Het interview met Omsk Van Togenbirger (Zevende deel)
Het interview met Omsk Van Togenbirger (Zevende deel)
Plotseling zie ik dat de zuster die de koffie heeft gebracht weer in
het deurgat staat. Van Togenbirger heeft de blik verdroomd gericht
op de toppen van zijn schoenen, de zuster knipoogt, nijgt zich naar
me toe en fluistert me in het oor:
– Het lijkt erop dat hij weer goed op dreef is, eigenlijk is het tijd
voor zijn pillen, ik zal nog een beetje wachten tot het interview
gedaan is...
– O, daar is nog lang geen sprake van, zo antwoord ik haar: tenzij
u daar anders over beslist natuurlijk, u zegt het maar als u vindt
dat dit onderhoud te lang duurt...
– Nee hoor, doen jullie maar rustig verder, zegt ze, en als jullie mij
nodig hebben: hier is de bel!
Zij wijst naar een sinaasappelvormige plastic bol die vast hangt
aan een touw en demonstreert het mechanisme door er eens aan te
trekken. In de verte, elders in het gebouw, is een gerinkel hoorbaar
dat door dit museumstukje voortgebracht wordt en zij lacht, wuift
en verlaat de kamer. Pas nu lijkt Van Togenbirger weer uit zijn
gedachten te ontwaken.
– Als ik het goed begrijp, beste Omsk Van Togenbirger, is er op de
een of andere manier dan toch wel sprake van de door de religies
voorspelde apocalyptische tweestrijd? De lang verwachte
eindstrijd tussen goed en kwaad? En dan zouden, volgens jouw
uitleggingen, de verkondigers van de pandemie, de
wetenschapslui en de politici, in feite de Luciferianen zijn, terwijl
hun tegenstanders, aan wie spreekrecht wordt ontzegd en die
ervan beschuldigd worden complotdenkers te zijn, eigenlijk
moeten worden beschouwd als de redders van de mensheid? Ik
kan mij daarbij echter niet van de indruk ontdoen dat wie de
zaken op die manier voorstellen, zich blootstellen aan de kritiek
dat zij wel bijzonder aanmatigend zijn. Heb je daar al aan
gedacht en heb je daar een antwoord op?
OVT: Mijn beste, luister nu eens hier. De vraag die men zich moet
stellen wanneer men het hele gebeuren in ogenschouw neemt, is
de volgende: wat beogen degenen die onverschrokken de
pandemie verkondigen en wat beogen zij die zich met al hun
hebben en houden tegen hen keren? Wat drijft vooreerst diegenen
die ons komen te vertellen dat wij bedreigd worden door een
welbepaald kwaad en dat zij de oplossing daarvoor in petto
hebben? Je begrijpt toch dat die handelwijze helemaal niet nieuw
is? Dat zij zich alsmaar herhaalt in een ontelbaar aantal vormen?
Op de keper beschouwd gaat het hier om een bijzonder goedkoop
en doortrapt maar even beproefd patroon dat een tactiek verraadt
die zonder uitzondering alle potentaten hanteren om de massa aan
zich te onderwerpen en vervolgens uit te buiten.
– Hoe dan wel?
OVT: Ik maak jou bang voor een zeker kwaad en vervolgens
verkoop ik jou de ultieme oplossing voor een zo dik mogelijk pak
geld! Wel, is dat niet de tactiek waarmee bijvoorbeeld de
katholieke kerk de halve wereldbevolking al tweeduizend jaar lang
aan het lijntje houdt? De katholieke kerk maar ook alle andere
religies? De potentaten in de verschillende religies maar ook de
machtswellustelingen in de politiek en in zowat alle sectoren?
– Tja...
OVT: Mijn beste: waar figuren opduiken die angst zaaien, zijn
gezonde mensen extra op hun hoede want instinctief weten zij heel
goed wat daar op volgen zal. Elke verkoper, of moet ik zeggen:
elke dief, weet dat hij zijn product pas kan slijten als hij bij zijn
potentiële klant een behoefte daaraan kan opwekken. In de huidige
wereld poogt men vooral veiligheid te verkopen, een product dat
goed in de markt ligt na enkele jaren van opgeklopt terreurnieuws
over och arme een paar honderd slachtoffers wereldwijd of waren
het er een paar duizend? Er wordt een kwaad geschapen en een
remedie volgt tegen een prijs die uiteindelijk niemand meer bij
machte is om te betalen omdat, als puntje bij paaltje komt, het om
het eigen leven van de betrokkene gaat. Ja, van niets minder tracht
elke potentaat zijn prooien te beroven dan van hun eigen leven en
als zij het weigeren om hun leven aan hem te schenken, lopen zij
het gevaar bij iedereen voor lafaards door te gaan! Of heb je niet
onthouden wat de leiders rondbazuinen over het volk? “Hebben ze
dan iets nodig om voor te leven?” - zo schreeuwen ze: “Welnee, ze
hebben iets nodig om voor te sterven!”
