Naar de inhoud

verbruikte toekomst

verbruikte toekomst
seniorennet.beseniorennet.be

parijs


Donderdag 11mei 2006

Aan de trappen van het gemeentehuis eet zij een broodje en ik sardienen uit blik dat we net gekocht hebben. De zon gloeit. We fietsen naar Parijs langs bebost gebied dat uitmondt aan de Maasvallei tot in Wepion. Nog vijf kilometer tot aan ‘Le chateau du beau Vallon’. Net op tijd om de zonsondergang te zien.
’s Ochtends dringt de zon door sparren langs het open venster in de kamer. Ik blaas haar wakker. We gaan verder door de Maasvallei. Halverwege Mariembourg … het is heet. Laten we in de schaduw ‘les boulettes de la maison’ eten. Terwijl zij in een tijdschrift bladert lees ik de krant. Dan steken we de Maas over langs een doolhof met smalle bruggen. De weg gaat verder recht door een bos. Dit wordt kilometervreterij.
19h: De gastheer en zijn dame spreken met een Antwerps accent.
Na de schemer zitten mensen buiten te praten. Er hangt een kruidengeur van barbecue in de lucht.


zaterdagochtend

Vannacht heeft het geregend. Bij het vertrek regent het opnieuw. Een uur later wordt de hemel blauw. In Balieux kopen we brood. Picknick op de trappen van een kerk. We fietsen langs een asfaltweg de grens over. Er is een vervallen café dat de tweede wereldoorlog nog gediend heeft.

17h rue Jean Charton 18…
De dame die ons verwelkomt is veel ouder dan ze eruit ziet. Geblondeerd, opgespoten lippen, weggetrokken rimpels, een boezem om U tegen te fluisteren en gekleed als een wulpse tiener.
Die valt nu echt in mijn smaak, zeg ik.
Hoe is dat toch mogelijk, zegt ze onbegrijpend.
De inkomhal en de trap zijn versierd met roze en witte bloemen. Hemelbed opnieuw roze met pastel, spiegels en antiek. Satijnen kussens, frullen en franjes. Zelfs het wc-papier is geparfumeerd.
’s Anderendaags is het geneveld. De weg gaat lichtglooiend door gele koolzaadvelden, kleine dorpen zonder winkels en staminettes. In de late namiddag zijn we in de laaggelegen voorstad van Laon. De kathedraal is gebouwd op de top. Zodra we de spoorwegbrug oversteken begint de steile klim. Zij boekt een overnachting in hotel ‘Les Chevaliers’. Wijn, paté met zoutkoekjes op de kamer. Dan slenteren door de kleine stad ondergedompeld in strijklicht. De immense ruimte in de kathedraal is adembenemend. Het licht dat langs de glasramen binnenvalt wordt gevangen tussen bogen en gewelven waaruit een engelenkoor galmt. We gaan traag door de enorme middenbeuk. In het portaal neem ik in een lichtstraal een foto van haar. Vanop een stenen reling hierboven zien we het landschap waar we doorgefietst zijn. We kletsen tegen elkaar als goede vrienden.

22h30
Een sigarettrek in de vensteropening van de badkamer. Ik registreer zonder diepgang. Tijd om slapen te gaan.

De volgende ochtend om 6h30 rook ik opnieuw in de vensteropening van de badkamer een sigaret. Iemand van de vuilkar plukt met een grijpstok zwerfvuil van het trottoir. De helft blijft liggen. De man staat er blijkbaar alleen voor.
Terwijl ze uitslaapt ga ik in de stad. De onbemande kabellift die het lage met het hoge stadsdeel verbindt, gaat met hoge snelheid heen en terug, echter zonder pendelaars. Midden in een zijstraat aan ‘La Place General Léclercq’ laat een jongeman zonder gêne een hond zijn behoefte doen. Een uit tegenovergestelde richting komende voetgangster werpt met enige afschuw een blik naar de langwerpige zandkleurige drol. Het maandagochtendleven komt op gang. De kokette dames op de trottoirs vormen een schril contrast met de vervallen natuurstenen gevels. Nonchalante schoonheid. Klakkende hakken op de kassei…klak…klak…klak.

16h35
Burlp…die Leffe smaakt. Vive la France! Merde aux voitures! Vandaag zijn we amper twee fietsers tegen gekomen.
Ik bestel ‘un grand café au lait’. Ze vindt die jonge serveuse onsympathiek. Ik niet. Ik hou van die koele uitdrukking en dat handje dat de deur dicht smakt in plaats van dicht te doen. Daarachter ligt meestal een ondoorgrondbare reden. Niet dat ik haar badwater zou drinken, maar het heeft iets.


dinsdag 16 mei

De gastvrouw, rondborstig struis, vraagt of we vanavond mee eten. Natuurlijk eten we mee. Ze toont langs een stenen trap de kamer.
s’ Avonds zijn we met zes aan tafel. De gastheer die tevens burgemeester is, verschijnt als laatste met in zijn linkerhand een fles wijn. Een monument van een vent met politesse.

woensdag 17 mei

6h45

De zon geeft al warmte in de hoger gelegen velden. Ik moet op tijd terug zijn om haar wakker te maken voor het ontbijt. Stipt om 8h wordt de tafel gedekt. Ik laat de ochtendlucht diep in mijn longen dringen, blaas ze krachtig uit, herhaal tot lichaam en geest scheiden.
Na het ontbijt willen we nog een dag langer blijven, zonder moeite en tijd zat.
De dorpen in deze glooiende landschappen zijn onveranderd gebleven. Alleen de weg heeft er een asfaltlaag bij gekregen. De huizen zijn opgetrokken met gekalibreerde witte steen en tegelpannen daken. Daartussen geel, wit en purper bloeisel dat bedwelmt. Hoofd ondersteund door linkerarm, verrijkt met leegte. Men zegt dat gemis de basis vormt voor een goed verhaal. Nu ik niets mis, niet het minste verlangen heb en alleen nog het ogenblik koester, verkleumt mijn pen bij elke zin. Binnen klettert geluid als afwas zonder afwasmachien. Ik dacht ook kikkers te horen in een kwakkend geluid.

