In een neus tussen duim en ringvinger geklemd ruikt het stof van de dag het ongeluid van pis en kak polsruikend in gecontroleerde dwaasheid laat ik aan de overkant in de struiken een oorverdovende scheet die het bewustzijn van aanwezigen verdooft en lach niet nu lach pas als ge deze onzin begrepen hebt.
Toen ik vanmorgen langs een veldweg reed, kon ik het me niet laten even stil te staan en te kijken naar het allermooiste dat hoogbejaarde kunstenaars al duizend jaar proberen te vereeuwigen: pril ochtendlicht dat vertederend over sidderende grashalmen kruipt. De opkomende zon had een tijdelijk knoopsgat in het wolkendek gevonden. Zolang deze schoonheid mij blijft verwonderen, stroomt een vreemd geluksgevoel door mijn aders. Een oude man stookt gedroogd loof van gerooid plantgoed op zijn land. Bedwelmd in de rook groet hij mij van ver. De belangrijkste gebeurtenissen van deze dag heb ik gehad. Mijn tochten zijn anders geworden. Ik begrijp nu dat er een einde aan komt. Nog steeds heb ik de redenering van ongenoegen niet aangeleerd. Het malcontentement in deze wereld is nochtans een noodzakelijk kwaad dat aandacht verdient. Laat dit maar aan de raad der wijzen over. Die worden er vet voor betaald. Als het onverstand dan al niet met het zwaard aan de ronde tafel gegeseld wordt, laat het dan in het vagevuur verblijven. Ik kus de dag op zen einde en kraak de mij geschonken noten. Op de terugweg kijk ik naar het uitstervend licht. Laat dit schrijven alleen maar een getuigenis zijn. Alleen iets onafgesproken kan ons aan een tafel verenigen.
Snuffel nog eens aan mijn poepje we hadden mekaar een jaar eerder ontmoet op een pensenkermis er speelde een orkest
Ik rook haar haren van dichtbij de geur kan ik niet beschrijven het moet een lokgeur geweest zijn want nu nog dompel ik mijn neus in haar inmiddels grijs geworden haren
lagen we als onbekenden afzijdig als slangen in een mysterie aan elkaar gekleefd als ik haar kus zegt ze: zo heb ik niemand gekend beneden is er een groot feest aan de gang de genodigden zijn bekenden de kinderen slapen buiten met een roofdier dat ik meegebracht heb overspelig zat mijn vader in het vroege uur nog aan een glas cognac te nippen terwijl hij zei: overdrijven we nu niet? in feite konden we mekaar niet verstaan in onze dovemansoren en ik miste iemand die niet gekomen was dan was plots het feest gedaan, sliepen de bekenden zat ik met verlangen in een medogenloze ruimte kwam er vuur uit de hemel en ging ik met de kinderen ondergronds
War en Tek zijn asielzoekers in het heelal (assielzoekers in het heelal is een gepikte uitdrukking van Dewulf). Zo vormen ze Tekwar in de fantasie van Warket. Tekwar is fictief. Warket bestaat en probeert de schizofrene limiet van de werkelijkheid te overschrijden. Vanop de met bladeren bedekte trappen licht de bestaande het fictieve in over de bomen die verder ruiven. Dat hij dat met bevende vingers uit de voorbije nacht doet hoeven Tek en War niet te weten. De bomen ruiven verder, de trappen zijn bedekt met geelbruine bladeren. Tout court. Ik heb de slechte gewoonte om mijn verjaardag onafgebroken twee dagen lang te vieren. Zalig om hier op die trappen alleen te zitten in opflakkerend zonlicht. Er zit een vlieg op dit blad. Een valt een blad op dit blad. Een heavy weight paper for pencil. Het leven suist in de oren. Wat doe ik hier, vraag ik me af. Tek, hij heeft vannacht Oer en Eva ontmoet. Straks heeft hij een afspraak met iemand die een onduidelijkheid gaat verduidelijken. Hij vertelde me zonet dat hij op een schaduw van een gebouw gepist heeft. Ook heeft hij een gedicht in een leeggedronken fles gestoken en in een rivier gegooid in de hoop dat iemand het zou lezen. Een embryonaal mysterie is dat, War. Is het nog niet genoeg geweest sinds gisteren? Neen, in feite niet. Onderweg sla ik af naar een plek waar ik een jaar eerder een verwaarloosde kinderpop gevonden heb. Ik bewaar ze in een oude kelder vol spinnenwebben. Mijn bakstenen kelder met een aarden vloer. Koel in de zomer, killig in de winter. Een oase voor alleen zijn waar peinzen ophoud. De pop zit met een verwilderde blik op een stapel bakstenen. Als ik naar haar vuil kleedje kijk denk ik aan de bezitter die nu volwassen moet zijn. Als kind had ik een aapje. Het had van die zachte roze oren waarin ik bij het slapen gaan mijn geheimen influisterde. Ik verklapte het de geheime paden die naar mijn kampen in het bos leidden, waar ik mijn houten zwaarden verborg. In mijn puberteit heeft mijn moeder het aapje weggegooid. Het had zijn oogjes en een oor verloren. Dat was het eerste grote verlies in mijn leven. Nu heb ik sinds vorig jaar opnieuw een pop. Ik ga ze bewaren net zoals mijn verhalen voor de rest van mijn leven, want nu ben ik mijn eigen baas.
