ooit
Toch sta ik hier met tranen in een omgekeerde lach te kijken naar wat onwaarheid zou kunnen zijn.-
En ooit, zal ik misschien men geveinsde waarheid ontkennen. Ooit.
ooit
vandaagMooi, gevoelig? In feite
is het niets meer dan een geboorteherinnering. Niemand gelooft mij als ik het
vertel. De Warket kletst weer uit zijn eigen wereld, zeggen ze dan.
Wat is er nu zo triest
aan om uit een baarmoeder te glijden? Ik ben content geboren te zijn en angstig
om eens te moeten sterven.
Ik… ik ben ontstaan. Ik
kijk en verlies naar menselijkheid.
Dan is het duidelijk dat
je de geboorte in elk geval wel herinnert, wat vaker voorkomt overigens. Ik
geloof je best. Mijn eerste herinnering was toen ik 1 en 2 maanden was en zelfs
van daarvoor meen ik me dingen te herinneren. Beeldmateriaal uit die tijd
veroorzaakt echter verwarring. Wat was er eerst? Waarom eigenlijk niet in ik-vorm geschreven?
Waarom niet in de ik-vorm
geschreven? Dat doe ik al vijfentertig jaar. Soms wil ik dat ik hij is. Het
maakt geen verschil. Er slentert een spin naast dit toetsenbord. Vroeger zou ik
ze dood pletten met de onderkant van mijn vuist. Nu kijk ik ernaar. Dat maakt
het verschil. Hoe is de herinnering aan die eerste maanden? Zelf herinner ik me de vloer waarover ik
kroop, en een koude deurkier naar een
verboden trap. Ik klampte me vast aan uitsteeksels in muren en rook aan mijn
pols. Dat doe ik nog.
vandaagMooi, gevoelig? In feite
is het niets meer dan een geboorteherinnering. Niemand gelooft mij als ik het
vertel. De Warket kletst weer uit zijn eigen wereld, zeggen ze dan.
Wat is er nu zo triest
aan om uit een baarmoeder te glijden? Ik ben content geboren te zijn en angstig
om eens te moeten sterven.
Ik… ik ben ontstaan. Ik
kijk en verlies naar menselijkheid.
Dan is het duidelijk dat
je de geboorte in elk geval wel herinnert, wat vaker voorkomt overigens. Ik
geloof je best. Mijn eerste herinnering was toen ik 1 en 2 maanden was en zelfs
van daarvoor meen ik me dingen te herinneren. Beeldmateriaal uit die tijd
veroorzaakt echter verwarring. Wat was er eerst? Waarom eigenlijk niet in ik-vorm geschreven?
Waarom niet in de ik-vorm
geschreven? Dat doe ik al vijfentertig jaar. Soms wil ik dat ik hij is. Het
maakt geen verschil. Er slentert een spin naast dit toetsenbord. Vroeger zou ik
ze dood pletten met de onderkant van mijn vuist. Nu kijk ik ernaar. Dat maakt
het verschil. Hoe is de herinnering aan die eerste maanden? Zelf herinner ik me de vloer waarover ik
kroop, en een koude deurkier naar een
verboden trap. Ik klampte me vast aan uitsteeksels in muren en rook aan mijn
pols. Dat doe ik nog.
verkoudheid8h: de koffiegeur maakt
me wakker. L. is vroeg opgestaan. De lucht is nog gesluierd. Ze voorspellen
zomerweer.
Wat eten we vandaag? Ik
ga straks winkelen in het dorp.
Er klopt iemand op de
deur. Het is onze pa en ons ma die langs komen. Ze hebben een fruittaart en
schuimwijn meegebracht. Hij vertelt over het verleden.
Zal ik een carpatio maken,
ik moet toch naar de beenhouwer.
Neen. Wij vertrekken zo
meteen.
Bij de beenhouwer koop ik
vier stukken soepvlees, een halve kilo gehakt en twee zwarte pensen. Bij de
kruidenier een bot wortelen, tomaten, champignons en tomatenpuree. Ik maak spaghetti
klaar.
De saus pruttelt. Met
kousen en sandalen aan ga ik aan de buitenschrijftafel zitten. Koud is het
niet. Het is windstil. Ik heb mijn mouwen opgerold.
L. draait een sigaret. De
zon schijnt net tussen twee wolken heen. Een lichtscheut om zo weer te
verdwijnen. Ik ga de saus bijkruiden.
Wil jij ook nog een stuk
taart? Ze twijfelt voor een kleine portie maar.