Leven ingekapseld in tijd en ruimte. Oneindig ziet het kind akkers opnieuw bloeien, heersen verzonnen Goden onmacht der wijzen tot het licht dooft.
Is het een zwaluw of een vreemde vogel die dit geluid maakt? Het lijkt op een snel kabbelend riviertje, maar dan vanuit een boom.

11h
La Collégiale St. Thoma, gebouwd in 1182. Aan de ingangsboog is een inscriptie: ‘Le peuple français reconnaît l’Etre Suprême et l’immortalité de l’âme’. Ik koop een bloedpens die we op een bank achter een kermismolen op eten. Zij proeft twee centimeter. Ik slok achtentwintig centimeter naar binnen. Mijn vingers hebben er een bruin-rode kleur van gekregen. Ze zegt: veeg uw mond schoon.
Op de heuvel aan de ruïnes van een Romeins amfitheater slaan we een bospad in. Nog tachtig kilometer.

donderdag 18 mei

22h53
Place de la Bastille in Parijs. Ongetwijfeld drinken we cocktail op een terras. De laatste 30 km ging het in tegenwind langs een kanaal. Deze stad bruist. Ik kus haar op een wang. We hebben een goedkoop hotel gevonden in de rue Antoine. De fietsen konden in de inkomhal. Kleine kamer met twee eenpersoonsbedden. Ouderwets en versleten maar het werkt. Het water is even warm als in een viersterrenhotel waarvoor je hier gemakkelijk tweehonderd euro betaalt. In dit hotel mag je zelfs roken op de kamer.
Het is nacht. We drinken chocomelk met Cointreau. Ik lonk naar ‘les Parisiennes’ die zwierig voorbij lopen. Nu nog banen fietsers zich een weg langs het drukke verkeer. Ongelooflijk. Parijs is een fietsende stad in wording. Ik krijg zin om mijn fiets in het hotel te gaan halen maar dan rijd ik onherroepelijk verloren.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 20:23 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

zwartwitteveetje

Wij kregen in 1975 een zwart-wit televisie. Een plastieken draagbare met een beeldscherm van exact vijfentwintig op twintig centimeter. Vier keer is het mee verhuisd en heeft het zowat op alle plaatsen gestaan. De laatste jaren stond het stokversleten in de badkamer. Hier en daar ontbrak er iets aan maar de vitale organen waren nog intact. We konden twee zenders ontvangen. Plots besliste vooruitgang dat beelden niet meer met antenne worden uitgezonden. Van de ene dag op de andere is ons teveetje beeldloos geworden. Ze hebben het vermoordt.

Koop een cinemascreen en vraag een digitale aansluiting aan, zegt mijn zoon heel gewoon.

Ik ga buiten staan.

Er hangt sneeuw aan het rooster dat op het kampvuur van de zomer is blijven liggen. Niet ver vandaan staat vergrijzde lavendel die ik in gedachten nog zie bloeien. Nu weet ik het zeker, het kruid is aan zijn winterslaap begonnen.

Donderdagnacht had ik een schuilplaats gevonden op een bank onder een afdak in een park. Twee jongeren ruim de volwassen leeftijd voorbij hebben mijn slaap verstoord. Een van hen rijkte mij een bierblikje aan maar ik wou water. Ik vertelde dat ik hier tijdelijk was en wees hen op energieverspilling in deze tijd. Tijdelijk licht, tijdelijk seizoen, tijdelijke wereld.

Hou op met zeveren, zei een van hen.

Gistenochtend was het aan het stormen met regen. Overdag bleef het droog. Het waaide door alle kieren. ’s Avonds werd het koud en vanochtend heeft het gesneeuwd. Nu schijnt de zon.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 12:45 1 reactie Reageer op dit bericht

ongetiteld

Eerst dacht ik te vertellen waarom ik dit zou schrijven en dan bedacht ik me weer. Nu ontgaat mij wat ik wou. Een kakkewals in de tijd echoot in mijn kop.

Het is nu volle maan. Onze voorouders feestten dan want het land was ’s nachts verlicht. Moeders brachten hun kindren mee…hadden kruiden bij die ze over het nachtvuur strooiden terwijl ouderlingen door koperen pijpen zongen. Het gebeurde voordien enlaten we indachtig zijn.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 02:10 2 reacties Reageer op dit bericht

zondag 9 november 2008

6h: Ik ben klaarwakker, sta op, pers een appelsien en ga dan buiten op de binnenkoer. Het waait vocht. Het is niet koud. Ik kan in pyjama buiten staan. De tuin is bedekt met bruingele bladeren.

