezelliger. Alleen de wc-bril doet nog de billen schrikken.
Vroeger was het anders. Dan werden alleen de benedenplaatsen met een kolenkachel verwarmd en stond de wc buiten, vaak ondergesneeuwd. ‘s Ochtends kleefde zijn adem in de slaapkamer als ijsbloemen aan het vensterglas. Mooi om te zien als het zonlicht erop scheen. Die dagen zijn voorbij. Soms zou hij ze graag herbeleven maar meestal niet.
Opwaaiende sneeuw meegesleurd in kronkelende spiralen langs de binnenkoer, rond de openstaande parasol die niet meer dicht gaat. De wind is zichtbaar geworden.
Het deert de merel niet die zijn winterdorst lest aan het lauwe water door zijn handen geschonken.
De sneeuwstorm. Hij heeft er de ganse dag op gewacht, kijkend langs het keukenvenster. Nu laait hij op, hevig als witte regen, spierwit de lucht doorklievend.
De buitenlucht wenkt, roept, giert, brult. De moeder van alle winters lokt hem buiten.
Deze keer heeft hij zijn blad papier niet meegenomen. Het zou binnen de kortste tijd verweken. De inkt zou terstond verwateren, het zou zinloos zijn. Hij wil gedachteloos de witte zee doorwaden. Geen woorden die opkomen. Zelfs zijn ogen zullen niet beschrijven. Hij zal als een blinde zien. Dat probeert hij vruchteloos twee uur lang. Eerst met rugwind, dan in ijzige tegenwind tot zijn gedachten van de kou verstijven en zijn sik bevriest.
Het is ondertussen donker geworden. Zijn tabak in zijn bovenzak is ingesneeuwd.
Verlaten straten, joelende sneeuw in straatlicht en een paar idioten die het trottoir voor hun inkom ruimen. Alleen de vier-maal-vier aangedreven bedrijfswagens gorren oneigenlijk snel naar huis. En hij… hij slentert als een sneeuwman voorovergebogen met een bevroren verhaal in gedachten terugwaarts.
Eigenaardig dat de straten verlaten zijn, dat de kinderen met hun sleden niet naar buiten komen. In zijn tijd zouden ze nu al een sneeuwman maken uit schrik dat het morgen zou dooien. Ze zouden met tientallen de Krekelenberg afglijden, stoeien en groeien tot ‘s nachts en niet bevriezen. Het duurt misschien nog even vooraleer ze weten dat het sneeuwt, of komt het door de media die bijtijds vertelt dat er iemand doodgevroren is?
Het zou hem kunnen overkomen: in het donker uitglijden in een greppel en met een gebarsten hoofd of gebroken been hulpeloos blijven liggen. Geen kat die voorbij zou komen. Het verhaal zou ongeschreven zijn.
‘t Huis gekomen als een levende gaat zijn versteend lichaam ontdooien, brandt de binnenlucht in zijn ogen. In zijn eigen verdiept, op zoek naar een schim van gedachten,
gaan zijn lippen opnieuw stamelen, vindt hij terug zijn kreet.
vorst
evjekeZe
hadden gehoopt nog voor het schemer terug te zijn maar zo was het niet. Ze
plukte per ongeluk de voorlamp van haar fiets. Daarna dronken ze
trappistenbier. De tafel kantelt af en toe door zijn schuld terwijl ze spreken
over schoonheid en nog niet gemiste kansen.
’Ik hou van steen en weet niks van metaal. Ik doe niets liever dan
steenkappen’ zegt ze.
Ze had net met een bijna vanzelfsprekendheid de elastiek uit haar paardenstaart
getrokken en in één beweging haar haren los geschud.
’Het is fantastisch hier eens samen te
zijn, en zie die mensen om ons heen’ antwoordt hij. Niet toevallig zitten ze
aan een ronde tafel in gesprek. Een
beetje overspelig in loslippigheid, denkt hij achteraf. Goh, wat maakt het uit?
We zijn allemaal aan elkander gelijk.
’Hoor je die muziek?’ vraagt ze.
’Links of rechts?’