Als het begint te waaien
gaat ze binnen een boek lezen. De opklaringen verminderen. De hond heeft de
keukendeur open geduwd.
In de tuin staat een bank
die zo oud is dat het riskant wordt om er nog op te zitten. Ze heeft
feestavonden gediend. Nu staat ze daar langzaam in elke zonsondergang te
vergaan, dient ze enkel de herinneringen
nog.
Is er spaghettisaus
genoeg? Jean zou graag mee eten. Hij heft het deksel op van het boordevol
cassool als hij dat vraagt.
Ja, meer dan genoeg. We
eten om halfzeven.
L. doet een namiddagdut.
Niet wakker maken. Pas om kwart na zes fluister ik in haar oor: “Binnen een
kwartier wordt het eten uitgeschept.”
Het is donker geworden.
De oranje pleinverlichting weerkaatst haar licht over een deel van de tuin en
de binnenkoer. Echt donker is het hier niet. Ik kan buiten in de nacht mijn
teksten lezen en schrijven. Soms mis ik het donker.
Wil jij nog een stukje
taart?
Neen, het is genoeg
geweest. Ze is verkouden. Ik bal lucht in mijn vuist.
geboorteHij hoort, voelt haar hart bewegen
en glijdt de bevrijding tegemoet
Vanaf nu gaat hij een mens worden,
wordt hij door de wereld opgeslokt
Uit het water
heeft hij afscheid genomen
van wat hij zich niet meer herinneren kan
gebroken spiegelHet ouderhuis werd verkocht en staat nu
leeg. Op de bank achteraan in de tuin zitten ze getweeën gevangen in een onbewogen
blik. Het is de laatste dag, tevens de eerste bezitteloze dag. Nu moeten ze weg.
Te laat om opnieuw te beginnen, te vroeg om een einde.
Nog voor de nieuwe eigenaars komen, verken
ik de ruimten waarin ik opgegroeid ben. Voor het eerst zie ik leegte in dit huis.
Mijn inscripties in de dwarsbalk op zolder zijn nog duidelijk zichtbaar. Ik had
er een plaats voor mij alleen waar ik me kon terugtrekken in geborgenheid.
Ik voel en riek het nog. De slaapkamer die
ik met mijn broer deelde, hun slaapkamer die steeds netjes was, de woonkamer
die gek genoeg nu door haar leegte kleiner lijkt, het waskot met de waterput… Een
voor een bezoek ik de lege ruimten en schraap er de herinneringen weg. Ik
bewaar ze in het breekbaarste van mezelf als troost voor die twee op de bank
achteraan in de tuin.
Hij heeft haar hand in de zijne gevouwen
alsof hij bang is dat ze zou wegkantelen. Die sterke werkmanshand is
onveranderd gebleven. Ze kijken elkaar niet aan. Ze kijken mij niet aan. Te
broos voor aanspreekbaarheid.
Kom, het is tijd om te gaan. De weg is nog
lang. Pas dan raken onze ogen elkaar. Wij drie als enig overgeblevenen uit een onstuimig
leven, nu als een gebroken spiegel in niemandsland.
verzwegenniets is verzonnen in mijn geschrift
toch ben ik niet
wat anderen denken dat ik ben
er blijft een verzwegene
als een geheim bestaan
de dag begint in mist
de hemel is nog zwart
het waait nat
mijn schedel jeukt
onderhuidse pijn
dit is mijn laatste onwerkbare dag
dinsdag 12 februari 20086h: het
gaat beter met mijn keel, en dat na amper drie capsules antibiotica. De dokter
had pas voor morgen beterschap verwacht.
De hond
legt zich klaar voor haar spuitje. Ze weet dat ze daarna haar eerste maaltijd
krijgt. Dan gaat ze buiten een plasje en een kakje doen waarna ze languit in de
zetel verder gaat slapen.
Ik kook
drie eieren en maak koffie. De boter heb ik al uit de koelkast gehaald zodat
die zachter wordt.
7h15:
met een boterham, een ei en een tas koffie op een bord sluip ik naar boven, doe
het licht in de slaapkamer aan en roep enthousiast: “Verrassing, ontbijt aan
bed!”.
Het
laken kronkelt. Met dichtgeknepen ogen kreunt ze: “Oh neen. Doe dat licht uit”.