7h: Stef komt thuis met vrienden. Ze hebben de nacht in de buitenlucht doorgebracht. Ik stop de borden in het afwasmachien en maak de keuken proper.

8h30: Een tas koffie in de wind. Het is klaar geworden. Er bloeit nog zeldzaam purper met bordeaux. Ook rozelaars behouden een uiteindelijk wit restant.

9h30: Zijbijmij is uitgeslapen.

   Vergeet niet dat we straks op zoek gaan naar een boekenrek.

Oei, dat was ik vergeten. Ik ga me nu scheren.

Ondertussen doet ze wat ze bij het opstaan al heel lang doet: ze drinkt koffie bij TV.

   Bert en Evie komen vanavond eten. Maken we ossobuco klaar?

Ik geef de hond een inspuiting tegen suikerziekte en geef haar eten. Ze wordt blind.

11h: In de zaak die vandaag uitzonderlijk open bleef stond aan de kassa een twintig meter lange file. Bij het zien hiervan zijn we meteen naar buiten gevlucht zonder boekenkast.

Zijbijmij is nu ingridiënten gaan kopen voor het avondeten. Ondertussen snuit ik mijn neus en kan mijn gelaat opnieuw ongeschoren worden. Ik heb het gevoel dat mijn afgetakeld lichaam mezelf niet meer kan herbergen.

12h30: Telefoon.

   Pappa, hoe laat komen wij eten?

Rond zeventien uur?

  Liefst halfzeven. Ik wil nog wat doen vandaag.

Halfzeven dan. Ik maak ossobuco klaar met pasta.

Zij is terug en maakt de houtkachel leeg. Ik trek mijn houthakkerskleren aan en wil in novemberstorm brandhout klieven. Eerst een middagaperitief.

13h30: Terwijl ik herfst bijeen gritsel poets zij het huis. Als de kinderen komen moet het er netjes uitzien. Ze heeft een geurkaars gekocht om de hondengeur uit de huiskamer te verdrijven. De transistorradio staat aan. Ze heeft de kachel aangestoken.

er hangt houtskoolgeur in wind

ze tekenen een wapenbestand in volle overgave

aan nederlaag en zegevieren

gehuld in strakke vesten en lange pardesu’s

klimmen ze naar het schavot dat de toekomst gaat

herverdelen met andere heersers

…dat was gisteren.

14h30: Stef heeft zijn roes uitgeslapen. Aan de koelkast vraagt hij wie de garnaalkroketten opgegeten heeft. Ik vannacht. Hij mompelt een Franstalige vloek.

De zon komt erdoor. Mijn inktvod raakt verzadigd. Ik trek mijn houten klompen aan.

Achteraan in de hof staan twee versleten tafels. Een van hen staat al twintig seizoenen buiten en is zo verzwakt dat ze amper nog een bloempot kan dragen. De andere is krom maar stevig. Aan beiden heb ik geschreven en avondlange gesprekken gehad.

18h: de keuken is te klein voor ons twee. Ik ga de wijn chambreren en ervan proeven. Zij maakt het voorgerecht. De klokken luiden zes keer als een gebiedend geluid voor gelovigen en een tijdssignaal voor verliefden, een eeuwenoud geluid voor zij die geen uurwerk hebben.

18h30: Het eten is bijna klaar. Ze lachen joviaal. Zijbijmij is content met de kinderen in huis. Ik ook. Het wordt hier een festijn.

20h30: De fles wijn is leeg. Evie drinkt cola light.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 10:51 Reageer op dit bericht

kijken

kijken

bewegen blauwe twijgen traag

luisteren ogen doof

naar lichtgloed uit wolken

die wind in oorschelpen

alles doet bewegen in wit en geel

na dit vroeguur van de winter

 

nat en kil fluistert het weer

iets uit een zwanendans

op een verweerde tafel

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 19:40 Reageer op dit bericht

volrond

ze zit op een bank midden in een stad
we hebben op het middaguur afgesproken
ze is op tijd
ik ben twee minuten te laat
eerst nog even naar het buro
dan terug naar de zitbank
dagschotel, sla, …de wijn is voor haar

de dames zijn in dit gloeiend weer licht gekleed, getooid in geel, roze, blauw, verbloemd
vrouwzomerbloesem gesprenkeld  met dure parfums

diep uitgesneden decolette en gebronzeerde benen in laarzen met hoge hakken
de mode heeft het uitzicht van het zomerseizoen bepaald
de winkel met grote maten had wel iets
volronde dames zonder corset die hun gading vinden
sierlijk staan ze solidair te passen voor de spiegel
de kleinste maat iets te klein
de grootste maat iets te groot
tot het ultieme kledingsstuk rond het lichaam past
die winkel met grote maten
daar zie je geen klasseverschil
ik heb ondergoed gekocht
geen schoenen?

