12 september 2004
Ze waagt zich iets na het middaguur tussen de duizenden fietsers onder een zinderende zon ergens tussen D en G. Wat haar meteen opvalt is de gejaagdheid waarmee iedereen haar voorbij fietst. Ze rijden nochthans in dezelfde richting en ze is een geoefend fietster, ja, zelfs een straatkrijger. Het ligt mischien aan haarzelf, die traagheid. Ze kijkt om zich heen en schrikt van de massahysterie die democratie al zolang bepaalt. Bier, pensen, hamburgers en zweterige lijven, men schreeuwt het gejoel voorbij. Haar schreeuw houd ze voor zichzelf, die jankt door alles heen.
Eenzame fietsers horen er niet bij en worden van de
weg geduwd, de weg die vandaag aan het peleton behoort. Ik zei het al, wellicht
ligt het aan haarzelf of komt het door de zon die als een gloedheet zwaard haar
vel aanslaat.
Haar geliefkoosde plek is de buitentafel s'nachts met dansend kaarslicht
beschenen, zonder lawaai, een bewegende lichtkring om helemaal alleen te zijn.
Het wordt dan zo stil dat ze het bloed in haar oren hoort suizen. Suizend
bloed, zo zal ze in een volgend leven heten. Who knows.
Halverwege heb ik besloten om te spijbelen. Mijn gevoelens zijn even diffuus als de lucht. Uit het oosten waait een zachte luchtstroom om me heen. Het zal niet lang meer duren voordat de zon licht en warmte gaat verspreiden. Ik vertoef in veld- en boswegen. Het hemd dat ik vanmorgen aangetrokken heb riekt nog naar nieuw. De dag is vroeg begonnen en is voor mij alleen. De wereld is vandaag zoals ik hem me zal voorstellen: sereen, vluchtig en onwaarschijnlijk. Halfdoof en met een troebel zicht beleefd, observerend in en buiten mij want God bestaat. Ik wil ernaar kijken en beleven.
“ We hebben mekaar onverwacht gezien. Ik keek naar die katachtige blik in je ogen. Onze ontmoeting was even schuchter als een eeuwigheid geleden” .
Hoe is het met jou?
Goed, en hoe is het met jou?
Ook goed.
En met de kunst?
Ik werk aan een tentoonstelling. Wanneer ga jij publiceren?
Het zal er nooit van komen.
Waarom niet?
Ik heb de ambitie niet.
De omstandigheden onderbraken ons gesprek dat geen gesprek was, maar een reden voor samenzijn, vluchtig en schuchter maar zo intens dat de breuk een definitief afscheid leek. Deze dag is begonnen met een gedachte aan haar.
Ik kijk naar de in haar bochten kolkende rivier en sta in de schaduw van haar begroeïng. Ze stroomt steeds in dezelfde richting, elke dag is nieuw. Ze heeft al zoveel seizoenen ongemoeid meegemaakt en de tijd verslonden in haar loop. Diep in haar draagt ze leven mee, altijd in beweging. Het water blijft niet in mijn handen staan als ik haar aanraak .
Een reiger scheert langszij met een trage, zelfzekere vleugelslag. Ik zou willen voelen hoe het is om een reiger te zijn, of een boom waarin je de stilte hoort.
Weer verder zie ik de peripherie rond Leuven. Torenspitsen rijzen uit dorpen, bedolven in bebouwing, ze bestaan.
Zonovergoten Brabants landschap, met maïs- en aardappelvelden. Het koren is pas geoogst. De rand van een bos, veld en dan de stad die mateloos moeilijk te onderscheiden grenzen inpalmt. Ik koester haar bevolking, de begangkenis, de geur van frietkoten, zweet, bier-en tabaksgeur die uit cafedeuren walmt.
De troebelheid in vergezichten slokt me op. Mijn rede blijft bestaan als een relekwie. Door verblindend licht zie ik mijn pad niet meer. Ik smeek te beschikken over mijn leven zolang ik het nodig acht, en erover te beslissen. Steek je hand op. Kom op, steek je hand op, niemand kan je zien! Schreeuw jouw schreeuw, al is het regelrechte onzin. Ik heb de kennis van een onwetende.