’Rechts. Ik vind het een mooi stuk’
Eerst bleven ze zitten tot de lucht rozig werd, daarna tot zonsondergang en
uiteindelijk is het donker geworden met een beetje kilte in het straatlicht. De
tafel wiebelt en het trappistenbier schuimt opnieuw.
Nu, in het weinig licht, herkent hij haar nauwelijks uit haar dagelijksheid.
Haar anders zo typerende zwijgzaamheid wordt overdonderd door een stortvloed
van woorden die als bruisende golven tegen kliffen dwepen. Nog enkele maanden
en alweer is een zielsgenoot uit zijn leven verdwenen. Mensen komen en gaan,
tot we zelf voor altijd gaan. Zelfs de herinnering blijft niet bestaan.
’Schenk dat meisje nog een pint’ roept hij naar de kelner.
En?
Ja, en met U?
Ja, ook goed.
Meende je dat nu echt?
Wat meende ik?
Dat van dat meisje.
Neen, dat was maar om te zeveren. Bij jou merk ik dat leeftijdsverschil niet
eens. Er hangt een herfstblad in je haar. Mag ik een beetje tabak van je lenen?
Zullen we wat roddelen over collega's?
Oh ja, fijn. Wie begint?
Jij. Zeg iets over Theofiel.
Theofiel is een dommerik. Arthur is goedaardig en Gustaaf is best aardig. Nu is
het jouw beurt.
Ik ben dezelfde mening toegedaan.
Is dat alles?
Neen, Jacquelinne vind ik een trezebees.
Weet je nog toen we op stap gingen met die pater en die lesbische vrouw? Jij
moest hem zonodig vragen of hij in God geloofde.
Natuurlijk geloofde hij in God.
Vanwege de muziek legt hij zijn rechteroor rakelings aan haar mond te luisteren.
Hij voelt de wind van haar spraak terwijl zijn neus in haar haren verstrengeld
geraakt. Het is een noodzaak om elkander te verstaan.
Eet jij graag kip?
Ja, op voorwaarde dat het een Mechelse koekkoek is.
Waarom een Mechelse koekoek?
Omdat die minstens een uitloop van negentig dagen heeft voor ze hem slachten op
een kipvriendelijke manier. De verpakking zou ook milieuvriendelijk zijn.
Weet je wat ik mis in deze stad?
Neen.
Een minaret met een zanger erbij. Ik ben dat klokkengelui
beu.
Voor ze weg gaan vraagt hij haar beleefd of hij aan haar haren mag ruiken.
’Doe maar’ zegt ze.
Ze geurt anders dan zij bij hem.
Voor het slapen gaan zitten ze nog op een stenen trap aan het gras. Hij op
blote voeten. Zijn sokken liggen op het tapijt.
’Mijn broer heeft ooit geprobeerd om zelfmoord te plegen’ zegt ze.
Dat ze dat hem vertelt grijpt hem zodanig aan dat hij in al zijn dwaasheid
vraagt: "Uw oudste of uw jongste broer?".
Ze zegt: ’Ik ga mijn tanden poetsen en dan ga ik slapen’.
En hoe voelt ge u nu?
Zwak en gelukkig. Morgen vertrekken we.
Dan kust ze hem vluchtig op de mond.
Die nacht kon hij de slaap moeilijk vatten. Ze had hem naar de logeerkamer
gebracht. Naast het bed stond een groot onafgewerkt schilderij. Toen ze het
licht uit deed was het pikkedonker. Thuis was hij gewoon om onder een
dakvenster te slapen. Daar zag hij het maanlicht en met wat geluk bij een
onbewolkte hemel, keek hij zichzelf tussen de sterren in slaap. Slapen in het
hiernamaals noemde hij dat.
In dit donker nu, toveren haar woorden beelden in zijn geest. Fragiele zinnen
als een schilderij, die niet schreeuwen maar verlangen, spuwsel van de geest. Gefluister
van gevoelens in een werkelijke onwerkelijkheid. Moest het kunnen zou hij nu
nachtelijk over de grens van water en land gaan. Nog denkt hij verder in iets
dat kerft. Dan gaat hij zijn eigen weg in een uiteindelijke slaap.
boerweg
2late
frietketel
ik wil nog wel even
woestijnmensen