neen, ik had geen tijd   het heeft wel iets, die weg door het veld waarover je altijd vertelt
ik heb dorst   drinken we nog iets?
ik ga nog winkels in en uit    blijf jij maar zitten
ik gluur naar schoonheid die passeert
daarna komt ze terug en ga ik schoenen passen, kleedjes bekijken, in en uit
vanuit gloeiende zon langs trottoir naar binnen en buiten
onvermoeibaar
tot mijn verschraalde tong langs mijn enkels daalt
en ik verzuchtend op een terras de hitte met koelte verdrink
ze is opnieuw verdwenen in de straat
en dan komt ze terug en zegt ze: kijk wat ik gekocht heb
drink ik de lauwe fond uit mijn glas   kom we gaan naar huis
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 16:39 3 reacties Reageer op dit bericht

maandag 27 oktober 2008

Adfundum in de leegte. Alleen de besten mogen minder ziek dan hun fantasie over twijfel, terugval en vraagtekens vroegtijdig ontleven. Die tegendraadsheid stemt me niet eens mistroostig aan een vreemd verlichte tafel. Je bent nooit klaar met zoeken en vergelijken. Het instrument dat ik nu bespeel is een wild beest geworden. Het gaat nooit ophouden. De toegangswegen en de  ring rond Leuven raken overbevolkt. Dat veroorzaakt een prikkelende geur en maakt lawaai. De hele tijd vraag ik me het vermijdbare hiervan af. Economisch-sociaal denken op de fiets. Bezinnen tussen raven en konijnen. Door het winteruur wordt het klaar als ik vertrek. Gustaaf heeft zich overslapen. Terwijl ik mijn post lees en werfschoenen aan trek stel ik het zinvolle van de werkdag in vraag. Is het alleen voor de poen dat we het doen? In Kessel-Lo moet ik op een dak en daarna ook op de Sint-Pieterskerk, maar mijn benen trillen vandaag. Ma, ik heb geen evenwicht meer. ’s Middags wordt het een kebab en daarna zien we wel. Het zal een uur vroeger donker worden vandaag.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 14:02 Reageer op dit bericht

ma

we zijn weg
vader   moeder   zijbijmij
en ik
 
hij vertelt over zijn zus
zijn broer...en verdwenen vrienden
 
zij vertelt over kleinkinderen
en over mij toen ik nog haar kind was
 
ma,
wat blijf je een prachtige dame
ik...
 
smeek nu aan joelende wind
dat de inkt op mijn pen
niet vergaat
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 20:20 3 reacties Reageer op dit bericht

heidenspraak

In het ochtendcafé zit een man met gekruiste benen aan een kansspel. Op de glasplaat ligt een pakje Marlboro. Een vrouw kijkt rond, tuurt bij de koffie door het raam. Ze heeft krulhaar en draagt een bril. De ochtend loeit en reikt over iedereen heen als een reusachtig lichtgordijn. Schaduwen van zij die buiten zijn. Zelf vind ik mijn schaduw niet. Misschien besta ik niet meer.
De maan had de avond voordien nog wazig geschenen en de wind was gaan liggen zodat de loszittende dingen niet meer bewogen.
Het nieuwe fietslicht schijnt in het donker een ander licht.
Koude regen en windvlagen striemen. Bladeren rotten nu op de platgestampte aarde. De stad is bijna leeg.
De terugkeer lijkt oneindig ver. Eens mijn ijzig gezicht ontdooid, ben ik thuis.
Zij kwam in een zwarte winterjas. Ik beluisterde muziek.
Nu stop ik het restant van de avond in een afwasmachine.
De dampkap in de keuken maakt lawaai; ook het gekletter van teljoren als ze de tafel dekt.
Langzaam in de nacht blijft de maan verscholen in joelende wind. De berk verliest zijn laatste zomertakken. Hier, …elders schreeuwt de wereld een lied.
Laten we dansen van vreugde, overlopen van levenslust. Onjuist is het niet, ook al kan die uitbundigheid overslaan in woede.
Nog een dag te gaan. Dan ga ik na zonsondergang als een heiden in het bos op een open plek bewaarde spraaksels prevelen.
Het is koud geworden. De herfst wordt met rijm bedekt.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 20:42 Reageer op dit bericht

neig

Weet je wat ik neig vind aan dit leven? Dat het zo tijdelijk is. Ben ik dankbaar   dat we hier vier   seizoenen hebben, ons gedacht kunnen zeggen en met drinkbaar water uit de kraan onze handen wassen.

De telefoon maakt lawaai. Het is vollemaan die voor alle zekerheid vraagt of we de brunch van zondagmiddag niet vergeten zijn.

Neen. Zal ik HAAR roepen?

Een kwartier later is zijbijmij met vollemaan nog altijd aan het comuniceren. Ook dat is neig.

Rond vijftien uur was de hemel blauw geworden en werd het fris. Het duurde een uur later dan gisteren voor het donker werd. Enkele dagen geleden was het volle maan in een heldere hemel. Ik ben er 's nachts doorgereden. Je kon de veldweg en de omgeving in dat maanlicht zien. Ook dat is neig.

En in de vooravond liepen zes fazanten op de weg tot er een tractor afkwam. Toen ze wegvlogen trokken ze hun poten in zoals eenden dat doen. Dan keer ik terug in de oertijd en zie reuzenvogels over dit landschap vliegen.

En die telkens opkomende zon, dat is om helemaal gek van blijdschap van te worden. Toch zal iemand ooit het vergaan van deze planeet ervaren. Misschien zijn wij daar het begin van.