– We weten pas zeker of we voor een zaak willen leven als we ook
bereid zij er voor te sterven: zijn dat niet de woorden van Erneste
Che Guevara?
OVT: Maar mijn beste: tallozen hebben variaties gemaakt op
datzelfde thema! Martin Luther King, Dag Hammarsjold, Fjodor
Dostojevski, Albert Einstein, Gilbert Chesterton, Arthur
Schopenhauer...
– En spreken zij dan de waarheid niet?
OVT: Mijn beste, ik noem het doen van dergelijke uitspraken een
vorm van de aan mannen eigen drang om te paraderen en sta mij
toe dat ik dit met enkele voorbeelden illustreer. Onlangs zijn
bijzonder betrouwbare getuigenissen vrijgegeven over de
bemanning van de reddingssloepen van de Titanic die in de nacht
van 14 op 15 april van het jaar 1912 tegen een ijsberg aan vaarde
en zonk. Los van het feit dat de opvarenden van tweede of derde
klasse met het neerlaten van hekkens verhinderd werden om het
dek te bereiken waar zich de reddingssloepen bevonden, heeft zich
onder de elite op het dek een nog groter drama, een drama van
eerste klasse afgespeeld. In weerwil van de morele regel dat
vrouwen en kinderen eerst gered moeten worden, bleken de
overlevenden in de schuiten die het schip dat ter hulp kwam,
bereikten, bijna allemaal mannen te zijn.
– Daarvan heb ik inderdaad gehoord, ja...
OVT: Nog een mooi prentje is dit. Er bestaan op televisie
verspreide beelden van een gezin dat in een drive-in natuurpark
niets vermoedend de auto verlaat. Alras wordt het kind belaagd
door een tijger en raad nu eens wat er gebeurt! Terwijl de moeder
haar kind overigens met succes tegen het wilde beest verdedigt,
vlucht de vader snel de auto in.
– Ja, ik heb die beelden ook gezien...
OVT: Ik vermoed niet dat het hier om uitzonderingen gaat en
daarom ook geloof ik dat men hieruit misschien wel met recht en
rede het besluit mag trekken dat ook de gezegdes over de nood aan
een zaak waarvoor men zijn leven veil heeft, berusten op
zelfoverschatting en grootspraak. De befaamde uitspraak over de
nood aan een zaak om voor te sterven dient dus een weinig
aangepast te worden, vind je ook niet?
– Misschien wel, ja...
OVT: Wat dacht je dan van de volgende: “De mensen... of beter:
de mannen... hebben een zaak nodig waarover ze kunnen zéggen
dat ze bereid zijn om er voor te sterven!”
– Klinkt wel cynisch...
OVT: Mannen zijn met andere woorden supporters en dat is iets
heel anders dan helden. Supporters zijn meelopers, massamensen
zo men wil, kuddedieren die een leider volgen.
– Misschien heb je wel gelijk.
OVT: Zeer onlangs las ik in het nieuws dat een burgemeester en
tevens een vooraanstaand lid van een partij met een macho-imago,
nadat hij beschuldigd werd van geldverduistering, zichzelf nu een
slachtoffer van oplichting noemt en luister nu goed, mijn beste:
het was niet een leeuw door wie hij zich liet temmen maar een
vrouw, zij het er een met het kapsel van een leeuw!
– Ha...
OVT: De parade wijkt hier zelfs voor het persoonlijke gewin want
iedereen weet dat een man die door een vrouw geveld werd en dat
ook nog toegeeft, volgens de regelgeving van macho's afgedaan
heeft als leider en dat wie hem dan nog volgen, niet goed snik zijn.
De kerel staat trouwens niet alleen met zijn opportunistische
bekentenis: een partijgenoot van hem zat onlangs in hetzelfde
schuitje en kwam weg met een gelijkaardige uitleg. En zie je nu
wat nog het ergste is?
– Euh...
OVT: Die mannen blijven paraderen op de buis alsof er geen
vuiltje aan de lucht is. Of heb je dan de stoelendans van Ankara
gemist?
– Tja... en wat...
OVT: “Een zaak om voor te sterven”: dat is gewis het aas
waarmee de leider zijn kuddedieren vangt, waarna hij hen prompt
naar het front stuurt om daar met hun leven voor zijn eer te gaan
betalen want zijzelf zijn bittere sukkelaars, zij drentelen achter een
vlag aan die niet eens de hunne is. En dit is exact de manier
waarop vandaag godbetert wereldwijd de massa in het gareel
wordt gehouden door een bende, en ik wik mijn woorden,
gewetenloze megalomane blasé miljardairs.
– Ja?
OVT: Niemand immers, mijn allerbeste, kan de bedoeling hebben
om uitgerekend diegenen bij te staan die hij aan het bestelen is.
Quod erat demonstrandum.
(Wordt vervolgd)
(J.B., 27 april 2021)