Ze knaagt aan een koebeen. Ik schreeuw om het vuur dat een zoon meegenomen heeft. Bedaar mij. Het bot is afgeknaagd. Wat overblijft zijn splinters. De hoevekip is klaar. We gaan aan tafel. Ze is blij. Ik weet niet eens waarom. Daarna
zondagmorgen met in rechterhand een tas koffie en in linkerhand een
sigaret. Alles lijkt op een huiveringwekkend begin van een mooie dag. Een
dag die het onsterfelijk verlangen oproept het leven in schoonheid te
beleven, doelloos te dwalen in een wispelturige zonnestraal die bij
momenten zo verblindend wordt dat mijn ogen tranen. Een fatale
schoonheid van licht dat warmte geeft, zo vanzelfsprekend als liefde
van een moeder voor haar kind. Is het God of de Duivel die door deze morgen spookt? Mijn geest is zo listig om mezelf ervan te overtuigen dat geen van beiden bestaat. Achterin
het straatje naast mijn tuin hebben ze een vlag geplant. Een blauwe
vlag met witte sterren en een motief dat ik nooit eerder gezien heb.
Later blijkt dat het vandaag monumentendag is. De pastorie hier
schuin tegenover is een doelwit. Mensen komen en gaan. De hond blaft
voortdurend. Sommigen plukken appels van een overhangende tak uit mijn
tuin. Ach, laat ze maar doen. Monumentendag, heersersdag,
kunstenaarsdag, moederdag...elke zondag is er wel iets te doen om de
afschuw voor verveling te verdrijven. Toch had ik gehoopt dat het slechts tot het schijnsel van de middag zou duren. Veel later dan... nu de zon onder gaat is het beganksel eindelijk geluwd. Een enkeling maakt nog een laatste wandeling met een hond. De
klokken luiden acht maal. De dag is voorbij. Ik heb de ganse dag buiten
gezeten. Nu ik binnen ga voel ik de warmte van het vuur dat ze
aangestoken heeft. Een vuur om konijn op te stoven.
Mijn moeder en ik, we gingen tesamen ver weg. Ze was jong en mooi.
Na veel geloop stapten we in een groot vliegtuig.
De piloot had twee medewerkers met zich mee. Ik kon hen zien.
Voor we opstegen moesten we langs tuinwegen en smalle straten. De vleugels plooiden zich rond de romp.
De piloot reed roekeloos langs straten en soms deed hij een poging om op te stijgen.
Het is maar een tussenlanding, schaterde hij.
Toen we opnieuiw opstegen gespte ik mijn moeder vast. Mijn gordel was kapot.
Als je wil mag je zelf het vliegtuig besturen, zei de piloot. Ze waren aan het feesten.
Ik word wakker. Het huis warmt op.
Als ik ga plassen schijt ik per ongeluk vanwege een scheet
halvelings in mijn pyjamabroek. Een klein vlaaitje maar. Het is jaren
geleden. Ik weet het nog.
Zij eet de noten en ik de koeken. Er vaart een boot voorbij. Een
bejaard echtpaar stapt voorbij. Ze steunt zijn rechterhand. Hij beslist
Het zou me niet verbazen moest iemand dit geschrevene nogal
verwarrend vinden. Zou ik dit wel publiceren nu ik nog de kans heb om
dit geschrevene te anunleren?
Neen, ik druk op "controleer de tekst" en daarna zien we wel.
Ik doe niets liever dan steenkappen, zegt ze. Voordien had ze met met een bijna vanzelfsprekendheid de elastiek uit haar paardenstaart getrokken en in één beweging haar haren los geschud. Eerst bleven we zitten tot de lucht rozig werd, daarna tot zonsondergang en uiteindelijk is het donker geworden met een beetje kilte in het straatlicht. Niet toevallig zitten we vlakbij een begraafplaats aan een plastieken ronde tafel trappist in gesprek te comsumeren. Een heel klein beetje overspelig in loslippigheid denk ik achteraf. Goh, wat maakt het uit? We zijn allemaal aan elkander gelijk. Nu, in het weinig licht, herken ik haar nauwelijks uit haar dagelijksheid. Haar anders zo typerende zwijgzaamheid wordt overdonderd door een stortvloed van woorden die als bruisende golven tegen kliffen dwepen. Nog enkele maanden en alweer is een zielsgenoot uit mijn leven verdwenen. Dat is het toch nietwaar? Mensen komen en gaan, tot we zelf voor altijd gaan. Zelfs de herinnering blijft niet bestaan. Voor we weg gaan vraag ik haar beleefd of ik aan haar haar mag ruiken. Doe maar, zegt ze. Haar haar ruikt anders dan dat van zij bij mij.