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 22:16 2 reacties Reageer op dit bericht

donderdag 14 oktober 2004

De dagen worden korter, de nachten lang. Binnenkort zal de zonsopgang onderweg verdwijnen. Zonsondergang is voorlopig nog een cadeau tot het winter wordt. Seizoenen kennen geen stilstand.
Aan de campus fiets ik in tegenovergestelde richting van aankomende studenten. Ze fietsen tegendraads, nonchalant, onbezonnen giechelend en kwetterend. Toen gebeurde waarvan ik dacht dat het me nooit zou overkomen. Een  frontale klap in schemerlicht. Ik botste tegen een fietser met korte rok en kniekousen aan, die graag heeft dat de kou tussen haar benen bijt. Ik heb nog geen handschoenen aan en rijd met dunne kousen en sandalen.
Schreeuwend, wenend lag ze langszij. Ik voelde me schuldig
ook al reed ze tegendraads en was ik niet in fout. Als een gek graaide ik haar schriften van de weg, probeerde ik te vertellen dat dit een stom toeval was, dat het nu eenmaal kan gebeuren.
Later verlies ik mijn menselijkheid als ik naar de eenden op het water kijk. Zie hoe ze vliegen en kwetteren in een onverstaanbare taal. Twee eenden komen dichterbij. Ze vragen om eten maar ik heb niets bij.
Weer niets…niets erweer…. Zoweer is een wereldbeeld verdwenen van eenden in volle vlucht kwetterend in een onverstaanbare taal.
Aan de kant van de rivier zit een kater.
Zijn snorharen zijn bevroren. Hij zit daar tot ik dichterbij kom. Dan sluipt hij weg. Ik passeer de plaats waar hij was en vergeet haast de reden waarom ik hier ben. Het komt door die rivier zonder vissen met een kater aan de zijkant.
Verder, evenwijdig met dit pad is een treinspoor en een brug. Een brug waaronder ik als het regent mijn handen droog en een sigaret draai. Dan sta ik ook te staren naar de grijze lucht, de brug, de spoorweg, de rivier, naar rimpels van regen op het water met uitdijende cirkels die botsen tegen de kant, die de boeien verbreken waaraan ik gekluisterd ben. Even niet ze, wij, men, enzovoort.
Ik heb altijd plezier gehad om met iets onvoltooid bezig te zijn, maar nu blijft er niet zoveel tijd meer over. Meer en meer denk ik aan onze sterfelijkheid. Vreemd genoeg bedroeft mij dat niet. Wat mij nieuwsgierig maakt is of er iets onthullend zal zijn na het afsterven. Of zal het zijn zoals voor onze geboorte: ...niets.   Hoe kan ik dit tijdelijk bestaan erkentelijk zijn?  Ik dacht dat ouderdom wijsheid had maar er zijn meer vragen dan voordien. We worden onvermijdelijk oud. Een voor een. Het is een kwestie van tijd. Alleen de sneeuw, regen en wind verouderen niet.
Later bij mijn terugkeer
naar huis nam ik twaalf gepikte bakstenen mee. De boeren doen de bieten uit. Ze blijven maar doorrazen met hun machines over smalle wegen. Veldwegen zijn dan modderig en met die felle wind van vrijdagnacht  liggen daar waar bomen staan afgewaaide takken op de grond. Met twaalf bakstenen in het pikkedonker op een modderige veldweg in een lichtstraal van twaalf meter klief ik naar huis.
Wintermaan, ijskoude wind. Mijn adem verdampt. Kom ik thuis.
Van gruwelen gespaard, ben ik nu alleen achter gebleven in een avond…spreek tot iemand mijn woorden leest Twee woorden zoals wijnrood en fluweel.



Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 00:00 Reageer op dit bericht

dinsdag 11 april 2006

Ook al is ze bijna zegtig, ze moet nog manieren leren. Met een zakje “Krupuk” in mijn linkerhand  zeg ik: zit. Ondertussen ga ik verder van haar weg en als ze aanstalten maakt om naar me toe te komen zeg ik: zit.

Als ze dan zit krijgt ze een “Krupuk” als beloning. Anders eet ik het zelf op, dat krokant weet-ik-niet schelpje met vissmaak betoverd.

Iemand zei: ge liegt tegen mij.

Aangedaan keek ik haar aan en zei: mijn leugen is waar.

Dan gingen we op reis naar het zuiden op een avond in een stad volgebouwd met restaurants. De kelners probeerden op straat klanten binnen te lokken. Er heerste een enorme drukte. We besloten om met ons lichaam over de stad te vliegen waarna we in een weiland terecht kwamen. Daar ontmoetten we een eenzaat die een paard bezat. Telkens als iemand voorbij kwam sprong het paard over de omheining om de voorbijganger te groeten.

Op een keer was het paard alleen en vonden we de eenzaat in een sloot. Zijn bovenlichaam was verstijfd. Zijbijmij droeg hem op haar schouders. Hij leefde nog maar sprak niet meer. We brachten hem naar het dichtstbijzijnde huis.

Daarna stonden we in een groot gebouw met veel verdiepen. Beneden waren ze het aan het verbouwen. Mijn vader liep tussen de werklieden en had een leidende rol. Hij was nog jong. Ze stoomden behangpapier van de muren.

Ik ging buiten en stak een Cubaanse sigaar aan die ik van een vriend gekregen had op een feest. Er was een scheur in de sigaar en het tabaksblad verpulverde in mijn mond.

Plots besefte ik dat zijbijmij verdwenen was. In paniek ging op zoek in het gebouw maar vond haar niet. In elke kamer waar ik binnen kwam waren de mensen kwaad om mijn onverwacht bezoek. Ik voelde me onderdrukt en had een groot verlangen naar haar. Zonder haar zou ik dit leven niet overleven.