Ik had
het kunnen weten. Voor haar is het nog een uur te vroeg. Bovendien heeft ze
vannacht slecht geslapen. Dat komt door de werkomstandigheden. De zaak werd
onlangs verkocht aan een multinational. De reorganisatie die daarmee gepaard
gaat (goedkoop personeel, geen ondersteuning van het bedrijf, doelstellingen
onevenredig met de middelen…) heeft al geleidt tot het ontslag van haar
collega. Management op hedendaags topniveau, beleden door een universitaire Pipo
die de mensen met gekruiste armen en gespreide benen toespreekt.
Wanneer
ze naar het werk vertrekt tranen haar ogen uit wanhoop.
Zelf heb
ik het jaren geleden ook meegemaakt. Een mailbox dagelijks volgestouwd met
a.s.a.p.berichten. De klant kan de pot op.
10h: ik poets mijn tanden en was me grondig. Me scheren doe ik niet. Dat is voor niks nodig. Niet vergeten om straks de sifon in de badkamer te ontstoppen. Eerst de keuken opruimen en de vuilbak leeg maken.
12h: aan
de krantenwinkel is de Brusselse filmschool druk bezig met de voorbereiding van
een opname voor een kortspeelfilm. Ze hebben enorme lichtreflectoren geplaatst
rond een grijze luxewagen waarin vier kerels in maatpak met zonnebril zitten.
Verder gebeurt er niets. Ik heb een krant gekocht.
L en S
zijn thuis gekomen. Middagpauze.
Terwijl
ik de krant lees eten ze tête à tête een boterham. Wanneer S vertrekt speelt
zij haar favorietenspel op de computer. Dat zorgt voor wat afleiding. Dan is
het haar beurt om te gaan.
Je komt
er goed voor.
“Vind je
dat?” antwoordt ze ontroostbaar.
Als ze
naar de wagen stapt kijk ik haar na vanuit de deuropening. Ze is te gevoelig
geworden voor absurde veranderingen in haar werkomgeving. Mensen met praatjes, een
lange arm en een vingertje is niets voor haar. Prostaatbedrijven, ze krioelen
in dit land.
Krantentitel van de dag: “Openbaar vervoer voldoet niet aan de eisen van gehaaste en gestresseerde jonge ouders”.
15h: niksnutten is een zalige bezigheid, zowel binnen als buiten. Zoals nu, onder een wolkenloze hemel die zonlicht en schaduwen impliceert. Een mooier cadeau kan je niet krijgen. Kijken naar de glinstering van pas geschreven woorden. Doodbloeden in verveling zal ik niet doen. Ik heb nog een sifon te ontstoppen. Dat ga ik nu meteen doen.
17h: een
uurtje in de zetel gelegen wegens rugpijn. Is waarschijnlijk een nevenwerking
van de medicijnen. Of zou het de schuld zijn van die twee glazen wijn die ik
gedronken had? Met de pijnstillers ben ik gestopt.
Het
lijkt wel of de zon elke dag later begint te zakken. Hier is de lucht voorlopig
nog proper. Hier is het nog relatief rustig. Alleen in het spitsuur van de
razers is er lawaai. Dan doe ik mijn hoorapparaten uit en vertoef ik in de waan
van de stilte. Straks braad ik een haantje met gestoofd witloof. Eerst nog wat
turen naar het avondlicht. Zo kom ik voor het eerst op eigen kracht te weten
dat wind en water geen geluid maken. Het is hun aanraking met de dingen die we
horen.
De man van de pastorij zet de vuilniszakken buiten.
naartoevanmorgen
wachtte ik
op
klaarlichte dag
met
handschoenkoud
halverwege
zie ik de zon
ik moet
straks ergens zijn
verschijnen
met een doel
in het
straatbeeld
zie ik
alsmaar meer
jonge
mensen om me heen
mijn
pezen worden stram
mijn
botten beginnen te kraken
ik mag
ergens naartoe
vanwaar
ik gekomen ben
nu wordt
het avond
zwarte
grote vogels
vliegen
onbestemd
onder
een turke hemel
met
oranje slierten wolken
Ik mag ergens naartoe
sprekver...Hoe kan
iemand
versteend
in verlangen
gevangen
in haar ogen
als een
verdwaald dier
nog
ontkennen
niet bedwelmd
te zijn
door
haar geur
als ze
uitgevouwen in haar vrouwelijkheid
doordrenkt
in dit nachtelijk uur
zwijgzaam
aan de rand naar het water staart.
Wie dan
nog aarzelt in gedachten
of
twijfelt
moet een
treuzelaar zijn.
