Over Stalagmieten, Puntzakken, Sanseveria’s en Andere Belgische Mysteries


De eerste keer dat ik kennis maakte met dit land was tijdens een vakantie. Ik zal een jaar of elf geweest zijn, toen wij op vakantie in Nederlands Limburg een uitstap maakte naar de grotten van Han. Bij de grens net voor Visé veranderde het landschap al. Ik verbaasde me toen al, een prachtig landschap, maar de gebouwen, fabrieken, de huizen, wat een smerige oude meuk.
Ik leerde er niet alleen het ezelsbruggetje dat stalagmieten staan en dat stalactieten hangen, maar ook de Belgische friet en de typische puntzak kennen.
Het jaar daarna vertrokken wij (mijn ouders, mijn broertje en ik) vanuit Amsterdam met de Ami6 richting een Spaanse Costa. Om mijn Vlaamse lezers te plezieren, schrijf ik erbij, dat de auto vol zat met aardappelen, pindakaas, hagelslag, blikvoer en verse melk, genoeg voor een hele maand, want dat geloven ze graag, die Belgen. In Frankrijk zouden wij onderweg ook nog een paar keer kamperen. Maar eerst moesten we dat “k****” België” door.
In die tijd reed je niet in een paar uur over de snelweg van de ene grens naar de ander. De snelweg hield ergens bij Brussel op. Bijna dreigden we verloren te raken in één van de vele zwarte gaten in de weg, speciaal aangelegd voor ‘Ollanders met de bedoeling ze daarin te laten verdwijnen, vernam ik later uit zeer welingelichte kringen.
Maar mijn moeder had de reis tot in de puntjes voorbereid en las de kaart. Zij bepaalde de route, mijn vader voerde uit. En zo kwam alles goed...
Ik weet nog dat we door Mons (Bergen) reden, de draai maakten voor het station, richting Maubeuge, niet wetende dat ik hier jaren later nog vele malen zou komen, als bewoonster van de streek. Laat staan dat mijn schoonzoon mij hier ooit van het station zou oppikken om mijn pasgeboren kleinzoon te gaan bewonderen. Mijn twaalfjarige zelf had het nooit geloofd…
De huizen waren hier raar. Althans, dat vond ik als vervelende puber indertijd. Voor de ramen overal koperen potten met vrouwentongen of grote opzichtige Chinese vazen. Alles was even lelijk in dit land.
Op een zeker moment toen de auto even moesten stoppen voor een stoplicht en ik naar buiten keek, zag ik een raam met een door de wind zacht bewegend gordijn, als een ademtocht van het huis. Beneden liep een postbode, een bode: Met mijn hoofd tegen het autoraampje gedrukt bekeek ik het schouwspel en wist: dit was een teken!
Althans, zo leek het. Het moment was bijzonder en is mij altijd bijgebleven. Het was alsof dit moment mij een richting aanwees, zonder dat ik wist hoe en wanneer…