Dan ging ik naar het huis waar we de eenzaat achter gelaten hadden. Hij leefde nog en zei: ze is hier geweest en is net vertrokken.

Ik ging buiten en vond het paard.

Weeral word ik wakker. Onderweg twijfelt een haas of hij zou vluchten voor mijn nabijheid en sprokkelen kraaien takken voor een nest. Het zonlicht blijft verdoken in een dichtgeslibde lucht. De dag woedt verder tot het avond wordt.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 17:47 1 reactie Reageer op dit bericht

Om vijf voor twee zie ik mensen naar hun uurwerk kijken. Afspraak om veertien uur. Onherroepelijk minstens een kwartier te laat. Ik zal zo laat zijn dat het een gemiste afspraak wordt. Een telefoonnummer heb ik niet om mijn nalatigheid aan te kondigen. Een lege fles met een boodschap dobberend op de rivier of een bericht meegeven met een duif is niet meer van deze tijd.

Er stopt een lijkwagen vlak bij mij. Ik sta immers aan de ingang van een begraafplaats. De kistdragers stappen plechtig uit. Ze dragen lange donkergrijze jassen van kwaliteit. De ceremoniemeester is gehuld in een blauw pak. Er is echter geen publiek, geen enkele nabestaande…ik maak me uit de voeten om deze vijfmansplechtigheid niet te verstoren. Abdij van Park noemen ze deze plek.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door warket om 17:42 Reageer op dit bericht

zondag 5 oktober 2008

Ik was op stap met collega’s  toen we op een bouwwerf van mijn vroegere werkgever kwamen. De graafmachines draaiden op volle toeren. Er werd geroepen en getierd. Ik zag hoe de kraanman een krat wijn naar boven hees. De werfleider herkende me meteen. Hij vond het vreemd dat ik met collega’s op werfbezoek kwam. Ik vertelde hem dat het puur toeval was.

In de werfkeet kwamen we de projectleider en de zaakvoerder tegen. Verdiept in bouwplannen gedroegen ze zich wantrouwig over onze aanwezigheid.

Plots wendde de zaakvoerder zich tot mij en zei op een toon die ik herkende :

“Ofwel ga je opnieuw voor mij werken ofwel verlaat je deze werf”.

Ik voelde opnieuw de hel in die laatste jaren toen ik voor hem in dienst was geweest en bedankte voor het aanbod waarna we verder gingen.

In de vooravond als iedereen weg was kwamen we terug. We hadden een slaapplaats nodig. Het hek hadden ze vergeten dicht te doen en de deur van de werfkeet stond open. Net toen we bijna sliepen knetterden blauwe vlammen uit de stopcontacten. Hals overkop vluchtten we in het donker langs de bouwputten naar de uitgang. Die was nu gesloten. Plots begonnen motoren te ronken en kwamen de graafmachines in beweging. De nachtploeg ging aan het werk. Zonder dat iemand het zag konden we over het hekken klauteren en verdwijnen in het veld. Daar stelde ik vast dat ik mijn boekentas in de werfkeet vergeten was. Ik liet mijn collega’s verder gaan en keerde terug. De projectleider zat me op te wachten. ‘Dat had ik van jou niet verwacht’ zei hij. ‘Kom je dan toch terug bij ons werken?’

‘Ik heb hier vannacht geslapen en vergat mijn boekentas mee te nemen’ bekende ik.

10h21: storm en regen buiten. De houtkachel smeulde nog vanmorgen. Ze was nog warm. De zoon had er op het einde van de nacht bij zijn thuiskomst een houtklomp ingelegd.

Normaal zou ik naar de oudste zoon gaan om het plafond te plamuren maar we hebben problemen met het opstarten van de verwarmingsketel,  de nieuwe spoelbak van de wc moet geplaatst worden en het hout ligt om ingekort te worden voor de houtkachel. Ik bel hem dat ik niet kom. Hij lijkt opgeluchter dan ik wanneer ik het hem vertel. Zijbijmij had ook niet veel zin.

Het is moeilijk om aan iets te beginnen als je zin hebt om in de zetel te ploffen en wat te lezen.

Doe dat dan, zegt het duiveltje in mij.

Gun de klus geen uitstel. Eens zal je het toch moeten doen, redeneert de huisvader.

11:05: de verwarmingsketel werkt terug. Vanwege het proefdraaien wordt het binnen tropisch warm. Ik heb zin in een broodje confituur met boter. Zijbijmij dwijlt het hondshaar van de vloer. Daarna gaat ze in het dorp inkopen doen. Vanavond eten we ajuinsoep.

De zoon is opgestaan en ligt in de oude lederen fautuille met zijn knokige voeten voor het vuur. Neuspeuterend staart hij voor zich uit. Ik observeer en ga op zoek naar de herinneringen toen hij nog een kind was. Tenslotte herbeleef ik zijn geboorte.

15h: wat een rotweer. Het riet waait tegen de grond. Alles is nat. Geen raaf die uit een boom komt. Zullen we in die windvlagen gaan wandelen? Neen, daar heeft ze beslist geen zin in. Zelfs de hond krijg je met geen stok buiten. Hou op met dat gezeur over het weer. Morgen staken ze tegen welstandsverlies. Wablieft?