In een
gesprek
een aanraking dan
tranen ogen
schieten woorden tekort
omdat ze zo verontschuldigend zijn
Een knuffel
mensen onder elkaar
troostend
Toch wil ik soms
dat ze mij niet
en ik hen niet zou kennen
Wie weet
zou het ongeluk
van alleen te zijn
goed kunnen zijn.
sneeuwDe
volgende ochtend is het opnieuw onophoudelijk aan het sneeuwen. Onbegonnen
moeite om hierdoor te fietsen. Het kerkplein ligt er verlaten bij. Het schiet
hem te binnen om hiervan een foto te nemen. Hij draait de digitale camera op
het statief en richt vanuit de open voordeur, het toestel half beschermd , naar
het sneeuwgordijn.Het is zes uur ’s
morgens.
De geparkeerde auto’s die anders het dorpsplein schulddelgend ontsieren worden
opgeslokt in een uitgestrekte sneeuwbal. Het dorp slaapt in een bijna gemiste
winter.
Enthousiast gaat hij naar de slaapkamer waar
zij zich niets vermoedendde
voorlaatste keer omdraait onder de lakens.
Het is opnieuw aan het sneeuwen!
Wat zeg je?
Alles is ondergesneeuwd, kijk maar naar het raam boven het bed.
Ze verheft haar hoofd schuin naar het dakvenster, zucht en trekt dan het laken
tot net boven haar voorhoofd. Ze heeft nog recht op een uurtje slaperige
zaligheid. Je gaat toch niet met de fiets naar het werk?
Ik twijfel, …alhoewel
Neem de auto. D. zal me naar de luchthaven brengen.
Ze heeft gelijk. Fietsen kan hij morgen in klaarlichte dag. Nu hij met de wagen
gaat schiet er extra tijd over voor een tas koffie en een sigaret die hij in de
deuropening genotzuchtig oplurkt.
De rit naar de stad verloopt traag. Het wordt dag. Natvoetige kinderpret is nu
niet aan de orde. Het land wordt lamgelegd door vijftien centimeter sneeuw. Wie
het zich kan permitteren pleegt onschuldig verzuim op deze laatste werkdag. Het
verkeer sukkelt en strandt halverwege. Overmacht krijst overal. De ambtenarij
is met onbesproken verlof. In Rusland zouden ze om zo’n interludium giechelen,
maar hier, die vrijdag, is het ernst.
Het tast de economie op het dagmenu aan; de witte vleugels houden alles in hun
greep. Er wordt haast vergaderd over het rampenfonds in préfase één.
Als hij ’s avonds thuis komt veegt hij de sneeuw van de terrastafel en legt er
een marmeren plaat op zodat het schrijfpapier droog blijft. Hopelijk begint het
niet opnieuw te sneeuwen want de alle seizoenen trotserende parasol blijft
nukkig dicht. De ochtendsneeuw is blijven liggen. Het witte stuifsel glinstert
in het oranje straatlicht van die enige pilaar vlakbij. Een stilistisch fragment
op dit vroegavonduur. De loshangende flappen van de parasol bewegen uitdagend
in zachte bries. Het is vredig hier zo te niksen om een ongemist moment. Er
dwarrelt fris sneeuwvocht uit de hemel dat de inkt doet uitvloeien. Woorden
verwateren op den duur in doorweekt schrijfpapier. Het wordt tijd om onderdaks
te gaan en veel koffie te drinken.
Willekeurig uitgelopen schrijfsel, voorovergebogen met gespreide armen in het
droge aan een houten tafel herschreven. Weerspiegeling van de boom in de
jaarringen van het tafelblad, net zoals de patine van messneden en opgeslorpte
vervuiling de tafelaars ontsluiert. Wachten op de wispelturigheid van ongeboren
woorden in het nachtelijk uur. Zo zit hij tijdloos over een bladzijde gebogen krabbels
te herschrijven.
Ze heeft hem gebeld. Door het winterweer heeft het luchtverkeer vertraging
opgelopen. Teletext blijft in het ongewisse over vlucht FT175 vanuit Rome. Het
vliegtuig stond nog aan de grond. Ze zou hem terugbellen als ze geland zijn. De
overdosis koffie begint ondertussen zijn nut te verliezen. Zijn gedachten slaan
ijsberend op hol. Zou Mozes de staat Israël opgericht hebben? Waarom zijn ronde
vormen vrouwelijk? Zal de wieleromloop afgelast worden wegens te guur
winterweer? De vragen tollen willekeurig in het rond en breken zijn door de
tijd losgeslagen brein tot de telefoon om kwart na drie opnieuw bevrijdend
rinkelt. Kom me halen, klinkt een vermoeide stem. Zijn laatste kennis vandaag
is dat het in Rome koud was en dat ze het vliegtuig moeilijk terug aan de grond
kregen.
