brief
En in tweeduizendenvijf…
Ik heb gedroomd over een veerboot met vrouwen. Het lijkt of
het nog nacht is buiten. Gisteren heeft het de ganse dag hard gevroren. Het
huis geraakt moeilijk verwarmd. Ik neem de vrijdagskrant mee. Eerst nog tanden
poetsen. Tandpasta vinden. De tube is leeg geperst. Geen tandpasta vergeten als
we naar de GB gaan en ook geen glansmiddel voor de afwas.
We schrijven het nooit op. Zo komt het dat we dingen vergeten. In plaats van
een boodschappenlijst bij te houden denken we dat we het niet zullen vergeten.
En toch vergeten: tandpasta, glansmiddel en scheermesjes.
Later begint de sneeuw te smelten in het bos. Hij druipt van de takken in mijn nek. We slaan een modderig bospad in. Daar ga ik niet door, zegt ze.
Mijn paté met kerstmis was heerlijk en mijn zus had lekker gekookt.
De bliksem beweegt zich voort met een snelheid van driehonderdduizend kilometer per seconde. Ons leven gaat iets trager maar de gebouwen, wegen en nog wat, blijven bestaan als we er niet meer zijn. Ik bedoel maar, verspil geen seconde van dit leven als het je dierbaar is want het is zo voorbij. Te snel om alles te begrijpen.
Dag vriend. Uw e-mailadres is letterlijk in het bierkaartje verwaterd door een regenbui net voor ik verleden jaar ‘s morgens thuis kwam. Ik doe een gok om het correct te spellen al zal dit bericht u wellicht nooit bereiken. In dat geval zal het als een spreuk in een wijnfles op de internetzee blijven dobberen en zal ik de enige zijn die het kan weten. Toch probeer ik enkele zinnen te lispelen. Geen wereldfilosofie of verzonnen waarheden maar iets over halfweg tussen Leuven en Duisburg. Halverwege omdat net op dat moment de volle maan in mijn gezichtsveld door de wolken breekt en de hemel in het oosten begint op te klaren tussen nacht en ochtend. Ik denk aan hier en nu, een fragment uit de toekomst dat al sluimerde toen we nog op de schoolbanken naar spannende avonturen van Jan Zonder Vrees luisterden. Was het niet die meester Volders die zo'n boeiende verteller was?
Weet ge, het heeft me ontzettend goed gedaan iemand zoals u eens te ontmoeten want soms voel ik me als overschot van een op de klippen verpletterd schip. Het komt misschien door het verlangen naar onmogelijke schoonheid of naar een zweem van solidariteit dat ik niet zie in mijn straat.
Maar beste, nu in tweeduizendennegen bestaat ge al bijna een jaar niet meer. Ik kon het mij niet laten dit te schrijven.