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 19:43 Reageer op dit bericht

blind

Ik ga weg
weg van hier
Je zal het met herinneringen verder moeten doen.
Ik wil alleen zijn,
slapen op onmogelijke plaatsen,
overleven, niemand zijn, wegsmelten als sneeuw.
Ik wil we niet meer. Het moet ophouden te bestaan.
Die lucht, wat sta ik ernaar te kijken alsof het de laatste keer zou kunnen zijn.
Het is alsof ik op een hoogvlakte lig. Heb ik niet teveel gezondigd in dit leven?
 
Licht kan gloeiend zijn. Het maakt dingen tot schijn.
Wat je aanraakt heeft een kleur, is blijdschap die je voelt.
Ik zie het met mijn ogen.
Ik zie niet wat jij gewaar wordt in die onomkeerbare stilte in het donker. Je hebt
niets anders gekend. Het zal nooit anders zijn.
Toch wil ik het beschrijven in jouw gedachten.
De zon is een vuurbol en doet pijn als je er lang naar kijkt. Ze werpt onze schaduw op de grond.
Dat kunt ge U niet inbeelden want ge hebt het licht nooit gezien.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door warket om 15:58 1 reactie Reageer op dit bericht

zondag 9 april 2006

zondag 9 april 2006

 

5h  ’s morgens: ik ben opgestaan, drink lauwe koffie als overschot van gisteren en eet de rest van de suikertaart. Ik had een vreemde droom. Mijn familie had me verlaten. Ik voerde een anarchistische strijd tegen een uiterst rechtse gemeenschap waarbij mijn broer zich had aangesloten. We leefden op voet van oorlog. Ik was niet alleen. Ik leidde een verzwakt volk dat steeds op de achtergrond bleef. Heel zelden ontmoette ik mijn familie die mijn levensstijl afkeurde. Mijn broer speelde een cruciale rol. Ik stond op het punt broedermoord te plegen, klauterde over een omheining en werd achtervolgd door een stier.  Dan ontmoette ik mijn oudste zoon. We sliepen als tegengestelden buiten dicht bij elkaar. Hij werd wakker als een kind en vroeg om bladgoud te eten.

Dit is geen dag om binnen te blijven. De zon schijnt, geeft warmte ook in tegenwind. De markt is zoals alle zondagsmarkten zijn: alledaags op een zondagvoormiddag. Ik zei het al of wellicht nog niet: we zijn bij het krieken van de dag opgestaan. Laten we weggaan, zei ze.
Toen we terug kwamen reed ik voorop en verdwaalden we kortstondig langs veldwegen. Stilaan wordt het dan later.
Nu is het vooravond en riekt het binnen naar soep. Iemand stapt mijn omgeving voorbij. Waarschijnlijk een vrouw of een man.
De geur van mijn vingers, mijn pols…doen me denken aan deze dag. Het is zondag.
Er komt nog iemand voorbij. Weeral heb ik niet gezien of het een vrouw of een man is. Het was op een draf, een loopje. Waarschijnlijk gaat hij of zij naar huis, gaat dan onder een regendouche of in een heet bad met geurige oliebolletjes die langzaam ten onder gaan. Daarna soupé met namaakkaviaar en champagne.
Wie weet wat er nog gaat gebeuren nu het donker wordt.
Ze zeggen dat op dit uur de merels fluiten. De zon gaat onder langs de volwassen berk. Het eten is klaar.
Ik eet weliswaar met mate een avondmaal. Ziehier de romantiek van een zonnestraal in een volle maag. Wat ben ik blij om tot de bevoorrechten van deze wereld te zijn.
De nog thuiswonende zoon stuift de trap af en vraagt welgemeend of het morgen paasmaandag is.
Neen, dat is pas volgende week maar laten we proberen om een kokosnoot open te breken zonder teveel lawaai.
Ik hak met een scherp vleesmes met verbazing het hoofdje van de noot eraf.  Heerlijk dat kokossap, zegt mijn zoon. Hij snijdt het witvlees eruit en zegt: ‘van de schelp maak ik een asbak’.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 22:39 Reageer op dit bericht

zondag 28 september 2008

Fris buiten. De zon is opgestaan. Het is acht uur. Stef is net vertrokken om zijn examen bosbeheer. De koffiepot is nog halfvol.
Een prikje aan de hond, naar het toilet, keuken opruimen. Voor de bakker is het nog een half uur te vroeg.
9h: Zes sneden beenhesp en een halve kilo gehakt. Ze hebben het over deze schitterende nazomerdagen. Er is geen zuchtje wind.
10h30: Vollemaan en Dupont (die zich overslapen had) komen zijbijmij oppikken. Ze gaan naar een plantenbeurs. Ontbijten doen ze bij Greet. Ze hebben zich onoverdreven opgetut. Dupont zoals gewoonlijk zigeunerachtig, vollemaan wat jongensachtig   en zijbijmij heeft haar purperen jasje aan. De zomer onder de armen.
Ik tracht hun gezelschap nog wat aan tafel te houden maar er is geen houden meer aan. Ze geven me een zoen.
"Zijt voorzichtig en geen alcohol voor wie met de wagen rijdt!" roep ik nog alsof het pubers zijn. Dan gaat de tuinpoort dicht en is de zondag voor mij alleen.
Straks gaat het zonlicht over de tafel schuiven. Ik schuur er de vet- en wijnvlekken uit.
13h30: Het bladeren in de krant maakt me misselijk.Teveel onfatsoen dat de wereld naar de kloten helpt, maar niet de oase van onze tuin, zijbijmij, onze kinderen...en tenslotte de hond.
14h30:   Spoelbak van wc hersteld. Lekt nog een beetje. Boodschappen doen in de enige winkel die de hele zondag open blijft. Eerst een glas wijn. Zou ik mij niet scheren?
16h: Voor mij rijdt een vrouw te paard. Zie hoe ze haar heupen rond het dier klemt, evenwicht bewaart met de beweging van haar lichaam op de cadans van die paardenrug. Ook zij is nu alleen. Ik moet plassen.
In mijn dagboek steekt een vogelpluim. Opgeraapte herinnering. Even zie ik vlinders maar het blijken vallende bladeren te zijn.
20h30: Ze is thuis. De avond begint. Alleen vliegtuigen hoor ik nog. Het is redelijk stil. We eten wortelen met erwten. Nooit zal ik iets anders beminnen zoals zijbijmij. De dag eindigd nu.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 22:45 Reageer op dit bericht