Daarna verkiest hij om slapeloos te bevriezen in het buitenleven in een
ondergesneeuwd woud. Hij ziet de bomen als levende pilaren in een tempel waar
krakende voetstappen de stilte breken. Hij is van het bospad in niemandsland
gesukkeld en volgt onbewust een hondenspoor. Nu weet hij waarom mieren sporen.
Ze doen het gewoon. Zijn versufte geest ontneemt hem elke innerlijke dialoog.
Gedachten ontstaan en worden telkens abrupt afgebroken. Op den duur blijft er
niets meer over. Alles is nieuw en wordt vernieuwd. Deze dag is het hoogtij van
niemandsland.
Besneeuwd land als een ongeschonden doek,
Maagdelijk onbevolkt en een sneeuwboog
Van Oost naar West.
Doorkloven geest omhuld in wit satijn,
Vermomd in schrijfgebaar,
Geen enkele gedachte ongeschonden
Bevroren in dit rijk.
Moest melancholie de grootste vijand en
Liefde het opperwezen zijn,
Zou dit schrijven niet geschreven zijn.
aftakel
konijnWanneer
het metaal van een muntstuk meer waard is dan zijn eigen waarde gaat het slecht
met de economie.
Droogfris. Vandaag stoof ik een konijn.
Mijn vader is onverwacht bij mij thuis gekomen. Bloedrood op zijn
achtenzeventigste ouderdom.
"Ik ben met de fiets gekomen" schreeuwt hij halfdoof. Meteen belt hij
naar ons ma om te zeggen dat hij ongedeerd aangekomen is.
Pa, ge zijt toch niet langs de verkeersweg naar hier gekomen?
Neen, ik heb de hellewegen genomen langs de diepe straat.
Het konijn is halfgaar.
Dan is hij weer verdwenen.
Wanneer het donker is: asejee vous dans la froidir de cette soirée.
Ta geulle, jankt ze tegen mijn blaffende hond. Ik heb een toevallig
voorbijkomende wilde verstandige dame voor een paar seconden aan de buitentafel
uitgenodigd.
"Ik heb liefdesverdriet. Ik ben het beu om afgewezen te worden" zegt
ze. Je suis seul.
Ik stamel wat filosofisch gespalk uit mijn bek.
Jouw woorden dringen niet tot me door, zegt ze nog voor ze verder gaat.
Het konijn is te gaar. Alleen het bot blijft over in het casserol. Het vlees is
met de saus verzooid.
lichtwoordenIn dit
dagrestant
wil ik voor ik het vergeet
mij nog herinneren
zowel slachtoffer als vrijwilliger te zijn
Zoekend naar woorden en zinnen
schrijf ik voor het eerst in de buitenlucht
gevangen in het onbelichte donker
ver weg van de lichtvlek
van een bewoonde wereld
Mijn hand beweegt
een pen in het pikkedonker
varend
lichtwoorden uit mijn geest.
donderdag 24 januari 2008Middag
droog en wind. Het moet zo een zeven graden zijn.
Zeevruchtencoctail
met kaasbeschuit. Ik zit in een schuilhok min of meer beschermd tegen de wind. Al sinds vanmorgen
ben ik onderweg, piekerend over een
plotse vroegtijdige dood.
Door dit
buitenleven in gure wind raakt mijn lichaam verkild, tranen mijn ogen.
Het landschap is bruin en grijs. Alleen de weiden met modderige drinktroggen zijn groen gebleven. De dagen beginnen te lengen.
Niemand die hier voorbij komt.De stad hier vandaan ruist.
Net voor
de lente begint zullen molshopen verschijnen en gaat het zachter waaien. Ook
het vuur hoeft dan minder gestookt in korter wordende avonden.
Zijbijmij, ik zie de lente in haar ogen verschijnen.
Nog een
keer kuis ik mijn pen met inktzwart bevlekt verfrommeld papier vooraleer het weg te
gooien in bewaarsel.
toch
theo
weetik?
duet
striemTussen twee veldwegen tuur ik naar voorbijgaand verkeer vanop een bank in het geschemerte. Zelfs in het halfdonker blijven regendruppels aan een twijg als parels bestaan. Ik plas uitbundigheid uit mijn lijf. De regen striemt mijn ogen bloeddoorlopen in een kort vergezicht. Ik vervolg mijn weg. Straks arriveren is mijn doel.
2 reacties op dit bericht
aanwezig in ...
euh...