snol
Ik heb in de duisternis een kaars aangestoken. Ze geeft voldoende schrijflicht zolang de wind niet komt aanzetten. Ik heb geluk. Er is geen wind. Alleen die dansende vlam.
Schrijven in dansend licht met schaduwen op papier. Het heeft iets, zo’n kaarslicht. Niets is zo toevallig en wanordelijk, altijd in beweging, op en af, bijna uitgedoofd en dan weer opflakkerend. Fragiel is die vlam bij het minste beetje zucht voor uitdoven beducht.
Deze dag heeft veel warmte en licht gebracht. Fijn om de avond bij dit kaarslicht door te brengen. Moederziel alleen met mijn schaduw uit bewegend licht.
Ver weg wordt nog een straatspel gespeeld voor het slapen gaan, en blaffende honden, ze horen erbij. Zonder menselijk lawaai zou er nog zoveel meer te horen zijn.
Donderdag 27 mei 2004-05-27
Eigenlijk vind ik je een dwaas maar ik ben blij dat ik je ken. Het is alsof ik je tegenkom op mijn weg en mijn eigen dwaasheid bij jou herken.
Denk er niet teveel over na want dan wordt die dwaasheid opgeslokt door rede.
Dan is dat zo.
Ja, zo is wat is.
Is wat is?
Is wat is?
En wat is niets? Uiteindelijk is niets nog altijd iets omdat we niets willen begrijpen. Niets wordt iets.
Wat zeg je?
Het ging over niets.
Niks?
Inderdaad, het was niks.
Hoor jij die muziek?
Ja, bombastisch en teder.
Ik wil dansen. Mijn lijf snakt naar beweging.
Laat ons dansen op devotische muziek en drinken tot we voor een ogenblik verliefd worden.
Alleen een vreselijke ramp van buitenaf kan ons liefde brengen. Dat is de trieste weerspiegeling van onze wanhoop.
Sinds ik jaren geleden mijn werk ruilde voor rustig gedoe is er veel veranderd.
Ik heb veel kleine dingen ontdekt, ook bij mezelf en anderen. De dagen werden een samenhang tussen opkomende zon en zonsondergang. De tijd weerspiegeld in de seizoenen.
Ik voel me beresterk en toch fragiel gedreven door doodsangst.
Soms dool ik voor zonsopgang met veel ontzag voor bomen door het bos met ijskoude handen en als de dageraad losbreekt wordt ik dronken van geluk. Het speelt zich af tussen aarde en melkweg. Een verhaal dat nergens toe leidt.
Af en toe strek ik me in het hoogseizoen uit tussen het onkruid, luisterend naar de wind. Dan kijk ik naar onveranderde sterrenbeelden uit mijn kindertijd.
Doelloos pruttelen met woorden, op den duur bijeengekit in een zwoersel van weinig betekenis, als een samenraapsel van klanken uit een ongeschreven partituur.
Het overkomt me steeds meer. Zo was het vandaag gesteld met het onbetekend “ zwoersel “ dat in zeer vroege ochtend aan de ontbijttafel ontstond in het aanschijn van overschot van zwossen van gebakken spek.
Sindsdien spookt het woord met de regelmaat van barensweeën door mijn hoofd, net zolang tot het uitgespuwd wordt in de vocabulaire van ongekend eufimisme.
Geplogenschap is dan weer een uitdrukking van het vrouwelijke in mezelf wanneer ik me laat omringen door verstandige vrouwen.
Ik heb het opgezocht in een groot woordenboek; de woorden bestonden nog niet. Het stelt me niet teleur. Als men de bal tegen de paal van het doel trapt worden er ook geen punten toegekend terwijl dat veel moeilijker is dan een doelpunt te maken. De redenering is de logica niet.