schuw

Als je constant bezig bent met wat je denkt met wat een ander wil wat je bent  crash je vroeg of laat. Daar stopt het en kan je niet meer denken.

Er is geen dageraard meer zegt ze.

De lucht is gesluierd. Het motregende vanmorgen nog.

Waar ik ook ga, als ik vandaag iemand in de ogen kijk ben ik er zeker van dat men de triestesse in mijn aankijken ziet.

Ik voel me angstig. Ik schuuw deze dag en wil een nachtdier zijn.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door warket om 23:23 Reageer op dit bericht

duimreuk

Weeral beschrijf ik in herhaling ruikend tussen duim en wijsvinger een moment. Eerst die gehoorapparaten uit. Er is hier teveel lawaai. Heerlijk is daarna die stilte.

Nu nog in verbeelding een paar Romeinen verslaan, oceanen bevaren in een hevige storm en daarna de buurvrouw neuken. Dan maak ik kip met knoflook klaar.

Het motregent buiten, het is grijs en vaal. Een duimreuk maakt dat wel goed.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door warket om 16:36 Reageer op dit bericht

mountainbike

We gingen ergens naartoe. ‘We’ was niet erg duidelijk en ‘naartoe’ evenmin. In het dorp waar ik opgegroeid ben zou een trein komen die de mensen ergens naartoe bracht. Ik verkoos echter om met een mountainbike te gaan. In het begin verliep de tocht moeizaam. De straat leek wel op een gerimpeld tafelkleed dat voortdurend verschoof. In het halfdonker reden tractoren heen en weer.

Toen ik aan een hypodroom arriveerde kwam het daglicht op. Gilbert Aché stond me op te wachten met tickets. Eens plaats genomen op de gradins van het stadion vroeg ik hem: ‘Wordt dit een paardenkoers?”.

“Neen, ze gaan hier voetbal spelen” zei hij.

Plots kwamen twee bekenden erbij zitten waarvan één van hen zei: ‘Je hebt gisteren een trappist gedronken. Drink niet zoveel’.

Door het feit dat ik hier niet op een paard kon wedden en tevens een hekel aan voetbal had besloot ik om te gaan fietsen. Om bij mijn mountenbyke te geraken moest ik de lift nemen. Met liften liep het altijd scheef maar deze keer (behalve het feit dat de lift overbevolkt was met dienstvrouwen die telkens op een ander verdiep dan ik moesten zijn) verliep alles normaal.

Eens beneden begon iemand mijn oud fototoestel uit elkaar te halen. ‘Wees niet ongerust, ik heb hier verstand van’ fluisterde hij in mijn oor.

‘Plaats dan tevens een nieuwe batterij in mijn gsm’ zei ik bezorgd toekijkend hoe hij de tandwieltjes terug in elkaar vees.

Het was een oud toestel waarmee ik vijfentwig jaar geleden drie volle manen in Kathmandou was geweest.

Toen hij het terug helemaal in elkaar had gezet begon het toestel te lachen met een vrouwelijke stem en riep: ‘Ik ben opnieuw nieuw! Waarom heb jij dat niet eerder gedaan?’.

Mijn mountainbike wou ook een beurt maar de technicus was inmiddels verdwenen.

‘Wat doe jij hier. Waarom zat je niet op de trein?’ vroeg mijn vrouw die met de zoon op een tabouret naast mij kwam zitten.

‘Ik ben met de fiets gekomen en neem nu de trein’.

We vertrokken tezamen. In het station verloren we mekaar uit het oog. Ik besloot dan maar willekeurig op een trein te stappen en wisselde in elk station tot ik mijn geboortedorp herkende. Ik stapte af en kwam in de struiken terecht. Er waren spoorarbeiders aan het werk die me aanmaanden de berm te verlaten. Ik vroeg aan één van hen of mijn grootmoeder nog leefde waarna ik een met steengruis bedekte helling af liep naar het grootoudershuis.

Op de stoep zei iemand die me nog herkende dat mijn grootmoeder naar de bakker was. In afwachting at ik alle rijpe aardbeien uit de tuin en besefte te laat dat ze hiervoor boos zou zijn omdat ik er geen bruine suiker op deed.

Toen ze niet opdaagde ging ik te voet naar huis. Aan de voordeur zei mijn zoon:’ Ze is ongerust geworden en is op zoek naar jou’.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door warket om 12:29 Reageer op dit bericht

Meer van verbruikte toekomst

↑ Terug naar de berichten